Groeten uit Berbroek

<- terug
    Inhoud
    verder ->
 

Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 60 t.e.m. 68

60. DE ONTGOOCHELING I (dinsdag 2 juli)

In 1994 klopte ik bij het gemeentebestuur van Herk-de-Stad aan, met de vraag of ik een huis mocht bouwen in de deelgemeente Berbroek. Ja, het mocht. Omdat een 127-jarige wilde kastanjeboom vooraan op de bouwgrond met verheven pracht groeide, vroeg ik het bestuur om 'achter' de boom te mogen bouwen. Het perceel is toch 80 meter 'diep'. Neen, dat mocht niet. Wat was ik ontgoocheld.
Een groenambtenaar van de gemeente stelde voor dat ik mijn huis zou bouwen rond de boom. Toen ik informeerde hoe ik dan mijn kelder moest construeren, vond hij het niet per se noodzakelijk om een kelder te hebben. Zo konden de gezonde wortels lekker blijven leven onder de grond. Maar ik wou geen huis rond een boom. En we wilden een kelder. Mijn vrouw en ik staarden ontgoocheld naar het plan van onze architect. Zouden we een nieuw (duur) plan laten ontwerpen?
Ondanks inspanningen om alsnog achter het magnifieke natuurmonument te bouwen, besliste het Herkse schepencollege op een goeie dag dat de boom gekapt mocht worden. Zodat ik in december 1994 de werkzaamheden aanvatte om precies op acht meter van de openbare weg mijn woning op te trekken. Dura lex, sed lex, de wet is hard, maar het is de wet. Wat was mijn schoonmoeder ontgoocheld toen de boom, waaronder zij verliefd werd in de jaren 50, luid schreeuwend tegen de vlakte sloeg.
Het huis is er gekomen volgens alle wettelijke tierlantijntjes want ik ben maar een gewone burger. De stam van de boom heb ik volledig verwerkt in het dakgeraamte. Het sappige loof en de gespierde wortels kregen hun graf in de tuin. Zo blijft de boom toch een beetje voortleven in Berbroek. Maar als ik aan die knappe groene eeuweling terugdenk, ben ik diep ontgoocheld over de ambtenarij die ons leven steeds meer beheerst. De gezamenlijke ambtenaren die vaak wars van enige competentie, handelen en de indruk wekken dat ze de wetten ad libitum toepassen. Geen verkozene door het volk kan daar wat aan veranderen. Nog een ontgoocheling!
Ach, hoe dikwijls gebeurt het niet dat we ontgoocheld zijn? We hebben iets verwacht en die verwachting dooft dan uit. Dát is de ontgoocheling! Een geledigde droom, volgens de Vlaamse filosoof Leopold Flam. De filosoof mijmert verder 'dat de droom er nog wel is, maar het gelaat is vervaagd en de inhoud verdwenen. Hier en daar is er nog een ogenblik van licht en innigheid, maar de lichten doven, één na één, uit. Blijft alleen maar een leegte over, een pijnlijk verlangen, een onbevredigdheid, een... ledige droom.'


61. DE ONTGOOCHELING II (dinsdag 9 juli)

Buren in Berbroek? De beste buren hebben we. Aan de linkerkant van ons huis. Aan de rechterkant. Even ging het fout. Toen in 1998 de buren van de rechterkant verhuisden. Goh, mijn vrouw en ik en zelfs de kinderen vonden dat erg. Goeie buren krijg je trouwens maar zelden! En we hielden zo van dat koppel. Samen babbelen in de tuin, geheimen uitwisselen aan de draad, samen aan tafel in de zomer, uitlenen van zout en peper, samen naar het boekendorpje Redu en het ruimtevaartcentrum Euro Space Center in Libin ... . Je zal dat innerlijke buurschap hopelijk herkennen. Je mag dus gerust stellen dat wij erg ontgoocheld waren toen ze verhuisden. Maar de ontgoocheling was momentaan. We kregen onmiddellijk nieuwe buren en zopas nog eens een ander stel aan onze 'rechterzijde'. De nieuwe buur is een vlotte kerel en de buurvrouw is bijzonder knap.
Het was 1 mei 1999. Wat een droom van een dag moest gebleven zijn, werd een regelrechte nachtmerrie. Eerst dronken mijn vrouw en ik gezellig wijn op het geïmproviseerde terrasje in onze tuin terwijl de kinderen Tarzan en Jane speelden. Of met de bal kaatsten. Vlinders zochten. In de wolkenformaties dieren vonden. In de zandbak strandspelen hielden en zoveel kinderlijke onschuld meer. En toen we 's avonds voor de televisie zaten zoals in de jaren zestig toen alles nog kon en toen ook werd beloofd dat nagenoeg veertig jaar later een reis boeken naar de maan tot de mogelijkheden zou behoren van de modale Berbroekenaar, toen... , toen ging de telefoon. Er werd met een Siberische stem gezegd dat onze ex-buurman was verongelukt. Onze geliefkoosde Erwin waarmee we Redu hadden bezocht, zout en peper hadden uitgewisseld, geheimen hadden geruild, gelachen na te veel wijn... De jonge dertiger was tijdens zijn allereerste motorrit ongelukkig ten val gekomen en had het 'incidentje' niet overleefd. Nu was hij definitief dood. Hij zou niet meer herrijzen zoals hij eerder al eens deed na zijn verhuis. Onze ontgoocheling was nu totaal en echt. Ze betekende het einde van de mythe Erwin en van elke droom die we nog met hem zouden beleven.
Er bestaat nog een derde ontgoocheling waarin het om het zijn zelf van de enkeling gaat. Ooit zal ik die moeten ervaren in Berbroek want niemand wordt oud(er) zonder zelf een aardbeving mee te maken die de glanzende gestalte van zijn leven doet instorten. Hoe ik 'die' ontgoocheling dan moet verteren, blijft voorlopig een raadsel. Op dat moment zal ik moeten waken dat de ontgoocheling geen neurotische zelfontgoocheling wordt, want anders kan ik me niet meer ontboezemen en valt mijn hart stil.


