|
|
|   |
Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 80 t.e.m. 89
80. CUM GRANO SALIS (dinsdag 19 november)
Nog niet zo lang geleden, de vlotte jaren zeventig, leefden in dorpjes als
Kwaadmechelen, Millen of Berbroek tientallen families van de landbouw. Ze
boerden er lustig op los en streelden de koeien voor ze te melken. Hier en
daar was er zelfs een 'keuterboerke' dat nog liever een sterk paard dan een
tractor had. De toestand was toen een beetje zoals vandaag in Roemenië waar
na de val van het communisme nog altijd 4,9 miljoen keuterboeren de stiel
beleven als een godsgeschenk. De tijd lijkt er stil te staan! Maar hier, in
Kwaadmechelen, Millen of Berbroek niet, dus. Er blijven maar enkele boeren
over en geen mens weet nog waar zijn melk noch zijn vlees vandaan komt.
Boeren worden zeldzaam. Volgens de jongste cijfers van het Nationaal
Instituut voor de Statistiek (NIS) hangt één boer op vier definitief zijn
riek aan de wilgen. De voorbije vijf jaar is het aantal land- en
tuinbouwbedrijven in ons land met twintig procent gedaald (van 67.397 naar
56.894). In diezelfde periode nam het aantal voltijdse arbeidskrachten in de
landbouw met vijfentwintig procent af (van 70.109 naar 53.522). In het jaar
2000 is in Limburg de tewerkstelling in de land- en tuinbouw voor het eerst
onder de 10.000 gezakt! Dertig jaar eerder waren er nog ruim 25.000 mensen
actief in de sector. Eén op drie landbouwers heeft geen opvolger. En dus zal
volgens de Boerenbond het aantal bedrijven in de toekomst blijven dalen. Het
landbouwministerie, een eens zo machtig federaal ministerie, verdwijnt
eveneens met stille trom. In totaal krijgen 2.633 landbouwambtenaren straks
een andere baas! Intussen trappelt de Europese Unie (EU) in de overvloedige
mest om de Europese landbouw te hervormen. De groeiende twijfel van de
consument over de veiligheid van het voedsel als gevolg van gesjoemel met
hormonen en ziektes als BSE en MKZ hebben het algemeen besef doen postvatten
dat het mes wel degelijk in de landbouwsector moet. Heden gaan miljarden aan
Europees overheidsgeld naar de boeren in de vorm van inkomenssteun subsidies
en garantieprijzen, maar wanneer straks na de uitbreiding van de Europese
Unie een groot aantal boeren uit Midden- en Oost-Europa bijkomt, wordt de
landbouw onbetaalbaar! Daarom worden er nu al preventiemaatregelen
ingebouwd. Denk maar aan de maatregel dat boeren in de Europese Unie in 2004
per bedrijf vaste bedragen aan directe inkomenssteun zullen ontvangen. Met
deze vorm van subsidie aan de landbouwsector wordt de steun losgekoppeld aan
de productie. Het totaalbedrag aan inkomenssteun zal zo in zeven jaar met
twintig procent verminderen. Het geld dat vrijkomt zou naar
plattelandsontwikkeling gaan. En dan zijn we weer terug bij Kwaadmechelen,
Millen en Berbroek. Daar kan de teloorgang van de landbouwbedrijfjes wel wat
steun gebruiken Want al die oude(re) hoeves zijn gedoemd om op termijn te
verdwijnen tenzij men er lustoorden van Eden van maakt. Het idee van de
Boerenbond en de Cera Foundation indachtig - sinds 1999 selecteert deze
werkgroep jaarlijks een aantal initiatieven die vernieuwend werk leveren in
de land- en tuinbouwsector - zouden de vruchtbare aren van al die
plattelandshoeves ter beschikking kunnen gesteld worden van stadsvolk of
ander volk dat thuis geen are over heeft om werkelijk met de aarde bezig te
zijn. Zeg maar gerust dat het hier kan gaan om de renaissance van de
volkstuintjes. Een rerum novarum voor de 21ste eeuwse mens die opnieuw zijn
handen in Moeder Aarde wil steken om aardappelen, ajuinen, kolen,... kippen
en konijnen te gaan kweken. Op al die bewuste plattelandshoeves met vet
gesubsidieerd EU-geld! Slimmeriken kunnen daar dan lucratieve concepten gaan
ontwikkelen met slakken, regenwormen, geitenroomijs, tuinsappen... of gewoon
alternatieve teelten gaan aanboren. De weg zal lang zijn, met vallen en
opstaan, maar wie volhoudt, wordt misschien een milieufilosoof in een nieuwe
ecologische cultuur. Zo zal in Kwaadmechelen, Millen of Berbroek hét
alternatief kunnen ontstaan voor de kreunende boer. Cum grano salis, met een
korreltje zout, natuur-lijk!
81. EDITH PIAF (dinsdag 26 november)
Toen ik tijdens een vervelende klus naar de muziek van de Franse
chansonnière Edith Piaf (1915-1963) luisterde, wist ik het. Na de dialoog
tussen mijn vader en ik over 'Waarom sloven mensen zich uit' was de vraag
immers blijven nazinderen. Waarom sloven mensen zich feitelijk uit? Is de
vervoering van een individu een mogelijke reden? Of speelt bij de uitslovers
het enthousiaste bewustzijn van het optimale? Stuurt het geheugen elk
individu onbewust naar een zekere toekomst? Gewoon omdat de opdracht in de
toekomst ligt, net zoals het geheugen? Is de weg van iemand die zich
uitslooft zijn levensloop? Zijn weg naar de bron? Of terug naar de bron?
Waarheen, uitslover? De ene als bezeten muzikant? De andere als
doorgewinterde veehandelaar? De bakker om de hoek? De schapenkweker? De
postzegelverzamelaar? De duivenmelker? Een perverse filosoof?... Waarom
willen ze zich allemaal uitsloven? Tot in de perfectie! Zorgt dat niet voor
onnodige problemen? Niet in het minst voor diegenen die een relatie hebben?
Of is zich-uitsloven inherent aan mens-zijn?
Ik denk aan de Gouden Eeuw -
grosso modo de 17de eeuw - in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
(1). Daar zorgden een handvol mensen dat van de 12.000 schepen die toen de
wereldzeeën bevaarden, de helft in de Republiek gemaakt werden. Eveneens
wisten de bewoners van de Gouden Eeuw op een handige manier grootmachten als
Frankrijk, Spanje en Engeland van het lijf te houden. Wellicht door zich
permanent uit te sloven! Daarenboven produceerden ze in een eeuw tijd
minstens vijf miljoen schilderijen. Waar haalden ze de energie vandaan?
