|
|
|   |
Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 60 t.e.m. 68
60. DE ONTGOOCHELING I (dinsdag 2 juli)
In 1994 klopte ik bij het gemeentebestuur van Herk-de-Stad aan, met de vraag
of ik een huis mocht bouwen in de deelgemeente Berbroek. Ja, het mocht.
Omdat een 127-jarige wilde kastanjeboom vooraan op de bouwgrond met verheven
pracht groeide, vroeg ik het bestuur om 'achter' de boom te mogen bouwen.
Het perceel is toch 80 meter 'diep'. Neen, dat mocht niet. Wat was ik
ontgoocheld.
Een groenambtenaar van de gemeente stelde voor dat ik mijn huis zou bouwen
rond de boom. Toen ik informeerde hoe ik dan mijn kelder moest construeren,
vond hij het niet per se noodzakelijk om een kelder te hebben. Zo konden de
gezonde wortels lekker blijven leven onder de grond. Maar ik wou geen huis
rond een boom. En we wilden een kelder. Mijn vrouw en ik staarden
ontgoocheld naar het plan van onze architect. Zouden we een nieuw (duur)
plan laten ontwerpen?
Ondanks inspanningen om alsnog achter het magnifieke natuurmonument te
bouwen, besliste het Herkse schepencollege op een goeie dag dat de boom
gekapt mocht worden. Zodat ik in december 1994 de werkzaamheden aanvatte om
precies op acht meter van de openbare weg mijn woning op te trekken. Dura
lex, sed lex, de wet is hard, maar het is de wet. Wat was mijn schoonmoeder
ontgoocheld toen de boom, waaronder zij verliefd werd in de jaren 50, luid
schreeuwend tegen de vlakte sloeg.
Het huis is er gekomen volgens alle wettelijke tierlantijntjes want ik ben
maar een gewone burger. De stam van de boom heb ik volledig verwerkt in het
dakgeraamte. Het sappige loof en de gespierde wortels kregen hun graf in de
tuin. Zo blijft de boom toch een beetje voortleven in Berbroek. Maar als ik
aan die knappe groene eeuweling terugdenk, ben ik diep ontgoocheld over de
ambtenarij die ons leven steeds meer beheerst. De gezamenlijke ambtenaren
die vaak wars van enige competentie, handelen en de indruk wekken dat ze de
wetten ad libitum toepassen. Geen verkozene door het volk kan daar wat aan
veranderen. Nog een ontgoocheling!
Ach, hoe dikwijls gebeurt het niet dat we ontgoocheld zijn? We hebben iets
verwacht en die verwachting dooft dan uit. Dát is de ontgoocheling! Een
geledigde droom, volgens de Vlaamse filosoof Leopold Flam. De filosoof
mijmert verder 'dat de droom er nog wel is, maar het gelaat is vervaagd en
de inhoud verdwenen. Hier en daar is er nog een ogenblik van licht en
innigheid, maar de lichten doven, één na één, uit. Blijft alleen maar een
leegte over, een pijnlijk verlangen, een onbevredigdheid, een... ledige
droom.'
61. DE ONTGOOCHELING II (dinsdag 9 juli)
Buren in Berbroek? De beste buren hebben we. Aan de linkerkant van ons huis.
Aan de rechterkant. Even ging het fout. Toen in 1998 de buren van de
rechterkant verhuisden. Goh, mijn vrouw en ik en zelfs de kinderen vonden
dat erg. Goeie buren krijg je trouwens maar zelden! En we hielden zo van dat
koppel. Samen babbelen in de tuin, geheimen uitwisselen aan de draad, samen
aan tafel in de zomer, uitlenen van zout en peper, samen naar het
boekendorpje Redu en het ruimtevaartcentrum Euro Space Center in Libin ... .
Je zal dat innerlijke buurschap hopelijk herkennen. Je mag dus gerust
stellen dat wij erg ontgoocheld waren toen ze verhuisden. Maar de
ontgoocheling was momentaan. We kregen onmiddellijk nieuwe buren en zopas
nog eens een ander stel aan onze 'rechterzijde'. De nieuwe buur is een
vlotte kerel en de buurvrouw is bijzonder knap.
Het was 1 mei 1999. Wat een droom van een dag moest gebleven zijn, werd een
regelrechte nachtmerrie. Eerst dronken mijn vrouw en ik gezellig wijn op het
geïmproviseerde terrasje in onze tuin terwijl de kinderen Tarzan en Jane
speelden. Of met de bal kaatsten. Vlinders zochten. In de wolkenformaties
dieren vonden. In de zandbak strandspelen hielden en zoveel kinderlijke
onschuld meer. En toen we 's avonds voor de televisie zaten zoals in de
jaren zestig toen alles nog kon en toen ook werd beloofd dat nagenoeg
veertig jaar later een reis boeken naar de maan tot de mogelijkheden zou
behoren van de modale Berbroekenaar, toen... , toen ging de telefoon. Er
werd met een Siberische stem gezegd dat onze ex-buurman was verongelukt.
Onze geliefkoosde Erwin waarmee we Redu hadden bezocht, zout en peper hadden
uitgewisseld, geheimen hadden geruild, gelachen na te veel wijn... De jonge
dertiger was tijdens zijn allereerste motorrit ongelukkig ten val gekomen en
had het 'incidentje' niet overleefd. Nu was hij definitief dood. Hij zou
niet meer herrijzen zoals hij eerder al eens deed na zijn verhuis. Onze
ontgoocheling was nu totaal en echt. Ze betekende het einde van de mythe
Erwin en van elke droom die we nog met hem zouden beleven.