62. BRIEF (dinsdag 16 juli)

Beste Johan,
Het is zondag. Het regent net... niet. Het verfoeilijke zomerweer heeft me, als een herdershond zijn schapen, naar mijn werkkamer gedreven. Daar schijnt de zon altijd. Muziek, boeken en schrijven. Was ik maar een monnik geworden. Dan had ik broeders genoeg om mee te praten. Nu leef ik vaak in mijn boeken.
Een reusachtig huis met vele kamers. Johan, 'Ne me quitte pas' van Jacques Brel en uw uiterst verzorgde bio over Jacques (Uitgeverij L.J. Veen, 1998) brengen me meteen op het idee u nog eens een brief te schrijven. Het is verdomme van de lente 2000 geleden dat ik je nog eens zag. Jazeker, uw ingekaderde foto staat nog altijd prominent in mijn boekenrek. Ik kijk minstens vijf keer per week recht in je ogen. Deze week een paar keer meer want ik vond opnieuw een leuk boekje van uw hand. Het is 'De boterhammen van de bakkerin' (Uitgeverij Publiboek/Baart, 1980). Een boekje vol aforismen voor wie u scheef bekeek, zei je toen? Mooie zinnetjes met veel ruimte tussen om na te denken. Herinner je je nog 'Tegen jeuk. Krabsla.' of 'De heetgebakerde dame had een brandladder in haar kous.' of 'Hendrik VIII was meer achtgenoot dan echtgenoot' of 'Overspel gaat over huwelijken' of...Goh Johan. Jij kon met woorden spelen. Jij was en bent de witte Gandalf van het alfabet. Het was 1980 toen je dit boekje schreef, het jaar dat Louis Neefs bij een auto-ongeval om het leven kwam in Lier.
Tja, Jacques Brel (1929-1978) is ook dood. Nu ik het zo bekijk, heb jij wel wat met doden. Je zit er middenin. Is Boudewijn nog altijd boos omwille van jouw boek 'Brief aan een postzegel' (Kritak, 1990) waarin je het postzegelpaar en zijn hofhouding prompt op het podium plaatst tussen de neus van Cleopatra en het gezichtsbedrog van Picasso? Praat de man van Saksen-Coburg wel eens over zijn plotse dood op 31 juli 1993 in het Spaanse Motril? Wat was hij toen aan het doen? Zegt hij iets over zijn vorstin Fabiola of... keuvelt hij wel eens over Wilfried Martens, een met de valhelm geboren wielrenner uit Sleidinge zoals je hem destijds zelf beschreef? Ach Johan. Je hebt het de Belgen altijd vlakaf gezegd. Ik herinner me nog levendig dat ik als een gek naar de boekenhandel spurtte om jouw boek 'Het Belgische domdenken' (Kritak, 1986) te kopen. Het is lang mijn favoriete bijbel geweest in een periode waar Martens de ene tunnel na de andere bouwde. Overal zag hij licht en nergens. En wij domme Belgen, maar betalen en inleveren! Oh ja, toen heb je heel wat belangrijke mensen de levieten gelezen en je deed dat met zoveel brio, dat ze er achteraf moeilijk kwaad om konden blijven. Jij, balorige Belg en vlerk van een Vlaming met een moeilijke badkamer. Bekend geworden in 1976 via de Wies Andersen Show en later nog eens opnieuw 'Bij Nader Inzien' op de BRT. En dan die journalistieke stunt met het weekblad 'De Zwijger'. De hele reeks ligt nog ergens op mijn zolder. Maar je had wel meedogenloze journalisten bij De Zwijger, niet? Ik weet nog goed dat mijn vriend-journalist ei zo na ontslagen werd op zijn werk toen een De Zwijger-journaliste schreef wat hij haar had toevertrouwd tijdens een intieme pers-braspartij. Het ging over wijlen senator Rubens (SP) uit Tongeren die toen plots was gestorven. Jij weet dat niet meer? Jij hebt verdorie die woorden toen afgedrukt, vlerk!
Ach, het doet er niets meer toe. Ik lees nu met diep respect de opdracht in uw boek 'Vlerk in vogelvlucht' (Uitgeverij Allert de Lange, 1981) die luidt: 'Geuzengroet. Johan Anthierens 21 mei 1983'. Weet je trouwens nog wat Frans Verleyen van Knack- ook al dood - over je schreef naar aanleiding van je boek 'De flauwgevallen priester op mijn tong' (Uitgeverij Walter Soethoudt, 1975)? Neen! Ik citeer het voor u: "Anthierens is een weinig voorkomend verschijnsel in de journalistiek. Het is een typische chroniqueur met een delicaat karakter. Hij trilt als een espenblad voor de gewaarwordingen die op hem afkomen en hij is in staat om dat om te zetten in geschriften.
Anthierens is van een rationele rechtschapenheid, eerlijk voor zichzelf en eerlijk voor de anderen. Hij is gemaakt om in een faire wereld te leven. Op bepaalde momenten, bij het overlezen van kronieken, had ik het gevoel dat dit literatuur was van Europees formaat. Ik heb het wel eens de Georges Brassens van de journalistiek genoemd."... Niemand heeft het ooit beter dan Verleyen gezegd, Johan. Jij bent nooit meer veranderd. Van 1975 tot in de lente van 2000. Maar nu ben je onder 'anderen'. Het sluit bijna ironisch aan bij je boek 'Johan Anthierens onder anderen' (Lannoo, 1978) met de verleidelijke subtitel 'Door het gaas van mannenwimpers worden vrouwen dag en nacht bespied.' Zo Johan, ik besluit mijn brief met de titel van nog een ander boek van uw hand. 'Vaarwel mijn 1995' (Epo, 1995). Hartelijk en...


