Groeten uit Berbroek

<- terug
    Inhoud
    verder ->
 

Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 80 t.e.m. 89

80. CUM GRANO SALIS (dinsdag 19 november)

Nog niet zo lang geleden, de vlotte jaren zeventig, leefden in dorpjes als Kwaadmechelen, Millen of Berbroek tientallen families van de landbouw. Ze boerden er lustig op los en streelden de koeien voor ze te melken. Hier en daar was er zelfs een 'keuterboerke' dat nog liever een sterk paard dan een tractor had. De toestand was toen een beetje zoals vandaag in Roemenië waar na de val van het communisme nog altijd 4,9 miljoen keuterboeren de stiel beleven als een godsgeschenk. De tijd lijkt er stil te staan! Maar hier, in Kwaadmechelen, Millen of Berbroek niet, dus. Er blijven maar enkele boeren over en geen mens weet nog waar zijn melk noch zijn vlees vandaan komt.
Boeren worden zeldzaam. Volgens de jongste cijfers van het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS) hangt één boer op vier definitief zijn riek aan de wilgen. De voorbije vijf jaar is het aantal land- en tuinbouwbedrijven in ons land met twintig procent gedaald (van 67.397 naar 56.894). In diezelfde periode nam het aantal voltijdse arbeidskrachten in de landbouw met vijfentwintig procent af (van 70.109 naar 53.522). In het jaar 2000 is in Limburg de tewerkstelling in de land- en tuinbouw voor het eerst onder de 10.000 gezakt! Dertig jaar eerder waren er nog ruim 25.000 mensen actief in de sector. Eén op drie landbouwers heeft geen opvolger. En dus zal volgens de Boerenbond het aantal bedrijven in de toekomst blijven dalen. Het landbouwministerie, een eens zo machtig federaal ministerie, verdwijnt eveneens met stille trom. In totaal krijgen 2.633 landbouwambtenaren straks een andere baas! Intussen trappelt de Europese Unie (EU) in de overvloedige mest om de Europese landbouw te hervormen. De groeiende twijfel van de consument over de veiligheid van het voedsel als gevolg van gesjoemel met hormonen en ziektes als BSE en MKZ hebben het algemeen besef doen postvatten dat het mes wel degelijk in de landbouwsector moet. Heden gaan miljarden aan Europees overheidsgeld naar de boeren in de vorm van inkomenssteun subsidies en garantieprijzen, maar wanneer straks na de uitbreiding van de Europese Unie een groot aantal boeren uit Midden- en Oost-Europa bijkomt, wordt de landbouw onbetaalbaar! Daarom worden er nu al preventiemaatregelen ingebouwd. Denk maar aan de maatregel dat boeren in de Europese Unie in 2004 per bedrijf vaste bedragen aan directe inkomenssteun zullen ontvangen. Met deze vorm van subsidie aan de landbouwsector wordt de steun losgekoppeld aan de productie. Het totaalbedrag aan inkomenssteun zal zo in zeven jaar met twintig procent verminderen. Het geld dat vrijkomt zou naar plattelandsontwikkeling gaan. En dan zijn we weer terug bij Kwaadmechelen, Millen en Berbroek. Daar kan de teloorgang van de landbouwbedrijfjes wel wat steun gebruiken Want al die oude(re) hoeves zijn gedoemd om op termijn te verdwijnen tenzij men er lustoorden van Eden van maakt. Het idee van de Boerenbond en de Cera Foundation indachtig - sinds 1999 selecteert deze werkgroep jaarlijks een aantal initiatieven die vernieuwend werk leveren in de land- en tuinbouwsector - zouden de vruchtbare aren van al die plattelandshoeves ter beschikking kunnen gesteld worden van stadsvolk of ander volk dat thuis geen are over heeft om werkelijk met de aarde bezig te zijn. Zeg maar gerust dat het hier kan gaan om de renaissance van de volkstuintjes. Een rerum novarum voor de 21ste eeuwse mens die opnieuw zijn handen in Moeder Aarde wil steken om aardappelen, ajuinen, kolen,... kippen en konijnen te gaan kweken. Op al die bewuste plattelandshoeves met vet gesubsidieerd EU-geld! Slimmeriken kunnen daar dan lucratieve concepten gaan ontwikkelen met slakken, regenwormen, geitenroomijs, tuinsappen... of gewoon alternatieve teelten gaan aanboren. De weg zal lang zijn, met vallen en opstaan, maar wie volhoudt, wordt misschien een milieufilosoof in een nieuwe ecologische cultuur. Zo zal in Kwaadmechelen, Millen of Berbroek hét alternatief kunnen ontstaan voor de kreunende boer. Cum grano salis, met een korreltje zout, natuur-lijk!


81. EDITH PIAF (dinsdag 26 november)

Toen ik tijdens een vervelende klus naar de muziek van de Franse chansonnière Edith Piaf (1915-1963) luisterde, wist ik het. Na de dialoog tussen mijn vader en ik over 'Waarom sloven mensen zich uit' was de vraag immers blijven nazinderen. Waarom sloven mensen zich feitelijk uit? Is de vervoering van een individu een mogelijke reden? Of speelt bij de uitslovers het enthousiaste bewustzijn van het optimale? Stuurt het geheugen elk individu onbewust naar een zekere toekomst? Gewoon omdat de opdracht in de toekomst ligt, net zoals het geheugen? Is de weg van iemand die zich uitslooft zijn levensloop? Zijn weg naar de bron? Of terug naar de bron? Waarheen, uitslover? De ene als bezeten muzikant? De andere als doorgewinterde veehandelaar? De bakker om de hoek? De schapenkweker? De postzegelverzamelaar? De duivenmelker? Een perverse filosoof?... Waarom willen ze zich allemaal uitsloven? Tot in de perfectie! Zorgt dat niet voor onnodige problemen? Niet in het minst voor diegenen die een relatie hebben? Of is zich-uitsloven inherent aan mens-zijn?
Ik denk aan de Gouden Eeuw - grosso modo de 17de eeuw - in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1). Daar zorgden een handvol mensen dat van de 12.000 schepen die toen de wereldzeeën bevaarden, de helft in de Republiek gemaakt werden. Eveneens wisten de bewoners van de Gouden Eeuw op een handige manier grootmachten als Frankrijk, Spanje en Engeland van het lijf te houden. Wellicht door zich permanent uit te sloven! Daarenboven produceerden ze in een eeuw tijd minstens vijf miljoen schilderijen. Waar haalden ze de energie vandaan? Uitslovers waren het! Net zoals de Sovjetrussische mijnwerker Alexej Stachanov (Loegovaja 1906-1977). Hij droomde van een eigen paard en trok naar de zuidelijke steenkoolmijnen om de nodige roebels te verdienen. In één nachtshift van 5 uur en 45 minuten slaagde de 29-jarige Alexej erin 102 ton steenkool naar boven te brengen, dat was 6 keer het Britse record en 14 keer de sovjetnorm. Hij werd een held en het stachanovisme (2) is achteraf een Sovjetrussisch loonstelsel geworden waarbij premies worden gegeven aan duurzame werknemers. Stachanov, wat een uitslover! Maar ik keer terug naar mijn kleine uitsloofster Edith Piaf. Haar Franse chansons met een diepgang van een oceaanreus, brachten me zoveel plezier tijdens een opdracht die ik uitvoerde dat de klus al snel een lachertje werd. Het werk dat ik eerst als vervelend had beschouwd, werd dankzij de muziek van Piaf een makkie. Ik werkte na een tijdje bijna automatisch op de tonen van haar muziek en klopte als Jozef-dé-timmerman de zeven boekenrekken in elkaar. Ik was in complete euforie en ik floot als een nachtegaal. Ik omhelsde mijn vrouw op alle mogelijke plaatsen in het huis (niks meer, hoor). Ik speelde tegelijk met de kinderen verhaaltjes van Grimm, lachte tegen de wandschilderijen en dronk als een Franse revolutionair zwarte koffie. Wat een feest dankzij de muziek van uitsloofster Edith Piaf! Haar hele leven lang had ze geleefd om te zingen. Na elk optreden en een borrel dook ze weer een studio in. Ze zong voor volle zalen, theater na theater. Wanneer ze door de straten van Parijs flaneerde, neuriede ze de nieuwe liedjes als een eerste repetitie voor een zoveelste optreden. Ze sloofde zich uit voor haar muziek. Waarom? Omdat het voor haar levensbron van een eigen gedachte en werk ging? Om hetgeen ze maakte? Of van waaruit ze leefde en dacht? Komt het erop aan om het onmogelijke te wensen en zich in te schepen op de onmogelijkheid, want hierin ligt uiteraard het avontuur van de geest en van het ontwerp 'mens' (3)! Maar misschien heeft Edith Piaf er zelf nooit over nagedacht, noch een antwoord op gevonden noch gegeven. Nochtans zal iedereen die van haar muziek genoot en geniet er blij om zijn dat ze zich zo uitgesloofd heeft. Iedereen die haar muziek beluistert bij een werk zal haar dankbaar zijn. Natuurlijk heeft zij het allemaal niet bewust gedaan voor mij en honderdduizend anderen die met haar muziek al dan niet een klus verrich(t)ten. Maar ik kus toch haar geest voor al haar uitslovend werk dat ze tot in de perfectie heeft uitgevoerd. Haar hele leven lang. Zo leeft zij zelf en haar werk deugdzaam verder van generatie tot generatie. Zo zal elke generatie voorbereid zijn door de uitslovers van alle tijden in alle mogelijke disciplines.