Er bestaat nog een derde ontgoocheling waarin het om het zijn zelf van de
enkeling gaat. Ooit zal ik die moeten ervaren in Berbroek want niemand wordt
oud(er) zonder zelf een aardbeving mee te maken die de glanzende gestalte
van zijn leven doet instorten. Hoe ik 'die' ontgoocheling dan moet verteren,
blijft voorlopig een raadsel. Op dat moment zal ik moeten waken dat de
ontgoocheling geen neurotische zelfontgoocheling wordt, want anders kan ik
me niet meer ontboezemen en valt mijn hart stil.
62. BRIEF (dinsdag 16 juli)
Beste Johan,
Het is zondag. Het regent net... niet. Het verfoeilijke zomerweer heeft me,
als een herdershond zijn schapen, naar mijn werkkamer gedreven. Daar schijnt
de zon altijd. Muziek, boeken en schrijven. Was ik maar een monnik geworden.
Dan had ik broeders genoeg om mee te praten. Nu leef ik vaak in mijn boeken.
Een reusachtig huis met vele kamers. Johan, 'Ne me quitte pas' van Jacques
Brel en uw uiterst verzorgde bio over Jacques (Uitgeverij L.J. Veen, 1998)
brengen me meteen op het idee u nog eens een brief te schrijven. Het is
verdomme van de lente 2000 geleden dat ik je nog eens zag. Jazeker, uw
ingekaderde foto staat nog altijd prominent in mijn boekenrek. Ik kijk
minstens vijf keer per week recht in je ogen. Deze week een paar keer meer
want ik vond opnieuw een leuk boekje van uw hand. Het is 'De boterhammen van
de bakkerin' (Uitgeverij Publiboek/Baart, 1980). Een boekje vol aforismen
voor wie u scheef bekeek, zei je toen? Mooie zinnetjes met veel ruimte
tussen om na te denken. Herinner je je nog 'Tegen jeuk. Krabsla.' of 'De
heetgebakerde dame had een brandladder in haar kous.' of 'Hendrik VIII was
meer achtgenoot dan echtgenoot' of 'Overspel gaat over huwelijken' of...Goh
Johan. Jij kon met woorden spelen. Jij was en bent de witte Gandalf van het
alfabet. Het was 1980 toen je dit boekje schreef, het jaar dat Louis Neefs
bij een auto-ongeval om het leven kwam in Lier.
Tja, Jacques Brel
(1929-1978) is ook dood. Nu ik het zo bekijk, heb jij wel wat met doden. Je
zit er middenin. Is Boudewijn nog altijd boos omwille van jouw boek 'Brief
aan een postzegel' (Kritak, 1990) waarin je het postzegelpaar en zijn
hofhouding prompt op het podium plaatst tussen de neus van Cleopatra en het
gezichtsbedrog van Picasso? Praat de man van Saksen-Coburg wel eens over
zijn plotse dood op 31 juli 1993 in het Spaanse Motril? Wat was hij toen aan
het doen? Zegt hij iets over zijn vorstin Fabiola of... keuvelt hij wel eens
over Wilfried Martens, een met de valhelm geboren wielrenner uit Sleidinge
zoals je hem destijds zelf beschreef? Ach Johan. Je hebt het de Belgen
altijd vlakaf gezegd. Ik herinner me nog levendig dat ik als een gek naar de
boekenhandel spurtte om jouw boek 'Het Belgische domdenken' (Kritak, 1986)
te kopen. Het is lang mijn favoriete bijbel geweest in een periode waar
Martens de ene tunnel na de andere bouwde. Overal zag hij licht en nergens.
En wij domme Belgen, maar betalen en inleveren! Oh ja, toen heb je heel wat
belangrijke mensen de levieten gelezen en je deed dat met zoveel brio, dat
ze er achteraf moeilijk kwaad om konden blijven. Jij, balorige Belg en vlerk
van een Vlaming met een moeilijke badkamer. Bekend geworden in 1976 via de
Wies Andersen Show en later nog eens opnieuw 'Bij Nader Inzien' op de BRT.
En dan die journalistieke stunt met het weekblad 'De Zwijger'. De hele reeks
ligt nog ergens op mijn zolder. Maar je had wel meedogenloze journalisten
bij De Zwijger, niet? Ik weet nog goed dat mijn vriend-journalist ei zo na
ontslagen werd op zijn werk toen een De Zwijger-journaliste schreef wat hij
haar had toevertrouwd tijdens een intieme pers-braspartij. Het ging over
wijlen senator Rubens (SP) uit Tongeren die toen plots was gestorven. Jij
weet dat niet meer? Jij hebt verdorie die woorden toen afgedrukt, vlerk!
Ach, het doet er niets meer toe. Ik lees nu met diep respect de opdracht in
uw boek 'Vlerk in vogelvlucht' (Uitgeverij Allert de Lange, 1981) die luidt:
'Geuzengroet. Johan Anthierens 21 mei 1983'. Weet je trouwens nog wat Frans
Verleyen van Knack- ook al dood - over je schreef naar aanleiding van je
boek 'De flauwgevallen priester op mijn tong' (Uitgeverij Walter Soethoudt,
1975)? Neen! Ik citeer het voor u: "Anthierens is een weinig voorkomend
verschijnsel in de journalistiek. Het is een typische chroniqueur met een
delicaat karakter. Hij trilt als een espenblad voor de gewaarwordingen die
op hem afkomen en hij is in staat om dat om te zetten in geschriften.