63. VADER EN ZOON (dinsdag 23 juli)

Bij het opruimen van gereedschappen in de grote tuin van mijn vader ontstond een zoveelste maar deze keer pittige dialoog. Vader zei dat ik een aantal zaken moest combineren zodat ik niet zes maar drie keer de afstand van het terrein naar de bergruimte moest afleggen. Ik antwoordde dat het geen belang had hoeveel keer ik moest lopen want het gebeurde allemaal in mijn vrije tijd. Tijdens mijn werk handelde ik wel anders. Dan speelde de economische tijd een rol. Maar mijn vader replikeerde onmiddellijk dat ik tijdens mijn vrije tijd ook zinvol moest omgaan met de tijd. Een goeie aanpak van een werk tijdens de vrije tijd zou trouwens zorgen voor nog meer vrije tijd, besloot hij. Ik zei niks meer want tegen zoveel levenservaring kan ik niet op. Hij 69 en ik 43. Daar zit een zee van geheimen tussen. Maar thuis zou ik het eens herbekijken. Twee werken zouden me daarbij helpen: het amusante boek 'Tijd' van Frits Bom en de wijsgerige doctoraatsverhandeling 'De onmogelijkheid van de vrije tijd' van Luc Rademakers. De beleving van tijd is alleszins subjectief en afhankelijk van innerlijke en externe omstandigheden die de mate van het bewuste besef ervan bepalen. Mijn vrije tijd die ik doorbreng bij mijn vader is altijd zo voorbij gevlogen. Het is zoals de liefde die altijd kort duurt, net zoals de haat altijd lang duurt.
De psychologische tijd waarover ik het hier heb, is dus niet bij te stellen. Mijn vrije tijd die ik als individu bij mijn vader beleef, is dus mijn subjectieve tijd. Winst of verlies in tijd ken ik niet als ik bij hem ben.
En of ik dus door praktische ingesteldheid sneller of trager een werk(je) verricht, is voor mij van geen belang want in beide gevallen ben ik evenveel chronologische tijd bij hem. En zo stap ik dan meteen in het werk van Luc Rademakers. De vrije tijd die ik doorbreng bij mijn vader is meteen ook de onmogelijkheid van mijn vrije tijd. Want in tegenstelling tot mezelf, kent mijn vader het begrip 'vrije tijd' niet meer sinds hij op pensioen is. Zijn werk en niet-werk gaan ongemerkt in elkaar over. Net zoals bij de Yanomami-indianen of eskimo's bestaat er geen afgebakende periode van de dag waarin er vrije tijd is. Er wordt gewoon geen tijd 'opzij' gezet. Elke activiteit bevat zowel een economisch als recreatief element omdat ze in groep worden verricht. Zo zijn ook de verhalen van vroeger verweven met het werk of concreet... het werk van mijn vader en ik, de zoon, in de tuin. Luc Rademakers vat de kernproblematiek van de vrije tijd wonderwel samen. Ik citeer: "De beoordeling van de vrije tijd is in oorsprong in drie opzichten problematisch. Ten eerste is zij moeilijk in al haar vormen te onderwerpen aan objectieve criteria. Ten tweede stemt de uiterlijke verschijningsvorm lang niet altijd overeen met de innerlijke ervaring van de vrije tijd. En bijgevolg is, ten derde, de enige die met recht en reden over de individuele besteding van de vrije tijd kan oordelen, het individu zelf."
Ziezo. De volgende keer zal ik bij mijn vader met een gerust hart doen wat hij zegt en denken dat het echt allemaal geen rol speelt. Ah ja, vader spreek je toch nooit tegen!


