Groeten uit Berbroek

<- terug
    Inhoud
    verder ->
 

Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 430 t.e.m. 439

439. De Roode Roos van Lima (dinsdag 6 oktober 2009)

Deze dag, deze jonge dag moet er veel gebeuren. Antoine zet zich even op het terrasje naast zijn aller Joachim die zegt dat hij wakker is, want aan zijn altijd-open ogen is het niet te zien. Joachim slaapt altijd met zijn ogen wijd open en alleen als je goed hoort, hoor je aan zijn trage hartslag dat hij ingedommeld is en wie nog beter luistert, hoort zijn hart zelfs zachtjes snurken. De 'always open' van Joachim doen Antoine onwillekeurig denken aan Nirakie die ook 'always open' is. Geil meisje, schudt Antoine zijn hoofd. 'Vuil meiske' heeft Nirakie hem ooit verbeterd. Dat is blijkbaar de voertaal van meisjes zoals Nirakie die altijd zin hebben, altijd paraat staan voor een plotse wip, als tweede nagerecht, als occasionele belevenis, als verzetje op een saai feestje, als een verleidelijke collega aandringt of gewoon uit pure hoerigheid. Implantaatjes in de baarmoeder om het frêle lijf constant te misleiden en niet in het minst de maan die trekt en sleurt aan elke vrouw, Moeder Aarde, de zee, de bergen en de bomen, aan de mensen en zowat aan alles wat op aarde leeft en geeft en dat tijdens alle dagen van de maand, zeven dagen op zeven, 24 uur op 24. Altijd hete zomer in het hart! Hahaha, Joachim snapt er niets van als Antoine begint te glimlachen. Hij ziet geen enkele reden om het moment van de lach te kiezen. Het is buiten eerder fris en die frisheid nodigt uit om het gezicht op koel te zetten en eens goed te rillen. Ook aan de oevers van de Maas zitten deze keer geen klungelaars met hengel en vissnoer. Behalve dan Ernesto, maar zijn lachwekkend geprul is eerder gemetamorfoseerd naar pure zieligheid.

Hotel Strauss ontwaakt verder in het mysterieuze Maasland en enkele gasten maken zich klaar om een avontuurlijke fietstocht te maken. De zon twijfelt tussen schijnen en verstoppertje spelen achter de wolken en de enige rots in de ochtendlijke branding blijkt de Maas te zijn, de kronkelige regenrivier met oneindig veel sporen uit Frankrijk, steengruis uit Wallonië en de Ardennen en mediterrane gevoelens uit flamboyant Luik. Namiddag komen nog enkele logebroeders op bezoek uit Luik, Remouchamps en Namur om Antoine verder advies te geven over zijn tempel-bouwactiviteiten onder het Kasteel van Vilain XIIII. Het zijn steenkappers van de achttiende graad, allen Ridders van het Rozenkruis die ook de verborgen nissen en symbolische tempels hebben ingericht in respectievelijk Les Grottes de Remouchamps en de catacomben van het superbe Château de Namur. Vooral de bijdragen van de passionele kunstenaar Félicien Rops in de Namense vestiging spreken bij Antoine tot de verbeelding en hij heeft het hemelgewelf beloofd aan de volgelingen van Rops. Ze mogen van hem een weltschmerz werk maken dat een vervolg kan zijn op La Tentation de Saint-Antoine. Antoine heeft een fortuin voorzien om de vrijmetselaarssite in het Maasland te laten uitgroeien tot het nieuwe mekka van de vrijmetselaarswereld. Een lichtjaar vooruit op zijn voorgangers en robuust om iedere tand des tijds te weerstaan. Op termijn moet ook het Kasteel Vilain XIIII met zijn prachtige tuinen deel uitmaken van die site en een binnenhaventje moet ooit de Maas tot aan de lippen van de heilige plaats brengen. Nu de ruwe werken onder Vilain XIIII voorbij zijn, kan Antoine zich meer en meer verdiepen tot de essentie van de zaak.

Wie vanuit Hotel Strauss vertrekt naar de tempel der tempels, want zo mag hij toch bestempeld worden, moet door een gang van honderden meters lang en vertrekt volgens Antoine alleszins op een bijzondere Voyage en Orient. In die lange gang moet nog een vernuftig beveiligingssysteem gemaakt worden à la Indiana Jones. Er zal ook een ingenieuze lus worden bijgekapt die toevallige of eerder nieuwsgierige bezoekers op andere gedachten zal brengen, maar een rechtschapen broeder zal meteen na enkele meters de triade Broederlijkheid, Broederschap en Solidariteit aanvoelen in iedere vezel van zijn lichaam. Zijn zesde zintuig zal erdoor geprikkeld worden zoals elk degelijk rituaal dat in een werkplaats doet. Aan de tweede ingang naar de tempel vanuit de keldergewelven van Vilain XIIII is kunstenaar Gerardus momenteel bezig met het kappen van symbolische teksten waaronder de volgende, Voyageur, le chemin/ C'est les traces de tes pas/ C'est tout; voyageur, Il n'y a pas de chemin, Le chemin se fait en marchant/ Et quand tu regardes en arrière/ Tu vois le sentier que jamais/ Tu ne dois à nouveau fouler. Antoine bedacht deze spirituele oorkonde tijdens een gewijd moment in een zitting in Luik. Verder komen er nog vier van zulke geschriften bij in de talrijke gangen die als de stralen van een zon vertrekken vanuit het middelpunt van de reusachtige catacomben naar een denkbeeldige buitenring rond de eigenlijke tempel. Antoine heeft in zijn voorbije reis in Parijs eveneens heel wat ideeën opgedaan met Sublieme Prinsen van het Koninklijk Geheim all over de wereld om de tempel van innoverende iconen te voorzien. Tot slot is er een derde, eerder nooduitgang, gekapt achter de gewijde zitplaats van de Soeverein Grootinspecteur-Generaal in de tempel, een koker van ruim dertig meter hoog die - in de hoogste nood - op ingenieuze wijze personen naar boven kan brengen in een minimum van tijd. Het is een ontwerp van de Italiaanse architect Fredio die beweert een verre nazaat van Michelangelo te zijn. En zo krijgt het mysterieuze bouwspel van en onder Vilain XIIII een duidelijk gezicht volgens de hoogst eigenzinnige wetten van De Orde waarvan Antoine op zijn beurt het gezicht is en zoals hij ook door zijn meeste broeders wordt erkend als zodanig en niet onbelangrijk ... volledig wordt gesteund door de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus met zijn 33 graden.

Wow, als Antoine door de gangen dwaalt en de mogelijkheden ziet die van deze eigenaardige en hoogst ongelooflijke werkplaats-in-wording uitgaat, dan bonkt zijn hart sneller en sneller en zweeft zijn geest als een supernova door de kosmos ... van het oosten naar het westen, van melkweg naar melkweg, van het noorden naar het zuiden ... intussen ontelbare onvolwassen meteoortjes met zich meedragend en als een dna-structuur oneindige lichtjaren lange informatievelden meesleurend uit het recente verleden, de tijd van de verlichting, de tijd van de schone letteren, de tijd dat nog speurwerk verricht werd naar sociale psychologie met heilzame verademingen zoals die van Jung en Freud, maar evengoed de wording van de lach, uitbundig en volmondig uitgebeeld door Julia Roberts, the smile number one met ogen als landmarks van De landkaart van Verliefdheid en een neusje om van te genieten zoals een kok van zijn versgesneden tonijn, niet te dik, niet te dun, maar de juiste portie voor de klant die wil, kan en zal, houden van 'All shook up' van Elvis Presley en zoveel meer. Al zijn woorden en gedachten wil Antoine opslaan in deze nieuwe werkplaats van het Maasland, diep onder de mergelgrond met bovenop het baken van de nieuwe tijd, de Maaslandse tijd, die een nieuwe conjugaison van werkwoorden vereist met betrekking tot belevenissen en alzo een stroom van vrijmetselaars op gang zal brengen. Het sluit prachtig aan op de stroom van nieuwe toeristen die sinds enkele jaren traag maar zeker het nieuwe microklimaat van de Maas komen ontdekken. Het Maasland du jamais vu, tussen grosso modo Maastricht en Kessenich. Een biotoop die als one night klinkt, maar oneindig veel langer en intenser de kracht van de geest kan doen vibreren. Het zijn absoluut de kleine dingen des levens die in het leven het absolute verschil maken, bedenkt Antoine wanneer hij via een gang de ovale ruimte binnenstapt die weldra de groeiende bloeiende tempel zal worden van De Orde. Honderd broeders kunnen er in plaatsnemen en nog eens dertig zullen er nodig zijn om alle wegen van en naar het tempelhart te bewaken. Waakzaamheid moet ook geregeld worden aan de beide in- en uitgangen en dus zal het Kasteel Vilain XIIII voortaan stiekem bewoond moeten worden en voor Hotel Strauss zal er ook een nieuwe functie worden bij gecreëerd die de zogeheten tempelsluiter zal bijstaan in al zijn activiteiten, 's middags en 's nachts, maar altijd en onvoorwaardelijk. In het midden van de eironde ruimte staart Antoine naar het plafond. Que sont devenues les Templiers, denkt hij plots, reflecterend naar de vele boeken met een vrijmetselaarstintje die de huidige markt overspoelen zoals golven het strand en de brave mensen nog meer zand in de ogen strooien dan die simpele aardbewoners al ooit meegekregen hebben van het BRT-Zandmannetje dat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw steevast het slaapuur op televisie aankondigde.

Al de boeken van Michael Baigent, Richard Leigh, Henry Lincoln, Christopher Knight, Robert Lomas, Laurence Gardner of Jim Marrs ten spijt, maar het zijn allemaal werken die ontgoochelen en niet in het minst demystificeren, maar het mysterie rond de vrijmetselarij en alles wat ermee te maken heeft, nog aanzwengelen. Een van de weinige vrijmetselaarsschrijvers met het hart op de tong en de juiste woorden in aanslag, openhartig maar zeer kritisch, is de Vlaamse trots Leo Apostel geweest, bedenkt hij plots. Ach, misschien moet hij wel zelf een boek schrijven over het Geheim der Geheimen alhoewel over Geheimen geen teksten bestaan omdat ze nu eenmaal geheim zijn. Antoine grijnst en wandelt door een zoveelste gang naar het kasteel. In de verte hoort hij het kappen van de steen. De kunstenaar Gerardus is volop aan het werk. Een Waltonbroek, een wit Marcelleke en sandalen is het enige wat de schijnbaar gelukzalige beeldhouwer aan zijn lijf heeft. Voor de rest laat hij zijn inspiratie en creativiteit de vrije gang gaan. Een fles Bohrmannwijn doet de rest. Gerardus laat zich leiden door de arm van de wet die alleen in zijn hoofd gedirigeerd wordt en hem uitzonderlijk maakt als hij dat wil. Misschien zong Elvis Presley het liedje Surrender wel voor hem. Boodschap uit de kosmos. Met terugwerkende kracht. Zoals het nieuwe begrip 'Nakennis' door sommige Knack-journalisten wordt gesuggereerd als nieuw woord voor de woordenboeken. Nakennis met de verklaring 'Ervaring gekruid met gezond verstand, rustend op een bedje van tijd' ... en in het volle leven geroepen naar aanleiding van het in voorhechtenis nemen van de voormalig VBO-voorzitter en Recticetopman - wie kent hem niet - Luc Vansteenkiste, burgerlijk ingenieur en voortaan levenslang besmeurd en gelinkt met d' affaire Fortis en ... het nieuwe woord 'Nakennis', niet te vergeten.