Uitslovers waren het! Net zoals de Sovjetrussische mijnwerker Alexej
Stachanov (Loegovaja 1906-1977). Hij droomde van een eigen paard en trok
naar de zuidelijke steenkoolmijnen om de nodige roebels te verdienen. In één
nachtshift van 5 uur en 45 minuten slaagde de 29-jarige Alexej erin 102 ton
steenkool naar boven te brengen, dat was 6 keer het Britse record en 14 keer
de sovjetnorm. Hij werd een held en het stachanovisme (2) is achteraf een
Sovjetrussisch loonstelsel geworden waarbij premies worden gegeven aan
duurzame werknemers. Stachanov, wat een uitslover! Maar ik keer terug naar
mijn kleine uitsloofster Edith Piaf. Haar Franse chansons met een diepgang
van een oceaanreus, brachten me zoveel plezier tijdens een opdracht die ik
uitvoerde dat de klus al snel een lachertje werd. Het werk dat ik eerst als
vervelend had beschouwd, werd dankzij de muziek van Piaf een makkie. Ik
werkte na een tijdje bijna automatisch op de tonen van haar muziek en klopte
als Jozef-dé-timmerman de zeven boekenrekken in elkaar. Ik was in complete
euforie en ik floot als een nachtegaal. Ik omhelsde mijn vrouw op alle
mogelijke plaatsen in het huis (niks meer, hoor). Ik speelde tegelijk met
de kinderen verhaaltjes van Grimm, lachte tegen de wandschilderijen en dronk
als een Franse revolutionair zwarte koffie. Wat een feest dankzij de muziek
van uitsloofster Edith Piaf! Haar hele leven lang had ze geleefd om te
zingen. Na elk optreden en een borrel dook ze weer een studio in. Ze zong
voor volle zalen, theater na theater. Wanneer ze door de straten van Parijs
flaneerde, neuriede ze de nieuwe liedjes als een eerste repetitie voor een
zoveelste optreden. Ze sloofde zich uit voor haar muziek. Waarom? Omdat het
voor haar levensbron van een eigen gedachte en werk ging? Om hetgeen ze
maakte? Of van waaruit ze leefde en dacht? Komt het erop aan om het
onmogelijke te wensen en zich in te schepen op de onmogelijkheid, want
hierin ligt uiteraard het avontuur van de geest en van het ontwerp 'mens'
(3)! Maar misschien heeft Edith Piaf er zelf nooit over nagedacht, noch een
antwoord op gevonden noch gegeven. Nochtans zal iedereen die van haar muziek
genoot en geniet er blij om zijn dat ze zich zo uitgesloofd heeft. Iedereen
die haar muziek beluistert bij een werk zal haar dankbaar zijn. Natuurlijk
heeft zij het allemaal niet bewust gedaan voor mij en honderdduizend anderen
die met haar muziek al dan niet een klus verrich(t)ten. Maar ik kus toch
haar geest voor al haar uitslovend werk dat ze tot in de perfectie heeft
uitgevoerd. Haar hele leven lang. Zo leeft zij zelf en haar werk deugdzaam
verder van generatie tot generatie. Zo zal elke generatie voorbereid zijn
door de uitslovers van alle tijden in alle mogelijke disciplines.
(1) 'Ooggetuigen van de Gouden Eeuw' door René van Stipriaan (Prometheus, 2000)
(2) 'Mijn naam is haas' door Marcel Grauls (Van Halewyck/Balans, 2001)
(3) 'De Bron, situatie van de filosofie in de twintigste eeuw' door Leopold
Flam (Acco, 1978)
82. EENZAME FIETSER (dinsdag 2 december)
| 1. |
Het is bijna onverantwoord om als vader van twee kleine kinderen te gaan
werken met de fiets. Al ruim tien weken lang vertrek ik 's morgens omstreeks
acht uur in Berbroek om negen kilometer verder omstreeks 8.30 uur aan te
komen op mijn werk in Hasselt. 's Avonds vice versa, maar dan doe ik de
afstand in slechts twintig minuten. Het onverantwoorde ligt hem nu precies
in de avondrit naar huis. Het is sinds de wintertijd al donker en het povere
fietslicht is ontoereikend om auto- of vrachtwagenbestuurders attent te
maken op mijn zwakke positie op de weg. Gemiddeld word ik twee keer
bijna-omvergereden en ik mag niet denken aan de catastrofale gevolgen van
zo'n banaal ongeval. De top twee van verkeerssituaties waarin ik zonder meer
de duimen moet leggen zijn de volgende: meestal nemen autobestuurders zomaar
hun voorrang wanneer ze uit een straat komen om de hoofdweg op te rijden. Ik
moet dan remmen als een paard en bij een nat wegdek is dat geen sinecure
want ik rijd gemiddeld twintig kilometer per uur. In het tweede geval
wachten de bestuurders met hun auto op het fietspad om de drukke weg op te
rijden wanneer het verkeer het toelaat. Ik moet dan als fietser maar wachten
tot de overtreder van redelijk gedrag het fietspad wil vrijgeven. Als ik in
de beide gevallen rinkel met de bel om te protesteren, bekijken ze mij alsof
ik de gek ben. Alsof 'ik' het ben die onverantwoord gedrag tentoon stel op
de openbare weg. Slechts enkelen rijden even achteruit om me doorgang te
geven, maar de meesten halen hun neus op voor de eenzame fietser. Toen ik
een keer mijn vuisten op de neus van een wagen plantte, van iemand die het
fietspad niet wou ontruimen, moest ik enkele meters verder onder toeterend
geweld een volledige arm in de lucht aanschouwen terwijl iemand riep "vuile
smeerlap". Toen ik een keer op de autoruit tikte van een andere dwarsdrijver
reed die me enkele meters verder zo goed als van het fietspad. Al remmend
belandde ik in de berm terwijl de regen tikte op mijn hoofd. Nu rijd ik nog
enkel defensief op mijn fiets. Ik knik beleefd tegen de mensen die me bijna
omverrijden op het zebrapad. Ik speel verkeersagent voor autobestuurders die
op het fietspad wachten om de weg op te rijden en ik tel de vogels in de
lucht wanneer ze me weer bijna van de weg snorren. Zo blijft iedereen happy
op de weg en is er niks aan de hand in ons autoland! Maar... de ene dag is
de andere niet!
|
| 2. |
Neem nu dinsdag 26 november 2002 omstreeks 18.30 uur. Aan de big Carrefour
aan de grote ring van Hasselt word ik voor de eerste keer gehinderd. Ik ben
slechts achthonderd meter van mijn werk verwijderd. Een verschrikkelijk
lelijke vrouw snijdt me met haar vieze Saab de pas af en ik moet remmen om
niet in haar zijdeur te beuken. Ik rem en roep een koosnaampje van een
slang, maar het chemisch wonder schokt verder alsof ze de ziekte van
Parkinson heeft. Ik duw weer hard op de pedalen. De fiets schudt als een
schip op een woelige zee. Ik snel door het duister en enkel twee flikkerende
fietslichten verraden mijn positie op de weg. Een stadsbus kan me lange tijd
niet voorbijsteken omdat de weg te smal is. Maar in stadsbussen heb ik
vertrouwen. Die volgens veelal de juiste wegcode, toffe lui. In
Kuringen-centrum heb ik weer prijs. Een Johnny met laaggeschoolde auto
schiet uit een straat alsof hij meedoet in een Amerikaanse speelfilm met
Rambo. De eikel heeft natuurlijk wel voorrang van rechts, maar de manier
waarop hij zijn voorrang neemt, doet bijna de sokken uit mijn schoenen
schieten. Voor mijn part staat hij morgen in de krant. Hij hoeft niet dood
te zijn, zwaargewond is voldoende. Aan de oprit van de autosnelweg krijg ik
van hetzelfde laken een broek. Sommige autobestuurders denken dat ik met
mijn fiets mee de autoweg op spurt want ze geven nog extra gas wanneer ze
mij zien wachten om de oprit over te steken. Eén vrachtwagen stopt, maar
wellicht voor de allerlaatste keer. Hij wordt uitgetoeterd en een zeer
gehaaste autobestuurder moet zodanig remmen dat de lucht zwanger wordt van
verbrande rubber. Ik rijd opnieuw verder. Nog zes kilometer. Ik ril niet.
Maar ik ben zo alert als een haas tijdens het jachtseizoen. Ik besef dat die
uiteindelijk ook geschoten wordt, maar ik wil de laatste zijn die het veld
verlaat. Autobestuurders leven nu eenmaal in een wereld waar geen fietsers
thuishoren. Sommigen autobestuurders kijken zo verbaasd als ze me bijna
vermorzelen onder hun wielen, dat ik waarlijk geloof dat ze in mij een aliën
zien. Aan de driebaansweg in Kermt staat een ouder vrouwtje met haar
proestend autootje op het fietspad te wachten om de drukke weg op de rijden.
