|
|
|   |
Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 90 t.e.m. 99
90. LES REVERIES DU PROMENEUR SOLITAIRE [In de reeks Berbroekenaar in Parijs - deel IV (dinsdag 28 januari)]
- “Stoort het je als ik je iets vraag, “ vroeg een oudere man terwijl hij naast me plaatsnam op de bank in het park.
- “Neen, “ keek ik hem een beetje verbaasd aan.
- “Wel, hoe oud denk je dat ik ben?”
- “Achtenvijftig jaar!”
- “Negenenzestig, “ stak hij zijn kinnebak omhoog alsof ik het was die hem had uitgedaagd. We moesten beiden glimlachen en toen hij vroeg welke wind mij naar Parijs gewaaid had, twijfelde ik even. Ik zat net weg te dromen met een biografietje van Jacob Böhme (1575-1624) die het in de jaren 1600 had geschopt van schoenmaker in Görlitz (D) tot een autodidact met grote eruditie in de religie en filosofie. Wat kwam die oude Parijzenaar hier rommelen tussen mijn visioenen. Hij was toch de geest van Böhme niet zeker, want ook de jonge Jacob Böhme leefde van visioenen die hem de grond der dingen openbaarden. In zijn werk Morgenröthe im Aufgang, later Aurora getiteld, moet daar trouwens wat van terug te vinden zijn. De ouwe man bleef me verkennend aankijken.
- “Komaan Laarmans,” pakte ik mezelf vast, “Stel uw rust die je jezelf had gegund na je zoveelste bezoek aan het Musée Picasso (Rue de Thorigny, 5 - Metro: St-Paul, Filles-du-Calvaire) maar even uit!” Trouwens, het Place des Vosges (Marais, aangelegd onder Henri IV, 1589-1610, op nummer 14 woonde schrijver-dichter Victor Hugo van 1832 tot 1848 en sinds 1902 het Musée Victor Hugo opgericht), één van mijn lievelingsplaatsen in Parijs, zou niet gaan lopen. Ik lachte als een schizofreen en trok het gordijn rondom mij in een ruk open zodat de man een beter beeld kreeg van mijn open geest.
- “Ik ben sinds een maand op pensioen, “ vertelde hij, “En ik heb enorme problemen om me aan te passen in deze maatschappij. Waardig ouder worden is er niet meer bij, want ik word letterlijk afgesneden van de wereld. Ik ben opnieuw zo hulpbehoevend als een kind, maar dan zonder ouders, want die zijn dood.”
Ik knikte alsof ik een volleerd socioloog-etnoloog was en bleef beleefd luisteren. Un petit peu discret. Dat fijngevoelige gedrag was genoeg voor de man om verder te praten alsof ik had gereserveerd voor zijn voordracht. De Parijzenaar, die het midden hield tussen Jacques Chirac (°1932) en François Mitterrand (1916-1996), goed 1.75 meter lang, een slanke lijn, stevige witgrijze haardos, was zeer netjes en in zijn zwarte stoffen broek liep over de hele lengte een messcherpe plooilijn. Onder zijn pekzwarte trui met V-hals droeg hij een zijden beige hemd dat volledig was dichtgeknoopt. Zijn zwarte Italiaanse schoenen blonken in de zon en zijn antracietzwarte sokken hadden een motiefje op de enkels. Zijn gezicht was een beetje gebruind en de enige echte rimpels bevonden zich aan de zijkanten van zijn bruine ogen. Zijn neus was gestolen in België en zijn tanden waren zeer verzorgd al twijfelde ik of het een dentier was. Hij stonk niet uit de mond en zijn handen waren zo gaaf alsof hij zijn hele leven lang met krijtjes had gespeeld. Geen ringen, niet links, niet rechts, maar alleen een horloge aan de arm uit de tijd dat het staal van de Eiffeltoren (in 1889 gebouwd om het eeuwfeest van de Franse Revolutie te herdenken, oorspronkelijk 300 m - mét antenne 320,25 m, 9.547 ton, Metro: Bir-Hakeim, Tour Eiffel) nog blonk. Een emeritus aan de Sorbonne (Quartier Latin, gesticht in 1353 door de biechtvader van Lodewijk IX, Robert de Sorbon - Rue de la Sorbonne, Metro: Cluny-La-Sorbonne, Luxembourg) Deed het ertoe? Het was een perfecte dag waar ik aan vast wou blijven klampen. De zon scheen en de man vertelde helder zodat ik het gesprek goed kon volgen. Waarom weggaan? Wie weet deed ik geen nieuw idee op? Net zoals de idealistische filosofen Hegel en Schelling dat kregen na het lezen van de werken van slimmerik Böhme. Je weet wel, die mogelijk gereïncarneerde geest naast mij.
- “Of je nu arm of rijk bent, ambtenaar of professor, technicus of chirurg... niemand kan plots omgaan met zoveel vrije tijd,” verduidelijkte de geest van Böhme nu zijn standpunt en hij declameerde verder: “Vooral die laatste fase van ouder worden, wanneer je al eens een paar noten vals zingt zoals elke ouwe sénile, dan is het leven helemaal voorbij. Dan kan je alleen nog hopen op beste vrienden of beste kinderen die je verzorgen tot de laatste snik. Anders is dàt moment het beginpunt van euthanasie. Want nergens krijg je de zorgen die je verdient. Je bent een lastpost die nog geholpen wordt in functie van zijn geld en zijn relaties. Je kan nog boeken lezen en herlezen, maar het publiek is weg en blijft weg. Voor wie moet ik straks nog leven?“
Tja, ik wist het ook niet. Dus, ik zweeg. Hoe zou ik hem trouwens wat dan ook kunnen uitleggen in verhelderend Frans. Een gedichtje van de Franse dichter uit Metz, Paul Verlaine (1844-1896) opdragen? ‘Clair de Lune’, haha. Buiten de zieligheid waarmee de man zich nu meer en meer presenteerde, had ik helemaal geen affiniteit met zijn situatie. Ik was op reis in de hemel Parijs waar goden en engelen zomaar door de straten vlogen. Gouden lepeltjes. Havermout. Joden en Arabieren in één en dezelfde straat zonder dat er stukken mensenvlees aan de lantaarnpalen hingen. Ik was er zo gelukkig dat ik wellicht licht uitstraalde op de groene bank. Had die ouwe rekel me zo gevonden? Voor mijn part ging hij opnieuw studeren, maar aan kop en lijf te zien, had hij al nooit anders gedaan. Seksen op internet? Jetskiën op de Seine? Jawel, ik zag zijn knelpunt wel. Nu hij oud geworden was, zat hij gevangen in een enorme gouden kooi van de hedendaagse wereld. Vroeger. Heel vroeger was er van ‘klagen’ nooit sprake geweest. Dan had de Parijzenaar gediend als voer voor de sabeltijgers. Ook de tijd rond de geboorte van Jezus Christus had hem geen soelaas geboden. Een of andere Romein had hem op die leeftijd al lang aan een kruis genageld als versiering voor Kerstmis. De vroege Middeleeuwen? Even aan apostel Augustinus vragen. En wat had Thomas van Aquino hem aangeboden rond 1250? Hem de klokken zo hard laten luiden dat filosofie en theologie uit elkaar spatten? Even Aristoteles vragen!... Tot bijna in 2000 zou hij de luxe van het ouder worden niet hoeven te dragen hebben! Het was een perfecte dag. Hoe kon ik dat aan die lieve man laten weten. Carpe diem, en zo. Zou ik voorlezen uit ‘Les Rêveries du promeneur solitaire’ van de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778, vestigde zich na vele omzwervingen in Parijs en ligt begraven op de Parijse dodenakker Père Lachaise. In het grafschrift op de tombe wordt de wijsgeer herdacht als een man van de natuur en de waarheid) die hier ook al eens vertoefde? Ach nee, het zou zijn gevoel van zijn laatste jaren hier op aarde maar versterken. Misschien lustte hij net zoals ik wel een café-crème. Jawel. Hij klopte als een nieuwe vriend op mijn schouder. We gingen. Maar net wanneer we de brasserie wilden binnenstappen, stopte hij. Hij keek me aan en gaf me een hand. Geen gewone. Een vrijmetselaarshand, denk ik. Hij bedankte me, groette uitvoerig als een welopgevoede Japanner en verdween. Redelijk vertwijfeld en diep peinzend, stapte ik de Parijse brasserie ‘Hugo’ (aan een hoek van het Place des Vosges) dan maar alleen binnen en dronk er één, twee, trois bières pression... op de mystieke ervaring als hoogste vorm van de verrassing.