(1) 'Ooggetuigen van de Gouden Eeuw' door René van Stipriaan (Prometheus, 2000)
(2) 'Mijn naam is haas' door Marcel Grauls (Van Halewyck/Balans, 2001)
(3) 'De Bron, situatie van de filosofie in de twintigste eeuw' door Leopold Flam (Acco, 1978)


82. EENZAME FIETSER (dinsdag 2 december)

1. Het is bijna onverantwoord om als vader van twee kleine kinderen te gaan werken met de fiets. Al ruim tien weken lang vertrek ik 's morgens omstreeks acht uur in Berbroek om negen kilometer verder omstreeks 8.30 uur aan te komen op mijn werk in Hasselt. 's Avonds vice versa, maar dan doe ik de afstand in slechts twintig minuten. Het onverantwoorde ligt hem nu precies in de avondrit naar huis. Het is sinds de wintertijd al donker en het povere fietslicht is ontoereikend om auto- of vrachtwagenbestuurders attent te maken op mijn zwakke positie op de weg. Gemiddeld word ik twee keer bijna-omvergereden en ik mag niet denken aan de catastrofale gevolgen van zo'n banaal ongeval. De top twee van verkeerssituaties waarin ik zonder meer de duimen moet leggen zijn de volgende: meestal nemen autobestuurders zomaar hun voorrang wanneer ze uit een straat komen om de hoofdweg op te rijden. Ik moet dan remmen als een paard en bij een nat wegdek is dat geen sinecure want ik rijd gemiddeld twintig kilometer per uur. In het tweede geval wachten de bestuurders met hun auto op het fietspad om de drukke weg op te rijden wanneer het verkeer het toelaat. Ik moet dan als fietser maar wachten tot de overtreder van redelijk gedrag het fietspad wil vrijgeven. Als ik in de beide gevallen rinkel met de bel om te protesteren, bekijken ze mij alsof ik de gek ben. Alsof 'ik' het ben die onverantwoord gedrag tentoon stel op de openbare weg. Slechts enkelen rijden even achteruit om me doorgang te geven, maar de meesten halen hun neus op voor de eenzame fietser. Toen ik een keer mijn vuisten op de neus van een wagen plantte, van iemand die het fietspad niet wou ontruimen, moest ik enkele meters verder onder toeterend geweld een volledige arm in de lucht aanschouwen terwijl iemand riep "vuile smeerlap". Toen ik een keer op de autoruit tikte van een andere dwarsdrijver reed die me enkele meters verder zo goed als van het fietspad. Al remmend belandde ik in de berm terwijl de regen tikte op mijn hoofd. Nu rijd ik nog enkel defensief op mijn fiets. Ik knik beleefd tegen de mensen die me bijna omverrijden op het zebrapad. Ik speel verkeersagent voor autobestuurders die op het fietspad wachten om de weg op te rijden en ik tel de vogels in de lucht wanneer ze me weer bijna van de weg snorren. Zo blijft iedereen happy op de weg en is er niks aan de hand in ons autoland! Maar... de ene dag is de andere niet!
2. Neem nu dinsdag 26 november 2002 omstreeks 18.30 uur. Aan de big Carrefour aan de grote ring van Hasselt word ik voor de eerste keer gehinderd. Ik ben slechts achthonderd meter van mijn werk verwijderd. Een verschrikkelijk lelijke vrouw snijdt me met haar vieze Saab de pas af en ik moet remmen om niet in haar zijdeur te beuken. Ik rem en roep een koosnaampje van een slang, maar het chemisch wonder schokt verder alsof ze de ziekte van Parkinson heeft. Ik duw weer hard op de pedalen. De fiets schudt als een schip op een woelige zee. Ik snel door het duister en enkel twee flikkerende fietslichten verraden mijn positie op de weg. Een stadsbus kan me lange tijd niet voorbijsteken omdat de weg te smal is. Maar in stadsbussen heb ik vertrouwen. Die volgens veelal de juiste wegcode, toffe lui. In Kuringen-centrum heb ik weer prijs. Een Johnny met laaggeschoolde auto schiet uit een straat alsof hij meedoet in een Amerikaanse speelfilm met Rambo. De eikel heeft natuurlijk wel voorrang van rechts, maar de manier waarop hij zijn voorrang neemt, doet bijna de sokken uit mijn schoenen schieten. Voor mijn part staat hij morgen in de krant. Hij hoeft niet dood te zijn, zwaargewond is voldoende. Aan de oprit van de autosnelweg krijg ik van hetzelfde laken een broek. Sommige autobestuurders denken dat ik met mijn fiets mee de autoweg op spurt want ze geven nog extra gas wanneer ze mij zien wachten om de oprit over te steken. Eén vrachtwagen stopt, maar wellicht voor de allerlaatste keer. Hij wordt uitgetoeterd en een zeer gehaaste autobestuurder moet zodanig remmen dat de lucht zwanger wordt van verbrande rubber. Ik rijd opnieuw verder. Nog zes kilometer. Ik ril niet. Maar ik ben zo alert als een haas tijdens het jachtseizoen. Ik besef dat die uiteindelijk ook geschoten wordt, maar ik wil de laatste zijn die het veld verlaat. Autobestuurders leven nu eenmaal in een wereld waar geen fietsers thuishoren. Sommigen autobestuurders kijken zo verbaasd als ze me bijna vermorzelen onder hun wielen, dat ik waarlijk geloof dat ze in mij een aliën zien. Aan de driebaansweg in Kermt staat een ouder vrouwtje met haar proestend autootje op het fietspad te wachten om de drukke weg op de rijden. Haar vensters zijn bewasemd en ze ziet geen sikkepit. Ze komt van de bakker en ze wil meteen met al haar brood naar huis. Ik moet in de rem want ik kan niet uitwijken. Links de drukke driebaansweg en rechts een rij geparkeerde auto's. Het vrouwtje doet nu alsof ze mij niet ziet en geeft plots gas alsof ze diarree heeft. "Pruttel pruttel," is het enige wat ik er nog van hoor. Ik geraak weer op dreef. Zeven, dertien, achttien, tweeëntwintig kilometer per uur. Rood licht. En dan is het groen voor mij. Logisch. Maar neen, ik moet toch nog even wachten want een elegante rotzak haast zich door het rood om voor mijn neus de weg in te slaan. Zo vlakbij een kerk had ik dat niet verwacht, maar geloof is uit vervlogen tijden en Opus Dei is nog niet doorgedrongen in Kermt! Ach, gelovige mensen. Ze zijn nu zelf god geworden. Liefst in een auto, de heilige koe. Ik kom opnieuw in beweging en moet nog een laatste kilometer vechten tegen de wrijvingskrachten van Newton. Bijna thuis komt een gek in zwarte BMW laag over de weg gevlogen en ik ben niet helemaal zeker of hij de bocht zal kunnen nemen op zijn eerlijke helft. Ik rem voorzichtig en sta zo goed als stil. Ik denk heel bewust aan vrouw en kinderen. Ik kan niet meer weg en ik ben de gevangene van een waanzinnige onbekende. Op een halve meter van mij, zoeft hij voorbij. Mijn jas trilt na en ik kijk naar de sterren om ze te bedanken. Wanneer ik de garagepoort opentrek, komen de kinderen naar me toe gelopen. Ik omhels dochter en zoon innig en kus de beiden op het voorhoofd. "Gezond, hé papa," zegt de kleine snuiter wanneer hij rinkelt met de fietsbel. Ik aai hem over zijn 'bolleke' en prijs mijn Berbroekse goden.
3. En zo ik van mijn vader en moeder duizend ogen en duizend oren had meegekregen, talent van Eddy Merckx in de benen en de longen van een hert ... dan nog zou ik niet zonder gevaar met de fiets van Berbroek naar Hasselt en vice versa kunnen bewegen. Ik heb ze geteld! Gemiddeld zesentwintig soorten autogekken kruisen dagelijks mijn pad. Dat is de spurtende Diana in haar Audi; dat is de geblondeerde Betty in haar BMW; de geile uitdager in zijn BMW+; de onfeilbare kapitalist in zijn Chevrolet; de oubollige jeugd in retro-Chrysler; de huppelende geit in een Citroën; de geperverteerde enkeling in zijn Ferrari; de hete fluit met 'zijn' GT2+2; de doemdenker in zijn Fiat; de Belgische idealist in zijn Ford; de geniepigaard in zijn oude Ford Sierra; de geruisloze hufter in zijn Honda; the man in the Hathaway shirt in zijn Jaguar; de druiper in zijn Lamborghini; de ik-kan-net-volgen trut in haar Lancia; de neusbaggeraar in zijn Mercedes; de opgefokte del in haar Morris; de nieuwe allochtoon in zijn Opel; de groene Agalev'er in zijn Panhard; de blijtende Bert in zijn Peugeot; de zwartkijker in zijn Renault; de raceyuppie in zijn Romeo; de jandoedel in zijn Triumph; de dief van de weg in zijn Trabant; Nietzsche in zijn Volkswagen en de sluiprijder in zijn Volvo. Ik vergeet al de militair geïnspireerden met hun zwaarbewapende jeeps, de simpele nomaden in hun volumewagens, buschauffeurs en vrachtwagencriminelen. Motards die rijden als in een dolce vitae... Uiteraard en gelukkig is er nog een laatste soort bestuurder op de weg. Het is de redelijke mens. Hij rijdt in alle soorten automerken. Ja, zelfs in een BMW. Toch zal het je niet verbazen dat ik met list en lef de fiets hanteer. Ik rijd nog liever op de zon, Venus of Mars, dan dagelijks met tandengeknars van Berbroek naar Hasselt en vice versa. Maar het is zo leuk met de tweewieler én eeuwig blijft de spreuk 'mens sana in corpore sano', een gezonde geest in een gezond lichaam. Zolang het vlees vers blijft!