64. BEANGSTIGEND (dinsdag 30 juli)

Het is een ramp. De oogst aardappelen is dit jaar compleet mislukt. Ook de tomatenstruiken hebben geen tomaat tot het volle rode leven gebracht. Terwijl ik vorig jaar nog vol hartelust aardappelen uitdeelde aan vrienden en verre kennissen, zal ik dit jaar zelf aardappelen moeten gaan kopen. Niemand van 'Tien om te zien', zal ik een tomaat tegen zijn 'appel' kunnen gooien. Nochtans had ik dezelfde rituele werkzaamheden als vorig jaar verricht. Na het intensief omspitten van de tuin met een vleugje schapenmest had ik de mooie eerstelingen, keurige charlots en alomgekende bintjes met de beste zorgen begin mei in kuiltjes met warme Berbroekse aarde toegestopt. Na drie weken wurmden de eerste donkergroene blaadjes zich al naar het hemelse leven en nog geen zeven dagen later ontpopten ze zich tot jeugdige struiken die het leven vol hoop tegemoet zagen. Ik denk dat het midden juni was, dat de kleine plantage aardappelen een zee van geurend loof was van waaruit tientallen paarse bloemen aankondigden dat het onder de grond prima ging. Toen de juniregen bleef aanhouden, kregen de geurende aardappelbloemen het zwaar te verduren. Ik keek machteloos toe. Hoe zou ik kunnen helpen? Machteloos zag ik de bloemen sterven en het loof van verdriet krimpen tot het bruin werd van ellende. De planten waren tot in de grond gekrenkt en dat zou ik weken later geweten hebben. Tijdens de oogst einde juli hingen aan de struiken maar weinig aardappelen. Erger zelfs. De aardappelen aan de struiken die ik met de riek uit de grond schepte, hadden bijna allemaal kanker. Bruine plekken als dikke zweren op de tere mantel van hun lichaam. Sommigen aardappelen waren zo ziek dat ze stonken van rottigheid. Van elke kilogram aardappelen die ik uit de Berbroekse aarde delfde, moest ik de helft vernietigen. Het was een treurige vaststelling. Ik heb er mijn vader bijgehaald, maar in zijn tuin in Oostham had de natuur voor hetzelfde onheil gezorgd. Mijn vader sprak niet over een ramp. Hij zei dat het beangstigend was. Nooit in zijn leven had hij dit meegemaakt. Ja, er zat vroeger wel eens een rotte aardappel tussen, maar dat heb je overal. Zelfs bij mensen.


65. BERBROEKENAAR IN PARIJS I (dinsdag 6 augustus)

Parijs, juli 2002. De journalistgasten in Pain Quotidien aan Place du Marché Saint Honoré kijken nerveus naar elkaar. L' Office de Tourisme et des Congrès de Paris heeft ze immers samen aan een tafel gezet: drie Zwitsers, twee Italianen, een Waal en een Vlaming, ik dus. Het overvloedige eten moet de saus worden van een spontaan kennismakingsgesprek. Dat verloopt grosso modo in het Frans. Alleen de twee Italianen wijken graag af om in het Italiaans de conversatie te smoren. Gelukkig met niet al té veel gebaren. Tijdens de schotel met diverse sla, gerookte hesp en verse Camembert, trekt het verhaal zich goed op gang. Al snel wordt duidelijk dat iedereen het persreisje Parijs cadeau gekregen heeft van zijn hoofdredacteur wegens 'goede punten'. Alleen Michel Piton, een 64-jarige Zwitser en Guido Barosio (40), een Italiaan met welvaartsbuikje, zitten in het vak. De andere journalisten schrijven over alles en nog wat, behalve over toerisme. De twee magazines waarvoor Barosio werkt, zijn heel voornaam want uit een en ander blijkt dat het 'the voice' is voor alle Italianen. Oef, dat zijn er meer dan 60 miljoen! Tijdens de derde gang zegt de Italiaan zelfs meer. Dat de Italianen niet zo verlekkerd zijn op de Parijse wijk Belleville. Enerzijds omdat er geen letter Italiaans gesproken wordt en anderzijds omdat er geen Italiaanse restaurants gevestigd zijn. Neen, voor die plek in Parijs krijgt hij zijn lezers niet warm. Dus, zal hij geen tweede keer die leukste plaats (en nieuwste ontdekking van Parijs) met de rest van de groep bezoeken.
Daarop neemt hij voor de elfendertigste keer kaas, hesp en sla. De knappe Italiaan heeft grote honger. Hij schept ook deze keer zijn porseleinen bord net zo vol als de beurs moet zijn voor iedereen die het hotel wil reserveren waar wij gelegerd zijn voor drie dagen Parijs. Hotel Clarion Saint-James&Albany aan de Rue de Rivoli 202, waarvan de geschiedenis teruggaat tot 1774 toen le Marquis de la Fayette en zijn vrouw er leefden. Het magnifieke hotel ligt vlakbij de Tuilerieën en telt 200 kamers voor gasten die per nacht graag 310 euro ophoesten. Zonder ontbijt wel te verstaan. Dat kost nog eens 19 euro. Maar goed. L'Office de Tourisme et des Congrès de Paris betaalt en wij mogen drie dagen als koningen in La Douce France leven! Als keizers, ja! Want niemand van ons journalisten zou zoveel geld voor een hotel willen neertellen, zo blijkt. Ik zelf reserveer meestal in een Hôtel Etap en soms al eens in een Novotel, zelden in een Ibis-Hôtel. Voor mijn nieuwe Zwitserse vriend Michel Piton was het ooit nog anders. Toen hij vroeger in Bretagne woonde, reed hij met zijn 2 pk'tje op en af Parijs om er een nachtje jazz van Dexter Gordon, Eric Dolphy en Johnny Griffin te beleven in bijvoorbeeld jazzkelder Le Chat Qui Pêche in het vijfde arrondissement. Maar die legendarische jazzclub bestaat vandaag niet meer. Het is nu een toeristenfuik die Raclette et Fondue Savoyarde et Bourguignonne serveert!