91. CULTURELE TRANEN (dinsdag 4 februari)
Mijn mooiste tante (71) en een goede collega (45) strijden ziekenhuis naast ziekenhuis in Hasselt tegen de dood. Ik kan het niet aanvaarden. Ik wil het ook niet geloven. Er moet nog hoop zijn. Er moet nóg een mirakel mogelijk zijn. Graag twee, onmiddellijk! Liefst zoveel als nodig zijn. Waar zijn al die brave heiligen? Die kerels die mirakels kunnen verrichten? Mannen in een wit kleed gehuld. Aardelingen die heilig zijn verklaard door generaties gezanten van de Heer: van paus Petrus, Linus, Anacletus, Clemens I, Evaristus tot... onze zieke Johannes Paulus II. Heiligen die pronken op de kalenders van ons leven? Wie heeft ze die machtiging gegeven in naam van wie? Waar zit Jezus en zijn vader terwijl mijn vrienden sterven? Ergens tussen sterren en kometen? Nergens, natuurlijk. Ook de zeven stervende astronauten in de Columbia hebben ze niet opgemerkt! De ruimtereizigers lagen niet eens lang en geduldig te wachten in een ziekenhuisbed op een antwoord uit Utopia. Neen, ze zweefden met hoge snelheid in de hemel. Jezus had gerust het portaal kunnen opendoen om daarna met zijn lange vingers het defecte hitteschild van de vliegende raket te herstellen. Net zoals hij maar met één aai over het ‘bolleke’ van mijn collega en met één streling over het voorhoofd van mijn tante de pijn en de smart van zovele nabestaanden zou kunnen vermijden. Maar, neen. Hij doet het niet. Hij doet niks. Hij is een schim, een sprookje, een raadsel, een ontspoord verhaal en wie weet, een klucht van een of andere keizer die onsterfelijk wilde worden zoals in het ketterse boek ‘Was Jezus Caesar?’ van Carotta Francesco staat beschreven [Aspekt, Soesterberg, ISBN 9059110692, 2002, 551 blz., 30 Euro]. Mijn verdriet is groot en ik zoek tevergeefs naar een gedicht dat enige ‘verlichting’ kan brengen. Ik dwaal rond in alle kamers van mijn boeken, maar de spokende beelden van mijn tante en mijn collega verrassen me op elke hoek van elke gedachte en ik besef dat ik niet ben opgevoed om hier zomaar het hoofd aan te bieden. Ik ben als alle Westerlingen niet opgevoed om de dood als een onlosmakelijke tegenhanger van het leven te begrijpen. Ik weet te weinig van de dodendans die start vanaf de geboorte en ik doorzie te weinig van de ontdekkingsreizen rond de dood in verschillende culturen op aarde om als een Spinoza te kunnen oordelen. Trouwens, niemand heeft een antwoord op de dood. Niemand kan zich verzoenen met het eeuwige afscheid. Voor iedereen komt de dood onverwachts. Niemand kan de dood ontvluchten. Daarvoor is de aarde te klein. Ons zonnestelsel te marginaal. Het heelal te onbegrepen. We kunnen overigens van geen levende verwachten dat die met enige zekerheid iets kan zeggen omtrent de dood. En dood is dood. Alleen het memento mori, het besef sterfelijk te zijn, kan mensen hun houding helpen bepalen, in gedrag en denkbeeld, ten opzichte van die wezenlijk onkenbare zekerheid. De spanning heerst als Zarathustra tussen de wens te leven en de zekerheid te zullen sterven. Vast staat, dat houdingen ten aanzien van de dood sterk variëren en cultureel zijn bepaald. Overal ter wereld en in alle tijden heeft de mens een oplossing gezocht voor het probleem van de dood waarbij de parameters ‘verzoening’ en ‘troost’ centraal staan. Verdriet van land tot land en in heel West-Europa hebben wij het gevoel dat er iets mis is met onze houding ten aanzien van de dood. Enerzijds is alles bespreekbaar geworden, maar anderzijds weten wij geen raad met de dood. De behoefte wordt echter sterk gevoeld om de dood in het dagelijkse leven een plaats te geven en nieuwe omgangsvormen of ‘rituelen’ te creëren met als doel de overgang naar een nieuwe situatie mogelijk te maken zodat het leven voortgang zou vinden. Een sterfgeval mag de naasten niet in een crisis brengen. Er moeten nieuwe middelen komen in de vorm van rituelen om het afscheid te verwerken en opnieuw de moed en het vertrouwen te vinden om verder te gaan. Onze (christelijke) rituelen - zonder me uit te spreken of ze al dan niet een deugdzame functie hadden - hebben sinds enkele decennia voor vele mensen hun betekenis verloren en de praktische zorg voor de doden is overgenomen door de schandalige uitvaartindustrie. Que faire? Ik denk dat we de confrontatie met de dood en de daaruit voortvloeiende emotionele en existentiële gevolgen, vurig en subito moeten aangaan. Ik denk dat de doden een centrale plaats moeten krijgen in ons sociale leven. Dat we volop onze naaste stervenden moeten gaan bezoeken. Vooral dan! Dat we op die momenten van het uitdovende leven de gevoelens moeten opzwepen en persoonlijke relaties met de stervenden moeten aanwakkeren. Achteraf roept immers iedereen het hardst dat hij de beste vriend van de overledene is. Toon dat aan, als hij nog leeft en nog meer als hij van dat leven afscheid neemt. Schep orde in de plotse chaos zodat de stervende in geestelijke rust en totale vrede kan vertrekken naar zijn Utopia. Laat culturele tranen bij elke ontmoeting en proef voor een laatste keer van een goed gesprek, lach eens hartelijk, of geniet bij een laatste maaltijd van uw beminde die het echte leven ruilt voor de dode dood. Die laatste maaltijd mag voor mijn part de link met Jezus zijn.
92. Geert (dinsdag 11 februari)
Van zaterdag 8 februari op zondag is mijn collega Geert Vandeweyer uit Lummen op 45-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van longkanker. Ik ween een laatste keer in vogelvlucht over zijn leven want een collega zien sterven, kan ik niet. Zijn leven had hij beslist nog een keer willen overdoen want Geert kon echt vrijen met het leven. Hij zag de zon vaak onder gaan, maar telkens ook weer verschijnen aan de hemel. De seizoenen kende hij na al die jaren op zijn duimpje. Hij heeft graag gezongen bij het opkomen van de zon en hij heeft vaak gekankerd bij het zakken van de zon. Het was een doodnormale cyclus in zijn leven. Van wie niet? Het leven is de duivel en god. Het is zo gek en zo serieus. Zo moeilijk!
’t Is vandaag een onwaarschijnlijk treurige dag. Geert kan je nooit meer bezoeken. Zijn lichaam is een lege doos en enkel foto’s verraden nog aan zijn volle leven met eb en vloed? Het zal anders worden rondom ons, maar de zon schijnt al opnieuw hoog aan de hemel en een koude winterwind blaast nieuw vertrouwen in de ogen. Met troebel zicht zing ik steeds opnieuw “Geef me je hand/ga met me mee/samen naar het strand/zee zijn met de zee”! Ik neem Geert nog één keer mee, maar enkel in gedachten of met een foto aan de borst. Het is niet onoverkomelijk. Doodgaan is zo dagelijks en toch blijft het zo moeilijk aanvaardbaar. We zijn er echt niet voor opgevoed. De zee. De schuimende zee die alles geeft en alles neemt. Noordzeevissers weten dat! Geert heeft de zee lang geleden en genoeg geproefd. Het zout kleeft onuitwisbaar op zijn lippen. Voor eeuwig en voor altijd. De zee heeft hem geroepen en na misschien duizenden jaren zullen zijn kleinste genetische onderdeeltjes weer toekomen in de bron van alle leven, de zee.
Geert komt aangerend en stopt als een jonge hengst aan mijn bureau. Hij lacht en zijn tong maakt rare krullen. Ik raak er ontwricht van. Er is iets op til en alleen Geert weet wat er gaat gebeuren. Een mop, een grap, een roddel, een waar gebeurd verhaal, een parabel... Geert kon praten met de muren en deinsde niet terug om diep in de catacomben van het bedrijf de ware toedracht van een feitelijkheid te gaan zoeken. Hij luisterde naar de bananen van zijn collega’s Keek als een archeoloog naar de ogen van zijn medewerkers en trok gevolgen die dwars stonden op het surrealistische leven. Met het scherpe en indringende geluid van een dwarsfluit legde hij de gegevens vast op de harde schijf van de geest. Samen lachen, samen genieten, samen de beuk erin, ernstig overwegen om overstag te gaan, slenteren door de woestijn, zich laven aan de bron van het leven. Geert deed altijd mee. Hij nam je mee naar een bank aan de rand van het water, kortbij de golven van vertrouwen.
Toen ik hem twaalf jaar geleden leerde kennen, bediende hij computers die wellicht nog gemaakt waren door de Engelse wiskundige George Boole, zelf. Zo groot waren ze toen nog. Geert zat destijds op een eiland in het bedrijf om de grote machines te bedienen zodat een krant kon gedrukt worden. De film Brazil met Robert De Niro was nooit ver weg. Zo nu en dan zette ik een voet op zijn strand. Hij lachte met mijn vragen en stak zijn kin altijd recht omhoog wanneer weer een probleem was opgelost. Dan maakte hij zijn lippen nat en ging tevreden naar huis. Naar zijn gezin. Hij was meer geperfectioneerd dan al de computers samen en dat was mijn beeld dat nooit van hem verdween. Het is onbegrijpelijk dat precies zijn harde schijf heeft kunnen crashen.
Rikketikketak/druppels op het dak/regenen doet het buiten/druppels op de ruiten, maar op de hoek van het zompige voetbalplein van STVV staat Geert te schateren in de zon. Hij supportert, roept en leeft als twaalfde speler mee met de ploeg waarin zijn zoon regeert. Het regent en regent en het water stroomt op de bal, op de hoofden van de spelers, van de neus van zijn idool, op de grassprieten en de sponsorreclame rond het veld. Een druppel doet het vet in een geurend worstenkraampje opspatten. Het regent en het giet, maar Geert staat in de zinderende zon. In de striemende regen speelt hij een one man show terwijl zijn hart overslaat. Terwijl de hemel maar verder schreit, lacht Geert zoals alleen hij lachen kan in zon, in de zinderende zon. Dwars doorheen de stralen van de gutsende regen.
Vrouw en twee opgroeiende kinderen hebben Geert hard nodig. Maar Geert lacht niet meer. Hij kan de beste vriend niet langer zijn. Geert heeft alles met ze gedeeld wat hij in zich had en die kostbare schat mogen ze nu hun leven lang meedragen. Hij heeft al die schitterende juwelen opgeborgen in zijn persoonlijke doos van Pandora. Natuurlijk heeft Geert dat bewust gedaan. Hij kende het leven met de twee zijden maar al te goed. In Spanje leerde hij de andere kant van de medaille kennen toen hij in zee gevloerd werd door een hartinfarct. Daarna heeft hij extra kralen verzameld en in de grote schattendoos bijgelegd zodat zijn familie altijd en overal kon genieten van de hoop. De schat van de hoop die ze zullen zien, die ze kunnen voelen, die ze kunnen bewonderen en waaruit ze zich altijd opnieuw kunnen inspireren.
De gemeente Lummen waar Geert heeft geleefd is een kleine Limburgse gemeente gelegen aan een autowegenklaverblad. Het is echter het middelpunt van de kleine wereld. Er is van alles veel. De bakkers verkopen wit en grijs brood. Er is wekelijks een markt met kippen aan de gril. In het centrum geraak je snel aan patat, Turkse broodjes en Italiaanse pizza’s Op de hoek van het dorp is een reisbureau van waaruit je de hele wereld kan exploreren. Een videotheek en een zonnebankwinkel brengen je in extase van het zonnige leven. Maar ook in Lummen sta je aan het klaverblad in de file, slaan ze op je ‘bakkes’ op de straat en wordt op klaarlichte dag je fiets gejat wanneer de garagedeur blijft openstaan, maar ook daar hebben ze honderd soorten jam.