83. BUURMAN (dinsdag 9 december)

Ik wou het nog eens doen. En omdat er na het avondeten altijd wel wat vrije tijd is, besloten mijn vrouw en ik er een punt van te maken. Terwijl zij de soepprei in kleine stukjes sneed, nam ik de nieuwe miniCD van BUURMAN uit het geschenkpapier en zette me schrap om een recensie vanuit het hart te schrijven. Deze keer betrof het door en door Limburgse muziek van de 23-jarige germanist Geert Verdickt uit de taalgrensgemeente Opheers. Opheers met zijn amusante legende over die ene heks die maar niet wou sterven. Toen ze na dagenlang te liggen braken nog de geest niet gegeven had, kwam de pastoor de situatie bekijken. De ambtenaar van God zag direct wat er aan de hand was. De heks moest eerst haar kunsten kunnen verder geven vooraleer te sterven. Om haar uiteindelijk toch maar dood te laten gaan, vroeg hij aan de dochter van de heks om de kunsten dan maar over te nemen. Later zou de pastoor die van de dochter wel afnemen. En zo stierf de heks. Toen ze begraven was met wijnazijn en veel zwavel, liep de pastoor nog eens langs en vroeg de dochter of hij nu de heksenkunsten van haar kon afnemen. "Ik zou niet graag, mijnheer pastoor, ik heb te veel plezier elke nacht, dat wil ik niet kwijt zijn," zei het meisje en ze bleef heks. Maar goed. Tegenwoordig worden de mensen uit Opheers maar slimmer en slimmer en sommigen worden germanist. Ik wijd uit. Terug naar Geert Verdickt en BUURMAN, dus!... Bij de eerste tonen van de miniCD ontluikt er al iets. Alsof er plots een stem wordt aangezet. Ik kijk in de wijde kosmos en zie SHEILA. Een knappe griet met grote borsten. Elegant en powerflower gekleed. Ze trippelt als een amazone door de wassende natuur en bij elke hemelse pianoaanslag plukt ze een boterbloem. Dit is expressionistische muziek die Van Gogh mooi zou ingekleurd hebben. In alle geval, met Sheila wordt het kleurenpalet van de hele miniCD insidieus ingeluid. Mijn verwachtingspatroon is zo in een mum van tijd gecreëerd. Welke verrassingen zullen me verder verwonderen? JOKER is een Lou Reedachtige song waarbij de drum knap gestrengeld is rondom de pianomuziek. De zang is grauw en ruw als een Bukowski die net ontwaakt uit de goot. Knap. Up & dawnmusic die me even vleugels geeft en opnieuw meezeult naar de late jaren zeventig toen Woodstock nog zo vers was als vis. Maar Joker doet me even later ook denken aan de Nederlandstalige protestgroep BOTS (Wat zullen we drinken, zeven dagen lang) van de jaren zeventig. Vooral wanneer de klarinet haar intrede doet, wijst het houten cilindervormige blaasinstrument de weg naar heimwee en nostalgie. En dan de piano die tussen al die noten vlindert als een moeder tussen haar kroost. Warm, ontroerend en mooi tegelijk. De ongepolijste stem zet de puntjes op de i en dat zal de hele song lang duren. Bijna te mooi in deze gladde wereld. Met LAST BUT ONE zit ik onmiddellijk in een gezellig ritme. Cold outside, maar de warmte die de song uitzendt, doet de kilte bij mensen smelten als sneeuw voor de zon.
Waar doet die verdomde muziek me toch aan denken? Alleszins aan de jeugd. De onbesproken denkende jongeren met voorzichtige mijmeringen. Romantiek uit het hart. De compositie van Last but one is strelend. Dat kan ook niet anders wanneer piano, klarinet, drum en zang de handen in elkaar slaan. Am I right? Ik zal het mijn buurman Jef moeten vragen! Die leeft van tijd tot tijd ook van de warmte van de muziek.
In CROCODILE MAN krijgt de drum natuurlijk de bovenhand omdat een crocodileman nu eenmaal zijn tanden moet laten zien. Er zit veel vuur in de song en Louis Paul Boon zou misschien wel spreken van een vuurspuwende song, maar dat gaat me een beetje te ver. In de song zitten weliswaar ingrediënten uit de jungle die een hart sneller doen slaan. Alsof het nummer een verwoede kreet betreft om aandacht te krijgen. Kan de zang die nu en dan uitbarst daar ook voor (blijven) zorgen? Het laatste nummer ANNEMARIE begint flits maar ze heeft niet meer dan een grote bek. Misschien is het ook een trut van Mettekoven. De muziek van Annemarie is vaak een overacting zoals meestal de wereld van VT4 in het kotsmisselijke Big Brotherprogramma. Maar toch sluit de song mooi aan bij de overige nummers van BUURMAN. Samengevat kan ik zeggen dat JOKER, ooit bekroond op Studio Brussel, het mooiste nummer van de miniCD is. Mijn lieve vrouw zegt dat LAST BUT ONE dat is. We zullen er eens goed op vrijen tussen de soep en de patatten. Mijn bescheiden mening is verder dat de groep zeker in het Engels moet verder werken. Dat de vierkoppige groep nooit de muzikale stap zet in het bekrompen Nederlands! Niet de taal is fout, maar wel het gros van de Nederlandstalige bevolking.
Die is zo benepen als Johan Anthierens heeft willen aantonen in zijn boek 'Het Belgische domdenken'. Trouwens, de Amerikaans-Engelse stem van Geert Verdickt is perfect. Hier en daar moet er schoensmeer op, maar ze zal vroeg of laat blinken. Engels is ook zo universeel. De uitstraling van Buurman's muziek zal aan kracht blijven winnen in het verbasterde Engels, nooit in het Nederlands. Voor de rest zal BUURMAN moeten verder werken zoals een authentieke groep, altijd zelf weer denken, altijd zelf weer doen, altijd zelf weer zijn. Het zijnde zijn. Nooit verzaken en met respect voor het leven (en in de eerste plaats voor de ouders). BUURMAN, the force is in you. And so: you will and you can... do it op Rock Herk, Marktrock en daarna Rock Werchter!


