|
|
|   |
In café Beau Site aan
een dijk in Oostende
zie ik de zon
zakken in de zee
Het is 28 augustus
en ongeveer half acht
ze straalt nog als een zonnelamp
maar de zee trekt haar aan
Op de grens van licht en water
komt een hoovercraft op volle snelheid
zeedruppels spatten op, maar
het raakt haar mantel niet
Meeuwen vliegen haar even tegemoet
maar het is te hoog gegrepen
ook al wachten ze tot de avond
de zon zakt op een onbepaalde plaats in het water.
(Leopold Laarmans, 28 augustus 2001)
Plots verschijnt de zon
en de woeste zee
wordt weer een rustig slaatje
knapperig groenachtig
Schilderswolken dijen voort
en de wassende zee
brengt schuim
op de lippen van het strand
Mensen lachen weer
en ademen met volle teugen
zand en lucht
tussen de kiezen.
(Leopold Laarmans, 19 augustus 2004)
Oh Guido, bescheiden Guido
vereeuwigd in het Stene-Dorp
in de schaduw van de koninginnestad
schrijvend over de Noordzeewind
de wolken en de dauw
daarin zocht jij de koelte
van een literair bestaan
wars van toekomst en ontstaan
jij schreef een hele generatie plat
zoals de Vlaamse polders zijn
jouw pen was jouw speer
maar nu ben je er niet meer.
(Leopold Laarmans, 18 augustus 2004)
Zie het volk
zich weer eens wentelen
in zijn merkkledij
en naar reuzel stinkend zweet
Zie het plebs hier op de dijk
in de zuilengalerij van wijlen koning
ooit een exclusief adellijk oord
nabij de Noordzee, nabij de boord
Zie het gepeupel schuifelen
pas na pas
met het hoofd gebogen
denkend aan hoe het was.
(Leopold Laarmans, 16 augustus 2004)
Zie het klootjesvolk zich weer vermaken
met een beugel zoethoutgeld
en veel te dikke buiken
om genietend in zee onder te gaan
Zie het volk hier opnieuw flaneren
van strand naar strand
op de zopas gerenoveerde dijken
waarop ze voor niemand wijken
Zie de klootjes hier belangrijk zijn
aan het gezegende Noordzeestrand
in de vervlogen koninginnestad
als het regent, steeds kletsnat.
(Leopold Laarmans, 16 augustus 2004)
De wassende zee is nog niet klaar
of met honderden springen ze al
in een baar
half-rauw, half-gaar
Op de koninklijke tribune
van het Noordzeestrand
in de koninginnestad
neem ik het waar
Wie wil koning zijn
van al dat volk
dat niets of niemand spaart
het is niet veel waard.
(Leopold Laarmans, 16 augustus 2004)
Vandaag werd ik weer maar eens geconfronteerd
met lelijke mensen, allemaal getransformeerd
ik ijl het strand af, de hele kuststreek ver
maar zie niemand mooi, van her tot der
Van de weeromstuit spurt ik
enkele horecazaken binnen
op zoek naar de verborgen minnen
maar nergens, of zo Heer
zag ik een mooie vrouw als weleer
Daar stond ik dan aan de grond genageld
ik keek naar vrouwen alsof ze
door elkaar waren gehageld
geen enkele had nog een model
ik dronk dus graag de gifbeker, en snel.
(Leopold Laarmans, 16 augustus 2004)
Het was een klomp vlees
Die zacht wegzonk
in het mulle strand
Tot de vloed van de zee
Ze weer op de dijk bracht
Voor de volgende lading
niervet en reuzel.
(Leopold Laarmans, 15 augustus 2004)
Met meer dan golven in de zee
neem ik afscheid van het water;
Na tien dagen is het weer voorbij
nu al voor het dertigste jaar
Mijn liefde groeit, jaar na jaar
het schuim is almaar meer vertrouwd;
Maar de spanning van de golven blijft
spontaan, creatief en altijd nieuw
Afscheid nemen van mijn vakantieattitude
simpelweg: uit de veren om zes uur;
Fietsen naar het stationsbuffet
in de koningin der badsteden
Lezen over het leven van elke dag
zelf intens genieten van dat leven;
Heel bewust en dus vaak alleen
de kinderen geborgen in de moederschoot
Mond open, happen naar zeelucht
oren open, luisteren naar de stem
aan
de overkant.
(Leopold Laarmans, 16 augustus 2003)
Top
|
|