Wat een wereld, wat een land ... in wat een regio leven we toch, stapt Antoine onder de grond flink door naar het geluid van hamer, beitel en steen. Eigenlijk, mijmert Antoine verder, Eigenlijk zou het Maasland moeten afscheuren van de hele wereld. Zoals het Iberische schiereiland dat op een goeie dag ook doet van Frankrijk en alzo van de rest van Europa in de bestseller 'Het Stenen Vlot' van José Saramago. De reden dat er plots een spleet ontstaat tussen Spanje en Frankrijk kan dezelfde mysterieuze reden zijn die er plots voor zorgt dat ook het Maasland met de rest van la Debelux, la France en les Pays-Bas afscheurt. Traag maar zeker. Eerst een kleine reet in de aarde en daarna dieper en dieper totdat je de bodem niet meer kunt zien. En daarna op dreef met wind en alle weer. De Maaslanders met hun briljanten Snoer van Maasdorpjes op drift en de Maas die aan weerskanten van het losgeslagen land druppelt van genot zoals een kind dat doet wanneer het té overdadig van zijn chocomelk heeft gedronken. En met alles wat ze dan nog van het Maasland willen weten of vertellen, fantaseert Antoine nog steeds met Elvis Presley in zijn kolkende hoofd ... Return to sender, address unknown. No such number, no such zone. Al lachend met zijn zopas gefabriceerde sprookje komt Antoine bij Gerardus terecht. Een kunstenaar met ontzettend veel talent, maar tegelijk ook eentje die te graag zijn talent verzuipt in alcohol. Gaat het een beetje, kijkt Antoine goedkeurend naar het meesterwerkje in wording. Het gaat, kijkt de kunstenaar naar Antoine als iemand die zopas uit trance wordt gehaald, Het gaat Antoine, herhaalt hij, Dank je wel. Mooi zo, want ik wil ook graag weten wanneer je aan de Roode Roos van Lima verder werkt, gooit Antoine de zin er dadelijk achteraan. Gerardus blaast een diep zuchtje tussen zijn gekloven lippen en neemt zo goed als onmiddellijk een flinke slok van zijn fles Passadouro. Ik heb geen geld om het in brons te gieten, zegt hij plots, zijn hoofd een beetje naar beneden gebogen uit schaamte. Ik heb je toch al een ruim voorschot gegeven, kijkt Antoine hem strak aan. Ik zal mijn best doen, trekt Gerardus zijn mondhoeken op terwijl hij voorzichtig oogcontact zoekt met zijn eeuwige sponsor. Je weet dat de Roos een belangrijke plaats in mijn hart wegdraagt en nog meer mijn allerbeste Gerardus, drijft Antoine zijn gesprek crescendo de hoogte in, Het kunstwerk krijgt een bijzondere plaats in de tempel hier een beetje verderop, weet je wel. Er volgt een ijzige stilte. Gerardus neemt hamer en beitel weer op, maar wanneer hij opnieuw wil kappen aan zijn ruwe steen, grijpt Antoine zijn schouder met een pantersklauw vast en fluistert in zijn oor, Kom straks langs in het hotel. Aan de balie zal 5.000 euro klaarliggen. De volgende week wil ik de Roode Roos uit Lima kant en klaar hier hebben. Belazer me geen tweede keer Gerardus of ik snij persoonlijk je linkerpink af. Voor een kunstenaar even onontbeerlijk als de twaalfde apostel voor het laatste avondmaal van onze vriend Jezus. Ik zal er niet op terugkomen tenzij met mijn geslepen Opinel. Gerardus wil iets zeggen, maar Antoine is al verdwenen. Met zweet in zijn handen en met een krampachtige grip op zijn werktuigen, kapt Gerardus met één ademhaling het woord 'sentier' in de muur. Daarna drinkt hij in een teug de fles Bohrmann leeg terwijl zijn ogen al zoeken naar nog meer vochtige verdwaling in zijn leven. Antoine is dan al in de living van het Kasteel Vilain XIIII aangekomen en roept op zijn vriend Sylvain met wie hij stipt om 11.00 uur heeft afgesproken. Ze moeten het hebben over de kelderruimten en catacomben. Maar ook over het project Brug over de Maas. Over geld, veel geld. Europees geld. Over het Maasland nu en later. Over vliegvissers en fluisterboten. Over eten, drinken en slapen op nieuwe kampeervlotten aan De Wissen. Over grind en geen grind. Over kruiden en nieuwe kruiden. Over vrienden en geen vrienden. Over tsjeven en bastaardtsjeven en nog erger: verraders van de eigen soort ... én over het geval Ernesto. Misschien in die volgorde. Misschien ook niet. In het Maasland groeien gesprekken zoals de wissen aan de oevers van de Maas. Wild en spontaan, breed en snel, maar altijd met het vaste gegeven ... gericht naar de hemel, schijnbaar chaotisch maar altijd constructief en nooit met veel verbaal geweld want Maaslanders willen niemand hinderen op hun weg naar Heaven, naar het licht. En dat in de breedste zin van het woord. Zoals het rijk van de flora behoort te zijn, trouwens.


438. Het loze vissertje (dinsdag 29 september 2009)

Algemene paniek wanneer Antoine van Hasselt thuiskomt. Margaretha laat een kreetje wanneer ze Antoine in het portaal van Hotel Strauss ziet verschijnen. Antoine lacht wanneer hij haar gezicht ziet veranderen zoals een kameleon dat kan met zijn kleur, maar hij is op slag weer ernstig als hij Joris en Buck geschrokken ziet opvliegen uit de witte zeteltjes die in de hal pronken. Leon die in de deurstijl van de keuken staat, kucht eens krachtig van opluchting en zijn opgespannen gezicht verandert spontaan in dat van een schalkse vriend. Is er iets, kijkt Antoine verdwaasd rondom zich. We dachten dat je . stamelt Buck een beetje vooraleer zijn zin af te maken . dat je opgepakt was door de Haick. En Joris voegt eraan toe, Tja, kan eh! Herinner je je vlucht naar Parijs. En vooral waarom . Margaretha omhelst Antoine en knijpt hem opgelucht in zijn billen, Waar ben je toch geweest, slaat ze haar armen rond zijn middel. Antoine beseft plots dat hij op zijn minst gezegd een beetje nonchalant is geweest door zomaar naar Hasselt te vertrekken zonder iets mee te delen aan zijn immer wakende vrienden. Niet in deze omstandigheden. Niet na al de gebeurtenissen van de jongste maanden. Ik ben een paar pintjes gaan drinken, thats it, probeert Antoine de onschuld in zijn reisje kleur te geven. Dat kan niet meer, voert Joris het woord, Er is een tijd voor Parijs en een tijd erna. Zomaar en plots ergens naartoe rijden kan voorlopig niet meer. Leon trekt Antoine mee naar de keuken en maakt een straffe Nespresso. Buck en Joris volgen in hun kielzog. We waren ongerust over je Antoine, schuift Leon een klein tasje onder het drukkrachtige apparaat, Zeg voortaan waar je naartoe gaat want anders geraken we in paniek. Je weet dat het niet denkbeeldig is dat de Haick je wil meenemen. Of erger nog, wil vermoorden. Je bent toch oud en wijs genoeg om dat te begrijpen, hoop ik. Antoine neemt een slokje van zijn koffie en is nog altijd onder de indruk van zijn bezorgde vrienden. Hij zegt even niets. Is Joachim al terug, wil Buck weten. Neen, schudt Margaretha haar hoofd terwijl ze Antoine nu ook een beetje boos aankijkt en ze vervolgt, Hij is naar Bed & Breakfast Basil in Leut waar zijn vrienden logeren die dagelijks een oogje in het zeil houden rondom Strauss en snel kunnen uitrukken als het moet. Bel Joachim, zegt Antoine, Zeg dat hij naar huis komt. En euh, ik verontschuldig me voor mijn snoepreisje naar de Hoofdstad van de Smaak. Hij lacht, maar niemand lacht mee. Iedereen blijft eerder sip kijken. Waar zijn Fréderique en Jeroen, verbreekt Antoine de kortstondige stilte. Ze zijn naar de Maas . buigt Joris zijn hoofd. Zijn ze gaan dreggen naar mijn lijk, provoceert Antoine geforceerd, maar ook nu gaat niemand daarop in. Joris en Buck begeven zich slenterend naar de inkomhal en Leon schenkt zichzelf nog een Becherovka in, zijn absolute lievelingsdrank uit Tsjechië. Is er nog nieuws uit Praag, wil Antoine weten. Neen, niets, neemt Leon een ferme slok kruidenbitter. Maar ik wil er snel naartoe. En ook naar Hotel Rustikal in Horni Cerekev. Het laatste bericht van Iveta is weken oud en tamelijk geruststellend nu ze blijkbaar Horni kunnen verlaten hebben en weer naar huis vertrokken zijn, maar sindsdien is het muisstil. Net zoals de affaire Amos, kijkt Leon Antoine vragend aan. Hmm, antwoordt hij, Er is nog een briefje van het parket gekomen waarin gevraagd wordt of ik me wil aanmelden voor een kort gesprek over de duistere zaak. Antoine schenkt zich ook een Becherovka in. Waarover dan, wil Leon weten. Geen idee, neemt Antoine een hartelijke slok. Kunnen ze iets te weten komen, vraagt Leon zich hardop af. No way, nipt Antoine verder. Het dodelijk recept is onopspoorbaar en ongelooflijk doeltreffend. Het is een beproefd sjamanenrecept uit het Amazonewoud. Zelfs een ervaren etnobotanicus kan het niet achterhalen. Het is zoals water, kleurloos, bijna smaakloos en dodelijk giftig. Maar dat weet je intussen. Antoine wacht even. Ik heb er geen spijt van. Ik zou het opnieuw doen. Je bedoelt Margaretha, verbetert Leon hem. Ik of Margaretha, wat is het verschil als je een moordenaar van honderden mensen om zeep brengt. Leon drinkt. Wat ga je doen de volgende dagen, wil Leon weten. Leven zoals ik denk, vrij en in vrijheid. Op hoop en geluk want ik wens me niet langer te verstoppen in mijn hotel of ook niet aan de Maas en zelfs niet in het Maasland en verre omstreken. Mijn schijnwereldje zit erop. Daar klinken we op, grijpt Leon de fles weer vast. Mooi geslepen glaasjes, schenkt Leon in. Geslepener kan een glas niet zijn, knipoogt Antoine.