84. ROND VOOR ROND (dinsdag 17 december)

Wie de kranten met een bijzondere alertheid leest en daarbij nog kieskeurig is bij zijn krantenselecties, vindt toch nog pareltjes van nieuwsberichten. Voor mij maken die nieuwskrenten het verschil omdat ze vooral voorzien in een zekere voeding van de denkende mens om verder te mijmeren dan zijn neus lang is. Wanneer dat gelukzalige licht mij overvalt, zit ik meestal in mijn werkkamer of met een been binnen en het andere in mijn tuin van Eden in Berbroek. Zo las ik onlangs in de elegante treinkrant METRO het bericht van de Anglicaanse kerkvader Rowan Williams, die een debat over homorelaties wil. Williams is de nieuwe aartsbisschop van Canterbury. Je weet wel, die universiteitsstad die vooral bekend is van 'Christmas-shopping'. Allen met de Eurostar naar dé stad van graafschap Kent. De kathedraal (12-14de E) begapen, lauw bier zuipen, een vettige snack achterover slaan en hopsa... als vetgemeste toeristen weer het kanaal over om voldaan en in complete kerststemming af te ronden voor de kotsende televisie. Wel, in dat toeristische stadje met roots tot in de Romeinse tijd (Durovernum Cantiacorum) moet de nieuwe aartsbisschop de zielen gaan redden (www.anglican.org). En hij wil er meteen invliegen door subito een debat te starten over homorelaties. "Een eerlijk debat," voegt hij er graag aan toe.
Volgens de aartsbisschop, die veel weg heeft van Knack-journalist Marc Reynebeau, zijn er wel degelijk argumenten om relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht te erkennen, hoewel de Britse staatskerk daar tot nu toe niets moest van hebben. Maar het argument dat de bijbel veroordeelt, snijdt alvast geen hout volgens de kersverse kerkvader. Zijn besluit: "Ik vind het treurig en tamelijk veelzeggend dat we wanneer het over seks gaat opeens veel minder intelligent zijn in het lezen van de bijbel." Op die manier is Williams goed op weg om een nieuwe Thomas van Aquino te worden. Williams zal weliswaar geen tweede brug slaan tussen filosofie en theologie, maar mogelijk tussen homo's en de kerkgemeenschap. De pijlers van de brug zullen dus goed gescherpt en daarna diep geheid moeten worden, wil de brug de tand des tijds doorstaan. Of is het toch niet zo moeilijk om die overspanning te bouwen ? Ik denk al lachend terug aan De Morgenbijlage 'Boeken' van woensdag 27 november 2002. In het smaakmakende interview van de Belgische schrijver Tom Lanoye en de Nederlandse schrijver Hafid Bouazza herinner ik me onder meer die ene passage waarin Bouazza een filosofisch-erotisch traktaat aanhaalt van de middeleeuwse Arabische schrijver en wetenschapper Al-Djaahiz waarin de voordelen van de knapenliefde worden afgewogen tegen die van de meisjes. Van de vandaag zo roemruchte islamitische homohaat is bij hem nog geen spoor: "De pik is geschapen voor het aarsgat," betoogt een sodomiet aan het eind van de verhandeling, "rond voor rond; als hij voor de vagina was, zou hij als een klein houweel gevormd zijn." Misschien weet ook aartsbisschop Williams meer van de mysterieuze schepping en is het verhaal van Eva en Adam gewoon verzonnen... en waren het gewoon Adam en Adam. Vermoed mag worden dat abdijen door de eeuwen heen wellicht de meest fantastische schuiloorden geweest zijn voor homo-geörienteerde mensen. In het dagelijkse leven konden ze tot voor enkele jaren niet openlijk uitkomen voor hun erotische geaardheid. Ooit en nog altijd in sommige landen we(o)rden ze geroosterd voor hun 'afwijking'. Maar in een klooster? Homo's die het priesterambt opnamen gedurende de hele geschiedenis van de mensheid waren de absolute goden van de aarde. God naast God. Vanaf elke eeuw na Christus waren in de abdijen al de materiële behoeften voorhanden en zorgde de voorname en de Latijnse kennis voor een zegevierende macht. Jazeker, priester-homo's moeten zich kapotgelachen hebben met de hetero's die perse het rijk wilden besturen. Die macht was vaak de sleur van het leven. Het echte leven bevond zich een trapje hoger. Ik heb een bovenstebeste vriend die homo is. Hij is zo vrijgevochten als Tom Lanoye, maar als een goeie vriend en echte socialist (niet verwarren met SP.A'er) wist hij me tijdens een lunch op het terras van Augustina in Hasselt plots te verrassen: "Als ik vroeger zou geleefd hebben - en ik denk echt waar niet verder terug dan vijftig jaar - dan zou ik beslist zijn binnengetreden in een of andere kloosterorde. Wat een fantastisch leven zou ik daar geleefd hebben," likte hij de ketchup van zijn mond. "En vermits ik graag reis, zou dat ook tot de uitverkoren lusten behoord hebben van mijn leven, " lachte hij het middagmaal verder aaneen. Ik moest slikken van verbazing. Maar hij had gelijk. Alles wat zijn hartje belieft, zou aanwezig geweest zijn in de meeste kloosters. Eten, huisvesting, boeken, kennis en veel mannen... opportuniteiten zat! Zelfs voor zijn ouders zou het geen probleem geweest zijn, mocht hij dan zijn binnengetreden. Zij zijn zeer katholiek en een priester als zoon zou dan als een godsgeschenk geweest zijn. Een zoon als homo beslist nooit! Ach, nu zijn zijn ouders ook blij en trots met hun enige zoon, mijn goeie vriend, maar hij is wel een homo.