Daar gaat Geert. Als een oude jager verlaat hij plots de groep. Hij trekt zich terug om in de stilte van het bestaan verder te leven. Zijn wonder van geboorte is voorbij. Zijn leven is gestreden en hij heeft zijn verhaal helemaal verteld. Zijn eigen leven van geluk en verdriet. De ene noemt het ‘het lot’, de andere ‘het wonder’, maar niemand kan het uitleggen. Geen sterveling die er een zinnig antwoord op heeft. Geen boek dat zalvende woorden uitsmeert. Aanvaarding en ontkenning. Wie zal het zeggen? Verzoening en troost doemen op om de pijn en het leed te verzachten. Ongecontroleerde pijn, leed dat geërodeerd wordt door de tijd. Een heengaan dat alsmaar meer vragen oproept, die telkens beginnen met ‘Waarom?’
Kleine Geert liep door het boerenveld met hoge boterbloemen, klaprozen en hier en daar wat donderkruid. Geert was nog zo groen als gras en ving luidkeels vlinders met een visschepnet. Zijn korte beentjes moesten nog groeien en zijn vingers droegen geen ringen om volwassen liefde mee te vangen. Alles was zo vrij als de natuur en niets moest en niemand gaf opmerkingen. De kleine Geert moest immers de wereld nog ontdekken. Hij moest nog alles leren, weten, inzien om later deugdzaam te kunnen toepassen. Ach, de wereld was zo groot. Alles was zo onbegrensd. Hij begreep nog niks van het bijtje en de bloem. Alleen het zoemende geluid bleef tintelen in zijn hoofd alsof er iemand riep: “Ik hou van jou.”
Dansend door het leven, vond hij de weg naar zijn geluk. Daarheen en weer terug. Bergop, bergaf. Meeleven met de glooiingen van de natuur. Schaatsen op het ijs en sporen achterlaten in de sneeuw. De noordenwind trotseren en vogelkastjes ophangen met de opening naar het oosten. Turen naar de zon. Gebukt lopen onder de wolken. Schreien met de kinderen. Lachen met de echtgenote. Klagen met de wolven. Met beide voeten op de grond blijven staan. Een zachte melodie begeleidde hem naar bergen en dalen. Met de vlieger hoog in de lucht. Met de trein in het hol van een berg. Met de auto surfend naar de zee. Fietsend langs de Limburgse Demer. Stappend, hand in hand.
Dag, nieuwe dag. Dag vrouw en twee kinderen. Kleine kinderen, kleine zorgen. Grotere kinderen, grotere zorgen. Geert heeft het goed gedaan. Vijfenenveertig jaar excellente vader gespeeld. Vaak morrend, maar altijd voorwaarts. In de richting van de zon. Een goede soldaat van het leven. Discipline op tijd en stond! De spits van het familieveld.
“Vaak denk ik ‘och’. Altijd weet je maar een ‘pietsie’ van alles wat je weten kunt. En zo is het leven als een bitterbal. Niemand weet hoe dat ie rollen zal.”
Dood is dood. Leven is leven. Herinneren en genieten... Ik waarschuw je. Pluk de dag!
93. VUUR EN LICHT (dinsdag 18 februari)
De dood was niet alleen, vandaag. Van heinde en verre druppelden oude en nieuwe stamleden het Huis van het Vuur binnen om samen het afscheid te vieren van Paula, de Prinses van het Mysterie. Ze was net 71 jaar geworden, maar die leeftijd zou maar met enkele dagen verlengd worden. De God Doderos liet zijn prooi niet los en kreeg wat hij wou. Een zoveelste slachtoffer van zijn onbegrijpelijke terreur. Sinds oktober van vorig jaar vocht Paula, de Prinses van het Mysterie, een tevergeefse strijd met de God van de Dood. Die had ze nu verloren. In het begin van het schijnbaar plagende gevecht, hoopten de naaste familieleden dat de Goden Pandoros, Veerlianos en Moelangnos zich nog als verzoenende partijen tussen Paula en Doderos zouden opstellen, maar dat bleek achteraf ijdele hoop. De God Doderos, die oppermachtig is en enkel maar ter order kan geroepen worden door de God Eros, had zijn zinnen gezet op Paula. Eros, de God van het Leven, was onbereikbaar en reisde al die tijd ver weg van Hemel en Aarde. Het was een ongelijke strijd, zelfs geen David tegen Goliath, maar eerder een kat-en-muisspel waarbij de kat deze keer geen dier maar een God van Angst en Onbegrensdheid was. Toen dat goed doordrong bij de koene Clement, de echtgenoot van Paula, zond hij zijn snelste bodes uit naar alle stamgenoten binnen en buiten de grenzen van Het Land van Loon. De boodschap die zij meedroegen op reebokperkament gedrenkt in rozenwijn was kort: “Ik ga mijn Paula snel verliezen, voeg u bij de kring voor de dodendans, Clement”. Zijn scharlakenrode zegel van Oudste Familiezoon moest de echtheid van het bericht onderstrepen en zodoende maakten al de stamgenoten zich snel klaar om de winterreis naar Het Huis van het Vuur te maken. Zaterdag 15 februari kwamen zo de laatste stamgenoten toe en voegden ze zich in stilte rond het Heilige Vuur waarin Paula, de Prinses van het Mysterie, zou gedompeld worden. Toen de zon op haar hoogste punt aan de hemel stond, werden de poorten van Het Huis van het Vuur gesloten. Wie niet daar was, moest nooit meer rekenen op de Wetten van de Clan, de Wetten van de Stam, de Wetten van de Familie, de Wetten van de Samenhorigheid en de Wetten van de Broederschap. Dat was zo al eeuwen, dat zal zo blijven duren tot de Aarde zelf in het Vuur zal verpulveren. Toen de zware eiken deuren van Het Huis van het Vuur dichtsloegen, was de hechte familie schijnbaar afgezonderd van de wereld. Geestesverruimende natuurmuziek bracht iedereen in een sfeer van meditatie en oneindig veel herinneringen werden als hologrammen zichtbaar boven ieders hoofd. In al die ijle droombeelden schitterde de Prinses van het Mysterie beeld na beeld, ervaring na ervaring, beleving na beleving. Geen enkel beeld spatte uiteen en in de kamerlucht hingen wolken gelukkige tranen en blies een zachte wind fluisterende stemmen in ieders oren. Iedereen keek naar iedereen en niemand, ook kinderen niet, keken weg van al die projecties en reflecties die nu stilaan de kamer vulden als betrof het nieuwe zuurstof voor de toekomst van de clan. Pas toen de deur openzwaaide en de Christelijke Vader ons riep om ons voor een laatste maal te scharen rond de levenloze Paula van wie wij allemaal houden, sublimeerden de gelukzalige droombeelden tot glinsterende sneeuwvlokken die daarna weelderig op al de leden van de stam neerdwarrelden. De Christelijke Vader sprak over zeer oude tijden en vroeg iedereen om te geloven in de kracht van de God, die onze Vader is. Het Vuur laaide hoog op bij deze heilige woorden, maar geen genster raakte de Prinses van het Mysterie. Haar aura gloeide vaag op toen de Meesteres van het Afscheid rechtstond en het verhaal van de Zeven Kaarsen vertelde. Zeven Kaarsen, zeven verhalen van het dagelijkse leven van Paula zoals ze was. Bij elke brandende Kaars hoorde een Witte Roos die na elke uiteenzetting, voorzichtig en met een lief gebaar op de Prinses van het Mysterie werd neergelegd. Zeven Kaarsen, zeven redenen waarom Paula terecht de Prinses van het Mysterie werd genoemd. Karaktervol, stijlvol, perfectionistisch, lieve moeder, altijd een reikende hand, moedig en ten slotte maar vooral vrouw en vriendin voor eeuwig van Clement. De verrassende Kaarsen deden bloed en merg smeulen bij elke aanwezige van het ritueel. Geen afscheid kon intenser zijn. Geen afscheid kon het lief en leed meer vertellen dan het Licht van het Vuur waarrond alles nu gebeurde. Geen afscheid was respectvoller en menselijker dan dit afscheid... Toen de eenzame Clement in het Licht van de Zevende Kaars zijn Witte Roos zacht als een vlinder liet landen op zijn Prinses van het Mysterie, waarvan hij zoveel warmte en liefde had gekregen, danste het vuur een mooie dodendans rond de lichamen van beide geliefden. Het Zalige Vuur verspreidde zich dan snel en brandmerkte elk familielid in Het Huis van het Vuur. Daarna deed iedereen een bescheiden stap achteruit om in het aanschijn van het verpulverende Vuur en het Eeuwige Licht de stem van Paula, de Prinses van het Mysterie, nog één keer aan te horen.
94. VASTE TOEKOMST (dinsdag 25 februari)
Met het licht van de volle maan in mijn ogen stond ik op. Het was 5.15 uur. Ik verzorgde me zoals gewoonlijk en begaf me dan aan de werktafel. Het zonnelicht brak nog niet echt door de ochtend toen even later de postbode met de krant al fluitend de inrit op wandelde. Deze keer stak hij de krant niet in de gleuf van de brievenbus, maar belde aan en vroeg of hij even mocht binnenkomen. Ik twijfelde hardop. Vrouw en kinderen sliepen nog en ik kon de rust zomaar niet verjagen voor verrassend ochtendrumoer. Toen de postbode mijn aarzeling begreep, drong hij niet verder aan en grapte dat hij binnen een uurtje wel zou terugkomen voor zijn ontbijt. Ik fronste mijn wenkbrauwen en trok een scheve mond. Hij stopte de krant in mijn handen en vertrok weer zoals hij gekomen was, fluitend! Het was een rare beleving, maar ik zette me opnieuw aan het werk. Ik moest me snel door de slagzin “Het kapitalisme heeft veel meer toekomst voor de menselijke werkelijkheid voortgebracht dan alle voorgaande productiewijzen samen,” van Karl Marx worstelen. Net toen een en ander zo klaar als een klontje leek, viel het me op dat er nog geen enkele auto in de straat voorbijgereden was. En oh ja, ook de postbode had de krant te voet gebracht. Dat gebeurde anders altijd met een piepende wagen. Ik keek even in de sterke halogeenlamp naast de computer en schudde mijn hoofd als een kater die zich verslikt heeft in melk. Om halfzeven zette ik de radio aan om te luisteren naar het ochtendnieuws. Na de belofte dat het een mooie dag zou worden, zei plots een nooit eerder gehoorde vrouwelijke stem dat er vandaag nergens oorlog zou zijn, dat er uitzonderlijk een forensentrein zou rijden tussen Brussel en Wenen en als derde nieuwsitem wenste ze de luisteraar een boeiende dag met veel alfaplezier.