Haar vensters zijn bewasemd en ze ziet geen sikkepit. Ze komt van de bakker
en ze wil meteen met al haar brood naar huis. Ik moet in de rem want ik kan
niet uitwijken. Links de drukke driebaansweg en rechts een rij geparkeerde
auto's. Het vrouwtje doet nu alsof ze mij niet ziet en geeft plots gas alsof
ze diarree heeft. "Pruttel pruttel," is het enige wat ik er nog van hoor. Ik
geraak weer op dreef. Zeven, dertien, achttien, tweeëntwintig kilometer per
uur. Rood licht. En dan is het groen voor mij. Logisch. Maar neen, ik moet
toch nog even wachten want een elegante rotzak haast zich door het rood om
voor mijn neus de weg in te slaan. Zo vlakbij een kerk had ik dat niet
verwacht, maar geloof is uit vervlogen tijden en Opus Dei is nog niet
doorgedrongen in Kermt! Ach, gelovige mensen. Ze zijn nu zelf god geworden.
Liefst in een auto, de heilige koe. Ik kom opnieuw in beweging en moet nog
een laatste kilometer vechten tegen de wrijvingskrachten van Newton. Bijna
thuis komt een gek in zwarte BMW laag over de weg gevlogen en ik ben niet
helemaal zeker of hij de bocht zal kunnen nemen op zijn eerlijke helft. Ik
rem voorzichtig en sta zo goed als stil. Ik denk heel bewust aan vrouw en
kinderen. Ik kan niet meer weg en ik ben de gevangene van een waanzinnige
onbekende. Op een halve meter van mij, zoeft hij voorbij. Mijn jas trilt na
en ik kijk naar de sterren om ze te bedanken. Wanneer ik de garagepoort
opentrek, komen de kinderen naar me toe gelopen. Ik omhels dochter en zoon
innig en kus de beiden op het voorhoofd. "Gezond, hé papa," zegt de kleine
snuiter wanneer hij rinkelt met de fietsbel. Ik aai hem over zijn 'bolleke'
en prijs mijn Berbroekse goden.
|
| 3. |
En zo ik van mijn vader en moeder duizend ogen en duizend oren had
meegekregen, talent van Eddy Merckx in de benen en de longen van een hert
... dan nog zou ik niet zonder gevaar met de fiets van Berbroek naar Hasselt
en vice versa kunnen bewegen. Ik heb ze geteld! Gemiddeld zesentwintig
soorten autogekken kruisen dagelijks mijn pad. Dat is de spurtende Diana in
haar Audi; dat is de geblondeerde Betty in haar BMW; de geile uitdager in
zijn BMW+; de onfeilbare kapitalist in zijn Chevrolet; de oubollige jeugd in
retro-Chrysler; de huppelende geit in een Citroën; de geperverteerde
enkeling in zijn Ferrari; de hete fluit met 'zijn' GT2+2; de doemdenker in
zijn Fiat; de Belgische idealist in zijn Ford; de geniepigaard in zijn oude
Ford Sierra; de geruisloze hufter in zijn Honda; the man in the Hathaway
shirt in zijn Jaguar; de druiper in zijn Lamborghini; de ik-kan-net-volgen
trut in haar Lancia; de neusbaggeraar in zijn Mercedes; de opgefokte del in
haar Morris; de nieuwe allochtoon in zijn Opel; de groene Agalev'er in zijn
Panhard; de blijtende Bert in zijn Peugeot; de zwartkijker in zijn Renault;
de raceyuppie in zijn Romeo; de jandoedel in zijn Triumph; de dief van de
weg in zijn Trabant; Nietzsche in zijn Volkswagen en de sluiprijder in zijn
Volvo. Ik vergeet al de militair geïnspireerden met hun zwaarbewapende
jeeps, de simpele nomaden in hun volumewagens, buschauffeurs en
vrachtwagencriminelen. Motards die rijden als in een dolce vitae...
Uiteraard en gelukkig is er nog een laatste soort bestuurder op de weg. Het
is de redelijke mens. Hij rijdt in alle soorten automerken. Ja, zelfs in een
BMW. Toch zal het je niet verbazen dat ik met list en lef de fiets hanteer.
Ik rijd nog liever op de zon, Venus of Mars, dan dagelijks met tandengeknars
van Berbroek naar Hasselt en vice versa. Maar het is zo leuk met de
tweewieler én eeuwig blijft de spreuk 'mens sana in corpore sano', een
gezonde geest in een gezond lichaam. Zolang het vlees vers blijft!
|
83. BUURMAN (dinsdag 9 december)
Ik wou het nog eens doen. En omdat er na het avondeten altijd wel wat vrije
tijd is, besloten mijn vrouw en ik er een punt van te maken. Terwijl zij de
soepprei in kleine stukjes sneed, nam ik de nieuwe miniCD van BUURMAN uit
het geschenkpapier en zette me schrap om een recensie vanuit het hart te
schrijven. Deze keer betrof het door en door Limburgse muziek van de
23-jarige germanist Geert Verdickt uit de taalgrensgemeente Opheers. Opheers
met zijn amusante legende over die ene heks die maar niet wou sterven. Toen
ze na dagenlang te liggen braken nog de geest niet gegeven had, kwam de
pastoor de situatie bekijken. De ambtenaar van God zag direct wat er aan de
hand was. De heks moest eerst haar kunsten kunnen verder geven vooraleer te
sterven. Om haar uiteindelijk toch maar dood te laten gaan, vroeg hij aan de
dochter van de heks om de kunsten dan maar over te nemen. Later zou de
pastoor die van de dochter wel afnemen. En zo stierf de heks. Toen ze
begraven was met wijnazijn en veel zwavel, liep de pastoor nog eens langs en
vroeg de dochter of hij nu de heksenkunsten van haar kon afnemen. "Ik zou
niet graag, mijnheer pastoor, ik heb te veel plezier elke nacht, dat wil ik
niet kwijt zijn," zei het meisje en ze bleef heks. Maar goed. Tegenwoordig
worden de mensen uit Opheers maar slimmer en slimmer en sommigen worden
germanist. Ik wijd uit. Terug naar Geert Verdickt en BUURMAN, dus!... Bij de
eerste tonen van de miniCD ontluikt er al iets. Alsof er plots een stem
wordt aangezet. Ik kijk in de wijde kosmos en zie SHEILA. Een knappe griet
met grote borsten. Elegant en powerflower gekleed. Ze trippelt als een
amazone door de wassende natuur en bij elke hemelse pianoaanslag plukt ze
een boterbloem. Dit is expressionistische muziek die Van Gogh mooi zou
ingekleurd hebben. In alle geval, met Sheila wordt het kleurenpalet van de
hele miniCD insidieus ingeluid. Mijn verwachtingspatroon is zo in een mum
van tijd gecreëerd. Welke verrassingen zullen me verder verwonderen? JOKER
is een Lou Reedachtige song waarbij de drum knap gestrengeld is rondom de
pianomuziek. De zang is grauw en ruw als een Bukowski die net ontwaakt uit
de goot. Knap. Up & dawnmusic die me even vleugels geeft en opnieuw meezeult
naar de late jaren zeventig toen Woodstock nog zo vers was als vis. Maar
Joker doet me even later ook denken aan de Nederlandstalige protestgroep
BOTS (Wat zullen we drinken, zeven dagen lang) van de jaren zeventig. Vooral
wanneer de klarinet haar intrede doet, wijst het houten cilindervormige
blaasinstrument de weg naar heimwee en nostalgie. En dan de piano die tussen
al die noten vlindert als een moeder tussen haar kroost. Warm, ontroerend en
mooi tegelijk. De ongepolijste stem zet de puntjes op de i en dat zal de
hele song lang duren. Bijna te mooi in deze gladde wereld. Met LAST BUT ONE
zit ik onmiddellijk in een gezellig ritme. Cold outside, maar de warmte die
de song uitzendt, doet de kilte bij mensen smelten als sneeuw voor de zon.
Waar doet die verdomde muziek me toch aan denken? Alleszins aan de jeugd. De
onbesproken denkende jongeren met voorzichtige mijmeringen. Romantiek uit
het hart. De compositie van Last but one is strelend. Dat kan ook niet
anders wanneer piano, klarinet, drum en zang de handen in elkaar slaan. Am I
right? Ik zal het mijn buurman Jef moeten vragen! Die leeft van tijd tot
tijd ook van de warmte van de muziek.