85. KERSTMIS (dinsdag 24 december)

Het is Kerstmis. Om 00.00.01" treedt Marc Hamilton zijn hartstochtelijke 'Comme j'ai toujours envie d'aimer' als plechtigheid van het kerstfeest op de voorgrond in het kerkelijke jaar. Het wereldberoemde chanson is de enige brug van de vreedzame wereld naar onze vijandige maatschappij. Drie minuten en vijftien seconden staat de amoureuze ster stil en wijst ze de utopische weg naar voorspoed en geluk. Kerstmis is namelijk de plechtige dag, reeds zovele eeuwen door het mensdom verwacht, waarop de heilige kerk ons sedert vier weken voorbereidde. Ook verwacht door Karel Van Miert die tegen de Turkse toetreding van de Europese Unie is. Ook verwacht door Michel Nihoul die procureur Michel Bourlet even buiten spel zette in het verschrikkelijke dossier-Dutroux. Ook verwacht door Marie-Claire Foblets (KU Leuven) en Patrick Hebberecht (UG) die door Minister van Welzijn Mieke Vogels zijn aangesteld om een onderzoek te leiden naar allochtone jeugdcriminaliteit.
Ook verwacht door Gerhard Schröder die dreigt op te stappen als iemand denkt dat hij het beter kan dan hij het kan. Ook verwacht door de Italiaanse premier Silvio Berlusconi die naar verluidt zou lijden aan een Napoleon-complex. Ook verwacht door de Braziliaanse voetbalster Ronaldo die de Grote Prijs van de Franse Sportacademie krijgt. Ook verwacht door de nieuwe tv-hoofdredacteur Leo De Bock die wil dat het VRT-journaal mee de agenda bepaalt. Ook verwacht door de Amerikaanse rockgroep R.E.M. die een van de topacts wordt tijdens de 29ste editie van Rock Werchter. Ook verwacht door Harry Potter, hét fenomeen van het afgelopen jaar! Met Kerstmis worden heel wat mensen opnieuw mens en bewijzen ze dat met veel onbegrensde liefde, geschenken en plechtige beloften. En ik wil graag geloven dat Jezus ooit geboren is. En voor mijn part op 25 december. Hij mag voor mij ook best een slimmerik en een prima hypnotiseur geweest zijn. Ik wil zelfs geloven dat hij een heel goed mens was die niet over zijn vrienden roddelde als ze niet bij hem waren. Ik ben ervan overtuigd dat hij het goed voor had met de mensen. Maar al schrijven theologen en duizend pauzen nog miljoenen woorden in evangelische geschriften of zingen koorknapen nog miljoenen madrigalen en motetten... wie Jezus werkelijk was en van waar hij kwam, blijft het geheim der geheimen en voorlopig het grootste feit uit de geschiedenis. Maar voor de gelovige priester is het op kerstdag werkelijk feest. Hij mag op deze feestdag driemaal de heilige mis opdragen. Een gewoonte die naar het schijnt in Palestina is ontstaan. Een paar duizend jaar later ook in België toen er niet genoeg priesters meer waren om in elke gemeente een huis van God te bewonen. Ik ken een priester in Bomal (Durbuy) die elke zondag vijf kerkdorpen zou moeten bestieren! Maar goed. De drie missen! In de vierde eeuw na Christus werd in het nachtelijk uur een heilige mis opgedragen in Bethlehem, een tweede kort daarna in een kerk van Jeruzalem, terwijl een derde heilige mis tegen de middag werd opgedragen in de Verrijzeniskerk te Jeruzalem. Maar wie riskeert vandaag de dag in Israël nog om te pendelen tussen al die heilige tempels? De kans dat een kerkganger in Jeruzalem de hemel sneller bereikt door een ontploffende bommendrager dan wel door een goddelijke bliksemschicht is niet gering. Zelfs op kerstdag. Bij heel wat mensen van de aarde is de redelijkheid zoek. Geweld volgt mekaar automatisch op zoals actie en reactie bij Newton. Mensen vermoorden, is zo gewoon als brood bakken. Oog om oog en tand om tand (naar Exod. 21:24) is de taaiste natuurwet ooit, kinderen die sterven van de honger blijft een eeuwige 11.11.11.-actie, vissen onder een laag kapitalistische olie is doodgewoon, simpele verkeersagressie met blauw gemepte ogen moet kunnen, mobbing op het werk tot zelfmoord erop volgt is schering en inslag enzoverder enzovoort. Waar is de tijd dat in den beginne God de hemel en de aarde schiep met de woeste en ledige aarde met duisternis in de afgronden. Waar is de tijd dat de geest van God nog zwierf op de wateren. Laten we nog aannemen dat God toen zei: "Daar zij licht," en daar werd het licht dat de scheiding maakte tussen het licht en tussen de duisternis. Akkoord dat God het licht de dag noemde en de duisternis de nacht. En nogmaals akkoord dat Hij bleef scheppen: de hemel, de droge aarde, de zeeën, grasscheutjes, kruiden, zaden, de zon en de maan, vogels, vissen, de vrouw en een paar minuten later ook en tenslotte Adam. Maar dat hij godverdomme niet voorzien had dat vanaf dan een gevecht zonder einde is begonnen, het ene al wat bloediger dan het andere: dat kan er bij mij niet in. Dat is een schepping te weinig! Jezus-de-redder? Allemaal dromen en loze beloften in bijbels en vesperboeken! Unigénitus Dei Filius nos benedicere et adjuváre dignétur, de eengeboren Zoon Gods gewaardige zich ons te helpen en bij te staan. Nougabollen niks. Ook niet op Kerstmis 2002, de verjaardag van Jezus (tussen haakjes).


86. 2003 (dinsdag 31 december 2002)

Mijn beste wensen voor een mooie dood lange tijd na 2003 en ik zal het niet hebben over de absurditeit van het leven want het is toch voor iedereen anders. Zelfs Simone de Beauvoir (1908-1986) deelde de mening niet van haar filosoof-levensgezel Jean-Paul Sartre (1905-1980) dat de dood een absurditeit is die de mens elke vrijheid ontneemt. Voor De Beauvoir was het zoals de Italiaanse graaf Fosca poneerde, dat niet de dood, maar het ontbreken van de dood absurd is. Want een leven zonder dood is een oneindige herhaling en daarmee een oneindige relativering van alles wat een mensenleven waardevol maakt zoals verliefdheid, volwassen worden en kinderen krijgen. De dood is daarom niet de absurditeit bij uitstek, maar een gebeurtenis die het daaraan voorafgaande leven zinvol maakt. Simone de Beauvoir nam volgens mij een interessant standpunt in dat ik graag onderschrijf en u toedicht voor 2003. Daarom ook zijn mijn beste wensen voor een mooie dood oprecht en hartelijk want een mooie dood houdt in dat lang leven eraan vooraf gaat. Ondertussen doe ik er dit nieuwe jaar nog een pakket beste gelukwensen bovenop zodat niemand me kan verdenken van bezuinigingen. Voor al die gelukwensen put ik graag uit mijn persoonlijke levensbron omdat de levensbron immers het geluk is, van waaruit men leeft en sterft. Maar of iemand gelukkig wordt of is... niemand zal het van zichzelf noch van anderen kunnen zeggen, tenzij het reeds verdwenen en betrokkene ongelukkig is. Nochtans kan iemand zich wel gelukkig voelen al zal niemand het kunnen omschrijven en zelfs niet kunnen vertellen aan anderen die het vragen. Desalniettemin wens ik de lezer dàt ‘gelukkig zijn’ als hoogst persoonlijke en existentiële belevenis in 2003 van harte en overvloedig toe. Tot slot wens ik iedereen een goeie politiek toe in 2003 of het vurige verlangen naar een zinvol leven, de overwinning van de voortdurende klassenmaatschappij, het verhinderen van de (verdere) ontaarding van de democratie en de ‘heropstanding’ van de politiek als pure kunst.


