|
|
|   |
Het leven holt van
links naar rechts
Van boven naar
beneden
Van leven naar
vergeten
Wij denken altijd slim te zijn
Wij stoten af en sluiten uit
En staan plots op een berg
van Verleden Afscheidstijd.
(LL, 3 mei 2004)
Hoe moet ik leven met gedachten
die vaak herinneringen zijn?
Ze komen plots als uit een droom
Het zijn ontmoetingen, doodgewoon!
Ik ontwar niet altijd de knoop
waarin ze zijn gepromoot?
En soms zie ik een kloon:
mezelf leven in een droom.
(LL, 4 mei 2004)
De lessen uit alle dromen zijn
‘Goh, we zijn zo kort op aarde;
Laat ons toch minstens onze
naaste familie beminnen.
Vader, moeder, zussen en broers.’
Het is het minste
dat de natuur
heeft voorzien,
tijdens ons schamel leven.
(LL, 3 mei 2004)
Is het afgunst of niet begrijpen
dat mensen elkaar mijden
is het onbegrip of onvermogen
dat we elkaar als beesten doden?
Is het leven voor ons te hoog gegrepen,
zijn we door overmoed gebeten
of denken we een Heer te zijn
en behandelen we onze naasten als een zwijn?
Ik weet het niet.
Wij zijn zo broos als riet,
maar willen altijd witte suiker zijn:
Zo wit, zo zoet, zo tand en pijn.
(LL, 3 mei 2004)
Ik zie het einde van mijn leven
met weemoed tegemoet
nu mijn ouders oud
en ik,
de volgende generatie ben
veel kennissen en nonkels
zijn net als koolmijnkompels
al lang verleden tijd
de herinnering kent geen spijt
in het besef
een mens te zijn.
(LL, 4 mei 2004)
En als de avond valt
als een komeet
de vuisten gebald
met een lange streep
Dan hoor ik een stem
van de overkant
spontaan zonder rem
kijk ik over de rand
Ik zie hemel noch hel
wel schrik en angst
een geschiedenis van de rel
huppelende hazen om ter bangst
(Leopold Laarmans, 11 augustus 2003)
Schrijven zal ik doen
Met of zonder licht
Groeien naar de hemel
De wijde ruimte in
Langzaam als het moet
Eik-achtig lang
Supersnel als het kan
Zoals een Ardeense spar
Kaarsrecht
Of vol met takken
Als lichtscheppers
Van mijn bestaan
(Leopold Laarmans, 22 november 2004)
Ziezo, mijn oog klaart op
ik kan weer zien
links, rechts,
‘samen’ lezen.
Heel veel leven
begint met een goed zicht
anders is het oordeel
ondoorzichtig.
Wie kijkt als een steen
botst tegen alles
en valt op een goeie dag
te pletter.
(Leopold Laarmans, 18 augustus 2004)
Ik zou moeten lachen
maar ik ween
Op deze hartverwarmende zomerdag
18 augustus 2004
Ik heb geen verklaring
Het is de wet
van mijn gevoel.
(Leopold Laarmans, 18 augustus 2004)
Ik leef met mezelf
niemand anders
is geïnteresseerd
in mij
Waarom ben ik niet gelovig
dan had ik meteen
een vriend:
God
Maar ik geloof niet
niet in een God
niet in anderen dan
mijn ouders en mijn kinderen.
(Leopold Laarmans, 5 oktober 2004)
Zoveel mensen
Zoveel onbekenden
Ook in een wereldstad
Ook in Brussel
Allemaal mensen
Allemaal verschillend
Ook al spreken ze dezelfde taal
Ook al is de huidskleur dezelfde
(Leopold Laarmans, 26 februari 2000)
In de kamer van mijn boeken
Ben ik meester van honderd verhalen
Doe ik mysteries uit de doeken
En bevaar ik zeeën en kanalen
Voor elk probleem zoek ik een filosoof
Maak hem chef van een paragraaf
Geef hem een paard en een diepe kloof
En een boef met een grote kraag
In de verste uithoeken van de wereld
Ga ik eens even proeven van de keuken
Bezoek ik ruraal volk dat bedelt
En bezorg er blikjes cola zonder deuken
Voorts lijm ik hier en daar wat potten
Strek me languit op elk strand
Maak paleizen van de talrijke krotten
En waan me God die lanterfant.
(Leopold Laarmans, 12 augustus 1999)
Goeiemorgen morgen
Kijk! Mijn benen
En ook mijn armen bewegen
Ik zie, ik hoor, ik praat
Ik voel me lekker
Uitgeslapen en wakker
Wie doet me wat?
(Leopold Laarmans, 13 oktober 2004)
De toekomst
is een zwakke bries uit het zuiden
‘liaisons dangereuses’ en
verzamelde saïllanterieën
Dag ‘verre vrienden’!
Wanneer mag ik mijn ‘laatste brief’ ontvangen?
Of spreken we af tijdens een middag?
Of wachten we tot juli of augustus?
Wanneer de zwoele zomeravonden ons versmachten?
(Leopold Laarmans, 26 januari 2001)
Ziezo, zei de komkommer
Hier lig ik nu in schijfjes
Snakkend naar vocht
Aan eenheid verknocht
Maar verspreid en overal
Ben ik ver van zee en wal
Sta ik nooit meer recht
Ben ik nimmer echt.
(Leopold Laarmans, 22 november 2004)
Top
|
|