Margaretha ligt al in bed als Antoine de kamer binnenstapt. Sinds zijn terugkomst van Parijs en het heengaan van Nirakie slaapt ze weer bij Antoine. Dat mag. Had Huxley Brave New World niet geschreven, dan had Antoine de nieuwe heerlijke wereld wel uitgevonden. Bovendien is seks voor Antoine niet het zoveelste gerecht van een uitgebreid menu, maar het kan dat wel worden. Als de sfeer er is. Als de wijn goed is. Als de vrouwen zo goed zijn als de boeken van Saramago en vooral als de vrouwen goed verzorgd zijn. Dat laatste geeft de doorslag. Dan mogen ze zelfs 50 zijn en surfen op seniorenwebsites. Dat maakt dan niets meer uit. Maar natuurlijk zijn ze liefst 43 en zo helder als het Gardameer, met veel inhammetjes waar het lekker toeven is. Hmm, het Gardameer, een langgerekte zee met een lel van een clitoris in Riva en die onder aan breedheuperig uitwaaiert van Colombare tot Desenzano. Een heerlijk water, lekker diep en met golfjes die een streling zijn voor iedere witte catamaran die er door klieft. Antoine stapt behendig uit zijn kleren en sluipt stilletjes in bed, maar Margaretha is nog wakker. Met een por in zijn zij geeft ze dat even te kennen. Ik was ontzettend bang, weet je. Het spijt me. Waarom zeg je niets. Ik wil vrij zijn. Maar je bent vrij. Niet zoals ik wil. Hoe wil je het dan? Totaal, gaan en staan waar ik wil. Kruiden planten in Meeswijk. Pintje drinken aan de kerk in Leut. Met de fiets naar Maastricht. Verdwalen aan de Maas. Vissen aan Maasoever. Naar Hasselt voor een pintje . mag dat even. Van mij mag je alles Antoine, maar nu even niet. Het is niet veilig genoeg. Heeft Schilders je trouwens een wapenstilstand beloofd. Het is geen oorlog eh Margaretha. Oh neen. Veerle, Amos, drie Haickers, vrienden uit Tsjechië . als er zoveel Belgen sneuvelen in Afghanistan is de ijdele De Crem zijn postje bij het leger kwijt. Je overdrijft. Ik wil je niet kwijt Antoine. Dat begrijp ik. Ik hou van je. Ik zie je graag. Hou je dan niet van mij. Ik zeg dat ik je graag zie. Dat is niet hetzelfde als houden van. Dat zeg jij. Dat weet ik. Wat wil je dan dat ik zeg. Dat je van me houdt. Dat kan ik niet. Waarom niet. Omdat ik dat niet meer kan. Waarom kan je dat niet meer. Omdat ik al te veel heb gehouden van iemand. Van wie. Dat weet je best. Van Veerle. Ja. Maar Veerle is dood. Je moet houden van mensen die leven en niet die geleefd hebben en dat wil niet zeggen dat je ze moet vergeten. Denk er regelmatig aan maar geniet van je dierbare levenden . Hoor je mij. Ja, ik hoor je. Hou je van mij. Ik zie je graag. Oké, wie nog Antoine. Dat weet je even goed als ik. Nirakie, dus. Ja. Maar zij gedraagt zich ook als een dode. Dat weet ik. Ze zegt niets, ze schrijft niets, ze is je vergeten Antoine. Neen. Ja. Ik wil slapen. En ik wil weten of je van me houdt. Ik heb het al tien keer gezegd, ik zie je graag. Dat is niet hetzelfde als houden van. Slaap nu maar. Ezel.

Een nieuwe dag breekt aan. De Maas hult zich in nevelen, maar zal weldra weer de navelstreng vormen van de wedergeboorte van de Maasvallei. Joachim heeft alweer plaatsgevat op het terras en slaapt met zijn ogen open. Ernesto die zijn koffie komt bedelen bij Jeroen die keukendienst heeft, gaat de wachter angstvallig voorbij. Hij vertrouwt zo'n slapende met open ogen niet, maar voor de heerlijke koffie van Hotel Strauss wil hij wel wat riskeren. In de keuken botst hij op Antoine die eveneens vroeg uit de veren is. Dag Ernesto, geeft Antoine hem een hand, Hoe is het met je. Bwa, ik leef nu wat bescheidener dan vroeger, trekt hij zijn mondhoeken omhoog, Maar het gaat. Je hebt toch nog geld genoeg, wil Antoine weten. Wat is genoeg eh, gooit Ernesto een oog in de keuken, het andere sluw gericht op Antoine. Kom je weer een bakje koffie drinken, verspert Antoine hem plagerig de toegang tot de keuken. Van Jeroen mag het, wurmt Ernesto zijn hoofd de keuken al binnen. Wil je nog altijd bijklussen, vraagt Antoine hem terwijl hij de toegang tot de bescheiden hoorn des overvloed vrijmaakt. Natuurlijk, zegt Ernesto. Ik kan altijd veel geld gebruiken. Vraag dat maar aan de gouverneur. Ik ben sinds kort zijn gelegenheidschauffeur en rij al eens naar Amsterdam. Ah zo, fronst Antoine de wenkbrauwen. Wat moet je daar dan gaan doen voor de gouverneur. Niet veel, slurpt Ernesto aan zijn te hete koffie. Allemaal gekke dingen. Eén keer ben ik in hartje Amsterdam gewoonweg een brief moeten gaan posten. Straf eh. Een brief bestemd voor België, haha. Ik kreeg voor die postklus 250 euro. Wat zeg je daarvan. Antoine knikt en klopt Ernesto op zijn schouder, En je bent blijkbaar ook slimmer geworden. Hoezo, kijkt Ernesto hem twijfelend aan. Awel ja, lacht Antoine, Je hebt een nieuw brilletje op je neus. Oh ja, grinnikt Ernesto, Ik kan best slim uit de hoek komen. Zo kan ik De Morgen in een uur tijd uitlezen. Wow, kijkt nu ook Jeroen op terwijl hij de oven aanzet. Bijlage inbegrepen, steekt Ernesto trots zijn hoofd omhoog. Dan ben jij een hele leesPiet, klopt Antoine hem deze keer op zijn rug. Is er ook al een croissant, ruikt Ernesto de eerste opwarming van de oven. Nog even geduld, zegt Jeroen. Lees intussen Het Belang van Limburg, suggereert Antoine, Dat moet je gerust kunnen doen binnen de baktijd van zo'n Weens broodje. Bwa neen, haalt Ernesto de schouders op, Ik moet er maar eens vandoor. Ik wil het beste plaatsje aan de oever hebben als ik vis. En hij klopt zich op zijn borst al wil hij zeggen dat deze jager zomaar geen loos vissertje is. Ik zie je altijd zitten vanuit het keukenraam, geeft Jeroen hem een snelgesmeerd broodje kaas aan. Dank je, loopt Ernesto een beetje rood aan. Ah zo, haakt Antoine weer in, Is dat de beste plaats aan de oever, het plaatsje met zicht op Hotel Strauss. Ernesto frommelt het broodje nerveus in zijn zak van zijn jasje en vertrekt met een mompelende Goedendag. Voor hij buitengaat, kijkt hij nog een keer om met kleinere ogen, alsof hij plots last heeft van té veel licht. Antoine richt zich nu tot Jeroen, Hoe lang vist Ernesto eigenlijk al aan de oevers van de Maas. Die wijsneus weet zoveel van vissen als van koeien melken. Oh, schuift Jeroen de vers gerolde croissants in de oven, Nog niet zo heel lang, maar veel vissen doet ie niet. Hij spot meer vogels dan vissen geloof ik. Wil je zeggen dat hij er met een verrekijker zit, trekken rimpels zich samen op het voorhoofd van Antoine. Heel zeker, beaamt Jeroen, En als hij niet spot, leest hij de krant. Maar een vis heeft hij nog nooit bovengehaald. Waarom wil je dat weten, Antoine. Zomaar, schuift Antoine zijn kopje onder het Nespresso-apparaat, Zomaar jongen, gewoon . zomaar.


437. Stappen in Hasselt (dinsdag 22 september)

Wat een achterbaks miezerig weer overvalt het Maasland die avond. Het is alsof de walg van de Brusselse randgemeenten naar de plattelandscontreien is overgewaaid. Maar als xenofiel en tolerante kerel zal Antoine dit weertje gemakkelijk doorstaan want het leven is verdomd aardig om beleefd te blijven. Een contradictio in terminis voor een aantal allochtonen die in de gemeenten rond Brussel of Luik wonen, maar als ze goed nadenken zullen ze vaststellen dat het in België nog niet zo slecht toeven is. Ondanks het hoge cijfer van de werkloosheid draait de sociale voorzienigheid hier nog altijd op volle toeren, kan iedereen elk moment naar 'spoed' in een hospitaal, kan de Belg zijn gratis krant gaan lezen in een verwarmde bibliotheek en kan hij in het zwart werken tot hij er wit van wordt. Bovendien zal iedereen, allochtoon of autochtoon, hier in Belgenland de winter gemakkelijk overleven. In tegenstelling tot het tevergeefs wachten van Belgische soldaten in Afghanistan op voldoende kogelvesten, in tegenstelling tot het tevergeefs wachten van de Fransen op een nieuwe Sartre... geldt er voor elke Belgische inwoner nog geen enkele meelijmoeheid. Er komt zoals gedacht zelfs geen nieuw generatiepact en elke sociale voorzienigheid blijft bestaan als een paal boven water. En dat is maar goed ook. Anders kunnen we net zo goed naar Afrika verhuizen of naar Iran, de moderne grens van driest avontuur en diepe ellende. Alhoewel, denkt Antoine tussen twee momenten door. Hij wil gaan stappen in het verre Hasselt want net als het Maasland is ook Hasselt altijd een beetje vakantie. Er is een basiliek, een groene en binnenkort blauwe boulevard, modewinkels en ontelbare restaurants, het Nationaal Jenevermuseum en de bescheiden Twin Torens waarin een even bescheiden Radisson SASje genesteld is. Maar er zijn vooral ook een paar leuke stamineetjes waar de afkomst van de bezoeker geen belang heeft, als hij zijn pintje maar betaalt.