66. COMPLOT (dinsdag 13 augustus)

Mijn droom van gisteravond heeft me heftig wakker geschud. Omstreeks 3.30 uur ben ik opgestaan om mijn nachtmerrie te noteren. Ik doe dat wel vaker. Op advies van mijn vriend-cartoonist Kim. Mijn nachtmerrie komt aardig in de buurt van de wereldvermaarde film 'Soylent Green' (1973-USA) met Charlton Heston in de hoofdrol. Terwijl deze opgesmukte SF-film zich afspeelt in 2022 in New York dat door vervuiling en overbevolking in een hopeloze toestand verkeert... speelt mijn droom zich af in 2002 in mijn bed in Berbroek! Moet je horen: "Zoals wel vaker zit ik te smullen van een delicieuze pizza in 'Ristorante i giardini Pizzeria' aan de rue d' Amay in Luik. Twee zwarten zitten aan een tafeltje naast me. Ze gaan er blijkbaar vanuit dat iedereen er Frans spreekt, want ze praten ongegeneerd Nederlands. Vermits de tafeltjes er als sardientjes in een blikje staan opgesteld, hoor ik alles, maar ik kijk niet op. Ze hebben discussie over een zekere Giuseppe. Ik slik een zwarte olijf met pit en vlees in één keer binnen wanneer ik verneem dat hij nog vandaag moet geliquideerd worden. Anders komt de fabriek in Deauville (Frankrijk/Normandië) in gevaar. Even is het stil. Ze moeten ook nog eten. Penne Thon. Met rode wijn! Dan zegt de elegantste zwarte van de twee: 'Hier zijn de ontwerpen voor een nieuwe fabriek in Székesfehérvár (Hongarije), nabij de oude bauxietfabriek. Geef ze snel aan Bronville." De andere knikt en steekt de documenten in de binnenzak van zijn zijden jasje dat om zijn stoel hangt. Daarna eten ze snel verder. Nu zwijgen ze en de stilte wordt doorbroken met de klassieker "Garçon, l'addition, s' il vous plaît!" Dan stappen ze op. En dan gebeurt het! De zwarte met zijn jas aan de stoel, grijpt die nonchalant vast en gooit hem om zijn schouder. Het document met ontwerp valt op de grond en schuift sierlijk onder mijn tafel.
Ik kijk naar de twee zwarten die het restaurant verlaten en ik gluur naar de grond. Ik moet niet meer nadenken. Ik gooi 15 euro op tafel en verdwijn. Ik loop naar mijn auto die zoals altijd geparkeerd staat in de schaduw van de kerk aan de rue St.-Pholien. Wanneer ik de Maas weer oversteek, zie ik plots uit de rue de la Cité de twee zwarten uit de straat gerend komen met de gsm aan hun oren. Ze kijken naar alles en iedereen. Ook naar mij. Het zweet parelt op mijn hoofd en ik vertrek te bruusk aan de verkeerslichten wanneer het licht op groen springt. Ik laat me zo opmerken. Ze praten in de gsm terwijl ze nu naar mij kijken. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik één zwarte in het midden van de weg staan terwijl hij naar me wijst. Ik rijd als een gek richting St. Trond. Op de parking van Ikea in Hognoul stop ik en kijk nerveus de documenten in. Die vellen papier zijn nu plots een lijvig dossier geworden. De metamorfose van dingen kan gemakkelijk in een droom.
Het dossier is nu compleet. Met doelstellingen, plannen, ontwerpen, namen en een lijst van uit de weg te ruimen personen. Bij de L zie ik mijn naam staan: Leopold Laarmans. Ik slik. Ik kan mijn ogen niet geloven. Een nieuwe fabriek in Hongarije wordt het zoveelste complot tegen de mensheid. Het is wereldwijd al de negende fabriek die er moet voor zorgen dat in al de landen rond de Zwarte Zee geen aardappelplant meer overeind blijft staan. In augustus moet de fabriek al operationeel zijn. Eerst zal ze gifwolken produceren die alle aardappelplanten zal vernietigen. In september wordt er dan een gas gemaakt dat zal zorgen dat alle graansoorten mislukken. De fabriek komt in werking als de wind gunstig is, maar grosso modo worden alle windrichtingen gebruikt om de hele regio te bewieroken. Alle geviseerde gewassen leggen dan hun loodje, behalve - en nu komt het - wanneer de gewassen besproeid zijn met producten van de chemiereus B.O.I.R.E. Op die manier wil de chemieholding de hele wereld op zijn knieën krijgen. Het streefdoel is simpel: iedereen mag nog enkel uit de handen van B.O.I.R.E. eten. En eten moeten we allemaal. In enkele casestories staat vermeld hoe succesrijk de giffabrieken al in Zuid-Amerika (Fortaleza in Brazillië, Callao in Peru en Valera in Venezuela) de productie van bananen en cacaobonen hebben kunnen manipuleren. In de Westerse wereld zijn de plannen enigszins anders. Daar moeten de kleine landbouwers en gelegenheidsboeren op zeer korte termijn volledig verdwijnen van de kaart. Zelfs mensen die hun geluk vinden in moestuintjes moeten zodanig ontgoocheld worden dat ze geen zaadje meer in de grond willen stoppen. In de documenten zoek ik naarstig de fabriek dat in België en omstreken verantwoordelijk is voor het onheil. Het is in Tihange, lees ik plots. De elektrische energie die er geproduceerd wordt met atoomenergie is maar een dekmantel. Ook daar staat een giffabriek dat de Benelux moet manipuleren. Nu begrijp ik waarom mijn aardappeloogst deze zomer in Berbroek is mislukt. Ik besef ook dat alle mensen van de wereld spoedig volledig afhankelijk zullen worden van B.O.I.R.E. Ik barst in snikken uit. Dan hoor ik getik tegen het autovenster. Twee politiemannen vragen om uit te stappen. Ikea is zopas overvallen en er zijn belangrijke documenten verdwenen. Van de weeromstuit laat ik het lijvige dossier onder mijn autozetel schuiven. Maar tevergeefs. De agenten hebben het gezien. Ik ben de dief. Ik ben de dief van staatsgeheimen. Eén politieagent trekt zijn pistool en richt dat op mij. Ik stap voorzichtig uit met de handen in de lucht en wanneer ik goed en wel mijn auto verlaten heb, word ik in de boeien geslagen. De agenten leiden me naar hun politiecombi met pekzwarte ruiten.
Wanneer de schuifdeur open glijdt, kijk ik recht in de ogen van de twee zwarten uit het pizzarestaurant. Ik schreeuw de ramptoeristen die uit Ikea naar de ontknoping van de overval zijn komen kijken toe: "Tihange, Tihange, eet geen aardappelen meer, ze zijn gemanipuleerd. Tihange, eet geen aardappelen meer... ," maar een harde slag op mijn hoofd, doet mij ontwaken uit mijn nachtmerrie."