Anthierens is van een rationele rechtschapenheid, eerlijk voor zichzelf en
eerlijk voor de anderen. Hij is gemaakt om in een faire wereld te leven. Op
bepaalde momenten, bij het overlezen van kronieken, had ik het gevoel dat
dit literatuur was van Europees formaat. Ik heb het wel eens de Georges
Brassens van de journalistiek genoemd."... Niemand heeft het ooit beter dan
Verleyen gezegd, Johan. Jij bent nooit meer veranderd. Van 1975 tot in de
lente van 2000. Maar nu ben je onder 'anderen'. Het sluit bijna ironisch aan
bij je boek 'Johan Anthierens onder anderen' (Lannoo, 1978) met de
verleidelijke subtitel 'Door het gaas van mannenwimpers worden vrouwen dag
en nacht bespied.' Zo Johan, ik besluit mijn brief met de titel van nog een
ander boek van uw hand. 'Vaarwel mijn 1995' (Epo, 1995). Hartelijk en...
63. VADER EN ZOON (dinsdag 23 juli)
Bij het opruimen van gereedschappen in de grote tuin van mijn vader ontstond
een zoveelste maar deze keer pittige dialoog. Vader zei dat ik een aantal
zaken moest combineren zodat ik niet zes maar drie keer de afstand van het
terrein naar de bergruimte moest afleggen. Ik antwoordde dat het geen belang
had hoeveel keer ik moest lopen want het gebeurde allemaal in mijn vrije
tijd. Tijdens mijn werk handelde ik wel anders. Dan speelde de economische
tijd een rol. Maar mijn vader replikeerde onmiddellijk dat ik tijdens mijn
vrije tijd ook zinvol moest omgaan met de tijd. Een goeie aanpak van een
werk tijdens de vrije tijd zou trouwens zorgen voor nog meer vrije tijd,
besloot hij. Ik zei niks meer want tegen zoveel levenservaring kan ik niet
op. Hij 69 en ik 43. Daar zit een zee van geheimen tussen. Maar thuis zou ik
het eens herbekijken. Twee werken zouden me daarbij helpen: het amusante
boek 'Tijd' van Frits Bom en de wijsgerige doctoraatsverhandeling 'De
onmogelijkheid van de vrije tijd' van Luc Rademakers. De beleving van tijd
is alleszins subjectief en afhankelijk van innerlijke en externe
omstandigheden die de mate van het bewuste besef ervan bepalen. Mijn vrije
tijd die ik doorbreng bij mijn vader is altijd zo voorbij gevlogen. Het is
zoals de liefde die altijd kort duurt, net zoals de haat altijd lang duurt.
De psychologische tijd waarover ik het hier heb, is dus niet bij te stellen.
Mijn vrije tijd die ik als individu bij mijn vader beleef, is dus mijn
subjectieve tijd. Winst of verlies in tijd ken ik niet als ik bij hem ben.
En of ik dus door praktische ingesteldheid sneller of trager een werk(je)
verricht, is voor mij van geen belang want in beide gevallen ben ik evenveel
chronologische tijd bij hem. En zo stap ik dan meteen in het werk van Luc
Rademakers. De vrije tijd die ik doorbreng bij mijn vader is meteen ook de
onmogelijkheid van mijn vrije tijd. Want in tegenstelling tot mezelf, kent
mijn vader het begrip 'vrije tijd' niet meer sinds hij op pensioen is. Zijn
werk en niet-werk gaan ongemerkt in elkaar over. Net zoals bij de
Yanomami-indianen of eskimo's bestaat er geen afgebakende periode van de dag
waarin er vrije tijd is. Er wordt gewoon geen tijd 'opzij' gezet. Elke
activiteit bevat zowel een economisch als recreatief element omdat ze in
groep worden verricht. Zo zijn ook de verhalen van vroeger verweven met het
werk of concreet... het werk van mijn vader en ik, de zoon, in de tuin. Luc
Rademakers vat de kernproblematiek van de vrije tijd wonderwel samen. Ik
citeer: "De beoordeling van de vrije tijd is in oorsprong in drie opzichten
problematisch. Ten eerste is zij moeilijk in al haar vormen te onderwerpen
aan objectieve criteria. Ten tweede stemt de uiterlijke verschijningsvorm
lang niet altijd overeen met de innerlijke ervaring van de vrije tijd. En
bijgevolg is, ten derde, de enige die met recht en reden over de individuele
besteding van de vrije tijd kan oordelen, het individu zelf."
Ziezo. De volgende keer zal ik bij mijn vader met een gerust hart doen wat
hij zegt en denken dat het echt allemaal geen rol speelt. Ah ja, vader
spreek je toch nooit tegen!
64. BEANGSTIGEND (dinsdag 30 juli)
Het is een ramp. De oogst aardappelen is dit jaar compleet mislukt. Ook de
tomatenstruiken hebben geen tomaat tot het volle rode leven gebracht.
Terwijl ik vorig jaar nog vol hartelust aardappelen uitdeelde aan vrienden
en verre
kennissen, zal ik dit jaar zelf aardappelen moeten gaan kopen. Niemand van
'Tien om te zien', zal ik een tomaat tegen zijn 'appel' kunnen gooien.
Nochtans had ik dezelfde rituele werkzaamheden als vorig jaar verricht. Na
het intensief omspitten van de tuin met een vleugje schapenmest had ik de
mooie eerstelingen, keurige charlots en alomgekende bintjes met de beste
zorgen begin mei in kuiltjes met warme Berbroekse aarde toegestopt. Na drie
weken wurmden de eerste donkergroene blaadjes zich al naar het hemelse leven
en nog geen zeven dagen later ontpopten ze zich tot jeugdige struiken die
het leven vol hoop tegemoet zagen. Ik denk dat het midden juni was, dat de
kleine plantage aardappelen een zee van geurend loof was van waaruit
tientallen paarse bloemen aankondigden dat het onder de grond prima ging.