In staminee Concordia aan de Havermarkt is een vrouw gestorven tussen smerige foto's in de krant. Zo blijkt. Een man aan de toog drinkt zijn Leffe leeg en vraagt er nog een. Giet die ook leeg in zijn glazen keel. Betaalt en hoepelt op zoals de koning bij schaakmat. Twee vrouwen zitten met een burgermansfatsoen achter twee hete tassen koffie die alleszins veel heter zijn dan de twee hun lichaamstemperatuur samen. Een ouwe vent houdt ze nauwlettend in de mot. Hij staat stijf van de goesting en lebbert aan zijn bijna lege pint bier. Stille diplomatie. Alleen een papegaai ontbreekt nog in de Concordia. Een uiterst ongetemde café waar de barman en de barvouw respectievelijk man en vrouw zijn en het zo te zien nog hartelijk met elkaar kunnen vinden. Zij zien het dagelijks leven zoals het is en vaak in talrijke bedrijven uit het dramatische leven, gespeeld door de vele cafébezoekers. Des te meer omdat er zowel 's avonds als 's middags zo goed als elke werkdag advocaten over de vloer komen en er hun pinten bier komen zuipen. Ja, zuipen. Ze spelen kat- en muisspel met de kraag van hun Cristal, net zoals ze dat doen met de rechter die ja of neen zegt. Iets genuanceerder uiteraard, maar altijd als een ongetemde feeks. Wanneer Antoine er post vat en met een pintje doorheen het verlebberde Laatste Nieuws doolt, komt prinses Diana binnen. Ze komt zo uit een drama van Shakespeare gestapt en loopt hand in hand met een lul van formaat. Recht uit de kerk van Bethlehem want zijn kruis hangt te zwadderen in zijn te holle stoffen broek. Niet van Helsen! Het is duidelijk te zien dat ze van elders komen. Van een locatie niet zo verlicht als hier in het dampende café, maar wel van een duistere plek waar handen vrij spel hebben zoals een paterhand onder de pij. Antoine ziet het direct. Die man is een tenniseikel. Zij een tenniselleboog. Dat komt er altijd van als je niet rechtmatig, maar wel achter hoek en kant, met de balletjes wil spelen. Bedwingers van de rosse vrijstraat. Ze bestellen beiden een pint bier en likken het schuim af zoals ze enkele momenten geleden al bij elkaar hebben gedaan. Waarschijnlijk. Want een mens weet het nooit. De waarheid is altijd dichtbij, maar het zijn journalisten en alleen zij die bepalen wanneer iets recht of krom is. Waarachtig of een grove leugen. Zo groot als de spleet tussen Wallonië en Vlaanderen in het federale land Belgium, seven points! Hij drinkt zijn pint bier onbeschaamd in een teug leeg en bestelt er opnieuw twee. Ja, beffen is zout. Dat zijn de eerste lessen van een adolescent op zoek naar het extreme epicurisme zoals de mysterieuze Afrikaan die aanspoelt op het strand van Gibraltar. Moeder, waarom komen zij? Inner circles? Willen ze meer weten over de euro? De wijk van de toekomst komen bewonen? De oude man kijkt nu dwars door de twee vrouwen heen die beginnen te giechelen als piepschuim dat tegen elkaar gewreven wordt. De ouwe gabber weet het en draait nu met zijn tong diep in zijn glas. Verleiding van de simpele. De twee nonnen van Navarone zijn ofwel tien keer zo slim als die macho-verleider of ze zijn zoals Herman De Croo, té charmant om zonder meer op te stappen. Die ouwe neuker een lel te verkopen en de laatste druppels van zijn verlebberde pint bier over zijn grijze haardos te kieperen, is een alternatief. Ze doen niets en lachen verder. Antoine kijkt, gluurt, observeert en proeft de stad Hasselt zoals ze is. Alleen beiaardmuziek ontbreekt nog, glimlacht hij in zichzelf. Hasselt, flitst er door zijn hoofd, op een avond zonder vrienden. Een waar feest van herkenning. Deze maatschappij om zeep? De Kyoto-norm ten spijt, maar de opwarming van de aarde is hier al begonnen, met een dribbelpasje in het spoor van de algehele gek-wording van de mensheid. Mensdom. Dierenrijk. De improvisaties van atelier Magritte, magisch realisme uit het vuistje. Hasselt is een kijkspel dat niet ontroert, maar waar causaliteit met een meter bier gemeten wordt. Kijk maar. Hier en daar een advocaat die nog een keer uit zijn isolement van de rijke verzameling cafébezoekers komt en vertelt met terugwerkende kracht hoe goed hij gepleit heeft. Alsof er leven is na het communisme. Bwa, het zijn jongens in hun geschiedenis. Bijna filosofen. Alleen vliegen zij niet uit zoals de uil van Minerva, maar als een konijn dat nog doorloopt na zijn aanrijding. Antoine heeft zijn gedachten nog niet vervolledigd of zijn voorspelling komt uit. De oude man maakt aanstalten om de twee dames te gaan trakteren. Het naderende einde van de jager. Dat gaat de barman nooit laten gebeuren want die kijkt nu als een Jan Decleir op scène. Antoine weet niet of het de woede van een acteur is of gespeelde komedie. Een cafébaas koestert tenslotte al zijn klanten. De oude kerel houdt zich alleszins in. De vrouwen stoppen met lachen en begapen nu het interieur zoals marktvrouwen de kraampjes die iedere dinsdag en vrijdag het Kolonel Dusartplein in Hasselt bevolken. Kijk, een gegrilde kip. Sloggies 3 + 1 gratis. Slijmloze vis uit de eerste tien kilometer van onze Belgische kuststrook. Nepkunst om de vrouwengeschiedenis te hertekenen. Poeha, het brengt Antoine in een ruk naar de groensnottige zee van James Joyce. Klotsende golven volgeschreven met Griekse en Romeinse literatuur. De Middellandse Zee zit er vol van. De advocaten verlaten de zaak. Daaaaag. Dag ventjes met de hoed op de kop. Plop. Plop op de kop. Plop kop. Nergens meer iets aan te doen. Het rekbare verstand is weg. Het cliënteel is dan op een wip gehalveerd. Wip! Prinses Diana en die geile beer blijven nog. Ze zijn intussen aan hun vijfde pint bier toe. Lachen. De tanden bloot. Een blik die het naderende einde van een relatie aankondigt. Welke? De prinses zegt niets. Burgeroorlog tussen haar borsten. Foefjes van vijandige virussen in haar broekje. Je ziet het zo! Ook Antoine. Antoine als getrainde hoteluitbater. Bovendien wekken ongewone beelden altijd zijn aandacht. Tussen die twee bierbeffers is het niet anders. Zijn ding in zijn broek gaat nog altijd te keer als een trapezewerker. Zij. Beschilderd materiaal. Oh! De twee dametjes verlaten eveneens het pand. Zomaar. Het breekt de ouwe zuur op nu hij zich bijna met zijn gehele kop in het glas gewurmd heeft. Houdini. In een klets bier dat zo murw geworden is als brakke melk. Hij kijkt nog even op, maar de tweede vrouw klapt de doorzichtige deur al dicht. Zij zijn slimmer. In de taxonomie van de lach behalen ze gemakkelijk niveau vier van de vijf. Nog vier klanten! Antoine inbegrepen. Barman en -vrouw niet. Zij kijken naar mekaar. Zouden ze het nog doen, dwarrelt een gedacht als een sneeuwvlok op Antoine's ziel. Oh, kijk! De ouwe heeft zich eindelijk bevrijd uit zijn glas. Hoort blijkbaar stemmen uit de loopgraven en loopt als een losgeslagen kind naar buiten. Barman achter hem aan. Eerst betalen, hoort Antoine hem zoetjesaan zeggen. De man rammelt in zijn wisseljaren en betaalt. Keurig op straat. Russische poëzie. Nog drie. Dan ziet Antoine het! Plots als gewoon iemand die van mooie kleren houdt. Een druppel sperma op haar kleedje. Liefde is van alle tijden. Napoleon III was een seksmaniak. Adellijken doen het in de gordijnen. Prinses Diana haalde dag na dag de schandaalpers. Tot slot in Parijs. Antoine kijkt nogmaals op. Ja, het is werkelijk liefdesvocht. Het is een fandruppel met een alibi. Maar dan kust zij haar floddervent. Zij voelt instinctmatig aan wat Antoine voelt en kust opnieuw om de aandacht naar haar kleedje af te leiden, maar eveneens om Antoine te provoceren. Antoine kent de inhoud van dat soort zoenen. Daar valt ook altijd een druppel af. Maar niet op haar kleedje deze keer. Bier? Hij morst niet. Drinkt nog een zesde pint. Met een lepe judogreep geeft ze hem een porretje. Waar? Tussenin. Alsof Antoine niet bestaat. Alsof hij plots blind geworden is. Zoals in Saramago's bestseller 'Stad der blinden'. Als koppel gaan ze hand in hand buiten. Zij kijkt nog een keer om. Loenst naar Antoine. Nymfomaan? Antoine lacht terug, betaalt zijn drie pinten bier en terwijl hij naar buiten slentert, mijmert hij over zijn kwajongensachtig cynisme dat hem in de Concordia te beurt is gevallen. Hij drentelt de straat over, kijkt nog een keer om en gaat dan op automatische piloot naar het gezellige Stadscafé, een volgende belevingscafé aan de Havermarkt in Hasselt. Mét opnieuw exposities op mensenmaat.