In CROCODILE MAN krijgt de drum natuurlijk de bovenhand omdat een
crocodileman nu eenmaal zijn tanden moet laten zien. Er zit veel vuur in de
song en Louis Paul Boon zou misschien wel spreken van een vuurspuwende song,
maar dat gaat me een beetje te ver. In de song zitten weliswaar ingrediënten
uit de jungle die een hart sneller doen slaan. Alsof het nummer een verwoede
kreet betreft om aandacht te krijgen. Kan de zang die nu en dan uitbarst
daar ook voor (blijven) zorgen? Het laatste nummer ANNEMARIE begint flits
maar ze heeft niet meer dan een grote bek. Misschien is het ook een trut van
Mettekoven. De muziek van Annemarie is vaak een overacting zoals meestal de
wereld van VT4 in het kotsmisselijke Big Brotherprogramma. Maar toch sluit
de song mooi aan bij de overige nummers van BUURMAN. Samengevat kan ik
zeggen dat JOKER, ooit bekroond op Studio Brussel, het mooiste nummer van de
miniCD is. Mijn lieve vrouw zegt dat LAST BUT ONE dat is. We zullen er eens
goed op vrijen tussen de soep en de patatten. Mijn bescheiden mening is
verder dat de groep zeker in het Engels moet verder werken. Dat de
vierkoppige groep nooit de muzikale stap zet in het bekrompen Nederlands!
Niet de taal is fout, maar wel het gros van de Nederlandstalige bevolking.
Die is zo benepen als Johan Anthierens heeft willen aantonen in zijn boek
'Het Belgische domdenken'. Trouwens, de Amerikaans-Engelse stem van Geert
Verdickt is perfect. Hier en daar moet er schoensmeer op, maar ze zal vroeg
of laat blinken. Engels is ook zo universeel. De uitstraling van Buurman's
muziek zal aan kracht blijven winnen in het verbasterde Engels, nooit in het
Nederlands. Voor de rest zal BUURMAN moeten verder werken zoals een
authentieke groep, altijd zelf weer denken, altijd zelf weer doen, altijd
zelf weer zijn. Het zijnde zijn. Nooit verzaken en met respect voor het
leven (en in de eerste plaats voor de ouders). BUURMAN, the force is in you.
And so: you will and you can... do it op Rock Herk, Marktrock en daarna Rock
Werchter!
84. ROND VOOR ROND (dinsdag 17 december)
Wie de kranten met een bijzondere alertheid leest en daarbij nog kieskeurig
is bij zijn krantenselecties, vindt toch nog pareltjes van nieuwsberichten.
Voor mij maken die nieuwskrenten het verschil omdat ze vooral voorzien in
een zekere voeding van de denkende mens om verder te mijmeren dan zijn neus
lang is. Wanneer dat gelukzalige licht mij overvalt, zit ik meestal in mijn
werkkamer of met een been binnen en het andere in mijn tuin van Eden in
Berbroek. Zo las ik onlangs in de elegante treinkrant METRO het bericht van
de Anglicaanse kerkvader Rowan Williams, die een debat over homorelaties
wil. Williams is de nieuwe aartsbisschop van Canterbury. Je weet wel, die
universiteitsstad die vooral bekend is van 'Christmas-shopping'. Allen met de
Eurostar naar dé stad van graafschap Kent. De kathedraal (12-14de E)
begapen, lauw bier zuipen, een vettige snack achterover slaan en hopsa...
als vetgemeste toeristen weer het kanaal over om voldaan en in complete
kerststemming af te ronden voor de kotsende televisie. Wel, in dat
toeristische stadje met roots tot in de Romeinse tijd (Durovernum
Cantiacorum) moet de nieuwe aartsbisschop de zielen gaan redden
(www.anglican.org). En hij wil er meteen invliegen door subito een debat te
starten over homorelaties. "Een eerlijk debat," voegt hij er graag aan toe.
Volgens de aartsbisschop, die veel weg heeft van Knack-journalist Marc
Reynebeau, zijn er wel degelijk argumenten om relaties tussen mensen van
hetzelfde geslacht te erkennen, hoewel de Britse staatskerk daar tot nu toe
niets moest van hebben. Maar het argument dat de bijbel veroordeelt, snijdt
alvast geen hout volgens de kersverse kerkvader. Zijn besluit: "Ik vind het
treurig en tamelijk veelzeggend dat we wanneer het over seks gaat opeens
veel minder intelligent zijn in het lezen van de bijbel." Op die manier is
Williams goed op weg om een nieuwe Thomas van Aquino te worden. Williams zal
weliswaar geen tweede brug slaan tussen filosofie en theologie, maar
mogelijk tussen homo's en de kerkgemeenschap. De pijlers van de brug zullen
dus goed gescherpt en daarna diep geheid moeten worden, wil de brug de tand
des tijds doorstaan. Of is het toch niet zo moeilijk om die overspanning te
bouwen ? Ik denk al lachend terug aan De Morgenbijlage 'Boeken' van woensdag
27 november 2002. In het smaakmakende interview van de Belgische schrijver Tom
Lanoye en de Nederlandse schrijver Hafid Bouazza herinner ik me onder meer
die ene passage waarin Bouazza een filosofisch-erotisch traktaat aanhaalt
van de middeleeuwse Arabische schrijver en wetenschapper Al-Djaahiz waarin
de voordelen van de knapenliefde worden afgewogen tegen die van de meisjes.
Van de vandaag zo roemruchte islamitische homohaat is bij hem nog geen
spoor: "De pik is geschapen voor het aarsgat," betoogt een sodomiet aan het
eind van de verhandeling, "rond voor rond; als hij voor de vagina was, zou
hij als een klein houweel gevormd zijn." Misschien weet ook aartsbisschop
Williams meer van de mysterieuze schepping en is het verhaal van Eva en Adam
gewoon verzonnen... en waren het gewoon Adam en Adam. Vermoed mag worden dat
abdijen door de eeuwen heen wellicht de meest fantastische schuiloorden
geweest zijn voor homo-geörienteerde mensen. In het dagelijkse leven konden
ze tot voor enkele jaren niet openlijk uitkomen voor hun erotische
geaardheid. Ooit en nog altijd in sommige landen we(o)rden ze geroosterd
voor hun 'afwijking'. Maar in een klooster? Homo's die het priesterambt
opnamen gedurende de hele geschiedenis van de mensheid waren de absolute
goden van de aarde. God naast God. Vanaf elke eeuw na Christus waren in de
abdijen al de materiële behoeften voorhanden en zorgde de voorname en de
Latijnse kennis voor een zegevierende macht. Jazeker, priester-homo's moeten
zich kapotgelachen hebben met de hetero's die perse het rijk wilden
besturen. Die macht was vaak de sleur van het leven. Het echte leven bevond
zich een trapje hoger. Ik heb een bovenstebeste vriend die homo is. Hij is
zo vrijgevochten als Tom Lanoye, maar als een goeie vriend en echte
socialist (niet verwarren met SP.A'er) wist hij me tijdens een lunch op het
terras van Augustina in Hasselt plots te verrassen: "Als ik vroeger zou
geleefd hebben - en ik denk echt waar niet verder terug dan vijftig jaar -
dan zou ik beslist zijn binnengetreden in een of andere kloosterorde. Wat
een fantastisch leven zou ik daar geleefd hebben," likte hij de ketchup van
zijn mond. "En vermits ik graag reis, zou dat ook tot de uitverkoren lusten
behoord hebben van mijn leven, " lachte hij het middagmaal verder aaneen. Ik
moest slikken van verbazing. Maar hij had gelijk. Alles wat zijn hartje
belieft, zou aanwezig geweest zijn in de meeste kloosters. Eten,
huisvesting, boeken, kennis en veel mannen... opportuniteiten zat! Zelfs
voor zijn ouders zou het geen probleem geweest zijn, mocht hij dan zijn
binnengetreden. Zij zijn zeer katholiek en een priester als zoon zou dan als
een godsgeschenk geweest zijn. Een zoon als homo beslist nooit! Ach, nu zijn
zijn ouders ook blij en trots met hun enige zoon, mijn goeie vriend, maar
hij is wel een homo.