Toen de juniregen bleef aanhouden, kregen de geurende aardappelbloemen het
zwaar te verduren. Ik keek machteloos toe. Hoe
zou ik kunnen helpen? Machteloos zag ik de bloemen sterven en het loof van
verdriet krimpen tot het bruin werd van ellende. De planten waren tot in de
grond gekrenkt en dat zou ik weken later geweten hebben. Tijdens de oogst
einde juli
hingen aan de struiken maar weinig aardappelen. Erger zelfs. De aardappelen
aan de struiken die ik met de riek uit de grond schepte, hadden bijna
allemaal kanker. Bruine plekken als dikke zweren op de tere mantel van hun
lichaam. Sommigen aardappelen waren zo ziek dat ze stonken van rottigheid.
Van elke kilogram aardappelen die ik uit de Berbroekse aarde delfde, moest
ik de helft vernietigen. Het was een treurige vaststelling. Ik heb er mijn
vader bijgehaald, maar in zijn tuin in Oostham had de natuur voor hetzelfde
onheil gezorgd. Mijn vader sprak niet over een ramp. Hij zei dat het
beangstigend was. Nooit in zijn leven had hij dit meegemaakt. Ja, er zat
vroeger wel eens een rotte aardappel tussen, maar dat heb je overal. Zelfs
bij mensen.
65. BERBROEKENAAR IN PARIJS I (dinsdag 6 augustus)
Parijs, juli 2002. De journalistgasten in Pain Quotidien aan Place du Marché
Saint Honoré kijken nerveus naar elkaar. L' Office de Tourisme et des
Congrès de Paris heeft ze immers samen aan een tafel gezet: drie Zwitsers,
twee Italianen, een Waal en een Vlaming, ik dus. Het overvloedige eten moet
de saus worden van een spontaan kennismakingsgesprek. Dat verloopt grosso
modo in het Frans. Alleen de twee Italianen wijken graag af om in het
Italiaans de conversatie te smoren. Gelukkig met niet al té veel gebaren.
Tijdens de schotel met diverse sla, gerookte hesp en verse Camembert, trekt
het verhaal zich goed op gang. Al snel wordt duidelijk dat iedereen het
persreisje Parijs cadeau gekregen heeft van zijn hoofdredacteur wegens
'goede punten'. Alleen Michel Piton, een 64-jarige Zwitser en Guido Barosio
(40), een Italiaan met welvaartsbuikje, zitten in het vak. De andere
journalisten schrijven over alles en nog wat, behalve over toerisme. De twee
magazines waarvoor Barosio werkt, zijn heel voornaam want uit een en ander
blijkt dat het 'the voice' is voor alle Italianen. Oef, dat zijn er meer dan
60 miljoen! Tijdens de derde gang zegt de Italiaan zelfs meer. Dat de
Italianen niet zo verlekkerd zijn op de Parijse wijk Belleville. Enerzijds
omdat er geen letter Italiaans gesproken wordt en anderzijds omdat er geen
Italiaanse restaurants gevestigd zijn. Neen, voor die plek in Parijs krijgt
hij zijn lezers niet warm. Dus, zal hij geen tweede keer die leukste plaats
(en nieuwste ontdekking van Parijs) met de rest van de groep bezoeken.
Daarop neemt hij voor de elfendertigste keer kaas, hesp en sla. De knappe
Italiaan heeft grote honger. Hij schept ook deze keer zijn porseleinen bord
net zo vol als de beurs moet zijn voor iedereen die het hotel wil reserveren
waar wij gelegerd zijn voor drie dagen Parijs. Hotel Clarion
Saint-James&Albany aan de Rue de Rivoli 202, waarvan de geschiedenis
teruggaat tot 1774 toen le Marquis de la Fayette en zijn vrouw er leefden.
Het magnifieke hotel ligt vlakbij de Tuilerieën en telt 200 kamers voor
gasten die per nacht graag 310 euro ophoesten. Zonder ontbijt wel te
verstaan. Dat kost nog eens 19 euro. Maar goed. L'Office de Tourisme et des
Congrès de Paris betaalt en wij mogen drie dagen als koningen in La Douce
France leven! Als keizers, ja! Want niemand van ons journalisten zou zoveel
geld voor een hotel willen neertellen, zo blijkt. Ik zelf reserveer meestal
in een Hôtel Etap en soms al eens in een Novotel, zelden in een Ibis-Hôtel.
Voor mijn nieuwe Zwitserse vriend Michel Piton was het ooit nog anders. Toen
hij vroeger in Bretagne woonde, reed hij met zijn 2 pk'tje op en af Parijs
om er een nachtje jazz van Dexter Gordon, Eric Dolphy en Johnny Griffin te
beleven in bijvoorbeeld jazzkelder Le Chat Qui Pêche in het vijfde
arrondissement. Maar die legendarische jazzclub bestaat vandaag niet meer.
Het is nu een toeristenfuik die Raclette et Fondue Savoyarde et
Bourguignonne serveert!
66. COMPLOT (dinsdag 13 augustus)
Mijn droom van gisteravond heeft me heftig wakker geschud. Omstreeks 3.30
uur ben ik opgestaan om mijn nachtmerrie te noteren. Ik doe dat wel vaker.