Een tiental mensen sieren de zaak. Allemaal keuvelende bezoekers. Aan de toog staat Antoine plots oog in oog met een man met één arm. Netjes gekleed en goed verzorgd. Zijn lichaam hangt een beetje schuin naar de kant waar de arm ontbreekt. Je zou denken dat het net andersom moet zijn, maar neen, hij helt over naar rechts. Alsof de ontbrekende arm zwaarder weegt dan de volle arm met alles erop en eraan. Het doet Antoine niet geheel gevoelloos denken aan de zwarte gaten in de ruimte die ook niet waarneembaar zijn, maar ook feller doorwegen dan zichtbare sterren. Wel, de man met een arm heeft ook zo'n zwart gat bij zich, drinkt Antoine aan zijn Cristalletje uit een aaibaar kelkje. In alle geval, denkt Antoine op volle toeren verder, een hand op de toog, de andere diep in zijn broekzak. De man met een arm gedraagt er zich duidelijk naar. Hij hangt naar rechts. Hij praat en lacht onophoudelijk met de charmante bardame en de lach komt vers uit een droom. Zo mooi. Eigenlijk heeft Antoine niemand ooit zo blij zien lachen, constant en bij elke handeling die de man doet. Elk gesprek dat hij begint en eindigt en alles wat ertussen zit, lacht hij. Het is meer dan een glimlach, minder dan een gulle lach en misschien is zijn lach de blijdschap die ook Salvator Dali altijd toonde als hij met Amanda Lear op stap was. Of in haar bijzijn vertoefde. De man met een arm droeg een chique vest. Satijnbordeaux en al naargelang de lichtinval zwart of wijnrood. Goede wijn, laat daar geen twijfel over bestaan. Een Passa Porta van de duurzame Bohrmann-plantages in arm Portugal. Niet zijn flauwe voor het gepeupel, maar de echte bloedrode voor mensen die beter zijn dan mensen, of dat zouden moeten zijn. Onder de mooie satijnen bordeaux-vest draagt de man een sneeuwwit hemd. Het is dezelfde witheid waarmee je door liefde verblind wordt. Wit om te beminnen. De witte kleur van de zeven hoofdzonden. Wit waarin alle perfecte kleuren van de regenboog verborgen zitten. Het wit van Newton wanneer hij ongelooflijk hard aan zijn ronde schijf draaide waarop alle kleuren van Van Gogh geschilderd waren. Zó wit. Ongelooflijk wit. Wit uit de hemel. Wit, recht uit het hart. Het wit van de tegels van de tempel van Salomo. Het wit als hevigste contrast van het diepste zwart van Faust. Faust van Goethe. Antoine blijft kolossaal geïntrigeerd door de man met één arm en dus geplaagd met een zwart gat dat begint vanaf zijn rechteroksel en nergens stopt. Antoine probeert te begrijpen waarom de man met een arm zo ontroerend en eeuwig kan blijven lachen. Wie de lach van die man met een arm ziet, zal het lachen nooit meer associëren met een grap, met een komische film, met het Lachfestival van Houthalen-Helchteren... maar zou de lach voor altijd associëren met het leven. Het blijde leven dat moet geleefd worden. Vanaf de geboorte, over de bewustwording tot de wijze van veertig en vijftig jaar oud, tot diep in de jaren van ouderdom waar geen leeftijd op staat. Humor. Lachen. De man met een arm kan het.

Dit was Hasselt, besluit Antoine na zijn tweede pintje. Hij heeft genoten van de drukke avondstilte. Trendy Hasselt op zijn smalst. Het 'verre' Hasselt in eerder anonieme cafés, maar met zoveel meer waarde dan de trendy blikvangers met porseleinen gasten. Hij betaalt en vertrekt zoals hij gekomen is naar Hasselt: stilletjes en recht naar huis, naar Hotel Strauss aan de Maas, amper dertig kilometer naar het Oosten, het Oosten Maasland.


436. Leven is denken (dinsdag 15 september 2009)

Hoofdstuk 36

Iedereen is blij vandaag. Antoine is thuis. Hij slentert door zijn hotel zoals de Maas door het Maasland. Antoine praat met iedereen die hij ontmoet op zijn pad zoals ook de Maas elk Maasdorpje omhelst op zijn tocht naar de zee. Doorheen de ruime inkomhal speelt zachte accordeonmuziek van La Douce France en de superioriteit van de noten haalt het gemakkelijk van het belangeloze waarmee iedere sterveling behept is. Wachter Joachim heeft zich opnieuw op het terras gezet en houdt de Maasoever nauwlettend in het oog. Hij telt de vissers die met mondjesmaat toekomen en glimlacht regelmatig wanneer hij Ernesto ziet worstelen met zijn werphengel. Jeroen draagt regelmatig hapjes aan voor de terrasgasten die vanaf tien uur als trouwe duiven vallen. Heel wat gelukzalige fietsers die de grenzen van Belgisch en Nederlands Limburg aftasten, houden hier graag halt om even te genieten van de Maaslandse rust en natuurlijk om deugdelijk bij te tanken. De koffie van Strauss is heerlijk en eerlijk en Antoine geeft geen twee maar drie koekjes bij de onweerstaanbare drank die gerust tot de kleine genoegens van het leven mag gerekend worden. Koffie is een snel opkikkertje in de ochtend, grapt Sylvain altijd wanneer hij langskomt om een heerlijk ontbijt te nuttigen, maar altijd en alleen als Antoine er is, want voor Sylvain is La Dolce Vita maar compleet als hij er ook een goeie babbel kan bij hebben. En wie anders dan Antoine kan als een ideale ideeënbundel gebruikt worden. Fréderique heeft eindelijk zijn boek 'Het rijk van de schaarste' onder de arm genomen en heeft zich in een hoekje op het terras genesteld. Van Thomas Hobbes tot Michel Foucault, seint hij via zijn BlackBerry naar vader Joris die de oermythe van de schaarste weer aan het bijvullen is in zijn apotheek. Charmante Buck is in een goed gesprek gewikkeld met Leon, die zich sinds kort ontfermt over de gangen van het onderaards netwerk van Vilain XIIII. Al grappend heeft hij tegen Antoine gezegd dat hij zal zorgen voor, De Lichtpuntjes in de aardse hemel, doelende op de tempel met zijn tentakels in wording. Maar nog het meest gelukkig is Margaretha, het gouden sleepbootje van het hotel. Vanavond heeft ze een groot feest aangekondigd voor intimi en ze heeft sterrenchef Alex Clevers ingehuurd om zijn fameuze recepten tevoorschijn te toveren. In haar onstuimigheid wou ze eerst alle gerechten uit het ontdekkingsboek 'Puur Maasland' laten bereiden, maar toen de ervaren kok haar vertelde dat deze rijkdom zelfs niet in ruil voor zijn eigen leven op een dag kan gemaakt worden, begreep ze de onredelijkheid van haar verzoek. Ja, in zo'n vrouwenhoofd kan schijnbaar veel schuilgaan, zelfs onmogelijke ideeën in het kwadraat. Ach ja, ieder zijn tamboer.

Het is bijna middag wanneer gouverneur Vroon plots aankomt. Hij is helemaal alleen van zijn toverberg in Brussel gekomen om eindelijk Antoine te ontmoeten. Op het terras ontstaat spontaan een algehele discussie over de crisis die is of niet is. Er wordt volop koffie geschonken want iedereen wil blijkbaar kwik en alert de gouverneur overtuigen van zijn gelijk. Een kale fietser uit West-Vlaanderen probeert de lont in het kruidvat te steken door te zeggen dat ambtenaren en uitkeringstrekkers in een serre leven en de crisis niet voelen. De gouverneur, eeuwige ambtenaar en royaal verloond voor zijn bloempotfunctie, danst behendig om de toerist heen. De gouverneur stelt dat toerisme een belangrijke economische factor is en nog meer wordt in een land dat stilaan maar zeker een dienstencentrum wordt, wars van productie- en assemblage-industrie. Maar de gouverneur zegt vooral blij te zijn dat vooral West-Vlamingen in fietsparadijs Limburg hun geld komen opmaken. De West-Vlaming grinnikt, maar zijn pientere collega uit Veurne geeft zich nog niet gewonnen en stelt dat zo'n geölied fietsroutenetwerk inderdaad van onmeetbare waarde is, maar waarschuwt dat de financiële crisis slechts zijn winterslaap houdt terwijl ze langzaam maar zeker verandert in een overheidscrisis en dat het vage uitgestrekte veiligheidsnet dat de overheid heeft opgespannen straks zal scheuren omdat diezelfde overheid de aanzienlijke schulden die ze is aangegaan niet meer kan betalen. En is de provincie niet een versleten overheid, laat hij zijn koffie kolken in zijn tas. Antoine gooit een knipoog naar de gouverneur die zelf ook lacht en de fietsers belooft ontslag te nemen als de crisis werkelijk zulk een proporties zal aannemen. Maar Limburg is van een overrompelende schoonheid, zalft de man uit Veurne het gesprek verder en hij blijkt eigenlijk een poëet te zijn die met woorden kan schilderen zoals Van Gogh met verf. Allemaal schilderijen tussen hemel en aarde, maar dan op Limburg geïnspireerd. Ik feliciteer je met je provincie, beste gouverneur, gaat hij woordvast verder, De Maas heeft me al geloodst door prachtige maisvelden, wijngaarden, grasvlakten en mergelheuvels, bloeiende dorpjes en alleenstaande monumenten, bootjes op de rivier, oude huizen en charmante hotelletjes en in de verte altijd het lof van de schepping. Op de dijk lijken de wandelaars wel figuren die in ruimte en tijd samenvallen en daarom kom ik dolgraag naar Limburg. Elk jaar opnieuw. Dank je, glimlacht de gouverneur en ook Antoine drukt zijn tevredenheid uit met een wijde lach. En zo keuvelt het gesprek verder tot ook de landbouwbranche en zijn interne dispariteit aan bod komt. Dan neemt de gouverneur Antoine in de arm en begeleidt hem met een smoes naar binnen.