85. KERSTMIS (dinsdag 24 december)
Het is Kerstmis. Om 00.00.01" treedt Marc Hamilton zijn hartstochtelijke
'Comme j'ai toujours envie d'aimer' als plechtigheid van het kerstfeest op
de voorgrond in het kerkelijke jaar. Het wereldberoemde chanson is de enige
brug van de vreedzame wereld naar onze vijandige maatschappij. Drie minuten
en vijftien seconden staat de amoureuze ster stil en wijst ze de utopische
weg naar voorspoed en geluk. Kerstmis is namelijk de plechtige dag, reeds
zovele eeuwen door het mensdom verwacht, waarop de heilige kerk ons sedert
vier weken voorbereidde. Ook verwacht door Karel Van Miert die tegen de
Turkse toetreding van de Europese Unie is. Ook verwacht door Michel Nihoul
die procureur Michel Bourlet even buiten spel zette in het verschrikkelijke
dossier-Dutroux. Ook verwacht door Marie-Claire Foblets (KU Leuven) en
Patrick Hebberecht (UG) die door Minister van Welzijn Mieke Vogels zijn
aangesteld om een onderzoek te leiden naar allochtone jeugdcriminaliteit.
Ook verwacht door Gerhard Schröder die dreigt op te stappen als iemand denkt
dat hij het beter kan dan hij het kan. Ook verwacht door de Italiaanse
premier Silvio Berlusconi die naar verluidt zou lijden aan een
Napoleon-complex. Ook verwacht door de Braziliaanse voetbalster Ronaldo die
de Grote Prijs van de Franse Sportacademie krijgt. Ook verwacht door de
nieuwe tv-hoofdredacteur Leo De Bock die wil dat het VRT-journaal mee de
agenda bepaalt. Ook verwacht door de Amerikaanse rockgroep R.E.M. die een
van de topacts wordt tijdens de 29ste editie van Rock Werchter. Ook verwacht
door Harry Potter, hét fenomeen van het afgelopen jaar! Met Kerstmis worden
heel wat mensen opnieuw mens en bewijzen ze dat met veel onbegrensde liefde,
geschenken en plechtige beloften. En ik wil graag geloven dat Jezus ooit
geboren is. En voor mijn part op 25 december. Hij mag voor mij ook best een
slimmerik en een prima hypnotiseur geweest zijn. Ik wil zelfs geloven dat
hij een heel goed mens was die niet over zijn vrienden roddelde als ze niet
bij hem waren. Ik ben ervan overtuigd dat hij het goed voor had met de
mensen. Maar al schrijven theologen en duizend pauzen nog miljoenen woorden
in evangelische geschriften of zingen koorknapen nog miljoenen madrigalen en
motetten... wie Jezus werkelijk was en van waar hij kwam, blijft het geheim
der geheimen en voorlopig het grootste feit uit de geschiedenis. Maar voor
de gelovige priester is het op kerstdag werkelijk feest. Hij mag op deze
feestdag driemaal de heilige mis opdragen. Een gewoonte die naar het schijnt
in Palestina is ontstaan. Een paar duizend jaar later ook in België toen er
niet genoeg priesters meer waren om in elke gemeente een huis van God te
bewonen. Ik ken een priester in Bomal (Durbuy) die elke zondag vijf
kerkdorpen zou moeten bestieren! Maar goed. De drie missen! In de vierde
eeuw na Christus werd in het nachtelijk uur een heilige mis opgedragen in
Bethlehem, een tweede kort daarna in een kerk van Jeruzalem, terwijl een
derde heilige mis tegen de middag werd opgedragen in de Verrijzeniskerk te
Jeruzalem. Maar wie riskeert vandaag de dag in Israël nog om te pendelen
tussen al die heilige tempels? De kans dat een kerkganger in Jeruzalem de
hemel sneller bereikt door een ontploffende bommendrager dan wel door een
goddelijke bliksemschicht is niet gering. Zelfs op kerstdag. Bij heel wat
mensen van de aarde is de redelijkheid zoek. Geweld volgt mekaar automatisch
op zoals actie en reactie bij Newton. Mensen vermoorden, is zo gewoon als
brood bakken. Oog om oog en tand om tand (naar Exod. 21:24) is de taaiste
natuurwet ooit, kinderen die sterven van de honger blijft een eeuwige
11.11.11.-actie, vissen onder een laag kapitalistische olie is doodgewoon,
simpele verkeersagressie met blauw gemepte ogen moet kunnen, mobbing op het
werk tot zelfmoord erop volgt is schering en inslag enzoverder enzovoort.
Waar is de tijd dat in den beginne God de hemel en de aarde schiep met de
woeste en ledige aarde met duisternis in de afgronden. Waar is de tijd dat
de geest van God nog zwierf op de wateren. Laten we nog aannemen dat God
toen zei: "Daar zij licht," en daar werd het licht dat de scheiding maakte
tussen het licht en tussen de duisternis. Akkoord dat God het licht de dag
noemde en de duisternis de nacht. En nogmaals akkoord dat Hij bleef
scheppen: de hemel, de droge aarde, de zeeën, grasscheutjes, kruiden, zaden,
de zon en de maan, vogels, vissen, de vrouw en een paar minuten later ook en
tenslotte Adam. Maar dat hij godverdomme niet voorzien had dat vanaf dan een
gevecht zonder einde is begonnen, het ene al wat bloediger dan het andere:
dat kan er bij mij niet in. Dat is een schepping te weinig! Jezus-de-redder?
Allemaal dromen en loze beloften in bijbels en vesperboeken! Unigénitus Dei
Filius nos benedicere et adjuváre dignétur, de eengeboren Zoon Gods
gewaardige zich ons te helpen en bij te staan. Nougabollen niks. Ook niet op
Kerstmis 2002, de verjaardag van Jezus (tussen haakjes).
86. 2003 (dinsdag 31 december 2002)
Mijn beste wensen voor een mooie dood lange tijd na 2003 en ik zal het niet hebben over de absurditeit van het leven want het is toch voor iedereen anders. Zelfs Simone de Beauvoir (1908-1986) deelde de mening niet van haar filosoof-levensgezel Jean-Paul Sartre (1905-1980) dat de dood een absurditeit is die de mens elke vrijheid ontneemt. Voor De Beauvoir was het zoals de Italiaanse graaf Fosca poneerde, dat niet de dood, maar het ontbreken van de dood absurd is. Want een leven zonder dood is een oneindige herhaling en daarmee een oneindige relativering van alles wat een mensenleven waardevol maakt zoals verliefdheid, volwassen worden en kinderen krijgen. De dood is daarom niet de absurditeit bij uitstek, maar een gebeurtenis die het daaraan voorafgaande leven zinvol maakt. Simone de Beauvoir nam volgens mij een interessant standpunt in dat ik graag onderschrijf en u toedicht voor 2003. Daarom ook zijn mijn beste wensen voor een mooie dood oprecht en hartelijk want een mooie dood houdt in dat lang leven eraan vooraf gaat. Ondertussen doe ik er dit nieuwe jaar nog een pakket beste gelukwensen bovenop zodat niemand me kan verdenken van bezuinigingen. Voor al die gelukwensen put ik graag uit mijn persoonlijke levensbron omdat de levensbron immers het geluk is, van waaruit men leeft en sterft. Maar of iemand gelukkig wordt of is... niemand zal het van zichzelf noch van anderen kunnen zeggen, tenzij het reeds verdwenen en betrokkene ongelukkig is. Nochtans kan iemand zich wel gelukkig voelen al zal niemand het kunnen omschrijven en zelfs niet kunnen vertellen aan anderen die het vragen. Desalniettemin wens ik de lezer dàt ‘gelukkig zijn’ als hoogst persoonlijke en existentiële belevenis in 2003 van harte en overvloedig toe. Tot slot wens ik iedereen een goeie politiek toe in 2003 of het vurige verlangen naar een zinvol leven, de overwinning van de voortdurende klassenmaatschappij, het verhinderen van de (verdere) ontaarding van de democratie en de ‘heropstanding’ van de politiek als pure kunst.