67. 'WIDO' (In de reeks Berbroekenaar in Parijs - deel II ) [dinsdag 20 augustus]

Ik heb mondegreen. Het doet geen pijn, maar het zit zo: "In La Pain Quotidien in Parijs had ik me dus voorgesteld als een journalist uit Berbroek. Toen iedereen zijn debuut had gemaakt aan de lunchtafel was het ijs gebroken. Iedereen had nu gehoord wie zijn Frans goed, beter of best beheerste. Voor de Zwitsers was er geen vuiltje aan de lucht, net zoals voor Alexandre, mijn Belgische collega van Vers L' Avenir. Maar ik wou toch nog eens vragen aan mijn Italiaanse collega hoe die nu weer precies weer heette. Barosio, ja. Dat wist ik nog. Maar zijn voornaam? Als we toch drie dagen met elkaar zouden optrekken, was het weten ervan aangenaam om vlot te kunnen tutoyeren. Dus ik vroeg: "Monsieur Barosio, quel est votre prénom justement?" Hij keek op en slikte alles weg om zijn tong te laten werken bij het articuleren: "Wido," zei hij toen, "Wido." "Oké," knikte ik en stak op mijn beurt de mond vol sla en parmahesp. Maar "Wido, Wido...," klonk het alsmaar in mijn hoofd. Vreemde naam. Nooit gehoord, maar wat namen betreft, ben ik ook altijd een leek geweest. De namen van onze kinderen zijn trouwens ook door mijn vrouw gekozen: Sander en Sofie. Maar die namen kende ik natuurlijk wel.
Wido daarentegen was voor mij zo vreemd als de voornaam van de Italiaanse componist Rossini: 'Gioacchino'! Maar goed, we keuvelden aan de tafel van ons dagelijks brood nog wat over Parijs en de charme die de stad uitstraalt. Over het keitoffe programma van de persreis. Ik had tussen door een gezellige babbel met Paul Roll, de Directeur Géneral van het Office de Tourisme et des Congrès van Paris. Nu en dan riep ik eens op Wido. Of hij wist dat er 27 miljoen toeristen per jaar naar Parijs afreisden. Neen, Wido wist dat niet. "Wel dat het er veel waren," grapte hij met de vork omhoog en bijna in het oor van Raffaello, zijn Italiaanse collega. Ja, Italianen moeten altijd gebaren maken als ze praten. Ze zijn zo geboren. Ik probeerde in ieder geval in een versneld tempo mijn relatie met Wido op punt te stellen, want ik voel wel wat voor Italianen. Mijn allerbeste vriend is trouwens een halve Italiaan. Dat zit zo: links stroomt het bloed van zijn moeder uit het verre Calabrië, rechts dat van zijn Limburgse vader. In het hart komt die rode vloeistof allemaal samen en wanneer het de linker kamer onder hoge druk verlaat, is het weer vol met zuurstof van Limburgs-Italiaanse glorie. Het is mooi om te zien als mijn vriend in actie komt. Vooral als die lacht. Links het warme zuiden, rechts de Limburgse hartelijkheid.
Maar goed, vooraleer we in Parijs de tafel verlieten, keek ik nog veelbelovend naar Wido, want ik stelde hem de retorische vraag of dit een kanjer van een persreis zou worden. Wido reageerde schouderophalend. En zo kabbelden de uren, halve dagen, driekwart dagen, avonden en persdagen in Parijs verder. Mijn babbels met Wido waren niet zo talrijk, maar hij reageerde toch altijd vriendelijk als ik hem riep. Te pas en te onpas viel ik hem lastig. Zo achteraf gezien. Zo bij de visite van l' exposition 'La belle époque de la pub' wanneer ik tegen hem getuigde dat ik nog ooit een opleiding copywriting volgde in Le Pays-Bas. Zo bij de tentoonstelling 'Paris chante Montand' in de Salon d' Accueil de l'Hôtel de Ville waar ik op een gegeven moment hardop riep: "Wido" en hij kwam al even kijken hoe knap de foto van Yves Montand (1921-1991) geschilderd was in de jaren 30. Jawel, Wido was altijd attent als ik hem riep. Zelfs op de Kiosque flottant in Bercy waar ik meerdere malen zei: "Wido, je voudrais encore une bouteille de vin.", "Et voilà, Leopold," lachte hij dan. En zo namen we uiteindelijk na drie dagen ook afscheid op het terras van restaurant 'Le Totem' in le Musée de l'Homme. Daarna bevonden mijn Belgische collega Alexandre en ik me al snel op de Thalys richting Brussel-Zuid. We waren bekaf, maar ik wou toch graag nagenieten en dus herlas ik het programma van de persreis nog eens.
Tot mijn verwondering ontdekte ik de deelnemerslijst van de persreis en toen schoot ik tegen 300 kilometer per uur in de lach. Alexandre schrok zich een hoedje om mijn gebulder, maar ik kon hem op dat moment echt niet vertellen wat ik had gelezen. In de perstekst stonden de Italiaanse deelnemers keurig met naam en voornaam vermeld. En zo kwam ik na drie dagen te weten dat de ene Italiaanse journalist Masci Raffaello heette en de andere Barosio... Guido, mijn Wido!"