Ik weet niet precies waarom je Schilders hebt ontmoet in Frankrijk, gooit de gouverneur de zin op tafel, Maar ik moet je waarschuwen. Zijn ademhaling verraadt dat hij nerveus is, Hij is verschrikkelijk geïrriteerd door je nieuw gestichte Orde en hij zegt alle moeite van de wereld te hebben om zijn Haick-kompanen in het gelid te doen lopen. Die willen niet liever dan je kop en niet in het minst omdat je drie van hun lievelingen hebt euh... je weet wel in Parijs. Antoine kijkt spottend op, Ze hebben hun Porsches toch netjes opgeblonken teruggekregen. De gouverneur neemt Antoine bij de arm, Het gaat Opus noch Haick om geld. Dat hebben ze meer dan genoeg en eigenlijk interesseert het ze niet. Net zoals bij jou trouwens. Geld heeft geen waarde. Het is Schilders te doen om macht, de pure macht en nog beter gezegd, de onzichtbare macht. De macht om regeringen te maken en te kraken. Om landen te sturen en als het even kan ook hele continenten. Zoveel ambitie heb ik niet, reageert Antoine. Maar wat wil je dan, kijkt de gouverneur hem aan, Wat wil je eigenlijk bekomen met je nieuwe Orde. Waarom is Schilders zo bezeten van je. Alsof je de duivel in hoogsteigen persoon bent. Misschien zoekt hij een gezicht voor zijn schilderij, zet Antoine zich neer, Misschien zoekt hij een persoon die als tegengewicht voor zijn levenswerk moet dienen. Misschien is hij op zoek naar een tegenpool om aan de wetten van Newton te voldoen. Actie en reactie. Ik heb inderdaad met hem gesproken in Cerisy-la-Salle en uit alles bleek dat hij God was en ik Lucifer... of omgekeerd. Dat was niet duidelijk. Ik heb hem alleen gevraagd het moorden te stoppen want weet dat Schilders of laat het me maar bij de Haick houden, de eerste dode op zijn geweten heeft. Tenminste een moord die rechtstreeks mijn Orde treft. Het hart van de Orde overigens want wie was Veerle denk je. Ik heb Veerle ook zeer goed gekend, knikt de gouverneur nu ingetogen. Haar kwaliteiten en loyaliteit zijn ongekend en ook ik heb heel veel te danken aan haar. Maar wat wil je met je Orde bereiken. Antoine gooit de vraag terug, Wat wil Schilders met al zijn vissers aan de oever van de Maas bereiken. Waarom moeten mijn vrienden in Tsjechië sterven. Tsjechië, mijn toegangspoort naar het Oosten. In tegenstelling tot de brave loge zal ik niet rusteloos toezien hoe mensen verder geïntimideerd worden en op een maffia-achtige wijze worden geschopt tot ze weer gelaten plebejers in de maatschappij worden. Maar je mag niet vechten als je in de minderheid bent, schuift de gouverneur zijn stoel dichterbij. Ik ken je levensmotto, dierbare Robert, houdt Antoine nu 'zijn' hand vast. Maar mijn strijd is de jouwe niet. Ik weet niet precies wat er gebeurt in jouw toverberg in Brussel of je kabinet in Hasselt, maar het is absoluut niet smaakvol toveren dat je doet. Al je werk is inderdaad lovenswaardig, maar elke laag van je toverbol heeft een eigen smaakje en vooral een andere kleur. Dat siert je en dat getuigt van ongelooflijk sociaal engagement, maar ik wil mijn levensweg eerder rechtlijnig ontwikkelen. Zeg tegen Schilders dat ik in het harnas van mijn ratio leef en dat ik vanaf morgen visser na visser verzuip als hij nog één keer met een verrekijker naar mijn hotel kijkt. Die perverse intimidatie moet stoppen. In ruil zal ik Schilders de originele documenten teruggeven waarin het scenario van de jongste regering zit. Vooral de namen van ministers die het niet geworden zijn en waarom. Nu kijkt Antoine zijn boezempeter strak aan, maar de gouverneur geeft geen krimp. Van wie heb jij die documenten, fluistert de gouverneur nu meer dan praten, Jouw bundeltje hoef je niet mee te geven, klopt Antoine hem op de schouders. Maar het heeft me verbijsterd hoe jij in een complete compromis met Schilders deze jongste regering hebt samengesteld. Zoals gezegd vanuit je toverberg. Niet die van Thomas Mann, maar eentje zoals koffie, zwart als de hel, sterk als de dood en zoet als de liefde. Hel, dood en liefde zijn natuurlijk hoogst persoonlijk geïnterpreteerd, maar daar wil en kan ik niet over uitweiden. Ik heb bovendien nog verkwikkende dossiers in mijn bezit die eerder puur economisch zijn alhoewel ik me dag na dag afvraag wat het verschil tussen politiek en economie nu werkelijk is. Partijen zijn middelgrote KMO's geworden die per opbod worden gestuurd en waar zoals bij notariaten gemakkelijk een miljoen euro's op tafel wordt gelegd om een graaipost te kopen. Zeg tegen Schilders dat al mijn dossiers snel en gemakkelijk worden verspreid naar gedegen pers en integere rechters als me plots iets overkomt. Dat begrijp ik, zit de gouverneur er een beetje geslagen als een hond bij. Ik moet gaan, staat hij plots recht, Beloof je me voorzichtig te zijn mijn liefste Antoine. Hij knoopt zijn trendy vest dicht terwijl hij naar de buitendeur stapt, Weet je wat je eens moet doen Antoine, draait hij zich om, Je moet met je beste vrienden, neem Joris en Buck mee, eens op retraite gaan in een klooster. Zoek een instelling waar de abt een spiritueel is en vergewis je een week lang, tijdens diepe gesprekken aan tafel, in de tuin, tijdens een wandeling en voor het kruis... of je visies, je gedachten en je manifest voor het leven, De orde, de loge... kortom alles wat je leven dichter bij de dood brengt... of dat allemaal het ware is. Toets het met de geest van de abt. Als je wil, geef ik je een goed adres. De pijn van de herinnering, angstige discretie en irritante intimiteit zijn bij zo'n sessie de vaste ingrediënten, maar zei Cicero niet, Vivere est cogitare. Ik beveel het je van harte aan mijn vriend en zoals gezegd, bel me voor een goed adres. Ik regel alles. Dat weet ik, en Antoine herhaalt zichzelf, Dat weet ik, terwijl hij beseft dat duizend en een zaken niet verteld zijn, nog eens duizend en een zaken niet vermeld en nog eens zoveel dingen nooit uitgeklaard... Nog voor Antoine de deur naar het terras opent voor de gouverneur, geven de vrienden mekaar een hartelijke hand en spontaan drie kussen. Broederkussen, zoals het hoort.


435. Maaslandse Schatvis (dinsdag 8 september 2009)

Het is de vreemdste klus die Ernesto ooit heeft moeten uitvoeren en was het niet dat zijn goeie vriend Sylvain, Commissaris van Toeristische Uiterwaarden en Urbanisatie van Ingesloten Waterbekkens, het hem zo nadrukkelijk en met lichte dwang gevraagd had, dan zou de ge‘migreerde Tsjech van ruim zestig jaar er nooit aan begonnen zijn. De 2.500 euro die hij voor de klus heeft gekregen, scheelt natuurlijk een slok op de borrel, maar toch. Het blijft een duistere zet op zijn wankele schaakplank. Het is half twee in de morgen wanneer Ernesto zijn vrachtwagen met rammelende opligger tot stilstand brengt op de pechstrook van de autostrade Keulen-Aken in het onooglijke plaatsje Eschweiler. Volgens de gps-cošrdinaten die hij heeft opgekregen van Sylvain moet op deze plek een rouwkrans liggen ter nagedachtenis van Veerle die er onder duistere omstandigheden is verongelukt. Ernesto vergewist zich van de heilige plaats, ziet de krans in het duister schijnen en begint de drie zwarte Porsches af te laden. Een voor een rijdt hij ze van de opligger af en parkeert ze zoals Sylvain gevraagd heeft netjes op de pechstrook met de sleutels in het contact. Op iedere chauffeurszetel legt hij een rode roos, het symbool van de eeuwige liefde en van de wedergeboorte, in de oudheid ontsproten uit de mythe van de dood van Adonis, de geliefde van Aphrodite, uit wiens bloed de eerste rode rozen zouden zijn geboren. Nerveus wrijft Ernesto met een wollen doekje over de sturen en de portieren van de Porsches en wandelt dan haastig naar zijn vrachtwagen en verlaat Duitsland sneller dan een dief in de nacht. Kilometers lang schudt hij zijn hoofd in de vrachtwagenkabine en mompelt hij dat het zonde is om zoveel superwagens met sleutel, startensklaar, langs de autoweg te parkeren, maar hij weet niet dat seconden na zijn ongeoorloofde activiteit der deutschen Polizei al halt houdt naast de drie op een rij. Ernesto spreekt zichzelf moed in en wrijft regelmatig op zijn portefeuille in zijn vestzak waarin vijf paarse briefjes van 500 euro zitten. Zodra hij in Belgi‘ is, belt hij Sylvain op met de melding, Klus geklaard. Sylvain signaleert op zijn beurt Antoine die voor het eerst sinds maanden weer in zijn eigen bed slaapt in Hotel Strauss aan de Maas. Hij glimlacht en kijkt naar Margaretha die met haar wit satijnen nachtkleed naast hem ligt. Ook zij heeft een gelukzalige glimlach op haar gezicht en haar borsten maken ware kunst in het satijn. Antoine volgt de zachte helling naar beneden en raadt waar het laagste punt van haar venusdal gelegen is. Hij trekt voorzichtig het nachtkleed omhoog en geniet van het stroefje woud dat zich boven haar genotsknobbeltje uitstrekt. Niet breed, niet ver, maar als een bruisend rif dat verraadt waar het Goudland ligt en waar hij zijn filosofie‘n van de Eros kan beleven. Zijn kale wreker staat zo stijf als een plank en zijn goesting is zo groot als de pizzaÕs bij Pizza Pasta E Basta in Hasselt. Met zijn wijsvinger streelt hij bijna onvoelbaar het argeloze haarbosje en hij legt zich zoals een denker bij de bron van alle leven, op een zucht van hemels vrouwelijk genot en meer dan klaar om toe te slaan met het puntje van zijn tong, daarna de gulzige mond en dan zoals de Hawa•aanse golven op het strand, zacht inbeukend en altijd maar opnieuw en opnieuw, zolang de zoete aarde draait. Bijna in extase slaat Antoine toe zoals een poema op jacht, maar wanneer hij plots een flits voor ogen krijgt van Nirakie schrompelt zijn stijve pik in een mum van tijd tot een lief Weens worstje. Hij tuimelt op zijn rug en staart met waterogen naar het plafond. Margaretha trekt onbewust het deken weer over zich en laat alzo Antoine in zijn eigen kippenvel afkoelen. Nirakie, keuvelt Antoine, en hij trekt zijn knie‘n tot dicht tegen zijn kin en neemt dan de pose aan van een foetus en verwordt alzo een freudiaans jongetje dat treurt om zijn moeder, de kilte trotserend als boetedoening van het gemis, van de tranen die niet willen vloeien, van de diepe pijn die niet te stillen is zoals honger na zeven dagen en zeven nachten op de dool in een woestijn. En met Nirakie voor ogen wordt hij Õs morgens zo koud als vis wakker naast Margaretha-in-satijn. Hij kust haar op het voorhoofd en verlaat het bed, de kamer, het hotel en begeeft zich naar de Maas. Het is vijf uur. Op het terras zit Joachim die hem meteen vergezelt. Beide vrienden omarmen elkaar en stappen zoals vader en zoon naar de oever van de regenrivier.