Op advies van mijn vriend-cartoonist Kim. Mijn nachtmerrie komt aardig in de
buurt van de wereldvermaarde film 'Soylent Green' (1973-USA) met Charlton
Heston in de hoofdrol. Terwijl deze opgesmukte SF-film zich afspeelt in 2022
in New York dat door vervuiling en overbevolking in een hopeloze toestand
verkeert... speelt mijn droom zich af in 2002 in mijn bed in Berbroek! Moet
je horen: "Zoals wel vaker zit ik te smullen van een delicieuze pizza in
'Ristorante i giardini Pizzeria' aan de rue d' Amay in Luik. Twee zwarten
zitten aan een tafeltje naast me. Ze gaan er blijkbaar vanuit dat iedereen
er Frans spreekt, want ze praten ongegeneerd Nederlands. Vermits de
tafeltjes er als sardientjes in een blikje staan opgesteld, hoor ik alles,
maar ik kijk niet op. Ze hebben discussie over een zekere Giuseppe. Ik slik
een zwarte olijf met pit en vlees in één keer binnen wanneer ik verneem dat
hij nog vandaag moet geliquideerd worden. Anders komt de fabriek in
Deauville (Frankrijk/Normandië) in gevaar. Even is het stil. Ze moeten ook
nog eten. Penne Thon. Met rode wijn! Dan zegt de elegantste zwarte van de
twee: 'Hier zijn de ontwerpen voor een nieuwe fabriek in Székesfehérvár
(Hongarije), nabij de oude bauxietfabriek. Geef ze snel aan Bronville." De
andere knikt en steekt de documenten in de binnenzak van zijn zijden jasje
dat om zijn stoel hangt. Daarna eten ze snel verder. Nu zwijgen ze en de
stilte wordt doorbroken met de klassieker "Garçon, l'addition, s' il vous
plaît!" Dan stappen ze op. En dan gebeurt het! De zwarte met zijn jas aan de
stoel, grijpt die nonchalant vast en gooit hem om zijn schouder. Het
document met ontwerp valt op de grond en schuift sierlijk onder mijn tafel.
Ik kijk naar de twee zwarten die het restaurant verlaten en ik gluur naar de
grond. Ik moet niet meer nadenken. Ik gooi 15 euro op tafel en verdwijn. Ik
loop naar mijn auto die zoals altijd geparkeerd staat in de schaduw van de
kerk aan de rue St.-Pholien. Wanneer ik de Maas weer oversteek, zie ik plots
uit de rue de la Cité de twee zwarten uit de straat gerend komen met de gsm
aan hun oren. Ze kijken naar alles en iedereen. Ook naar mij. Het zweet
parelt op mijn hoofd en ik vertrek te bruusk aan de verkeerslichten wanneer
het licht op groen springt. Ik laat me zo opmerken. Ze praten in de gsm
terwijl ze nu naar mij kijken. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik één
zwarte in het midden van de weg staan terwijl hij naar me wijst. Ik rijd als
een gek richting St. Trond. Op de parking van Ikea in Hognoul stop ik en
kijk nerveus de documenten in. Die vellen papier zijn nu plots een lijvig
dossier geworden. De metamorfose van dingen kan gemakkelijk in een droom.
Het dossier is nu compleet. Met doelstellingen, plannen, ontwerpen, namen en
een lijst van uit de weg te ruimen personen. Bij de L zie ik mijn naam
staan: Leopold Laarmans. Ik slik. Ik kan mijn ogen niet geloven. Een nieuwe
fabriek in Hongarije wordt het zoveelste complot tegen de mensheid. Het is
wereldwijd al de negende fabriek die er moet voor zorgen dat in al de landen
rond de Zwarte Zee geen aardappelplant meer overeind blijft staan. In
augustus moet de fabriek al operationeel zijn. Eerst zal ze gifwolken
produceren die alle aardappelplanten zal vernietigen. In september wordt er
dan een gas gemaakt dat zal zorgen dat alle graansoorten mislukken. De
fabriek komt in werking als de wind gunstig is, maar grosso modo worden alle
windrichtingen gebruikt om de hele regio te bewieroken. Alle geviseerde
gewassen leggen dan hun loodje, behalve - en nu komt het - wanneer de
gewassen besproeid zijn met producten van de chemiereus B.O.I.R.E. Op die
manier wil de chemieholding de hele wereld op zijn knieën krijgen. Het
streefdoel is simpel: iedereen mag nog enkel uit de handen van B.O.I.R.E.
eten. En eten moeten we allemaal. In enkele casestories staat vermeld hoe
succesrijk de giffabrieken al in Zuid-Amerika (Fortaleza in Brazillië,
Callao in Peru en Valera in Venezuela) de productie van bananen en
cacaobonen hebben kunnen manipuleren. In de Westerse wereld zijn de plannen
enigszins anders. Daar moeten de kleine landbouwers en gelegenheidsboeren op
zeer korte termijn volledig verdwijnen van de kaart. Zelfs mensen die hun
geluk vinden in moestuintjes moeten zodanig ontgoocheld worden dat ze geen
zaadje meer in de grond willen stoppen. In de documenten zoek ik naarstig de
fabriek dat in België en omstreken verantwoordelijk is voor het onheil. Het
is in Tihange, lees ik plots. De elektrische energie die er geproduceerd
wordt met atoomenergie is maar een dekmantel. Ook daar staat een giffabriek
dat de Benelux moet manipuleren. Nu begrijp ik waarom mijn aardappeloogst
deze zomer in Berbroek is mislukt. Ik besef ook dat alle mensen van de
wereld spoedig volledig afhankelijk zullen worden van B.O.I.R.E. Ik barst in
snikken uit. Dan hoor ik getik tegen het autovenster. Twee politiemannen
vragen om uit te stappen. Ikea is zopas overvallen en er zijn belangrijke
documenten verdwenen. Van de weeromstuit laat ik het lijvige dossier onder
mijn autozetel schuiven. Maar tevergeefs. De agenten hebben het gezien. Ik
ben de dief. Ik ben de dief van staatsgeheimen. Eén politieagent trekt zijn
pistool en richt dat op mij. Ik stap voorzichtig uit met de handen in de
lucht en wanneer ik goed en wel mijn auto verlaten heb, word ik in de boeien
geslagen. De agenten leiden me naar hun politiecombi met pekzwarte ruiten.