Uiteraard ben ik een beetje beschaamd. Maar volgens mijn goeie vriend en schrijver Marcel lijd ik gewoon aan mondegreen. Niks erg, alleen een beetje vervelend. Marcel schreef er in zijn knappe boek 'Mijn naam is haas' (Hoe historische figuren in het woordenboek belandden) zelfs een stukje over. Dat gaat zo: "Mondegreen (enkele woorden of een zinsnede die resulteren uit het fout horen of fout begrijpen van een mededeling of een liedjestekst) Naar Lady Mondegreen, verkeerd begrepen voor 'laid him on the green' in de song 'The Bonny Earl of Murray'. De Amerikaanse journaliste Sylvia Wright schreef in 1954 in Harper's Magazine een artikel over een van de grote teleurstellingen uit haar leven. Als kind kende ze de vermaarde oude Schotse ballade 'The Bonny Earl of Murray' met de verzen: Ye Highlands and ye Lowlands/O where have you been?/They have slain The Earl of Murray,/and Lady Mondegreen'. Ze vond het zo romantisch dat de twee samen stierven en was ontredderd veel later, als volwassene, te horen dat de laatste regel luidde 'and have laid him on the green'.
Wright stelde voor dit fenomeen 'mondegreen' te noemen. Magazines begonnen mondegreens te verzamelen en radiostations timmerden er uitzendingen rond. De term is vandaag vooral bekend in de populaire muziek. Maar ook mededelingen op luchthavens en stations kunnen zich tot een mondegreen ontwikkelen. Om maar te zwijgen van fout begrepen woorden van leraren en professoren die zich op examens tot mondegreens ontpoppen. Zelf bedachte versies van een songtekst gelden niet als mondegreens. Een klassieke mondegreen zit in het lied 'Purple Haze' van Jimi Hendrix 'Excuse me while I kiss this guy' voor 'Excuse me while I kiss the sky'. Hendrix kwam de mondegreen al snel ter ore zodat hij op de Bühne al eens een kus wou uitdelen. Een mondegreen voor Bob Dylans 'The answer my friend is blowin' in the wind' is 'The ants are my friends'. Lady Mondegreen had het nooit kunnen vermoeden. De bekende Nederlandse mondegreen is te vinden in het kinderliedje 'Altijd is kortjakje ziek' met de zin 'met zijn broek vol zilverwerk'. Maar Kortjakje steekt helemaal niks in zijn broek. Het moet zijn 'Met zijn boek vol zilverwerk'. Vroeger werden boeken beslagen met metaal. Johan Verminnen zingt in Rue de Boucher niet 'Da komt drinke, da komt stoeffe, da komt poeppe' (neuken), maar wel 'da komt poeffe' (poffen, op krediet kopen)."
Uit het boek 'Mijn naam is haas' (Van Halewijck/Balans, 2001). Uiteraard met de toelating van de auteur Marcel Grauls, projectmanager bij de Regionale Uitgeversgroep. Van hem verschenen eerder 'De Kroon op het merk', 'Weet wie je eet' en 'De uitvinders van het dagelijks leven'.