Vergeleken met deze stroom betekenen we niet veel beste Joachim, kijkt Antoine hem zijdelings aan en vooraleer Joachim iets kan antwoorden gaat Antoine verder, Deze stroom schenkt leven en genot aan ons, sterfelijke zielen. Aan deze stroom kunnen we de menselijke waarden 'Wachten-Vasten-Denken' oefenen in al zijn hoedanigheden zodat we het leven waardig en nobel zouden beleven. Zelfs de dood kunnen we aan de stroom leren begrijpen. Maar wij leven eerder in de tegenwoordige tijd of in de hedendaagse tijd of zeg maar gerust de tijdeloze tijd en als zodanig voelen wij ons onsterfelijk. We stellen dagelijks vast dat de tijd voorbij vliegt en dat een dag, een week, zelfs een jaar vlug voorbij zijn en ervaren dat dan als een pijnlijk gegeven, maar die pijn komen we telkens snel te boven vanuit de overpeinzing van de eeuwigheid waarin we ons bevinden en die eigenlijk ons dagelijks levensgevoel is. Joachim gooit een steentje in het water en zegt dan, Dat is zo en we handelen niet bewust alsof we eeuwig zijn, want we zijn onbewust eeuwig, doodgewoon omdat we een eeuwigheid voor ons hebben. Yep, knikt Antoine, En op de vaste en onwrikbare rots van deze eeuwigheid grondvesten en bouwen we ons leven op. De dood... en hij zwijgt even... Dat is maar een ongeval, een bijkomstigheid, niet fataal noch noodzakelijk, voor sommigen zelfs een misverstand. De dood heeft daarom het karakter van een straf, een moord zo je wil. Joachim moet van de weeromstuit glimlachen en voegt er ironisch aan toe, Jazeker, eigenlijk bestaat de dood niet en in zekere zin schijnt het sterven een komedie te zijn. Antoine gaat volledig in op deze woordencarrousel en voegt er met spottende toon aan toe, Ja, de stervende doet ook zo raar. Hij doet alsof hij sterft en insinueert dat hij na een tijdje zal weerkeren, maar we zullen telkens moeten vaststellen dat hij ons voor de aap hield. Omdat hij uiteindelijk toch weg blijft ontstaat er eerst een leegte die in het begin nog gevuld wordt door aan de dode te denken, maar wanneer we zijn nalatenschap erven, vergeten we hem uiteindelijk. Joachim voegt daaraan toe, Inderdaad en dan spreken we over de dode met anekdoten en we halen karaktertrekken van hem aan, maken een portret van hem waardoor we zijn afwezigheid nog meer accentueren. Antoine en Joachim kijken elkaar aan. Eigenlijk, begint Antoine opnieuw, Is het portret van zoÕn dode zijn dubbelganger en de dode is eveneens de dubbelganger van het portret. In dat portret is derhalve een dodenmasker en dˆt masker heeft het karakter van onze ziel. Knap gezien, kucht Joachim van de ochtenddauw die hem bevangt, Maar zeg eens Antoine, Hoe wil jij sterven. Open hartaderbreuk of langzaam verteerd door een of andere kanker. Antoine moet niet nadenken, Ik wil een hete dood sterven. Ofwel in de voorste linie van het peloton ofwel plots zoals een storm die opsteekt. En jij Joachim. Ik denk ook 'plots', zonder aankondiging. Maar het hoeft niet per se in de vuurlinie te zijn. Alleszins wens ik iets te doen met mijn assen. Misschien wil ik mijn assen wel delen en mengen met de assen van broeders die ik liefheb. Om het daarna te versmelten in een juweel of een beeld. Ik weet het nog niet. Maar ik ben er wel mee bezig. Antoine klopt hem opgewekt op zijn schouders, Maar dat is een prachtig idee Joachim waaraan ik graag wil meewerken. Ik wil je best wat assen afstaan als het zover is, maar laten we eerst nog een tijdje onsterfelijk zijn. Ja, glundert Joachim, Wist je dat Sartre ooit vertelde dat hij zich 35 jaar onsterfelijk voelde. Wel, wel, repliceert Antoine, Daar wil ik voor mezelf gerust nog vijf jaar bij doen. Kijk, houdt Joachim zijn arm tegen AntoineÕs borst, een visser. Is het een echte, wil Antoine al lachend weten, Of komt hij me vermoorden. Joachim kijkt Antoine streng aan, Geen grapjes Antoine, Ik wil je absoluut nog niet kwijt. Ga jij maar terug naar het hotel, dan breng ik dat loze vissertje even een bezoekje. Maar Antoine aarzelt. Kom, dringt Joachim aan, Ga nu. Maak een lekker ontbijt voor ons twee en voor je het weet zit ik bij je aan tafel en kunnen we verder praten. Een beetje nors stapt Antoine naar het Hotel Strauss. Zijn wrevelige rimpels verdwijnen als sneeuw voor de zon wanneer hij in de keuken het geluid opvangt van de jonge hanen Jeroen en FrŽderique. Ze schrikken zich een hoedje wanneer Antoine plots achter ze staat. Uitbundig vliegen ze hem rond de hals.

Over hun malse schouders heen ziet Antoine hoe zijn keuken een metamorfose heeft ondergaan. Er is meer licht in de keuken gekomen en moderne apparaten hebben zich meester gemaakt van het interieur. Stilaan lossen de jonge mannen hun chef en beginnen dan als een waterval te vertellen. Jeroen steekt als eerste van wal, We hebben het restaurantconcours Puur Maasland gewonnen met een nieuw gerecht. Het is een initiatief van resto Vivendum geweest met die Nederlandse topkok Alex Clevers, weet je wel. Twintig restaurants hebben deelgenomen waaronder niet de minste als Da Lidia in Maasmechelen en Van Eyck in Maaseik. De opdracht was een visgerecht te maken die je zintuigen op scherp zet en waarin de vier elementen krokant, zacht, zuur en zilt de hoofdrol spelen. En het Maaslands kruidenzout natuurlijk. Met verse vis uit de Maas, maar het kan om het even welke zijn, tonijn, dorade of filet van rode mul, heb ik het winnend gerecht gemaakt. Op een bedje van krokant gebakken patatjes in een sausje van boter gekruid met Maaslands kruidenzout met wat suiker heb ik de vis aan weerszijden aangebakken. Die komt dan op een dunne schijf geitenkaas te liggen met daarbovenop een sabayon van eierdooiers, suiker, honing en kruidnagels, je kent dat wel. En dan nog wat garneersel. Er komt natuurlijk nog wat keukenkunst bij te pas, maar grosso modo komt het hier op neer. FrŽderique was de sommelier van dienst en serveerde als fan van de pinot-noirdruif een uitstekend rood wijntje uit Genoels-Elderen. Antoine kijkt naar FrŽderique. Zo is het, beaamt FrŽderique, In geen enkele streek is zoÕn lekker gerecht te vinden. We hebben het gerecht Maaslandse Schatvis genoemd en het verkoopt als zoete broodjes. Ik ben trots op jullie, tikt Antoine beide jongelingen tegen de borst, Maar vertel eens, hoe zit het met jullie spirituele missie. Jij Jeroen, ben jij al wat wijzer geworden met de boeken die ik je gaf. En jij FrŽderique, heeft Margaretha jou het boek 'Het rijk van de schaarste' van Hans Achterhuis al gegeven. En bovenal, hebben jullie al genoten van het broedergevoel zoals van het Limburggevoel, want ik hoor van Margaretha dat heel wat broeders de jongste tijd over de vloer komen. Het is een drukke zomer geweest in het hotel, verontschuldigd Jeroen zich een beetje. Elke dag om vijf uur op en dan stevig doorwerken tot een uur of twee in de namiddag. Dan een beetje rusten om dan Õs avonds weer de klanten te plezieren met lekker eten en een babbeltje aan tafel want we staan erop alle gerechten zelf aan tafel te brengen. Dat vraagt om discipline maar ook om veel tijd. Tijd die intensief moet beheerd worden. Zeker als het de Maaslandse Schatvis betreft. FrŽderique valt Jeroen bij, Vergeet ook niet dat we al die tijd maar met zijn tweetjes waren. Britt is weliswaar twee dagen komen werken, maar daar hebben we eigenlijk meer tijd ingestoken dan in de aangebakken vis. Antoine barst in lachen uit, Hoezo want Britt kan toch bergen werk verzetten. Dat wel, lacht ook FrŽderique, Maar ze houdt niet op met praten. Voortdurend kwam ze aandragen met verhalen die het midden houden tussen De vloek van Wittgenstein en de hete Emanuelle. Jeroen proest het nu ook uit, En dan haar borsten. Ja, kijkt Antoine hem aan, Wat is er met haar borsten. Zo bloot, lacht Jeroen. En op een avond sprong haar Marlies Dekker los, getuigt Jeroen er nog vlug bij. FrŽderique heeft hier aan tafel het meesterwerk moeten herstellen want zo wou zij het, Hier en Nu. Antoine ziet hoe de gezichten van zowel FrŽderique als Jeroen rood-roos aanlopen zoals kreeft die bijna gaar wordt. Ja, Britt is een liefje met vele kwaliteiten, maar zeg eens FrŽderique, Heb je er ook aan gevoeld toen je kleermakertje speelde. Ik moest wel, lacht FrŽderique voortdurend, Ze stak ze haast in mijn mond. Jeroen komt niet meer bij van het lachen, En ik moest haar hand vasthouden want ze vond geen steun beweerde ze. Antoine schudt het hoofd zoals een vader die zijn zonen betrapt op een jeugdzonde, Tja, Britt en jonge mannen, dat zorgt bij haar voor een prikkel waarbij het samenhorigheidsgevoel van Limburgers maar klein bier is. Maar Antoine, zeggen Jeroen en FrŽderique bijna tegelijk, Hoe is het geweest in Parijs. Ach, wimpelt Antoine de vraag een beetje af, Dat vertel ik straks aan tafel bij een Maaslandse Schatvis en een lekkere pinot noir. Afgesproken, zeggen beide heren in koor en ze groeten Joachim die de keuken binnen komt. En, steekt Antoine zijn kin omhoog. Het was Ernesto, glimlacht Joachim, Hij zegt diepe rust te zoeken aan de Maas nadat hij gisteravond blijkbaar een opdracht in Duitsland vervulde. En dan moet je gaan vissen, trekt Antoine zijn mondhoeken geinig omhoog. Maar zeg eens vriendlief, verheft Joachim zijn stem ineens, Is het ontbijt al klaar. Antoine kijkt al peinzend naar zijn bewaker, Met een mousserende wijn van eigen bodem of vers fruitsap, wil hij weten. Champinnot en een zacht gekookt eitje, fluistert Joachim stilletjes naar zijn Meester.