Daarna nam blijde muziek van Johann Sebastiaan Bach het van haar over en met vurige kamermuziek in allegro opende de 18de eeuwse vakman de dag even gemakkelijk als een dozenopener een blik conserven. Mijn hand haperde en mijn pen stokte op het geduldige papier als een stilgevallen stoomlocomotief. Wat was hier aan de hand? Ik trok de gordijnen wijd open en keek aandachtig naar buiten. Niemand en niks te zien. Gek! Ook het keutelige lichtje niet dat bij de buren normaal omstreeks 6.45 uur aanfloept. En nog steeds geen auto’s in de straat. Alleen een blauwe hemel, slapende huizen met hier en daar een wolkje verbrande stookolie erboven, kale bomen en verwilderde struiken, maar voor de rest, niets. Of toch wel. Er was iets met die blauwe hemel. Maar wat? Ik keek nogmaals en zocht als een uil naar een prooi. Ik tuurde de blauwe horizon af als Winnetou en na de derde keer zag ik het. Er was vandaag geen enkele witte streep aan de blauwe hemel getrokken. Ongelooflijk. De hemel was zo gaaf als porselein. Geen vliegtuigen, dus. Ik dacht weer aan het ochtendnieuws. Geen oorlog. Maar één trein... De mysterieuze vrouwenstem van de radio had ook niet gesproken over de traditionele ochtendfiles, de branden van de voorbije nacht of belangrijke verwachte gebeurtenissen van de nieuwe dag. Ik klikte nerveus de televisie aan en zapte naar alle zenders, maar waar ik mijn infrarood signaal ook naartoe stuurde, VRT, VTM, NED1, CNN, National Geographic...overal was hetzelfde beeld te zien. Ik kreeg een raar gevoel zoals bij een eerste ontmoeting met een vrouw. Alle zenders zonden beelden uit van eenzelfde jonge vrouw in scharlakenrode kleren die vertelde over kinderen in een klas, de scholen van weleer en de authentieke Sorbonne in Parijs die dringend aan restauratie toe was. Ik bleef zappen als een gek, maar overal waar ik kwam, zag ik dezelfde documentaire over ‘De geschiedenis van de scholen’. Tot slot zei de televisieonbekende dat de docu straks weer uitgezonden zou worden na de livereportage van de landing van X’Ore 9 op de eigenzinnige asteroïde Q.U.L.L. ergens tussen Mars en Jupiter. Intussen was een scroltekst onophoudelijk over het beeld beginnen lopen waarop bizarre codes stonden in het Latijn. Ik begreep er niks van. Ik wreef voortdurend in mijn ogen en bleef zappen. Nu ook op het televisietoestel in de woonkamer. Teletekst? Dat bestond niet meer. Nergens! Ik stapte al peinzend terug naar mijn werkkamer en zette me als geslagen door een stok neer op de bureaustoel. Ik staarde met het hoofd, rustend op één hand, naar buiten en dacht zo fel na dat mijn hoofd er warm van werd. Ik maakte met mijn pen circusbewegingen tussen de vingers en mompelde hardop ‘Scholen zullen altijd bestaan. Treinen zullen altijd rijden. Auto’s zullen steeds bollen. Altijd zullen er oorlogen zijn.” Ik schrikte toen plots de deur openzwaaide en mijn vrouw in de lichtende opening vroeg wat we vandaag gingen doen. “Gaan doen?,” stamelde ik, “Gaan werken zoals altijd, zeker!” Mijn vrouw reageerde met een lachje, “Komaan Leopold, je leeft weer in je vreemde boeken. Jij reageert nu net als een geïmpliceerde verzekerde met een vaste toekomst. Zeg eens. Gaan we naar de fjorden in Finland of bezoeken we vandaag onze vrienden in Tsjechië. En nemen we de kinderen mee?” Ze keek me vragend aan en toen ik de ernst in haar ogen bemerkte, sloeg mijn hart over. “Nou,” drong ze aan, “Voel je je niet goed?”
95. JAARMARKT DER IJDELHEDEN (dinsdag 4 maart)
Na de voorsocratici zoals Thales en Anaximander én de opkomst van het rationele denken, zei Protagoras graag dat ‘De mens de maat is van alle dingen’. Socrates, de meesterlijke ondervrager, kwam al snel tot de vraag ‘Wat is rechtvaardigheid?’, maar het was Plato die de brug bouwde tussen de wereld van de mensen en die van de abstracties. Zoals Plato een leerling was van Socrates, zo was Aristoteles de wijsneus van Plato. Meer zelfs. Aristoteles was de man die de wetenschappen hun naam gaf, de logica bedacht en al vlug besloot ‘Het ligt in de aard van alle mensen om te willen weten’. Zonder glazen bol doorzag Aristoteles zelfs de gehele mensheid en schreef op duurzaam perkament ‘De mens is van nature een politiek dier’. Deze wijze praat bracht al snel de sceptici in beweging. Sceptici die in feite de eerste relativisten in de filosofie waren. Misschien was de grondlegger van het scepticisme als filosofie wel een soldaat van Alexander de Grote, met name Pyrrho. Doordat hij in allerlei landen had gevochten, had hij kennis kunnen maken met diverse volkeren zodat hij een indruk had van veelheid van meningen die mensen kunnen hebben. Het scepticisme kende echter al een lange traditie bij de Grieken zoals Xenophanes die stelde dat ‘We kunnen altijd meer leren dan we weten, maar we kunnen nooit zeker weten wanneer we een definitieve waarheid hebben gevonden’. Denken, tobben, peinzen... gelukkig sprong Epicurus voor de filosofische kar en zei kordaat ‘De dood is niets voor ons’.
Het zou lange tijd duren voordat dààr nog iemand een speld tussen stak. Maar Augustinus deed het plots. Naast filosofische grapjes als ‘God, maak me kuis, maar nu nog niet’ ontpopte hij zich als een belangrijke filosoof tussen Aristoteles en Thomas van Aquino, zomaar eventjes een periode van 1600 jaar! Later besefte men pas goed dat de middeleeuwer Thomas van Aquino onbewust wedijverde met Averroës om het gedachtegoed van Aristoteles te claimen. Thomas was een verzoener en zorgde voor een duidelijk onderscheid tussen filosofie en godsdienst en gebruikte daar Aristoteles te pas en te onpas voor. Zijn ‘thomisme’ bevat ook de regel ‘Men kent de ziel aan de hand van zijn daden’. De Moorse wijsgeer Averroës, verbastering van Ibn Roesjd, zocht het eerder in de dubbele waarheid. Zijn commentaren op Aristoteles zijn legendarisch. Daarna volgde grosso modo de openbaringen van de Poolse astronoom Nicolaus Copernicus - grondlegger van de moderne astronomie - tot Newton die op een zonnige morgen hardop mijmerde ‘Als ik verder heb kunnen zien, was dat omdat ik op de schouders van reuzen stond’. In alle geval kwam het fenomeen ‘god’ aardig op de helling te staan met al die ontdekkingen van de natuurwetenschap. Niccolo Machiavelli, de leraar der heersers, deed er een schepje bovenop en verkondigde ‘Het is voor een heerser veiliger te worden gevreesd dan te worden bemind’. De Engelse Thomas Hobbes , te vroeg geboren omdat zijn moeder in paniek raakte toen ze hoorde dat de Spaanse armada in aantocht was, zei ongezouten zijn mening ‘De waarde van een mens is net als van alle andere dingen, zijn prijs’. Hij had nog ander boude uitspraken zoals ‘Woorden zijn de rekeneenheden van de wijze, maar ze zijn het geld van de dommen’. Intussen verslapte de greep van de kerk op het denken en de grote rationalisten staken de kop op als jonge grassprietjes in de zonnige lente. René Descartes putte kracht uit zijn frustratie ‘Ik werd getroffen door de vele onwaarheden die ik in mijn jeugd had geaccepteerd’, Spinoza die zo goed als verbannen werd door de kerk omdat hij na-dacht, snikte op een dag ‘Ik wilde de menselijke handelingen niet bespotten, noch ook bewenen, maar ze begrijpen’ en de grootste allesweter Gottfried Wilhelm Leibniz die een tijdperk besloot door te declameren dat ‘Er zijn twee soorten waarheden: die van de rede en de de feitelijke waarheden’. Actie = reactie, Newton, weet je wel? De belangrijkste reactie tegen het rationalisme kwam uit Engeland en manifesteerde zich onder de noemer ‘empirisme’.