87. GELOVEN (dinsdag 7 januari 2003)

Waarom zou ik een boek schrijven? Om wàt te bewijzen? Voor wie? Als nog geen 100 jaar na zijn dood Max Scheler (1874-1928), de schepper van de wijsgerige antropologie, al is vergeten en zelfs niet meer wordt geciteerd in het intellectueel biografische boek van de twintigste eeuw ‘De Denkers’. Als in de gerenommeerde Grote Winkler Prins, negende editie, de Vlaamse filosofen Leo Apostel en Leopold Flam maar enkele regels tekst gegund zijn. Welke zinnige bijdrage of nieuwe constructie óf deconstructie kan dan nog een belangrijke waarde hebben voor de mensen van de 21ste eeuw? Het is niet allemaal de schoonheid die bij een constructie groeit vanuit een deconstructie zoals bij surrealist Salvator Dali. Aan zijn constructie van Il Divino (olieverf op doek, 1951) ging eerst de deconstructie van de Madonna van Rafaël vooraf. “Ze is nog te herkennen, maar is geëxplodeerd,” lacht de meester achteraf. Maar goed, welke invloeden hebben filosofen zoals Descartes, Spinoza, Hegel, Nietzsche, Heidegger of Marx op de hedendaagse mens? Voor sommige filosofen is Marx maar even ‘weg’ en zal hij terugkomen zodra ‘het geloof in de zegeningen van de met een hoofdletter geschreven Markt gaat tanen’ (J. Sperna Weiland). Maar grosso modo is filosofie en zijn filosofen er vooral voor de collega proximus. Ik hoop vurig dat ik de filosoof in het algemeen onderschat. Maar zo op straat te zien, inspireren zij geenszins de massamens die zich wentelt als een varken in de dolce vitae. Noch brengt de filosoof hem op betere gedachten. In het democratische land bij uitstek Nederland wordt Pim Fortuyn op 6 mei 2002 zomaar op straat met zes kogels doodgeschoten en het leven gaat er gewoon verder. In het democratische België wordt Steve Stevaert, een minister mét ideeën, in november 2002 met de dood bedreigd. In Parijs schiet een gek op de nationale feestdag 2002 in Frankrijk op de voorbijrijdende president Jacques Chirac aan de Champs Elysées... De interpretatie van deze waanzin laat ik voor rekening van de lezer. Ondertussen gaat de mens gewoon door met de roekeloze vervuiling van rivieren, zeeën en oceanen en de atmosfeer van de planeet en bedreigt op die manier het globale ecosysteem met ineenstorting en de daaruit onberekenbare en onvoorspelbare gevolgen. Misschien is de ‘Cassandra-voorspelling’ van Ian Gurney nog maar een lachertje van wat we DAN wel mogen verwachten. Ook al kondigt de Cassandra-voorspelling het einde der tijden aan. Zowel voor de ‘goeden’ als voor de ‘slechten’. De natuur zal geen onderscheid maken. Hoe zou ze dat immers kunnen als bijvoorbeeld de San Andreas breuk tijdens een ongeëvenaarde aardbeving (the Big One) niet alleen Californië zal verwoesten, maar ook het tweede rijkste land ter wereld Japan letterlijk in tweeën zal splijten! Aan welke kant van de breuklijn zullen de ‘goeden’ moeten gaan staan? Nostradamus noch de bijbel hebben grotere geheimen dan deze van Cassandra! De mensheid explodeert! Net zoals de zon dat binnen een viertal miljarden jaren zal doen. Wij gaan het verblindende ontbindende licht vooraf. De viezigheid, smeerlapperij en totale deconstructie van de natuur is immers ingezet zonder veel zicht op ‘constructie’. Het is enkel nog wachten op de laatste druppel die de emmer Aarde doet overlopen. Hét moment dat de Aarde de Aarde niet meer zal zijn. Dat de Natuur de Natuur niet meer zal zijn. De definities die wij ooit gaven aan deze fenomenen moeten dan gewijzigd worden indien dat nog relevant zal zijn voor de enkele stervelingen die The Big One en zijn gevolgen zullen overleven. Is er nog hoop? Er is maar één filosoof die (voorlopig) bij mijn weten daar een antwoord op geeft en dat is de Vlaamse filosoof Leopold Flam: “In de mens hebben wij te geloven, want al hetgeen er gebeurd is of gebeuren zal is maar een uiting van een koortsachtige toestand, wellicht van een groeiproces. Al is het persoonlijke leed nog zo hard, we mogen niet in de mens vertwijfelen, zo wij willen leven .” (Dagboek, 23/5/1950)