87. GELOVEN (dinsdag 7 januari 2003)
Waarom zou ik een boek schrijven? Om wàt te bewijzen? Voor wie? Als nog geen 100 jaar na zijn dood Max Scheler (1874-1928), de schepper van de wijsgerige antropologie, al is vergeten en zelfs niet meer wordt geciteerd in het intellectueel biografische boek van de twintigste eeuw ‘De Denkers’. Als in de gerenommeerde Grote Winkler Prins, negende editie, de Vlaamse filosofen Leo Apostel en Leopold Flam maar enkele regels tekst gegund zijn. Welke zinnige bijdrage of nieuwe constructie óf deconstructie kan dan nog een belangrijke waarde hebben voor de mensen van de 21ste eeuw? Het is niet allemaal de schoonheid die bij een constructie groeit vanuit een deconstructie zoals bij surrealist Salvator Dali. Aan zijn constructie van Il Divino (olieverf op doek, 1951) ging eerst de deconstructie van de Madonna van Rafaël vooraf. “Ze is nog te herkennen, maar is geëxplodeerd,” lacht de meester achteraf. Maar goed, welke invloeden hebben filosofen zoals Descartes, Spinoza, Hegel, Nietzsche, Heidegger of Marx op de hedendaagse mens? Voor sommige filosofen is Marx maar even ‘weg’ en zal hij terugkomen zodra ‘het geloof in de zegeningen van de met een hoofdletter geschreven Markt gaat tanen’ (J. Sperna Weiland). Maar grosso modo is filosofie en zijn filosofen er vooral voor de collega proximus. Ik hoop vurig dat ik de filosoof in het algemeen onderschat. Maar zo op straat te zien, inspireren zij geenszins de massamens die zich wentelt als een varken in de dolce vitae. Noch brengt de filosoof hem op betere gedachten. In het democratische land bij uitstek Nederland wordt Pim Fortuyn op 6 mei 2002 zomaar op straat met zes kogels doodgeschoten en het leven gaat er gewoon verder. In het democratische België wordt Steve Stevaert, een minister mét ideeën, in november 2002 met de dood bedreigd. In Parijs schiet een gek op de nationale feestdag 2002 in Frankrijk op de voorbijrijdende president Jacques Chirac aan de Champs Elysées... De interpretatie van deze waanzin laat ik voor rekening van de lezer. Ondertussen gaat de mens gewoon door met de roekeloze vervuiling van rivieren, zeeën en oceanen en de atmosfeer van de planeet en bedreigt op die manier het globale ecosysteem met ineenstorting en de daaruit onberekenbare en onvoorspelbare gevolgen. Misschien is de ‘Cassandra-voorspelling’ van Ian Gurney nog maar een lachertje van wat we DAN wel mogen verwachten. Ook al kondigt de Cassandra-voorspelling het einde der tijden aan. Zowel voor de ‘goeden’ als voor de ‘slechten’. De natuur zal geen onderscheid maken. Hoe zou ze dat immers kunnen als bijvoorbeeld de San Andreas breuk tijdens een ongeëvenaarde aardbeving (the Big One) niet alleen Californië zal verwoesten, maar ook het tweede rijkste land ter wereld Japan letterlijk in tweeën zal splijten! Aan welke kant van de breuklijn zullen de ‘goeden’ moeten gaan staan? Nostradamus noch de bijbel hebben grotere geheimen dan deze van Cassandra! De mensheid explodeert! Net zoals de zon dat binnen een viertal miljarden jaren zal doen. Wij gaan het verblindende ontbindende licht vooraf. De viezigheid, smeerlapperij en totale deconstructie van de natuur is immers ingezet zonder veel zicht op ‘constructie’. Het is enkel nog wachten op de laatste druppel die de emmer Aarde doet overlopen. Hét moment dat de Aarde de Aarde niet meer zal zijn. Dat de Natuur de Natuur niet meer zal zijn. De definities die wij ooit gaven aan deze fenomenen moeten dan gewijzigd worden indien dat nog relevant zal zijn voor de enkele stervelingen die The Big One en zijn gevolgen zullen overleven. Is er nog hoop? Er is maar één filosoof die (voorlopig) bij mijn weten daar een antwoord op geeft en dat is de Vlaamse filosoof Leopold Flam: “In de mens hebben wij te geloven, want al hetgeen er gebeurd is of gebeuren zal is maar een uiting van een koortsachtige toestand, wellicht van een groeiproces. Al is het persoonlijke leed nog zo hard, we mogen niet in de mens vertwijfelen, zo wij willen leven .” (Dagboek, 23/5/1950)
88. BOEHM (dinsdag 14 januari)
Hoera, Rudolf Boehm is 75 jaar! Niet hoera, Rudolf Boehm is al 75 jaar! Om dit intens mee te vieren, vertrok ik zaterdagochtend 11 januari met de trein naar Gent. Daar, in ’t Geuzenhuis aan de Kantienberg, was ik immers uitgenodigd door mijn vriend en fenomenoloog Kris Witzoreck voor het colloquium ‘Politiek’ naar aanleiding van de 75ste verjaardag van Rudolf Boehm. Het was een hele rit van het plattelandsdorpje Berbroek naar de rode grootstad Gent, maar de weg die de gevierde professor emeritus moderne en algemene wijsbegeerte aan de RijksUniversiteit van Gent heeft afgelegd, is oneindig veel langer. Rudolf Boehm (1927) is afkomstig uit Duitland, maar hij voelt zich meer Belg dan de meeste kiesgerechtigden. Weliswaar moet Rudolf Boehm om de vijf jaar naar de Duitse ambassade in Brussel om zijn Duitse nationaliteit te verlengen. Zelf zegt Boehm: “Ik ben eigenlijk voor drie vierde deel, Pool. Mijn ouders kwamen uit een gebied in Polen dat voor 1918 in Duitse handen was.” Boehm herinnert zich nog dat zijn ouders thuis meer Pools dan Duits praatten en zijn vader helemaal geen Duits. Maar Boehm voelt zich volledig geïntegreerd in België, niet het minst door zijn leven met en tussen Vlaamse universiteitsstudenten. “Dus,” besluit hij, “Burgerschap is ook een zaak van vreemdelingen.” In zijn boek ‘Politiek’ komen heel wat schijnbaar eenvoudige uiteenzettingen voor, die bij nader onderzoek, een grote eruditie verraden en alluderen naar zowat alle klassieke filosofen. Ik kwam via het boek al snel uit bij Plato, Marx, Engels, Foucault, Weber, Schelling en zelfs Pascal Blaise, maar wie ben ik? Tijdens het colloquium vielen ook nog eens Aristoteles, Kant, nog meer Engels, nog meer Marx, David Ricardo, René Descartes, Rousseau enzoverder uit de lucht. Tja, wat verwacht je anders van een marxist, die Boehm heel zeker is? En was het niet Foucault die zei: “Wat is het verschil tussen marxisme en het bestuderen van de geschiedenis?” Het hele boek ‘Politiek’ is doorspekt met filosofen en geschiedenis. De rode leidraad van het boek is meteen ook de definitie van Boehm van het geladen woord politiek, dat hij als volgt formuleert: “Politiek is de kunst of de techniek om mensen met succes op te roepen, ertoe te bewegen of te motiveren om (mee) op te komen voor de bevrediging van de eigen materiële behoeften.” Als je dit leest, lijkt het een makkie, maar de vier slimme gastsprekers die tijdens het colloquium allen op een of andere manier deze definitie van Boehm ter verantwoording riepen, hebben nooit een zwak punt kunnen vinden in de definitie die alzo tijdens het colloquium gestadig evolueerde naar het niveau van een nieuw axioma. Na deze dag ‘Boehm’ ben ik alleszins overtuigd dat de professor de intellectuele verdienste heeft om heel wat moeilijke filosofische knelpunten simpel en verstaanbaar te analyseren, te structureren en te synthetiseren. Vaak is zijn betoog voorzien van een snuifje humor en een flinke