De grote liberaal John Locke wist het al snel beter en gooide zijn stelling als een bowlingbal tussen de kegels ‘De natuur maakt geen dingen met slechte doeleinden of zonder doeleinden’. Locke was meteen een moderne geest want wie in de jaren 1700 durfde zomaar zeggen dat ‘Ieder mens het vermogen heeft zich te ontwikkelen’? en dat ‘De nadruk op het gezonde verstand ligt’? Hume, zeker? Een gematigde scepticus die de eigenschap van de mens verdedigde dat ‘Gewoonte de grote gids is in het menselijke leven’. Ach, het was gewoon hoog tijd voor een revolutie. Voltaire met zijn pseudoniem dat voor een deel een anagram was van zijn echte achternaam ‘Arouet’ die lachte dat ‘Het overbodige zeer noodzakelijk is’. Mannen zoals Denis Diderot, een encyclopedist die vond dat ‘Het woord vrijheid geen betekenis heeft’! Jean-Jacques Rousseau, de criticus van de beschaving, die stof deed opwaaien met zijn citaat dat ‘De mens werd vrij geboren en hij is overal in ketenen’, of ‘De mens in de samenleving leeft voortdurend buiten zichzelf’ of zijn gevleugelde woorden die de Franse munten sieren ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’! Maar wat gebeurde er plots in het bronsgroen worstenbos? Jawohl, de gouden eeuw van de Duitse filosofie ontlook als een orchidee in het rijk van de filosofie. Met Immanuel Kant kwam het rationalisme en het empirisme samen. De meester vatte het kort maar niet mis te verstaan samen ‘De term geheel heeft altijd slechts relatieve betekenis’. En hij dacht nog een trapje hoger ‘De filosofie bestaat nu juist in het kennen van haar eigen beperkingen’. Het zal de citatenvuurspuwer Arthur Schopenhauer zijn die nog extra olie op het vuur giet ‘Plato de goddelijke en verbluffende Kant’. Maar tegelijk breide Arthur, de Westerse met de Oosterse filosofie aan elkaar. Zo nu en dan een filosofisch scheetje latend ‘De mens is de mens een wolf’. Iets moeilijker ‘Motieven zijn van binnenuit ervaren oorzaken’. Ook zijn ijdelheid vertaalde hij graag in een spreuk ‘De wereld is mijn voorstelling’. En zie. De woorden waren nog niet koud of Johann Gottlieb Fichte werd op het Duitse patattenland geboren om pas jaren later te bedenken dat ‘De filosofie die je kiest afhankelijk is van de mens die je bent’. Ook Friedrich Schelling bezorgde de wereld een spreuk zodat ook hij altijd gelijk had ‘Het is zwak om een filosoof onbegrijpelijkheid te verwijten’. In 1770 staat dan de werkelijke evangelist van het absolute op in Stuttgart: Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Hij begon grof met ‘De mens dankt zijn hele bestaan aan de staat’, maar polijstte zijn stem zodat hij glinsterde met ‘Het werkelijke is het redelijke en het redelijke is het werkelijke’. Het zal Marx zijn die in Brussel van de geschiedenis een wetenschap maakt. Hij geloofde stellig dat ‘De geschiedenis zich herhaalt - de eerste keer als tragedie, de tweede maal als farce’. Ook bijzonder geslaagd is zijn ‘Godsdienst is opium van het volk’, maar altijd mooi om weer te horen is ‘De bourgeoisie brengt haar eigen grafdelvers voort. Haar val en de overwinning van het proletariaat zijn beide onvermijdelijk’. De room op de Duitse taart moest dan nog komen: Friedrich Nietzsche (1844-1900), die meteen de grove borstel bovenhaalde en met een paar oneliners schoon schip maakte met filosofisch geleuter. ‘God is dood’, zei Nietzsche op een mooie dag terwijl hij Zarathustra tevoorschijn toverde. ‘Er zijn geen feiten, alleen maar interpretaties’, gooide hij iemand anders naar zijn hoofd. En voor de rest zijn al zijn werken bliksemschichten en donderslagen. Daarna was er de wijsbegeerte van de 20ste eeuw met kleine en grote filosofen, miskende en over hun paard getilde filosofen. De toekomst van de filosofie of de toekomst van de filosofische bewustwording zal gelieerd moeten worden met de toekomst van de individualiteit. Zo het individu een toekomst heeft, zo zal de filosofie er ook een hebben, volgens de Vlaamse filosoof Leopold Flam (1912-1995). Wie zijn de filosofen dan van de 20ste eeuw? Tja, wie waagt zich aan een lijst die nooit volledig zal (kunnen) zijn? Hoeveel filosofen zijn gestorven zonder enige erkenning? Als het daarom al ging! Maar hoeveel interessante filosofen hebben geschreven met een zeker licht, maar hebben het om een of andere reden niet kunnen uitstralen? Ik som graag een lijstje Belgische en Nederlandse vrijdenkers op: Rudolf Carel d’Ablaing Van Giessenburg; Hadriaan Beverland; David Van Dinant; Hendrik Doedijns; Ferdinand Domela Nieuwenhuis; Eduard Douwes Dekker; Arnold Geulincx; Herman Gorter; Juliaan Constantijn Hoste; Adriaan en Jan Koerbagh; Willem Meijer; Siger Van Brabant; Hendrik Smeeks; Modeste Terwagne; Jan Baptist Chrisostomus Verlooy; Bonaventura Vulcanius en Hendrik Wyermars... Deze filosofen zijn wellicht allen verpletterd geweest toen ze op een bepaalde leeftijd hebben vastgesteld dat ze om zo te zeggen niets wisten. Naar die eigen onmacht en nietigheid staren, is eigenlijk niet eens zo erg, werd dit niet overschaduwd door het weten dat ze niets van enige betekenis hebben voortgebracht en ze zo met lege handen moesten terugkeren van de jaarmarkt der ijdelheden! Of zal de eeuwmarkt straks uitsluitsel brengen? Het hangt soms af van een klein windje, een vlinder die even klapwiekt boven de oceaan. De chaostheorie doet dan de rest. Wordt misschien vervolgd, dus.
96. GEORGES SIMENON (dinsdag 11 maart)
Zondag 9 maart trok ik met mijn gezin, vier man sterk, naar Liège, de ‘Vurige Stede’. Het is een belangrijke Waalse stad van kunstenaars en erudieten, van Georges Simenon, van Grétry en van een befaamde universiteit. Tegelijkertijd heeft de stad van contrasten aandacht voor volksfiguren zoals ‘Tchantchès’ en zijn vrouw ‘Nanesse’, die door het marionettentheater onsterfelijk werden gemaakt. Vanuit Berbroek met het stalen monster duurde het slechts een half uurtje tot we op de kam van de Maasvallei de grijsgrauwe stad in het vizier kregen. Daarop doken we als op een kermisattractie juichend de dieperik in om pas minuten later tot rust te komen op een gratis parkeerplaats voor een Marokkaanse café aan de Rue Saint Pholien. We zagen meteen dat de zuiderse accenten die het café uitademde, de grijsheid van de winterse stad onophoudelijk bestreden.
We stapten gezwind uit de wagen en begaven ons naar de startplaats van onze zondagswandeling ‘Dans les pas de Georges Simenon’. Ik had immers een schitterend wandelparcours op de kop getikt toen ik woensdag 5 maart met mijn Waalse vriend-journalist Pierre de fantastische tentoonstelling van Georges Simenon in de magnifieke reuzentent aan het Place Saint-Lambert (toegang: 9 euro) bezocht. Ik kocht er in de Franstalige boekenshop een bescheiden Simenongids (5 Euro) waarin een uitgekiend parcours ‘De la place Saint-Lambert á Outremeuse’ staat vermeld. Het traject meet ongeveer zes kilometer. Vooraleer ik echter vertrok aan de Place Saint-Lambert, grabbelde ik nog eens diep in mijn geest want ik was vol van verwachting over de geplande promenade en ik glimlachte toen ik met heimwee dacht aan die ene biografische passage over Simenon: “In zijn werk vinden we massa’s vrouwen, fatale minnaressen, verwoestende dragonders, leugenachtige krengen, perverse sekreten, narcistische poppetjes, moederkloeken, verlaten zielenpoten, naar liefde hunkerende tienermeisjes, schampere en edelmoedige hoeren, berooide arbeidsters en chique dames.” Voilà, met dat beeld wou ik op pad gaan.
De reis begon traag maar zeker via de Rue de la Violette langs het strenge en eeuwenoude L’Hôtel De Ville (18de eeuw) waar Simenon miljoenen keren aanklopte toen hij journalist was in 1919 voor de Gazette de Liège. We liepen via de Place du Commissaire Maigret (sinds 14 februari 2003), genoemd naar de eindeloze reeksen van de schrijver Simenon over de legendarische inspecteur, naar de Rue Leopold waar op nummer 24 in volle nacht Simenon geboren werd. Was het op 12 of was het op 13 februari in 1903? De moeder van Simenon die bijgelovig was, hield het voor de buitenwereld op 12 februari, maar veel later zou de stoere Simenon bekennen dat het de 13de was! Al gekscherend met deze leuke vaststelling maakten we zijsprongetjes naar rechts in de Rue de Gueldre (op de eerste verdieping van nummer 5 heeft de familie Simenon twee jaar gewoond) en dan weer naar links in de Rue Pied-Du-Pont-Des-Arches (nummer 13, Pharmacie Germain, deed Simenon inspireren voor zijn bundel ‘Au Pont des Arches’ in 1921).
Aan de oudste brug van Luik ‘Pont Des Arches’, hielden we even halt om de stille kracht van de slagader van de Luikse binnenstad te bewonderen. Volledig verzonken in de wijsheid van het water hoorden we ver weg de voetstappen van de kleine Georges Simenon. Over deze brug met Parijse allures zou hij tot zijn 20ste dagelijks overlopen. Hier is de Maas ook meteen de grens van het Centre met Ile D’Outremeuse. De wijk Outremeuse (letterlijk ‘aan de overkant van de Maas’) heeft een eigen karakter ontwikkeld dat sterk verschilt van de stad. De inwoners staan bekend voor hun rebelse geest, de volksgebruiken en het Luikse dialect. Frappant is hun verlangen naar onafhankelijkheid en die hebben ze ook symbolisch gekregen op folkloristisch vlak! De ‘République libre d’Outremeuse’ en de ‘Commune libre de Saint-Pholien-des-Prés’ vieren op 15 augustus namelijk traditioneel hun zogeheten onafhankelijkheid.
Over de brug stortten we ons dus op de rechteroever van de Maas in de Rue Pholien. We lieten de L’Eglise Saint-Pholien (de kerk is wereldberoemd dankzij Simenon die ze meerdere keren aanhaalt in zijn romans) links liggen om rechts de Boulevard De L’Est (op nummer 18 opende op 28 juni 1991 Hôtel Simenon) binnen te wandelen. We draaiden met het park Place de L’Yser (monument van Tchantchés - Simenon kwam er met zijn vader onthaasten) mee in de Rue Henri de Dinant en rustten als gelukkige herders een eerste keer uit aan L’Eglise Saint-Nicolas. Rechts van de kerk zou een herberg moeten zijn volgens de gids, maar in de consumptieruimte werd op het eerste gezicht alleen maar door allochtonen gekaart voor geld. Natuurlijk zullen er ook vierkante, rechthoekige en cirkelvormige mensen geweest zijn, want een herberg blijft tenslotte een herberg.
Het rumoer stond in schril contrast met de torenhoge kerk. Twee toeristische bordjes, links en rechts van het robuuste eiken portaal, vertelden een fragmentje uit Simenons leven: “Georges Simenon bracht zijn kinderjaren door in de schaduw van de klokkentoren van de Sint-Nicolaas kerk (18eE), zijn parochiekerk. Eens reporter geworden, draagt ‘Le petit Sim’ zijn eerste verzen op aan deze toren, ‘Melancolie du haut clocher, si haut, si seul...” Verder bleek ook dat de familie Simenon hier een bank had, namelijk deze van de notabelen van de orde van Saint-Roch. De Simenons, geen gewoon volk, dus. We stapten de Rue des Récollets binnen en gaapten via de kleine vensters het museum en ‘Maison Natale D’André Modeste Grétry’ binnen. Met de kinderen hadden we echter geen tijd, noch goesting om het leven en werk van deze Luikse componist (1741-1813) te gaan bezichtigen. Vergeet echter niet dat het museum ook spullen van Simenon herbergt van zijn reis naar Luik in 1952!