Wanneer de schuifdeur open glijdt, kijk ik recht in de ogen van de twee
zwarten uit het pizzarestaurant. Ik schreeuw de ramptoeristen die uit Ikea
naar de ontknoping van de overval zijn komen kijken toe: "Tihange, Tihange,
eet geen aardappelen meer, ze zijn gemanipuleerd. Tihange, eet geen
aardappelen meer... ," maar een harde slag op mijn hoofd, doet mij ontwaken
uit mijn nachtmerrie."
67. 'WIDO' (In de reeks Berbroekenaar in Parijs - deel II ) [dinsdag 20 augustus]
Ik heb mondegreen. Het doet geen pijn, maar het zit zo: "In La Pain
Quotidien in Parijs had ik me dus voorgesteld als een journalist uit
Berbroek. Toen iedereen zijn debuut had gemaakt aan de lunchtafel was het
ijs gebroken. Iedereen had nu gehoord wie zijn Frans goed, beter of best
beheerste. Voor de Zwitsers was er geen vuiltje aan de lucht, net zoals voor
Alexandre, mijn Belgische collega van Vers L' Avenir. Maar ik wou toch nog
eens vragen aan mijn Italiaanse collega hoe die nu weer precies weer heette.
Barosio, ja. Dat wist ik nog. Maar zijn voornaam? Als we toch drie dagen met
elkaar zouden optrekken, was het weten ervan aangenaam om vlot te kunnen
tutoyeren. Dus ik vroeg: "Monsieur Barosio, quel est votre prénom
justement?" Hij keek op en slikte alles weg om zijn tong te laten werken bij
het articuleren: "Wido," zei hij toen, "Wido." "Oké," knikte ik en stak op
mijn beurt de mond vol sla en parmahesp. Maar "Wido, Wido...," klonk het
alsmaar in mijn hoofd. Vreemde naam. Nooit gehoord, maar wat namen betreft,
ben ik ook altijd een leek geweest. De namen van onze kinderen zijn trouwens
ook door mijn vrouw gekozen: Sander en Sofie. Maar die namen kende ik
natuurlijk wel. Wido daarentegen was voor mij zo vreemd als de voornaam van
de Italiaanse componist Rossini: 'Gioacchino'! Maar goed, we keuvelden aan
de tafel van ons dagelijks brood nog wat over Parijs en de charme die de
stad uitstraalt. Over het keitoffe programma van de persreis. Ik had tussen
door een gezellige babbel met Paul Roll, de Directeur Géneral van het Office
de Tourisme et des Congrès van Paris. Nu en dan riep ik eens op Wido. Of hij
wist dat er 27 miljoen toeristen per jaar naar Parijs afreisden. Neen, Wido
wist dat niet. "Wel dat het er veel waren," grapte hij met de vork omhoog en
bijna in het oor van Raffaello, zijn Italiaanse collega. Ja, Italianen
moeten altijd gebaren maken als ze praten. Ze zijn zo geboren. Ik probeerde
in ieder geval in een versneld tempo mijn relatie met Wido op punt te
stellen, want ik voel wel wat voor Italianen. Mijn allerbeste vriend is
trouwens een halve Italiaan. Dat zit zo: links stroomt het bloed van zijn
moeder uit het verre Calabrië, rechts dat van zijn Limburgse vader. In het
hart komt die rode vloeistof allemaal samen en wanneer het de linker kamer
onder hoge druk verlaat, is het weer vol met zuurstof van
Limburgs-Italiaanse glorie. Het is mooi om te zien als mijn vriend in actie
komt. Vooral als die lacht. Links het warme zuiden, rechts de Limburgse
hartelijkheid. Maar goed, vooraleer we in Parijs de tafel verlieten, keek ik
nog veelbelovend naar Wido, want ik stelde hem de retorische vraag of dit
een kanjer van een persreis zou worden. Wido reageerde schouderophalend. En
zo kabbelden de uren, halve dagen, driekwart dagen, avonden en persdagen in
Parijs verder. Mijn babbels met Wido waren niet zo talrijk, maar hij
reageerde toch altijd vriendelijk als ik hem riep. Te pas en te onpas viel
ik hem lastig. Zo achteraf gezien. Zo bij de visite van l' exposition 'La
belle époque de la pub' wanneer ik tegen hem getuigde dat ik nog ooit een
opleiding copywriting volgde in Le Pays-Bas. Zo bij de tentoonstelling
'Paris chante Montand' in de Salon d' Accueil de l'Hôtel de Ville waar ik op
een gegeven moment hardop riep: "Wido" en hij kwam al even kijken hoe knap
de foto van Yves Montand (1921-1991) geschilderd was in de jaren 30. Jawel,
Wido was altijd attent als ik hem riep. Zelfs op de Kiosque flottant in
Bercy waar ik meerdere malen zei: "Wido, je voudrais encore une bouteille de
vin.", "Et voilà, Leopold," lachte hij dan. En zo namen we uiteindelijk na
drie dagen ook afscheid op het terras van restaurant 'Le Totem' in le Musée
de l'Homme. Daarna bevonden mijn Belgische collega Alexandre en ik me al
snel op de Thalys richting Brussel-Zuid. We waren bekaf, maar ik wou toch
graag nagenieten en dus herlas ik het programma van de persreis nog eens.