geut anekdoten en dat maakt van Boehm ook meteen een filosoof van het volk. Het is aan de lezer of de toehoorder om te weten hoeveel inzicht hij aan het werk van Boehm wil besteden. Bovendien spreekt Boehm een gezellig taaltje: perfect Nederlands met een Duits accent, zodat het hartelijk en aangenaam klinkt. En zodoende is Boehm ook een professor emeritus die je zo in je binnenzak zou willen stoppen om ernaar te luisteren als naar een kleine zakradio. Naar het colloquium, georganiseerd door Kritiek vzw, het Humanistisch Verbond en het Masereelsfonds met ondersteuning van IMAVO vzw, kwamen dan ook ruim honderd mensen afgezakt. Allen hadden zij het boek ‘Politiek’ (ISBN 90-75368-14-3, Imavo-Kritiek, 2002) grondig gelezen en keken ze uit naar de gezellige confrontatie van Boehm met de gastsprekers Koen Raes, Jan Dumolyn, Jos Geysels en Luc Vanneste. De zeer sympathieke hoogleraar rechtsfilosofie en toegepaste ethiek aan de RUGent, Koen Raes, beet de spits af en maakte al snel duidelijk dat hij het boek van binnen en van buiten kende. Maar nooit had Raes de bedoeling om de professor voorbij te steken. Agalev’er Jos Geysels van wie het schaamrood op de wangen - in de zaak Nepal - nog maar net van de wangen was verdwenen, bevestigde tijdens dit wetenschappelijk onderhoud in Gent wat Martin Coenen publiceerde in een interview van november 2002 in Menzo uit de mond van pater Versteylen: “Ja, hij kan het goed zeggen. Hij is een pragmaticus. Die man zegt nooit een verkeerd woord. Maar hij heeft inhoudelijk dan ook niets te zeggen, hij heeft geen boodschap meer.” Nog een gastspreker was Luc Vanneste, de Directeur van de studiedienst SP.A. Vanneste begon veelbelovend te zwaaien met de voorname studies van Mark Elchardus, maar waagde zich dan ongelukkig op glad ijs door zijn definitie van ‘politiek’ te poneren tegenover deze van Boehm. Dat zorgde voor vuurwerk. De gespuwde lava van Boehm, die achteraf maar bleef komen, zorgde er uiteindelijk voor dat Vanneste zijn wangen zo mogelijk nog roder werden dan Gent ten tijden van August Vermeylen. Een vierde gastspreker was de twintiger Dr. Jan Dumolyn, historicus en momenteel assistent aan de universiteit van Gent. Hij was wellicht de opmerkelijkste gastverschijning ondanks het feit dat hij zichzelf afvroeg waarom hij in godsnaam naast zo’n erudiet als Rudolf Boehm mocht plaatsnemen. Maar Jan Dumolyn, die zichzelf achtereenvolgens een middeleeuws historicus, een andersglobalist, een communist en uiteindelijk een utopische idealist noemde, was niet mals voor de oude professor. Kris Witzoreck fluisterde tijdens zijn betoog in mijn oor: “Hij breekt Boehm feitelijk af.” “Ja,” knikte ik, maar ik voelde dat ik eerst tot tien had moeten tellen vooraleer te antwoorden. Een wijze raad van mijn jongste zus, Crisje. Want de historicus Dumolyn had heel wat in zijn mars, maar kon natuurlijk niet profiteren van een rijke ouderdomservaring. Voortdurend dreef hij op de intrinsieke krachten die eigen zijn aan jonge helden. Ook de doorgewinterde Boehm wist dat en hij lachte zoet bij het aanhoren van zoveel marxistisch geweld waar Friedrich Engels vaak om de hoek kwam meeroepen. Hét tere punt waar de andersglobalist zo over doorboomde, was de schaarste in de wereld die volgens hem in een wip zou kunnen worden opgelost door andere regels te hanteren in deze ontwortelde kapitalistische wereld. Met zijn anderglobalistische visie zou meteen ook de vraatzuchtige klassenmaatschappij verdwijnen enzoverder enzovoort. Maar de jonge historicus deed zijn hele betoog met té veel intellectuele prietpraat, zelfs Latijn en hier en daar wereldse uitspraken in de taal van herkomst, zodat hij zichzelf voorbijgaloppeerde. Boehm replikeerde kalm en eenvoudig: “Toen Karl Marx in 1844 op een gegeven moment een brief kreeg van een goeie vriend inzake de arbeidswaardeleer die zijn vriend zo complex, empirisch sociologisch, Plechanov, genetisch structureel, trancendentaal enzoverder enzovoort vond. Héél moeilijk, dus... schreef Marx terug dat het inderdaad zeer moeilijk is, maar dat het de verdomde taak van de intellectueel is om dat eenvoudig te maken!” En dan toonde Boehm met enkele precaire details uit de werken van Marx en Engels aan dat zijn erudiete kennis over de ‘klassiekers’ verder reikt dan de maan. Nog gaf Dumolyn zich niet gewonnen. Zijn recht! Maar al snel bleek de jonge held niet te zijn opgewassen tegen zoveel wijsheid en ervaring van de meester. Dat is helemaal niet erg, want utopische idealisten zijn tot alles in staat, vroeg of... laat! Boehm ging daarna een sigaretje roken. Dé moment om even met de professor in dialoog te treden. Ik viel hem bij wanneer hij opnieuw een feitelijkheid uit het dagelijkse leven opdiste in verband met de schaarste: “Wist je dat de mest op onze akkers niet eens voor zoveel meerwaarde zorgt?,” keek hij me aan over zijn brilletje. Zonder op antwoord te wachten, vervolgde hij, “Enkele procenten, maar indien datzelfde mest op Afrikaanse gronden zou gestrooid worden, dan zou dat voor een fenomenale meeropbrengst van de oogsten zorgen.” “Vandaar dus ook die uitvoer van varkensmest naar Rusland,” probeerde ik aan te klampen. En ik dook onmiddellijk in zijn wiel: “De Indiase regering heeft ook opnieuw plannen om ‘al’ de Indiërs eindelijk van voedsel te voorzien binnen de vijf jaar door verdere uitdieping van de genetische manipulatie van zaden zodat de oogst een veelvoud wordt van wat ze nu is.” Boehm keek me strak aan en trok dan vluchtig aan zijn sigaret. Ik liet hem niet op adem komen en stelde snel mijn volgende vraag: “Professor Boehm, heb jij de Vlaamse filosoof Leopold Flam gekend?” Hij trok nogmaals aan zijn sigaret en zei dan: “Ik heb Leopold Flam één keer ontmoet tijdens mijn leven en dat was met zijn studenten in het Husserl-museum [Cfr. Stichter H.L. van Breda (1911-1974)] in Leuven. Maar we hebben niet gepraat met elkaar.” “Ken je werken van hem,” probeerde ik. “Neen,” zei hij resoluut. “Ken je zijn opvolger Hubert Dethier,” hield ik vol. “Jazeker, Dethier heb ik al ontmoet in Antwerpen. Heel interessant. Ik geloof dat hij een nieuw boek heeft geschreven...,” dacht hij hardop na. Ik hielp hem: “Dansen op de draad van Ariadne in de reeks In de beet van de Adder.” “Inderdaad,” beaamde de professor. En dan wou ik even praten over zijn eigen werk. “Toen ik uw boek ‘Politiek’ las, professor” begon ik nogal plechtig, “Heb ik vaak gedacht aan het boek ‘De Staat’ van Plato. Dikwijls zie ik parallellen. De middelen die u toedicht aan de definitie politiek, vind ik ook in zekere zin bij Plato terug of zeg maar meteen Socrates.” Boehm lachte geheimzinnig en de korte stilte die daarop volgde, was voor mij een bevestiging. Zou hij nog iets meedelen?... Hij deed het: “Ik ben al vijfenzeventig,” keek hij als een ziener door de raamkozijnen van het Gentse Geuzenhuis, “En ik heb nog zoveel werk te verrichten. Zo ben ik in de jaren zestig begonnen aan een groot dialectisch werk. Honderden bladzijden, maar ik vrees ze niet klaar te