We belandden al lopend in de Rue Puits-en Sock waarin we even een intermezzo hielden in het prachtige straatje Roture, een beetje vergelijkbaar met de Rue des Bouchers in Brussel maar dan minder lang en kronkelig en bovendien haast levenloos op zondagnamiddag. We ontmoetten er enkel een oude vrouw die er speelde met haar kater en twee knappe lesbische toeristen met veel aandacht voor de eros. Uit ervaring weet ik echter dat het ’s nachts in de Roture dartelt van kronkelende mensen en dat het drukbezocht wordt door koppeltjes, geliefden, minnaars en minnaressen van... couscous. Geen spek voor de bek van een doorsnee Vlaams gezinnetje, dus. Maar Simenon deed er zeer emotioneel over: “Je crois qu’il n’y a qu’une ville au monde, Liège, ma ville natale, qui s’enorgueillit d’avoir officiellement, depuis des siècles, une rue Roture...”
Terug uit het hol van Liège gingen we dan de Rue Jean D’Outremeuse in. We vonden er op nummer 44 het bouwvallige literaire café van de Luikse dichter Joseph Vrindts (1855-1940) waarvoor Simenon veel respect had. Simenon wou op een zekere moment zelfs ‘dichter’ worden in de voetsporen van Vrindts. Nog in de straat vonden we er voor de eerste keer een goudkleurige penning in de grond waarop een icoon (hoed-pijp) en de naam Simenon prijkte. Mooi, maar hij zat ‘muurvast’. En toen ik er op de grond een potloodschets van maakte zoals Pierre Alechinsky (Brussel,1927) wereldwijd deed met riooldeksels (tot in China toe), klopte een stokoud heertje met zijn knokige vingers op het venster van zijn salonkamertje om ons te waarschuwen voor... voor wat? Maar ik zou de oude knar niet treiteren, hij was al bijna ‘lijk’.
Na de snelle schets, stapten we onder tenminste één waakzaam oog verder en na enkele honderden meters naderden we via de eerder zielige Rue Georges Simenon (sinds 29 december 1978 in plaats van Rue Pasteur) de Place du Congres waar een té kleine bronzen buste van Simenon de rotonde siert. Ze werd er geplaatst op 17 juni 1992 op initiatief van de ASBL Outremeuse-Promotion en werd ontworpen door Les Ateliers José Lhoest de Herstal. Een beetje belachelijk voor zo’n schrijversmonument als Georges Simenon. Ontdekkingsreiziger De Gerlache kreeg in Hasselt een bronzen reuzenbeeld van de hand van kunstenaar Gerard Moonen dat vijf keer zo hoog en zeker zes keer omvangrijker is. Hebben de Walen dan echt zo weinig geld of zijn de Vlamingen te gul voor hun historische figuren? Ik zeurde er tegen mijn vrouw over tot we diep in Rue de la Province (reisroute van Simenon toen hij nog deel uitmaakte van een kinderkoor) waren. Verder een betekenisloze straat waarin het enige leven een wereldwinkel is die 24 uur op 24 open is en gerund wordt door vriendelijke Pakistanen.
We slenterden de Boulevard de la Constitution in waar elke vrijdagmorgen meer dan zes kilometer rommelmarkt is. Van vijzen tot oude wijven. Alles is er te koop en wie er donderdag na middernacht durft te parkeren, riskeert in de vrijdagdauw zijn auto in stukken en brokken én te koop weer aan te treffen bij diverse rommelstandjes! In de ruime boulevard hielden we even halt aan de Caserne Cavalier Fonck want ik moest mijn kinderen uitgebreid vertellen dat net als Simenon (in 1922) ook mijn vader Leopold René (in 1952) er een tijdje verbleven heeft. Simenon toen hij na zijn oefening in Aken bij de bezettingstroepen als milicien werd ingedeeld in de kazerne; mijn vader omdat hij er in het militaire ziekenhuis werd opgenomen met een gebroken hand tijdens zijn legerdienst bij de luchtmacht. Na drie weken hospitaal was mijn tengere vader er ruim zes kilogram afgevallen en voor hem was zweven toen gemakkelijker dan lopen geworden. “Het eten was er verschrikkelijk,” herinnert hij zich nog levendig! Maar één ding had hij toen gemeen met Simenon. Hij schreef er ook elke dag, maar dan brieven naar zijn lief en latere vrouw, Josephine. Simenon was er destijds misschien wel bezig aan zijn allereerste volksroman ‘Le Roman d’une Dactylo’ die in 1924 verscheen, wie weet?
We verlieten met grote ogen de ingang van de kazerne, feitelijk een voormalige abdij van Val-des-Ecoliers (1224). De kinderen trokken aan mijn jas en aan mijn broek om nog meer duistere verhalen te horen van bompa, maar we moesten verder via het pleintje Place Jehan Le Bel naar de Rue des Ecoliers. Daar floreerde destijds op nummer 35 een cabaret dat Simenon herhaaldelijk bezocht, maar waar vandaag geen sikkepit meer van terug te vinden is. En dat is eerder typerend voor deze uitgestippelde route waar de bezoeker veel fantasie moet hebben om er Simenon en vooral zijn geest te ontmoeten.
Gelukkig was er op het einde van de Rue des Ecoliers een klein speeltuintje waarin mijn kinderen (5 en 9 jaar) stoom konden aflaten. Zo dachten, wij! Mijn vrouw en ik vlijden ons neer aan de oevers van de Maas, maar veel rust kregen we niet. Er liepen enorm veel mensen met beestige honden rond het speeltuintje. Niet om mals voedsel te zoeken, maar omdat er godverdomme naast het speeloord een ‘kakpark’ voor honden was. Urbanisatie van mijn voeten. De stront slingerde er in de buurt rond als stuifmeel in april. Vieze boel en we gingen maar snel verder op de Quai de Gaulle om via de wondermooie Passerelle Saucy, gebouwd met steun van de Europese Gemeenschap, naar de werkelijke binnenstad van Luik te stappen.
We hadden intussen onze buik vol van de zogeheten groene parkjes in Outremeuse die niet meer zijn dan grauwe plaatsen met kiezeltjes zonder één sprietje gras. Overal geparkeerde auto’s en hondenpoep. De kiezelparken zijn weliswaar omringd met hoge bomen die dan de kaartenmakers doen besluiten hebben dat het om Luikse stadsparken gaat, veronderstel ik. In alle geval blijven het zeer eigenaardige groene longen van Luik. Zo het Place de L’Yser waarin een mastodont van een theater is neergezet (Le théatre de la Place), zo het Place Jehan Le Bel (kiezel, hondenpoep, auto’s en rondom het park, hoge bomen) en zo ook het Place Cockerill waarlangs we scheerden, na de Passerelle overgestoken te hebben, alvorens de winkelstraat Rue de la Regence te betreden.
Over de Passerelle (geopend in 1949) is Simenon poëtisch: “Notre Passerelle, elle a l’air/A califourchon sur la Meuse/D’aller chercher les propos clairs/Du franc Tchantchés en Outre-Meuse...”, maar de schrijver kon er ook rationeel over praten: “La Passerelle est un peu la chose des habitants d’Outremeuse, le pont qu’on franchit sans chapeau, pour une simple course. » En gelijk heeft Simenon. Tijdens onze overtocht op de Passerelle werden we twee keer beleefd aangesproken door jonge nepbedelaars. En op het einde van de Passerelle zat als toetje een echt hippie-bedelaarskoppeltje te wachten op fooi. Gelukkig zien mijn kinderen genoeg Ketnet om niet te schrikken van deze miserie. Zij: een van kop tot waarschijnlijk teen gepiercet mooi meisje van 18 of 19 jaar, gekleed in kleurrijke vodden. Hij: een etterende slungel van 20 jaar die permanent met zijn handen en zijn gezicht tussen zijn twee honden met evenveel puppy’s zat te wriemelen. Binnen een straal van twee meter lag zowel brood, een leeg blikje bier als glimmende uitwerpselen van de honden. Wat vrouwlief en mezelf uiteindelijk deden kokhalzen.
Eerder was het ons al de strot uitgekomen dat in Outremeuse de stoepen en trottoirs bezaaid lagen met hondenpoep. Het centre de Liège beloofde properder te zijn, maar geen blinde zou volgens mij een tocht op de stoepen van Luik zonder gebroken benen overleven! Heel veel kabouter-Amsterdammertjes en losliggende tegels, kapotgereden trottoirs en in sommige contreien meer spuug op de grond dan bier in de cafés. Maar goed. Van het contrast in Luik waren we al eerder overtuigd. We mochten net zoals de tientallen toeristen-bedelaars gratis in de stad rondlopen en de geest van Simenon was vaag met ons. Wie klaagt? Heeft de decadentie ons doen vergeten wat armoede is? Denken we met twee maten en twee gewichten? Wie bezit de waarheid over Het Zijn?
Ach, even later vergaapten de kinderen zich in de L’Eglise Saint-Denis aan de Rue Sainte-Aldegonde. Ze geraakten gepassioneerd door het ‘Retable de la Passion (einde 15de eeuw), een indrukwekkend werk van vijf meter hoog dat het lijdensverhaal van Christus en het leven van Saint-Denis evoceert. Soit! We kwakkelden door de kille Rue Pont Thomas om voor zeer lange tijd te pauzeren aan het kiezel-groenpark Place de la Republique Francaise waar Simenon heel wat uren toefde. In brasserie Delice De L’Opera was de bediening zo hartelijk en de prijzen zo eerlijk (Café: 1,60 Euro, Lait Russe: 2 Euro, Dame Blanche: 4 Euro...) dat je vergat dat er nog miserie in de wereld was. De Simenonwandeling was hier bijna ten einde.
We flaneerden de laatste meters van het Simenon-parcours via de Rue de la Populaire en de Rue Saint-Michel naar ons vertrekpunt Place Saint-Lambert. Niet toevallig het vertrekpunt want in de Grand Bazar aan het plein kocht Simenon als dertienjarige zijn allereerste pijp! Bovendien een internationaal ogende ontmoetingsplaats waarop vandaag een chique vliegtuigje als monumentje staat geparkeerd. Wie van dromen houdt, kan er zo mee wegvliegen naar de imaginaire wereld van de magistrale journalist-schrijver Georges Simenon (13 février 1903 - 4 septembre 1989). Want bij het publiek van vandaag blijft Simenon, ook al heeft men geen letter van hem gelezen, de minnaar van Josephine Baker, de vader van Marie-Jo, die ‘uit liefde voor hem zelfmoord pleegde’, de man die het met tienduizend vrouwen deed (dat vertrouwde hij toe aan Frederico Fellini) en de bedenker van aantrekkelijke vrouwelijke personages, die gestalte kregen in de vaak wulpse vertolkingen van onder meer Bardot, Girardot en Sandrine Bonnaire...