88. BOEHM (dinsdag 14 januari)

Hoera, Rudolf Boehm is 75 jaar! Niet hoera, Rudolf Boehm is al 75 jaar! Om dit intens mee te vieren, vertrok ik zaterdagochtend 11 januari met de trein naar Gent. Daar, in ’t Geuzenhuis aan de Kantienberg, was ik immers uitgenodigd door mijn vriend en fenomenoloog Kris Witzoreck voor het colloquium ‘Politiek’ naar aanleiding van de 75ste verjaardag van Rudolf Boehm. Het was een hele rit van het plattelandsdorpje Berbroek naar de rode grootstad Gent, maar de weg die de gevierde professor emeritus moderne en algemene wijsbegeerte aan de RijksUniversiteit van Gent heeft afgelegd, is oneindig veel langer. Rudolf Boehm (1927) is afkomstig uit Duitland, maar hij voelt zich meer Belg dan de meeste kiesgerechtigden. Weliswaar moet Rudolf Boehm om de vijf jaar naar de Duitse ambassade in Brussel om zijn Duitse nationaliteit te verlengen. Zelf zegt Boehm: “Ik ben eigenlijk voor drie vierde deel, Pool. Mijn ouders kwamen uit een gebied in Polen dat voor 1918 in Duitse handen was.” Boehm herinnert zich nog dat zijn ouders thuis meer Pools dan Duits praatten en zijn vader helemaal geen Duits. Maar Boehm voelt zich volledig geïntegreerd in België, niet het minst door zijn leven met en tussen Vlaamse universiteitsstudenten. “Dus,” besluit hij, “Burgerschap is ook een zaak van vreemdelingen.” In zijn boek ‘Politiek’ komen heel wat schijnbaar eenvoudige uiteenzettingen voor, die bij nader onderzoek, een grote eruditie verraden en alluderen naar zowat alle klassieke filosofen. Ik kwam via het boek al snel uit bij Plato, Marx, Engels, Foucault, Weber, Schelling en zelfs Pascal Blaise, maar wie ben ik? Tijdens het colloquium vielen ook nog eens Aristoteles, Kant, nog meer Engels, nog meer Marx, David Ricardo, René Descartes, Rousseau enzoverder uit de lucht. Tja, wat verwacht je anders van een marxist, die Boehm heel zeker is? En was het niet Foucault die zei: “Wat is het verschil tussen marxisme en het bestuderen van de geschiedenis?” Het hele boek ‘Politiek’ is doorspekt met filosofen en geschiedenis. De rode leidraad van het boek is meteen ook de definitie van Boehm van het geladen woord politiek, dat hij als volgt formuleert: “Politiek is de kunst of de techniek om mensen met succes op te roepen, ertoe te bewegen of te motiveren om (mee) op te komen voor de bevrediging van de eigen materiële behoeften.” Als je dit leest, lijkt het een makkie, maar de vier slimme gastsprekers die tijdens het colloquium allen op een of andere manier deze definitie van Boehm ter verantwoording riepen, hebben nooit een zwak punt kunnen vinden in de definitie die alzo tijdens het colloquium gestadig evolueerde naar het niveau van een nieuw axioma. Na deze dag ‘Boehm’ ben ik alleszins overtuigd dat de professor de intellectuele verdienste heeft om heel wat moeilijke filosofische knelpunten simpel en verstaanbaar te analyseren, te structureren en te synthetiseren. Vaak is zijn betoog voorzien van een snuifje humor en een flinke geut anekdoten en dat maakt van Boehm ook meteen een filosoof van het volk. Het is aan de lezer of de toehoorder om te weten hoeveel inzicht hij aan het werk van Boehm wil besteden. Bovendien spreekt Boehm een gezellig taaltje: perfect Nederlands met een Duits accent, zodat het hartelijk en aangenaam klinkt. En zodoende is Boehm ook een professor emeritus die je zo in je binnenzak zou willen stoppen om ernaar te luisteren als naar een kleine zakradio. Naar het colloquium, georganiseerd door Kritiek vzw, het Humanistisch Verbond en het Masereelsfonds met ondersteuning van IMAVO vzw, kwamen dan ook ruim honderd mensen afgezakt. Allen hadden zij het boek ‘Politiek’ (ISBN 90-75368-14-3, Imavo-Kritiek, 2002) grondig gelezen en keken ze uit naar de gezellige confrontatie van Boehm met de gastsprekers Koen Raes, Jan Dumolyn, Jos Geysels en Luc Vanneste. De zeer sympathieke hoogleraar rechtsfilosofie en toegepaste ethiek aan de RUGent, Koen Raes, beet de spits af en maakte al snel duidelijk dat hij het boek van binnen en van buiten kende. Maar nooit had Raes de bedoeling om de professor voorbij te steken. Agalev’er Jos Geysels van wie het schaamrood op de wangen - in de zaak Nepal - nog maar net van de wangen was verdwenen, bevestigde tijdens dit wetenschappelijk onderhoud in Gent wat Martin Coenen publiceerde in een interview van november 2002 in Menzo uit de mond van pater Versteylen: “Ja, hij kan het goed zeggen. Hij is een pragmaticus. Die man zegt nooit een verkeerd woord. Maar hij heeft inhoudelijk dan ook niets te zeggen, hij heeft geen boodschap meer.” Nog een gastspreker was Luc Vanneste, de Directeur van de studiedienst SP.A. Vanneste begon veelbelovend te zwaaien met de voorname studies van Mark Elchardus, maar waagde zich dan ongelukkig op glad ijs door zijn definitie van ‘politiek’ te poneren tegenover deze van Boehm. Dat zorgde voor vuurwerk. De gespuwde lava van Boehm, die achteraf maar bleef komen, zorgde er uiteindelijk voor dat Vanneste zijn wangen zo mogelijk nog roder werden dan Gent ten tijden van August Vermeylen. Een vierde gastspreker was de twintiger Dr. Jan Dumolyn, historicus en momenteel assistent aan de universiteit van Gent. Hij was wellicht de opmerkelijkste gastverschijning ondanks het feit dat hij zichzelf afvroeg waarom hij in godsnaam naast zo’n erudiet als Rudolf Boehm mocht plaatsnemen. Maar Jan Dumolyn, die zichzelf achtereenvolgens een middeleeuws historicus, een andersglobalist, een communist en uiteindelijk een utopische idealist noemde, was niet mals voor de oude professor. Kris Witzoreck fluisterde tijdens zijn betoog in mijn oor: “Hij breekt Boehm feitelijk af.” “Ja,” knikte ik, maar ik voelde dat ik eerst tot tien had moeten tellen vooraleer te antwoorden. Een wijze raad van mijn jongste zus, Crisje. Want de historicus Dumolyn had heel wat in zijn mars, maar kon natuurlijk niet profiteren van een rijke ouderdomservaring. Voortdurend dreef hij op de intrinsieke krachten die eigen zijn aan jonge helden. Ook de doorgewinterde Boehm wist dat en hij lachte zoet bij het aanhoren van zoveel marxistisch geweld waar Friedrich Engels vaak om de hoek kwam meeroepen. Hét tere punt waar de andersglobalist zo over doorboomde, was de schaarste in de wereld die volgens hem in een wip zou kunnen worden opgelost door andere regels te hanteren in deze ontwortelde kapitalistische wereld. Met zijn anderglobalistische visie zou meteen ook de vraatzuchtige klassenmaatschappij verdwijnen enzoverder enzovoort. Maar de jonge historicus deed zijn hele betoog met té veel intellectuele prietpraat, zelfs Latijn en hier en daar wereldse uitspraken in de taal van herkomst, zodat hij zichzelf voorbijgaloppeerde. Boehm replikeerde kalm en eenvoudig: “Toen Karl Marx in 1844 op een gegeven moment een brief kreeg van een goeie vriend inzake de arbeidswaardeleer die zijn vriend zo complex, empirisch sociologisch, Plechanov, genetisch structureel, trancendentaal enzoverder enzovoort vond. Héél moeilijk, dus... schreef Marx terug dat het inderdaad zeer moeilijk is, maar dat het de verdomde taak van de intellectueel is om dat eenvoudig te maken!” En dan toonde Boehm met enkele precaire details uit de werken van Marx en Engels aan dat zijn erudiete kennis over de ‘klassiekers’ verder reikt dan de maan. Nog gaf Dumolyn zich niet gewonnen. Zijn recht! Maar al snel bleek de jonge held niet te zijn opgewassen tegen zoveel wijsheid en ervaring van de meester. Dat is helemaal niet erg, want utopische idealisten zijn tot alles in staat, vroeg of... laat! Boehm ging daarna een sigaretje roken. Dé moment om even met de professor in dialoog te treden. Ik viel hem bij wanneer hij opnieuw een feitelijkheid uit het dagelijkse leven opdiste in verband met de schaarste: “Wist je dat de mest op onze akkers niet eens voor zoveel meerwaarde zorgt?,” keek hij me aan over zijn brilletje. Zonder op antwoord te wachten, vervolgde hij, “Enkele procenten, maar indien datzelfde mest op Afrikaanse gronden zou gestrooid worden, dan zou dat voor een fenomenale meeropbrengst van de oogsten zorgen.” “Vandaar dus ook die uitvoer van varkensmest naar Rusland,” probeerde ik aan te klampen. En ik dook onmiddellijk in zijn wiel: “De Indiase regering heeft ook opnieuw plannen om ‘al’ de Indiërs eindelijk van voedsel te voorzien binnen de vijf jaar door verdere uitdieping van de genetische manipulatie van zaden zodat de oogst een veelvoud wordt van wat ze nu is.” Boehm keek me strak aan en trok dan vluchtig aan zijn sigaret. Ik liet hem niet op adem komen en stelde snel mijn volgende vraag: “Professor Boehm, heb jij de Vlaamse filosoof Leopold Flam gekend?” Hij trok nogmaals aan zijn sigaret en zei dan: “Ik heb Leopold Flam één keer ontmoet tijdens mijn leven en dat was met zijn studenten in het Husserl-museum [Cfr. Stichter H.L. van Breda (1911-1974)] in Leuven. Maar we hebben niet gepraat met elkaar.” “Ken je werken van hem,” probeerde ik. “Neen,” zei hij resoluut. “Ken je zijn opvolger Hubert Dethier,” hield ik vol. “Jazeker, Dethier heb ik al ontmoet in Antwerpen. Heel interessant. Ik geloof dat hij een nieuw boek heeft geschreven...,” dacht hij hardop na. Ik hielp hem: “Dansen op de draad van Ariadne in de reeks In de beet van de Adder.” “Inderdaad,” beaamde de professor. En dan wou ik even praten over zijn eigen werk. “Toen ik uw boek ‘Politiek’ las, professor” begon ik nogal plechtig, “Heb ik vaak gedacht aan het boek ‘De Staat’ van Plato. Dikwijls zie ik parallellen. De middelen die u toedicht aan de definitie politiek, vind ik ook in zekere zin bij Plato terug of zeg maar meteen Socrates.” Boehm lachte geheimzinnig en de korte stilte die daarop volgde, was voor mij een bevestiging. Zou hij nog iets meedelen?... Hij deed het: “Ik ben al vijfenzeventig,” keek hij als een ziener door de raamkozijnen van het Gentse Geuzenhuis, “En ik heb nog zoveel werk te verrichten. Zo ben ik in de jaren zestig begonnen aan een groot dialectisch werk. Honderden bladzijden, maar ik vrees ze niet klaar te krijgen...” Boehm rustte even en zweeg toen zijn ogen de oude vloer zochten. Dan ging hij ineens verder: “Ja, ik ben al vijfenzeventig. Oh, ik word daar zo ongeduldig van... ,” en plots zette Boehm enkele stappen opzij alsof hij mijn gezelschap beu was en begon een dienstmeisje te helpen bij het opruimen van leeggedronken koffietassen. Het brave wicht weigerde aanvankelijk zijn hulp, maar de professor week niet tot de laatste tas op het dienstblad stond. Dan keerde hij zich weer om en keek me recht in de ogen: “Ik kan daar niet tegen. Dienstmeiden! Waar halen ze het in hun hoofd terwijl wij ons hier tegoed doen aan het comfort van het leven.” Ik lachte, Boehm niet. Hij keek me nog steeds aan met zijn fonkelende ogen vol tederheid en vertelde dan een amusante anekdote: “Er was eens een zeer belangrijke manager. Je kent dat wel. Ze zijn met duizenden. En ook die manager had een secretaresse om alles voor hem te doen. Zelfs in de stad z’n geld te gaan afhalen. Maar op een dag werd die manager ontslagen en stond hij plots als het ware alleen op de wereld. Hij wist niks af van het dagelijkse leven. Hij was wereldvreemd omdat hij altijd iemand had gehad om voor hem te zorgen. Maar op een dag had hij geld nodig. Hij reed naar de stad, maar wist niet eens waar en hoe hij geld uit de muur moest nemen. Een klein mannetje van een jaar of tien stapte op hem af en bood zijn hulp succesvol aan. Toen ze afscheid namen, wou de manager van het kereltje toch graag weten hoe een en ander in elkaar zat zodat hij de volgende keer het geld zelf uit de muur zou kunnen halen. Waarop de knaap boos antwoordde: ‘Wat, wil jij mijn job afpakken?” Boehm lachte luid en zijn vergeelde tanden toonden een mysterieus leven van vuur en rook. Ik pikte graag in op dat moraliserende verhaaltje en vroeg de professor: “Heb je in je boek lang nagedacht over onze maatschappij die geëvolueerd is van een behoeftige naar een decadente maatschappij?” Boehm knikte na een tijdje van ‘ja’ en gaf me opnieuw een anekdote cadeau: “Toen ik in Praag was, nam ik altijd de metro. Gemakkelijk, hé. Het systeem was ook simpel. Daar hou ik van. Door één kroon in de gleuf te steken, kwam je het metrostation binnen en kon je sporen naar elke plaats in Praag. Maar ’s avonds moesten officiële lui al die muntstukken, al die kronen, in een grote zak naar een centraal punt in de stad brengen om ze van daaruit weer te verdelen aan de mensen die met de metro wilden reizen. Elke dag herhaalde het hele proces zich opnieuw.” Hij keek me uitdagend aan, maar ik zou niet meer kunnen reageren op deze kenschetsende bijzonderheid, want de moderator Lode Frederix (tevens vertaler van het boek ‘Politiek’) spoorde de professor aan om snel naar de volgende ronde te komen. We namen afscheid en ik zou de sympathieke professor nog een keer de hand drukken wanneer ik ’s avonds na de receptie huiswaarts keerde. Vanuit het stedelijke Sint-Pietersstation naar de groene weiden in het landelijke Berbroek. Met de trein bonkend over de sporen doorheen Vlaanderen: boehm... boehm... boehm... boehmboehm...boehmboehm... boehmboehmboehmboehmboehm...