Tot mijn verwondering ontdekte ik de deelnemerslijst van de persreis en toen
schoot ik tegen 300 kilometer per uur in de lach. Alexandre schrok zich een
hoedje om mijn gebulder, maar ik kon hem op dat moment echt niet vertellen
wat ik had gelezen. In de perstekst stonden de Italiaanse deelnemers keurig
met naam en voornaam vermeld. En zo kwam ik na drie dagen te weten dat de
ene Italiaanse journalist Masci Raffaello heette en de andere Barosio...
Guido, mijn Wido!"
Uiteraard ben ik een beetje beschaamd. Maar volgens mijn goeie vriend en
schrijver Marcel lijd ik gewoon aan mondegreen. Niks erg, alleen een beetje
vervelend. Marcel schreef er in zijn knappe boek 'Mijn naam is haas' (Hoe
historische figuren in het woordenboek belandden) zelfs een stukje over.
Dat gaat zo: "Mondegreen (enkele woorden of een zinsnede die resulteren uit
het fout horen of fout begrijpen van een mededeling of een liedjestekst)
Naar Lady Mondegreen, verkeerd begrepen voor 'laid him on the green' in de
song 'The Bonny Earl of Murray'. De Amerikaanse journaliste Sylvia Wright
schreef in 1954 in Harper's Magazine een artikel over een van de grote
teleurstellingen uit haar leven. Als kind kende ze de vermaarde oude Schotse
ballade 'The Bonny Earl of Murray' met de verzen: Ye Highlands and ye
Lowlands/O where have you been?/They have slain The Earl of Murray,/and Lady
Mondegreen'. Ze vond het zo romantisch dat de twee samen stierven en was
ontredderd veel later, als volwassene, te horen dat de laatste regel luidde
'and have laid him on the green'. Wright stelde voor dit fenomeen
'mondegreen' te noemen. Magazines begonnen mondegreens te verzamelen en
radiostations timmerden er uitzendingen rond. De term is vandaag vooral
bekend in de populaire muziek. Maar ook mededelingen op luchthavens en
stations kunnen zich tot een mondegreen ontwikkelen. Om maar te zwijgen van
fout begrepen woorden van leraren en professoren die zich op examens tot
mondegreens ontpoppen. Zelf bedachte versies van een songtekst gelden niet
als mondegreens. Een klassieke mondegreen zit in het lied 'Purple Haze' van
Jimi Hendrix 'Excuse me while I kiss this guy' voor 'Excuse me while I kiss
the sky'. Hendrix kwam de mondegreen al snel ter ore zodat hij op de Bühne
al eens een kus wou uitdelen. Een mondegreen voor Bob Dylans 'The answer my
friend is blowin' in the wind' is 'The ants are my friends'. Lady Mondegreen
had het nooit kunnen vermoeden. De bekende Nederlandse mondegreen is te
vinden in het kinderliedje 'Altijd is kortjakje ziek' met de zin 'met zijn
broek vol zilverwerk'. Maar Kortjakje steekt helemaal niks in zijn broek.
Het moet zijn 'Met zijn boek vol zilverwerk'. Vroeger werden boeken beslagen
met metaal. Johan Verminnen zingt in Rue de Boucher niet 'Da komt drinke, da
komt stoeffe, da komt poeppe' (neuken), maar wel 'da komt poeffe' (poffen,
op krediet kopen)."
Uit het boek 'Mijn naam is haas' (Van Halewijck/Balans, 2001). Uiteraard met
de toelating van de auteur Marcel Grauls, projectmanager bij de Regionale
Uitgeversgroep. Van hem verschenen eerder 'De Kroon op het merk', 'Weet wie
je eet' en 'De uitvinders van het dagelijks leven'.
68. NAIJVER EN WEDIJVER (dinsdag 27 augustus)
Ik ken een man. Hij praat zoals hij schildert: abstract. Hij hoort en leest
én interpreteert het leven ook abstract. Daarom heeft hij wellicht einde
juli het besluit genomen om mij de rug toe te keren. Ik besef dat hij niet
de laatste zal zijn. Maar hij is wel de eerste. Dat maakt het zo bijzonder.
De man heeft naar mijn gevoel en kennis geen enkele reden om me de rug toe
te keren. Ik ben altijd beleefd tegen hem geweest. Ik heb hem altijd met
respect behandeld. Toch heeft hij me zwart op wit in een brief te kennen
gegeven dat hij niks meer met mij te maken wil hebben. Van veel mensen weet
je dat 'gewoonweg', maar het via een brief vernemen is toch wat anders. De
nijd van deze man valt af te lezen op de manier waarop hij me informeert
inzake zijn intenties. De naijver en de wedijver blijkt uit het gegeven dat
hij nergens schrijft 'waarom' hij me de rug toekeert. Zijn brief is daarom
zeer abstract. De brief is er wel, maar hij verduidelijkt niets. Toen ik de
man drie jaar geleden leerde kennen, was hij heel hartelijk en stelde hij op
een gegeven ogenblik zelfs voor om de krachten te bundelen op de een of
andere manier. Ik begrijp zijn huidige reactie dus niet. Of misschien maar
al te goed want om enigszins troost te vinden, heb ik 'De Bezinning' van
filosoof Leopold Flam diagonaal herlezen. In enkele paragrafen zag ik licht.