97. DROEFHEID (dinsdag 18 maart)
Nu Bush & Blair en Aznar besloten hebben om Golfoorlog II te starten en alzo de toekomst van het Midden-Oosten te manipuleren, word ik overvallen door een zekere droefheid. De verstikkende droefheid die mijn eigen beperkt bestaan onderstreept. De eerder bestendige droefheid omdat ik me ervan bewust ben dat ik mislukt ben, omdat ik vaak liever het beperkte en persoonlijke geluk gezocht en gevonden heb. Om even te vluchten uit deze wereld van dwazen en narren, slenter ik door 1955 via een bundel van het weekblad Zondagsvriend. Ik moet al snel glimlachen met de tijd van toen, maar weet van mijn ouders dat de jaren ’50 helemaal geen periode was om mee te lachen. Arbeiders moesten nog wroeten om een karig loon bijeen te harken. In een Vlaams dorp was een auto een rariteit en op vakantie gaan in Frankrijk was maar voor enkelen weggelegd. Gelukkig waren de vakbonden toen nog vakbonden en elke politieke partij koesterde nog halsstarrig zijn ideeën. Ja, arrivisten zijn er altijd geweest! Kinderen waren nog kinderen en een eersteklasse voetbalploeg bestond nog voornamelijk uit spelers van de regio. Zwart geld? In Afrika was er net zoals nu armoede en honger. 11.11.11. bedelde al van deur tot deur en nog andere geïnstitutionaliseerde organisaties trokken zich het lot aan van sukkelaars tot ver over de grenzen. Sabena bestond nog, net zoals de echte Russen met hun mystieke politiek. Amerikanen? Dat waren toen John Wayne (Marion Michael ‘Duke’ Morrison) en Buffalo Bill (William F. Cody). Mensen geloofden nog in sprookjes met prinsen en boosaardige koninginnen en in de media was er ruim plaats voor ironische journalistiek: “Terwijl president Tito in de oerwouden van India op tijgers en ander wild aan het jagen was, bond zijn plaatsvervanger, vice-president Kardelj de strijd aan met twee communistische rebellen die voorstanders zijn van meer vrijheid, Djillas en Dedijer...” Peter Pan was geen commerciële held op het witte Disneydoek, maar wel een ‘bijzonder uitgedacht brilletje voor jongens en meisjes, soepel en stevig!’ Nieuwe prismaboeken gingen voor 20 frank over de toonbank. Pijnen werden niet met een Reflex-spray gestild, maar door de huid te masseren met ‘Liniment Sloan’. Oh ja, ook de hete OXO-cafédrank, Colgate-tandpasta en Vicks-pastillen tegen hoest (slechts 10 frank), bestonden reeds. Voor heren met keurig en voornaam gecoiffeerd haar lag er permanent Brylcreem klaar. De vrouwen werd Sunil aanbevolen voor de was of Tokalon voor het gladstrijken van hun eigen huid. Voor de slimmeriken werden Kramers vertaalboeken aangeboden tegen 165 frank het stuk en voor de kinderen was er ‘Tom Poes en Horror de Ademloze’. En de grote werken aan de Antwerpse Boudewijnsluis die in 1952 begonnen waren, naderden in 1955 het einde. Ze zouden plaats bieden voor vier zeeschepen van 150 meter lang. Vandaag zou er wellicht ook nog plaats zijn voor een bootje met 55 piraten-gemeenteraadsleden. Ach, geschiedenis! Het is maar een verhaal over een gebeurtenis of gebeurtenissen uit het verleden. Reconstructies van hetgeen eens gebeurde. Het bewustzijn van de geschiedenis verschilt echter van het alledaagse bewustzijn waarmee ik denk, spreek en handel. En daar wou ik even uit wegvluchten. Even, maar. De raadsels van de jaren ’50 hebben mij voorlopig een beetje geholpen. 1955, kortbij maar toch ver weg van oorlog en de huidige ‘dramademocratie’ waarover socioloog Mark Elchardus in zijn gelijknamige boek zo indrukwekkend analyseert. Voor wie het ook even niet ziet zitten: kom gerust mijn bundel Zondagsvrienden van de jaren ‘50 halen!
98. QUO VADIS (dinsdag 25 maart)
Het boek ‘Ontbinding en protest’ van de Vlaamse filosoof Leopold Flam is een feit. Ruim 35 jaar na de fel gehekelde uitgave krijgt de titel en een groot deel van de inhoud van het met profielen geladen boek een gezicht. Een vies ‘bakkes’ dat Irak-Amerika heet met een etterende pukkel op de rechterwang die de haven- en wereldstad Antwerpen is. Over dit laatste ga ik het niet hebben. Daar moet Hugo Coveliers (VU/VLD) met zijn vieze vergeelde tanden afblijven en dat moet de nieuwe SP.A-voorzitter én gratis-burgemeester Hasselt, Steve Stevaert, nu oplossen. En misschien ook Tom Lanoye met zijn boze tong! Het boek ‘Ontbinding en protest’ met internationale allure is nu aan de orde. Er kunnen heel wat parallellen tussen de inhoud van het boek en de toestand van vandaag worden getrokken. Te beginnen met de kritiek die het in de jaren vijftig kreeg van de fatsoenlijk denkende kranten waarvan sommige van hun medewerkers trots meeliepen met organisators van de gaskamers in Auschwitz en de fatsoenlijk denkende kranten in 2003 die volop meehuilen met de organisatoren van het tanende kapitalisme - zeker volgens Immanuel Wallerstein in 2030 - en zo de waarachtigheid van de journalistiek in een tragische positie zet. Nog een punt van vergelijking. Ik schrijf dit eveneens in een tijd van ontreddering, op een moment dat de aarde beeft van oorlogsgeweld met uiteraard de oorlog in Irak, maar ook de hoog opgelopen kernoorlogspanning tussen Noord- en Zuid-Korea, de Turken die in het vooruitzicht van het Europees lidmaatschap ontkennen dat ze Noord-Irak al geannexeerd hebben om de Koerden te ‘smoren’, de failliete Russen die het laatste jaar misschien wel echt oorlogsmateriaal aan Irak hebben toegeleverd enzoverder enzovoort... tot de Chinezen die met meer dan één miljard vingertjes wijzen naar de VS, de absolute krachtpatser van deze ontbindende tijd, waar de kloof tussen arm en rijk alleen maar groter is geworden. De trieste VN die nagelbijtend en met een vieze adem in elkaars en eenieders gezicht blijft zuchten. Net zo de Europese Unie die nu met haar Europese gedachte wel kan inpakken want Europa blijkt Groot-Brittannië te zijn en die kolonisten zijn zelfs geen lid! Ofwel moet de Europese Unie zich tevreden stellen met haar geïnstitutionaliseerde ambtenarij om kleine wetten in een of ander wereldgehucht met de Europese Raad te beslechten. Johann Wolfgang von Goethe zou zich een breuk lachen. Zijn citaat ‘Als je alle wetten zou moeten bestuderen, zou je geen tijd meer hebben ze te schenden’... sloeg trouwens maar op de wetten van zijn landje. Met mogelijke Europese wetten kon hij immers nog geen rekening houden maar voor de vetbetaalde Europese juristen die het midden houden tussen mislukte politiekers en kafkaiaanse rechters is dat wat anders. Maar goed, ‘een wijs man vindt bijna alles belachelijk, een verstandig man bijna niets’. Ook eentje van Goethe! De wereld wordt uitzichtloos gestuurd door internationale televisiezenders die in een storm van leugens en beledigingen de oorlog zo subjectief verslaan zodat in één klap de laatste waarachtigheid van een journalist verdwenen is. Hoe leugenachtig sommige berichtgeving ook is, er blijft steeds iets van over, wanneer ze maar lang en heftig genoeg herhaald wordt, blijkt de regel te zijn. Premier Tony Blair die zo ‘breed denkend’, ‘nieuw’ en ‘verdraagzaam’ zou moeten zijn, is wellicht een stem van Britse bouwpromotoren, industriëlen of misschien wel het koningshuis... elk op hun beurt met wansmakelijke geldbelangen tot diep onder de grond in het Midden-Oosten, tot in de olieaders van de hel! De waanzin in Groot-Brittannië is onberekenbaar groot want de overige politiekers in het paradoxale land laten maar gebeuren in de overtuiging dat de persoonlijke coalitie van Blair met Bush, hem uiteindelijk zijn politieke kop zal kosten. Dus, Blair heeft niet alleen kilo’s boter op zijn hoofd. En wie zijn president George Bush zijn promotoren? Bij de vermoorde Kennedy was het volgens de legenden van Amerika de maffia waarin ook Marilyn Monroe wentelde als een ‘teefje’. Bij Bush zouden het wel eens de oliemagnaten kunnen zijn. Wie in de ogen van Bush kijkt, ook al is het via de televisie, ziet geen vrije president noch een verzoenende mens, maar een gestuurde bionische mens, een robot.
Net zoals Saddam Hoessein overigens die de huidige gentechnologie al ver vooruit is met zijn tientallen klonen. De CIA moet er waarlijk dagen over doen om te ontcijferen om welke kloon of clown het wel gaat. Voor een dictator dé ironie van de list, zo lijkt me. Terwijl ik deze speculaties rond Blair en Bush noteer, doe ik eveneens als welwillend mens de waarheid geweld aan en speel ik met de definitie van waarachtigheid. Net zoals dagelijks duizenden buitenlandjournalisten die maar vertellen en compileren ‘van horen zeggen’. Weliswaar van bronnen van al dan niet gecensureerde journalisten ter plekke. Vaak embedded teams, journalisten en cameramensen die er uitzien als soldaten, maar beschermd worden door echte militairen. Straffe mannen die meereizen met pantserdivisies naar Basra en Bagdad, die hun leven wagen en zelfs geven om de waarachtigheid van de berichtgeving alle eer aan te doen. Ik denk aan ITV-oorlogsreporter Terry Lloyd die dit weekend omkwam in Irak. Ik denk aan een televisieploeg waarvan voorlopig en waarschijnlijk de Hasseltse cameraman Daniel Demoustier de enige overlevende is. Daniel Demoustier zag het lijk van ervaren rat Terry Lloyd al op de Arabische televisiezender Al-Jazira maar blijft zeker doorgaan: “Het is ontzettend belangrijk om over dit conflict op een onafhankelijke manier verslag te kunnen uitbrengen,” en dat is meteen één waarheid over de oorlog in Irak. We kunnen ons niet enkel beroepen op de mediamachine CNN en praat uit de mond van dwazen. Wie trouwens CNN een avondje volgt, waant zich in Kinepolis waar een non-stop oorlogsdocumentaire wordt getoond met véél reclame en leuke intermezzo’s Gelukkig hebben ze een belangrijk media-tegengewicht in de Arabische wereld: Al-Jazira. Het dwingt de Amerikaanse journalisten van CNN om de objectiviteit niet alle geweld aan te doen. Want de wijsheid van het instituut ‘televisie’ is er vaak ver weg. Net zoals bij alle voetbalwedstrijden worden té vaak belachelijke debatten opgezet en worden zogeheten specialisten ter zake opgevoerd. Vaak hebben die elfendertigsterangsspecialisten niet meer te vertellen dan onze bondscoach Aimé Anthuenis na elke match. Nooit wijsheid, altijd oppervlakkig gelul.