89. Anti-globalisme (dinsdag 21 januari)

Het is niet anders als met een gevaarlijk kruispunt. Eerst moeten er doden vallen. Zo ook met de aandacht voor het globalisme, andersglobalisme en anti-globalisme. Ook al schreef Jaap Kruithof er feitelijk al een boek over met ‘Het neoliberalisme’ (Epo, 430 blz.) in het voorjaar van 2000. Maar met de dood van de 23-jarige Carlo Giuliani tijdens de grote anti-globaliseringsdemonstratie in Genua, kregen de nieuwe woorden eindelijk een betekenis én vooral een interpretatie. Voor- en tegenstanders van de globaliseringsplannen van de zeven rijkste landen (G7) maakten zich kenbaar. Pro en contra-interpretators gingen aan het werk. Sommigen als pleitbezorger van het kapitalisme zoals de Zweedse historicus Johan Norberg. Anderen door zich plots als een kopstuk van een ‘beweging zonder leiders’ te profileren zoals de andersglobaliste van Canadese afkomst Naomi Klein met haar boek ‘Dagboek van een activiste’. De Franse boerenleider en andersglobalist José Bové door als een Don Quichot in zijn eentje velden met genetisch gemanipuleerde gewassen aan te vallen en als extraatje nog een McDonald’s (Hij kreeg er 14 maanden cel voor van de Franse rechters in beroep). Kunstiger en misschien daarom van nog grotere waarde op termijn is iemand als de Vlaamse toneelacteur Paul Pourveur die het anti-globalisme prompt in zijn theaterstuk ‘Shakespear is dead’ stak! Met het anti-globalisme doemde plots de kritische vraag op ‘Van wie is water, van wie is lucht, de aarde en het vuur?’ alsof de bijbel nooit bestaan heeft. En even plots werd Mandela een globalist genoemd omdat het onder zijn presidentschap in Zuid-Afrika was dat er weer voor water en energie moest betaald worden. Onder de nieuwe globaliseringsgedachte kwam ook de Franse schrijver Frédéric Beigbeder (het kleine broertje van Michel Houellebecq) tot bekering in zijn vernietigend beeld van de reclamewereld waarin hij zelf jaren had gewerkt. Maar het blijven allemaal hoogst persoonlijke uitingen en interpretaties van de nieuwe begrippen globalisme, andersglobalisme en anti-globalisme. De jonge historicus en andersglobalist Jan Dumolyn (die zo graag professor wil worden) zei dan weer dat hij zeker een globalist was, maar dan ‘anders’. Dus een andersglobalist, maar zeker geen anti-globalist. Want dan word je zo in een verdomhoekje gedrumd, wist hij zeker na zijn deelname aan de provocerende mars in Genua. Goed en wel, maar hoe wordt iemand dan bijvoorbeeld een anti-globalist? Dat gaat als volgt volgens Peter Delsing, lid van de Belgische anti-globalistische groep D14 en één van de organisatoren van de anti-globalistische betoging in Leuven van september 2001: “Ik ben mij in eerste instantie beginnen engageren rond de problematiek van het racisme. In Antwerpen kende het Vlaams Blok eind jaren tachtig een doorbraak en ik was op zoek naar een instrument om daar tegen in te gaan. Zeven jaar geleden ben ik lid geworden van Militant Links, de huidige Linkse Socialistische Partij (LSP). Al snel raakte ik ervan overtuigd dat je racisme enkel kan bestrijden door de voedingsbodem - armoede, uitsluiting en werkonzekerheid - weg te nemen. Omdat de toenemende globalisering daarmee oorzaak is, zijn wij met LSP ook in Internationaal Verzet en D14 gestapt.” (Gazet van Antwerpen, 15/9/2001). De Poolse auteur en verslaggever Ryszard Kapuscinski zou daar als globalist nog één en ander kunnen aan toe voegen dankzij zijn veertig jaar rusteloos reizen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië. Maar het punt is dat anno 2003 de termen globalisme, andersglobalisme en anti-globalisme dé hete hangijzers zijn van het moment. Wellicht zo ‘hot’ als ooit de samensmelting van de filosofie met de theologie in de werken van Thomas van Aquino en die na bijna 800 jaar nog brandend actueel is. We hebben dus nog heel wat ‘filo-globalistische’ jaren voor de boeg.


Top