Die heb ik aangeduid en later nog eens herlezen. Bij sommige paragrafen heb
ik deze keer ook extra aanmerkingen geschreven. Ja, ik schrijf in mijn
boeken. Bij de volgende drie paragrafen in De Bezinning heb ik de naam van
die man geschreven. Om hem nooit meer te vergeten. Een eerste paragraaf: "In
een maatschappij van de naijver en de wedijver betekent voor sommigen
mislukking, wanneer ze niet tot een bepaalde eer geraken of een bepaalde
roem bereiken. De nijd die hieruit bij hen voortvloeit kan tot haat van alle
mensen leiden en vooral van hen die wel gelukt zijn in de wedloop naar eer.
Die laatsten worden stilzwijgend beschuldigd de oorzaak te zijn van de
mislukking van de zucht naar eer of de eerzucht." Een tweede paragraaf: "De
nijd, de naijver en de wedijver vormen drie dialectische momenten van
eenzelfde beweging. De grondslag van de nijd is het eigenaar-zijn. De
eigenaar kan iets bezitten in het gebruik, in functie van het geheel van
zijn existentie, dan ontvouwt het bezit zich functioneel en immanent van uit
zichzelf, zonder vergelijking met de anderen. Hij kan echter ook eigenaar
zijn van een totaliteit van goederen die zich in de beweging bevinden binnen
een vergelijkingssysteem, dan is er concurrentie, die met naijver en nijd
samengaat. De naijver betreft de vergelijking, waardoor een eigenaar zich
met een andere eigenaar identificeert en hem na doet of na volgt. De nijd
betreft dan niet zozeer meer de inhoud of de eigendom van de eigenaar, maar
de eigenaar zelf die genegeerd en gehaat wordt, als oorzaak die belet dat de
andere zijn eigendom niet kan uitbreiden." En een derde paragraaf: "In het
benijden ligt het bewustzijn van het gebrek, van de mislukking en in de
naijver het protest bij wijze van het nadoen, nabootsen, het ik-ook."
69. INCIDENT (dinsdag 3 september)
Cannabis kan angsten laten verdwijnen. Misschien heeft daarom Agalev het
legitimeren van cannabis op zijn agenda geplaatst. Cannabisachtige stoffen
helpen om vervelende herinneringen te vergeten, blijkt uit een recent
onderzoek dat in augustus is gepubliceerd in het tijdschrift Nature. De
Duitse en Italiaanse onderzoekers experimenteerden met muizen, maar nu Magda
Aelvoet geen minister meer is, kan het onderzoek misschien uitgebreid
worden. De toonaangevende vrouw van Agalev zal alvast geen bezwaren hebben
om een of meerdere jointjes te paffen. De jongen met cannabisgeur die ik
tegenkwam in augustus aan zee, reed op het verkeerde rijvak in Oostende.
Gelukkig konden we allebei veilig stoppen. Maar toen die 20-jarige
Westvlaming met gebaren duidelijk maakte dat 'ik' maar rond hem moest rijden
zodat hij zijn weg kon verderzetten, ben ik toch uitgestapt. De vrolijke
jongen draaide zijn venstertje spontaan open en vroeg het deze keer beleefd.
Of ik de baan wou vrijmaken voor hem. Ik vertelde in beschaafd Nederlands
dat er een wegcode bestaat en dat iedereen die moet respecteren. Maar de
daverende electronic music en de angstenverdrijvende cannabis deden de
jongeling besluiten om niet te wijken van zijn pad. Ik gaf hem 1 minuut de
tijd om van gedachten te veranderen. Maar hij dacht noch herinnerde zich
niets. Integendeel, hij liet de motor nog eens lekker brullen. En toen
gebeurde het onvermijdelijke. Ik werd weer chimpansee. Dat is niet eens zo
moeilijk meer nu wetenschappers ook hebben bewezen dat de mens 98 procent
van zijn genen deelt met de chimpansee. De overige twee procenten maken het
verschil (onder meer het FOXP2-gen), zeg maar een kleine chemische speling
in de evolutie van de mens... Dus ik ga opnieuw naar dat Westvlaams product
en ik verkoop hem een paar meppen met de vlakke hand. Daarbij trek ik hem
zijn T-shirt van zijn lijf. Slecht merk! Jawel, dat doet elke chimpansee die
een kledingstuk krijgt aangemeten. Nog zo'n onderzoek. Ik schreeuw nog wat
uit de goeie ouwe tijd van Johnny Weissmuller en dan... is de cannabis
uitgewerkt. Bijna snikkend zet het 20-jarige jongetje zijn auto op het
juiste rijvak en even later rijden we zoals twee volwassenen verder... Ik
ben niet echt trots op deze ervaring afgelopen augustusmaand in Oostende.
Maar ik was enkele dagen later toch blij dat de krant De Morgen van zaterdag
17 augustus in zijn Opiniemakers (blz. 23) het volgende berichtje had
overgenomen van schrijfster Floortje Zwijgerman uit De Volkskrant: "Willen
we jongeren leren omgaan met een wereld waarin ze onherroepelijk met geweld
geconfronteerd zullen worden, dan moeten we hen inzicht geven in de oorzaken
van geweld. Daarbij moeten we feiten die we het liefst zouden negeren niet
uit de weg gaan. Zo wordt geweld vaak bestempeld als 'zinloos', alsof alleen
hersenloze gekken gewelddaden begaan. Geweld is nooit zinloos: het is een
belangrijk middel om iets voor elkaar te krijgen."
Top
|
|