Inderdaad, alsof het een spel is. Maar kunnen we ons beroepen op bijvoorbeeld de Griekse wijsheid of op welke wijsheid dan ook om de huidige show van de oorlog in Irak op bijvoorbeeld CNN stop te zetten? Wat zouden we met een welzekere wijsheid kunnen verrichten in een tijd die zo wankel is als een stervende forel in kabbelend bergwater? Het boek ‘Ontbinding en protest’ van de Flam citeerde ruim dertig jaar geleden zo feitelijk filosofisch dat de gevleugelde woorden vandaag nog brandend actueel zijn: “We leven sinds de godsdienstoorlogen uit de 16de eeuw in een gevaarlijke krampachtige godendeemstering, waarin het ene idool na het andere in de afgrond verzinkt en de vreselijke macht van het negatieve almachtig heerst. De enige mogelijke wijsheid is eveneens negatief: het protest. Maar het protest is niet rein negatief, het beaamt tegelijk. Het behoort tot de authenticiteit van het zelfbewust-zijn dat zich met geen enkel gegeven tevreden stelt en geen enkele realiteit zo maar beaamt.” Dit filosofische geschrift uit 1956-57 legt ook de wonde van deze oorlogsmaand in 2003, deze wereldcrisis, bloot. Het protest in de VS komt maar van 25 procent van de bevolking. En van die 25 procent komt maar een luttel procent op straat met spandoeken en tamtam. Daarmee beaamt het gros van de protesterenden wat er gebeurt in Irak. Nog erger is het gesteld in bijvoorbeeld België. Daar mengen ook kierewiete politiekers zich opmerkelijk in het debat met veel ‘gezever’ en met maar één horizon voor ogen: de verkiezingen van 18 mei. Agalev doet zich het meest opmerken, maar is dan ook dé ironische partij die het meest spartelt om te overleven in Vlaanderen. Diegenen die zich werkelijk zelf rekenschap wensen te geven van de stand van zaken op de barometer van de brandende aarde, worstelen immers tegen de afzondering en de eenzaamheid. De tergende vertwijfeling tussen ‘ontbinding’ en ‘protest’. Het niet aanvaarden van het misverstand en net zoals Flam schrijft: “Hoe hard ook de miskenning moge wezen, desondanks denken we dat een gedachte, gericht op de bewustwording van de enkeling, toch doorbreken moet, tenzij er geen mensen meer zouden bestaan... tenzij de toekomst er niet meer is.” Dat laatste kon de dappere filosoof die Auschwitz overleefde niet voorspellen, maar misschien is deze laatste hypothese ‘...tenzij de toekomst er niet meer is’, momenteel aan het metamorfoseren naar een onomkeerbare werkelijkheid en staan we aan de vooravond van een echte Derde Wereldoorlog! Is de oorlog in Irak de kroniek van onze aangekondigde dood? Derde keer, goeie keer! Als de Russen echt wapens hebben geleverd aan Saddam en straks ook worden meegesleurd in het gevecht der titanen! Als straks de Turken echt Noord-Irak binnenvallen om de Koerden de strot af te snijden! Als Amerika inderdaad en echt de oorlog tegen Noord-Korea aan het voorbereiden is op een schiereiland in Zuid-Korea! Als de Chinezen werkelijk hun mouwen opstropen en van de Chinese muur de wereld inspringen! Of even later in de tijd, als de VN er uiteindelijk zou in slagen om een Europees leger uit de grond te stampen! Als de Amerikanen in een blinde woede ook Syrië en Iran binnenvallen! Of plots Saoedi-Arabië opruimen want was Bin Laden van de Al Qaida geen kind van deze oliestaat?... Quo vadis, mensen? Naar waar? Waar gaan we dan met de mensheid naartoe? Quo vadis, mensen? Naar waar? Waar gaan we dan met de mensheid naartoe? Quo vadis, mensen...
99. De vierde dimensie (dinsdag 1 april)
De zalvende kracht van de nacht is nodig om intense genieters van het leven rust en vrede te brengen. Rust van het lichaam, vrede in het hoofd. Al de uren 'slapen' voor middernacht tellen naar oude volkswijsheid dubbel. Die uren zorgen voor een diepere slaap en zo voor een verre reis naar Utopia waar de hersenen als een vormeloze massa een lekker warm bad krijgen om te weken en languit de zenuwcellen te strekken. En dan zijn ze klaar of beter gezegd 'opgeladen' om opnieuw een dag vol informatie op te slaan en te verwerken. Zo moet dat gaan. Diep in ons lichaam, hoog in ons hoofd. De hersenen. Die ontlenen hun kracht vooral aan de enorme omvang van het brein dat ons bevattingsvermogen te boven gaat.
We hebben zomaar eventjes 10.000.000.000.000 zenuwcellen, die elk wel met 50.000 andere cellen contact kunnen maken. Deze complexiteit maakt dat de moderne neurobiologie nog maar in zijn kinderschoenen staat inzake de doorgronding van de echte werking van de hersenen. Zelfs de eenvoudigste principes zijn nog niet in wetten gevat. Globaal gezien is alleen maar bekend hoe het centraal zenuwstelsel anatomisch in elkaar zit. That's it. That's all folks! De neurobiologie houdt zich koortsachtig bezig met het onderzoeken van de manieren waarop leren en geheugen tot stand komen, kijken hoe de stabiliteit van de hersenen (epilepsie) in elkaar zit en ze doet nuttig werk rond de processen van veroudering (dementie, ziekte van Alzheimer). Ook op het gebied van computers probeert de wetenschap tegenwoordig de hersenen na te bootsen en bijvoorbeeld neuronale netwerken te stichten.
Maar niemand is bezig met het broodnodige onderzoek naar de beperktheid van ons denken. En met ons denken de fysieke en geestelijke expressie van ons lichaam. Het denken is immers de figuurlijke ziel van onze hersenen en dus ons existentiële leven. Onze hersenen zijn te fel georiënteerd en geconditioneerd om de grote stap te zetten van het driedimensionale leven naar het vierdimensionale leven. Deze vierde dimensie kunnen we slechts zelden, en dan nog vaak door gebruik van drugs, in ons voordeel benutten. De vierde dimensie moet ondubbelzinnig gelinkt zijn met een groot deel van onze ongebruikte hersenmassa in de actieve zin van het woord. Onze glibberige computer zal echter pas volledig toegankelijk zijn voor een nieuw en utopisch gegeven als de tijd rijp is of als de mensheid klaar is om een volgende fase van het zogeheten moderne evolutionisme (of neodarwinisme) te ondergaan. Wie deze natuurlijke selectie, die overigens opportunistisch gebeurt, overleeft, zal zijn vierde dimensie, via een totaal benut brein, bewust kunnen activeren om zo te kunnen vertoeven in een roes van oneindigheid. De volledige hersenruimte is dan als concept tweeledig en zal kunnen functioneren in een aardse of virtuele omgeving. In het laatste geval kan betrokkene in een zekere 'afwezigheid' binnentreden zodat hij volgens aardse normen buiten het feitelijke leven staat. In dat visionaire klimaat zullen de parameters van het huidige driedimensionale stelsel, waarin wij nu leven en bewegen, gelijk zijn aan nul. Dit wil ook zeggen dat de tijd gelijk is aan nul. Of dat het leven, beleefd in de vierde dimensie, tijdloos is en dit zolang als onze 'vlucht' naar de welgekozen hersenkwab duurt. Alles wat op die manier gefrequenteerd wordt, kan dan gezien worden als de schijnbare verlenging van het aardse leven. De beleving of de reis naar deze vierde dimensie zal mogelijk zinloos klinken, maar ze biedt wel een waaier aan nieuwe menselijke exploitatievormen. Want wanneer het met kennis van zaken geëxploiteerd wordt, gaat waarlijk een nieuwe wereld open. De wetten die daar gelden zijn niet bevattelijk omdat zelfs de fantasie van dit domein behoort tot de fantasie van het beoogde doel. En dat is inherent aan de persoon in kwestie. Maar tijdloos reizen wordt dan alleszins mogelijk. Ook een nieuwe vorm van communicatie moet tot de nieuwigheden behoren zodat een alternatieve weg om problemen af te tasten mogelijk wordt. Zelfs het herstellen van ziekten - denk aan de huidige experimenten met de (reparatie)stamcellen - is dan een haalbare hypothese. Een en ander wijst erop dat de evolutionaire ontdekking (antropogenese) van deze vierde dimensie zal gebeuren in vier fasen. Achtereenvolgens zal de poort worden ontdekt die toegang verleent tot de nieuwe leefwereld. De huidige en supersnelle opeenvolging van ontdekkingen in de gentechnologie en vooral het in kaart brengen van het menselijke genoom kondigen reeds de tijd van een moleculaire revolutie aan. In een tweede fase zal men moeten leren leven met deze compleet nieuwe wereld. Fase drie is dan testen en oefenen en deze fase valt misschien wel te vergelijken met het Stenen Tijdperk dat onze geschiedenis als Homo Sapiens heeft getekend. Fase vier ten slotte is dan de totale belevenis van deze vierde en eindeloze dimensie en de uitwisseling van gegevens tussen het aardse (zoals wij dat anno 2003 kennen) en het virtuele leven. Deze fantastische hersenevolutie zal minimum 60.000 jaar in beslag nemen, zo schat ik.
Top
|
|