68. NAIJVER EN WEDIJVER (dinsdag 27 augustus)

Ik ken een man. Hij praat zoals hij schildert: abstract. Hij hoort en leest én interpreteert het leven ook abstract. Daarom heeft hij wellicht einde juli het besluit genomen om mij de rug toe te keren. Ik besef dat hij niet de laatste zal zijn. Maar hij is wel de eerste. Dat maakt het zo bijzonder.
De man heeft naar mijn gevoel en kennis geen enkele reden om me de rug toe te keren. Ik ben altijd beleefd tegen hem geweest. Ik heb hem altijd met respect behandeld. Toch heeft hij me zwart op wit in een brief te kennen gegeven dat hij niks meer met mij te maken wil hebben. Van veel mensen weet je dat 'gewoonweg', maar het via een brief vernemen is toch wat anders. De nijd van deze man valt af te lezen op de manier waarop hij me informeert inzake zijn intenties. De naijver en de wedijver blijkt uit het gegeven dat hij nergens schrijft 'waarom' hij me de rug toekeert. Zijn brief is daarom zeer abstract. De brief is er wel, maar hij verduidelijkt niets. Toen ik de man drie jaar geleden leerde kennen, was hij heel hartelijk en stelde hij op een gegeven ogenblik zelfs voor om de krachten te bundelen op de een of andere manier. Ik begrijp zijn huidige reactie dus niet. Of misschien maar al te goed want om enigszins troost te vinden, heb ik 'De Bezinning' van filosoof Leopold Flam diagonaal herlezen. In enkele paragrafen zag ik licht.
Die heb ik aangeduid en later nog eens herlezen. Bij sommige paragrafen heb ik deze keer ook extra aanmerkingen geschreven. Ja, ik schrijf in mijn boeken. Bij de volgende drie paragrafen in De Bezinning heb ik de naam van die man geschreven. Om hem nooit meer te vergeten. Een eerste paragraaf: "In een maatschappij van de naijver en de wedijver betekent voor sommigen mislukking, wanneer ze niet tot een bepaalde eer geraken of een bepaalde roem bereiken. De nijd die hieruit bij hen voortvloeit kan tot haat van alle mensen leiden en vooral van hen die wel gelukt zijn in de wedloop naar eer.
Die laatsten worden stilzwijgend beschuldigd de oorzaak te zijn van de mislukking van de zucht naar eer of de eerzucht." Een tweede paragraaf: "De nijd, de naijver en de wedijver vormen drie dialectische momenten van eenzelfde beweging. De grondslag van de nijd is het eigenaar-zijn. De eigenaar kan iets bezitten in het gebruik, in functie van het geheel van zijn existentie, dan ontvouwt het bezit zich functioneel en immanent van uit zichzelf, zonder vergelijking met de anderen. Hij kan echter ook eigenaar zijn van een totaliteit van goederen die zich in de beweging bevinden binnen een vergelijkingssysteem, dan is er concurrentie, die met naijver en nijd samengaat. De naijver betreft de vergelijking, waardoor een eigenaar zich met een andere eigenaar identificeert en hem na doet of na volgt. De nijd betreft dan niet zozeer meer de inhoud of de eigendom van de eigenaar, maar de eigenaar zelf die genegeerd en gehaat wordt, als oorzaak die belet dat de andere zijn eigendom niet kan uitbreiden." En een derde paragraaf: "In het benijden ligt het bewustzijn van het gebrek, van de mislukking en in de naijver het protest bij wijze van het nadoen, nabootsen, het ik-ook."


69. INCIDENT (dinsdag 3 september)

Cannabis kan angsten laten verdwijnen. Misschien heeft daarom Agalev het legitimeren van cannabis op zijn agenda geplaatst. Cannabisachtige stoffen helpen om vervelende herinneringen te vergeten, blijkt uit een recent onderzoek dat in augustus is gepubliceerd in het tijdschrift Nature. De Duitse en Italiaanse onderzoekers experimenteerden met muizen, maar nu Magda Aelvoet geen minister meer is, kan het onderzoek misschien uitgebreid worden. De toonaangevende vrouw van Agalev zal alvast geen bezwaren hebben om een of meerdere jointjes te paffen. De jongen met cannabisgeur die ik tegenkwam in augustus aan zee, reed op het verkeerde rijvak in Oostende. Gelukkig konden we allebei veilig stoppen. Maar toen die 20-jarige Westvlaming met gebaren duidelijk maakte dat 'ik' maar rond hem moest rijden zodat hij zijn weg kon verderzetten, ben ik toch uitgestapt. De vrolijke jongen draaide zijn venstertje spontaan open en vroeg het deze keer beleefd. Of ik de baan wou vrijmaken voor hem. Ik vertelde in beschaafd Nederlands dat er een wegcode bestaat en dat iedereen die moet respecteren. Maar de daverende electronic music en de angstenverdrijvende cannabis deden de jongeling besluiten om niet te wijken van zijn pad. Ik gaf hem 1 minuut de tijd om van gedachten te veranderen. Maar hij dacht noch herinnerde zich niets. Integendeel, hij liet de motor nog eens lekker brullen. En toen gebeurde het onvermijdelijke. Ik werd weer chimpansee. Dat is niet eens zo moeilijk meer nu wetenschappers ook hebben bewezen dat de mens 98 procent van zijn genen deelt met de chimpansee. De overige twee procenten maken het verschil (onder meer het FOXP2-gen), zeg maar een kleine chemische speling in de evolutie van de mens... Dus ik ga opnieuw naar dat Westvlaams product en ik verkoop hem een paar meppen met de vlakke hand. Daarbij trek ik hem zijn T-shirt van zijn lijf. Slecht merk! Jawel, dat doet elke chimpansee die een kledingstuk krijgt aangemeten. Nog zo'n onderzoek. Ik schreeuw nog wat uit de goeie ouwe tijd van Johnny Weissmuller en dan... is de cannabis uitgewerkt. Bijna snikkend zet het 20-jarige jongetje zijn auto op het juiste rijvak en even later rijden we zoals twee volwassenen verder... Ik ben niet echt trots op deze ervaring afgelopen augustusmaand in Oostende. Maar ik was enkele dagen later toch blij dat de krant De Morgen van zaterdag 17 augustus in zijn Opiniemakers (blz. 23) het volgende berichtje had overgenomen van schrijfster Floortje Zwijgerman uit De Volkskrant: "Willen we jongeren leren omgaan met een wereld waarin ze onherroepelijk met geweld geconfronteerd zullen worden, dan moeten we hen inzicht geven in de oorzaken van geweld. Daarbij moeten we feiten die we het liefst zouden negeren niet uit de weg gaan. Zo wordt geweld vaak bestempeld als 'zinloos', alsof alleen hersenloze gekken gewelddaden begaan. Geweld is nooit zinloos: het is een belangrijk middel om iets voor elkaar te krijgen."


Top