krijgen...” Boehm rustte even en zweeg toen zijn ogen de oude vloer zochten. Dan ging hij ineens verder: “Ja, ik ben al vijfenzeventig. Oh, ik word daar zo ongeduldig van... ,” en plots zette Boehm enkele stappen opzij alsof hij mijn gezelschap beu was en begon een dienstmeisje te helpen bij het opruimen van leeggedronken koffietassen. Het brave wicht weigerde aanvankelijk zijn hulp, maar de professor week niet tot de laatste tas op het dienstblad stond. Dan keerde hij zich weer om en keek me recht in de ogen: “Ik kan daar niet tegen. Dienstmeiden! Waar halen ze het in hun hoofd terwijl wij ons hier tegoed doen aan het comfort van het leven.” Ik lachte, Boehm niet. Hij keek me nog steeds aan met zijn fonkelende ogen vol tederheid en vertelde dan een amusante anekdote: “Er was eens een zeer belangrijke manager. Je kent dat wel. Ze zijn met duizenden. En ook die manager had een secretaresse om alles voor hem te doen. Zelfs in de stad z’n geld te gaan afhalen. Maar op een dag werd die manager ontslagen en stond hij plots als het ware alleen op de wereld. Hij wist niks af van het dagelijkse leven. Hij was wereldvreemd omdat hij altijd iemand had gehad om voor hem te zorgen. Maar op een dag had hij geld nodig. Hij reed naar de stad, maar wist niet eens waar en hoe hij geld uit de muur moest nemen. Een klein mannetje van een jaar of tien stapte op hem af en bood zijn hulp succesvol aan. Toen ze afscheid namen, wou de manager van het kereltje toch graag weten hoe een en ander in elkaar zat zodat hij de volgende keer het geld zelf uit de muur zou kunnen halen. Waarop de knaap boos antwoordde: ‘Wat, wil jij mijn job afpakken?” Boehm lachte luid en zijn vergeelde tanden toonden een mysterieus leven van vuur en rook. Ik pikte graag in op dat moraliserende verhaaltje en vroeg de professor: “Heb je in je boek lang nagedacht over onze maatschappij die geëvolueerd is van een behoeftige naar een decadente maatschappij?” Boehm knikte na een tijdje van ‘ja’ en gaf me opnieuw een anekdote cadeau: “Toen ik in Praag was, nam ik altijd de metro. Gemakkelijk, hé. Het systeem was ook simpel. Daar hou ik van. Door één kroon in de gleuf te steken, kwam je het metrostation binnen en kon je sporen naar elke plaats in Praag. Maar ’s avonds moesten officiële lui al die muntstukken, al die kronen, in een grote zak naar een centraal punt in de stad brengen om ze van daaruit weer te verdelen aan de mensen die met de metro wilden reizen. Elke dag herhaalde het hele proces zich opnieuw.” Hij keek me uitdagend aan, maar ik zou niet meer kunnen reageren op deze kenschetsende bijzonderheid, want de moderator Lode Frederix (tevens vertaler van het boek ‘Politiek’) spoorde de professor aan om snel naar de volgende ronde te komen. We namen afscheid en ik zou de sympathieke professor nog een keer de hand drukken wanneer ik ’s avonds na de receptie huiswaarts keerde. Vanuit het stedelijke Sint-Pietersstation naar de groene weiden in het landelijke Berbroek. Met de trein bonkend over de sporen doorheen Vlaanderen: boehm... boehm... boehm... boehmboehm...boehmboehm... boehmboehmboehmboehmboehm...
89. Anti-globalisme (dinsdag 21 januari)
Het is niet anders als met een gevaarlijk kruispunt. Eerst moeten er doden vallen. Zo ook met de aandacht voor het globalisme, andersglobalisme en anti-globalisme. Ook al schreef Jaap Kruithof er feitelijk al een boek over met ‘Het neoliberalisme’ (Epo, 430 blz.) in het voorjaar van 2000. Maar met de dood van de 23-jarige Carlo Giuliani tijdens de grote anti-globaliseringsdemonstratie in Genua, kregen de nieuwe woorden eindelijk een betekenis én vooral een interpretatie. Voor- en tegenstanders van de globaliseringsplannen van de zeven rijkste landen (G7) maakten zich kenbaar. Pro en contra-interpretators gingen aan het werk. Sommigen als pleitbezorger van het kapitalisme zoals de Zweedse historicus Johan Norberg. Anderen door zich plots als een kopstuk van een ‘beweging zonder leiders’ te profileren zoals de andersglobaliste van Canadese afkomst Naomi Klein met haar boek ‘Dagboek van een activiste’. De Franse boerenleider en andersglobalist José Bové door als een Don Quichot in zijn eentje velden met genetisch gemanipuleerde gewassen aan te vallen en als extraatje nog een McDonald’s (Hij kreeg er 14 maanden cel voor van de Franse rechters in beroep). Kunstiger en misschien daarom van nog grotere waarde op termijn is iemand als de Vlaamse toneelacteur Paul Pourveur die het anti-globalisme prompt in zijn theaterstuk ‘Shakespear is dead’ stak! Met het anti-globalisme doemde plots de kritische vraag op ‘Van wie is water, van wie is lucht, de aarde en het vuur?’ alsof de bijbel nooit bestaan heeft. En even plots werd Mandela een globalist genoemd omdat het onder zijn presidentschap in Zuid-Afrika was dat er weer voor water en energie moest betaald worden. Onder de nieuwe globaliseringsgedachte kwam ook de Franse schrijver Frédéric Beigbeder (het kleine broertje van Michel Houellebecq) tot bekering in zijn vernietigend beeld van de reclamewereld waarin hij zelf jaren had gewerkt. Maar het blijven allemaal hoogst persoonlijke uitingen en interpretaties van de nieuwe begrippen globalisme, andersglobalisme en anti-globalisme. De jonge historicus en andersglobalist Jan Dumolyn (die zo graag professor wil worden) zei dan weer dat hij zeker een globalist was, maar dan ‘anders’. Dus een andersglobalist, maar zeker geen anti-globalist. Want dan word je zo in een verdomhoekje gedrumd, wist hij zeker na zijn deelname aan de provocerende mars in Genua. Goed en wel, maar hoe wordt iemand dan bijvoorbeeld een anti-globalist? Dat gaat als volgt volgens Peter Delsing, lid van de Belgische anti-globalistische groep D14 en één van de organisatoren van de anti-globalistische betoging in Leuven van september 2001: “Ik ben mij in eerste instantie beginnen engageren rond de problematiek van het racisme. In Antwerpen kende het Vlaams Blok eind jaren tachtig een doorbraak en ik was op zoek naar een instrument om daar tegen in te gaan. Zeven jaar geleden ben ik lid geworden van Militant Links, de huidige Linkse Socialistische Partij (LSP). Al snel raakte ik ervan overtuigd dat je racisme enkel kan bestrijden door de voedingsbodem - armoede, uitsluiting en werkonzekerheid - weg te nemen. Omdat de toenemende globalisering daarmee oorzaak is, zijn wij met LSP ook in Internationaal Verzet en D14 gestapt.” (Gazet van Antwerpen, 15/9/2001). De Poolse auteur en verslaggever Ryszard Kapuscinski zou daar als globalist nog één en ander kunnen aan toe voegen dankzij zijn veertig jaar rusteloos reizen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië. Maar het punt is dat anno 2003 de termen globalisme, andersglobalisme en anti-globalisme dé hete hangijzers zijn van het moment. Wellicht zo ‘hot’ als ooit de samensmelting van de filosofie met de theologie in de werken van Thomas van Aquino en die na bijna 800 jaar nog brandend actueel is. We hebben dus nog heel wat ‘filo-globalistische’ jaren voor de boeg.
Top
|
|