434. De Tien Geboden (dinsdag 1 september 2009)

Hotel Strauss: Hoofdstuk 34

In het kleinste zaaltje van het culturele centrum van Cery-la-Salle zit theoloog Hans Schilders te wachten zoals alleen een geestelijke dat kan. Zijn rechterbeen heeft hij over zijn linkerbeen gelegd en zijn handen liggen in elkaar op zijn schoot, de vingers in elkaar gestrengeld. Hij lacht wanneer Antoine hem tegemoet stapt uit de enige deur van het zaaltje. Er is geen venster en het plafond is hoog. Er hangt een luchter uit de jaren zestig en de muren zijn zo naakt als een kip zonder pluimen. Schilders maakt geen aanstalten om recht te staan wanneer Antoine nadert. Zijn grijze haren steken fel af tegen zijn zwaar donkere wenkbrauwen. Hij heeft een mooi bruin gezicht en is glad geschoren. De theoloog is volledig in het zwart gekleed en zijn helder blauwe ogen zijn de enige kleur in de kamer waarvan de vloer met een beige vinylvloer is bekleed. Een tafel en twee stoelen zijn de enige attributen. Antoine neemt de tweede stoel en zet zich, schuift de stoel zacht tot op armafstand van Schilders. Ze kijken mekaar een tijdje glimlachend aan zonder een woord te zeggen. Dan doorbreekt Schilders de stilte, Jij bent dus Antoine Manguel de Keyser, Meester van de Orde en voor eeuwig vrijmetselaar, vriend en opvolger van Alberto Crisafulli, uitbater van Hotel Strauss aan de Maas, Meester in dertien bewegings- en gevechtsporten en de anonieme moordenaar van La Grand Palais. Hij zwijgt even, net zoals Antoine die blijft glimlachen en de theoloog diep in zijn ogen kijkt. Schilders gaat in ŽŽn ruk verder, Ik ben een strenge aanhanger van Thomas van Aquino en ik hang uitsluitend zijn Tien Geboden aan of beter gezegd zijn Preken over de Tien Geboden. Mijn leven en mijn werk gaan dus op de eerste plaats over de liefde. Ik geloof dat een mens voor zijn heil drie dingen nodig heeft, namelijk kennis van wat je hebt te geloven, kennis van wat je dient te verlangen en kennis van wat je behoort te doen. Het eerste wordt onderwezen in de geloofsbelijdenis en relateert naar de geloofsartikelen, het tweede in het gebed van de Heer, het Onze Vader en het derde in de wet. Of nog anders gezegd. De eerste wet is de natuurlijke wet die God bij de schepping van de mens heeft ingegeven. De tweede is een wet van de begeerte en de derde wet is de wet van de Schrift en je zult voelen dat er ook een vierde wet bestaat of de wet van de liefde en dat is de wet van Christus. Antoine verroert geen vin en blijft de spreker sto•cijns aankijken. Als de geestelijke met een boodschap even ophoudt te spreken, trillen de laatste woorden nog na in de kamer die wel een kleine sfeer lijkt te zijn die ergens rond zweeft in de onmetelijke kosmos en waarin twee astronauten voor een onduidelijke missie zijn samen gebracht. Schilders laat het geluid zijn werk doen en houdt Antoine als een biechtvader nauwgezet in het oog, Het is duidelijk, vertelt hij verder, Dat niet iedereen zich op het weten van dit alles kan toeleggen. Dat wist Jezus Christus ook wel en daarom heeft Hij een korte wet gegeven die door alle mensen kan gekend worden. De wet waarover het hier gaat is de goddelijke liefde die de maatstaf moet zijn van alle menselijke handelingen. Want zoals we bij het metselen van een huis zien dat het werk goed en behoorlijk is wanneer het beantwoordt aan de regels van het metselaarsvak, zo is ook het handelen van mensen in orde en kan het deugdelijk worden genoemd wanneer het volgens de regel van de goddelijke liefde geschiedt. Wanneer het echter afwijkt van de maatstaf van de liefde dan is het niet naar behoren of zoals we plegen te zeggen 'volmaakt'. Willen de daden van een mens dus goed zijn, dan zullen we moeten beantwoorden aan de maatstaf van de goddelijke liefde. Opnieuw voert Schilders een korte stilte in. Wanneer Antoine eveneens zijn rechterbeen op zijn linker gooit en aanstalten maakt om iets te gaan zeggen, steekt Schilders weer van wal, Jij hebt toch ook een God die jullie aanhangen of jullie noemen het geen God maar de Opperbouwmeester. Dat is jullie groot symbool van de vrijmetselarij, maar de interpretatie van het symbool Opperbouwmeester van het Heelal heeft geleid tot diverse maonnieke strekkingen die op een vaak agressieve manier tegenover elkaar staan. Ik meen te mogen stellen dat jij, Antoine Manguel de Keyser, een stapje verder bent gegaan door je af te scheuren van de huidige vrijmetselarij zoals op het continent specifiek en over de hele wereld in het algemeen wordt beleden. In je manifest spreek je overigens van de Goddelijke Ambachtsman in de scheppingsmythe van Plato en ook de oude humanisten van de 16de en 17de eeuw betrek je in je beeldspraak van de Godarchitectuur en je hebt het in die context ook over Pico della Mirandola, Comenius en Marlowe. Allemaal hŽŽl interessant en lovenswaardig, net zoals vragen over wetenschap en religie. Over quarks, chaos en christendom... maar waarom jij je zo per se afzet tegen Opus Dei begrijp ik niet volkomen en nog minder waarom je het in een mum van tijd aan de stok hebt gekregen met de Haick. Vergeef me, verre vriend, dat ik gebruik maak van een van jullie rituele uitdrukkingen 'Op u komt het aan', maar bij jullie soort zorgt de vrije keuze om de Opperbouwmeester te interpreteren zoals het eenieder uitkomt voor een soort chaos in de geest die onvergelijkbaar is met de goddelijke liefde waarmee onder meer mensen die geloven in Jezus Christus behept zijn. Ik kan je verzekeren dat wie God bemint, Hem ook in zich heeft. Zoals de zalige Johannes immers zegt, Wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. Zeg mij verre vriend Antoine, Is er een reden om je Opperbouwmeester niet gewoonweg God te noemen en je te wijden aan de goddelijke uitwerking van de liefde, het nut van de liefde en te gaan onderzoeken op welke wijze een mens de liefde bezit, de liefde tot God en wat een mens dus aan God moet geven in de liefde tot de naaste en dus de Tien Geboden indachtig die je beslist zo goed kent als ik, misschien nog beter want ik weet dat je graag het Heilige Boek leest, bijbels verzamelt en er graag in wandelt zoals Mozes met zijn volk. Waarom Antoine, zeg mij waarom je wil vechten als je niet in de meerderheid bent en ik bedoel dit niet letterlijk, maar geestelijk en vooral met het oog op algehele liefde tussen alle mensen hier op aarde, tussen alle broeders en zusters zoals jullie dat zo graag zeggen, om uiteindelijk de wereld te bevrijden van zijn demonen door een weg naar het geluk te bewandelen, de weg naar God. Dat wil ik je in vertrouwen vragen Antoine en dan kan ik met een gerust hart hier vertrekken en dan kan ik iedereen die het horen moet, vertellen dat jouw checklist die mensen helpt op weg naar het geluk, van dezelfde orde is als de onze voor mensen op weg naar geluk. Ik denk dat ook de Haick tevreden kan zijn als jouw stelling een nieuwe wending krijgt. Plots verheft Schilders zijn stem, Geef toe mijn verre Antoine, jullie vrijmetselarij heeft diep gefaald en jullie beweging die gericht is op 'union' is zelf volledig verdeeld alsook hebben jullie eveneens de echt fundamentele tegenstellingen van onze tijd zoals ras, klasse en geslacht niet kunnen overbruggen. Daarna mildert hij zijn stem, Is jouw nieuwe Orde dan zo anders verre vriend? Is je manifest zo vernieuwend dat het sine ira et studio de doelstellingen kan nastreven die de vrijmetselarij tot een hoogst waardevol erfgoed op aarde maakt? Opnieuw glimlacht Schilders terwijl hij van zithouding verandert en zijn twee handen, ieder aan zijn eigen kant, op zijn bovenbenen legt. Hij kijkt Antoine strak aan.

Je weet waarom Julius Caesar Vanini op de Place de Salin in Toulouse in 1619 zijn tong is uitgerukt, gewurgd en daarna zijn lichaam aan de brandstapel is vrijgegeven, kijkt Antoine zijn enige toehoorder streng in de ogen, Omdat hij gezegd heeft dat de universaliteit in tijd en ruimte van de goddelijke voorzienigheid zich voordoet via de zich voortdurende transformerende natuur. Of hoe een graanzaadje tot strohalmpje evolueert. Volgens Vanini is op elk ogenblik en overal de Natuur een manifestatie van God, en op veel duidelijker wijze dan in de zogenaamde mirakels, die voor betwisting vatbaar zijn. Het minst betwistbare mirakel is precies de Natuur zelf, immer durend en steeds nieuw, koningin en godin der stervelingen, met haar eeuwige wetten... Deze filosofische toespraak kostte priester Vanini het leven want voor de regerende kerk was het een bewijs van athe•sme. Het is een voorbeeld hoe de kerk omgaat met zijn liefdevolle mensen. Eerder werden de Katharen al de ketters van de middeleeuwse kerk genoemd. Het katharisme was eigenlijk de eerste grote ketterse beweging uit de Middeleeuwen die een soort geheime kerk naast de offici‘le kerk vormde, maar de Katharen waren geen militante ketters en zij zochten niet de confrontatie. Door hun levenswandel lieten zij slechts zien wat deze naar hun opvatting had moeten zijn. Daarom werden ze zo gevaarlijk voor de kerk en werden zij in een kruistocht te vuur en te zwaard uitgeroeid! Herinner je de laatste bloei van de Katharen rond het Zuid-Franse bergdorpje Montaillou en de laatste Kathaarse perfect die in 1321 in het dorpje Villerouge Termens vlabij Carcassonne verbrand is. Het toont aan wat een mens volgens de kerk aan God moet geven of was het de liefde tot de naaste die zorgde voor dit bloedbad. Maar ook grote katholieke hervormers zoals de Tsjech Jan Hus moest zijn 'waarheid' over geloof met de dood bekopen en ik vergeet miljoenen mensen die op soortgelijke wijze om het leven kwamen. Het vijfde gebod zegt 'Gij zult niet doden', maar de geschiedenis toont aan dat dit gebod zowel in de oude als in de nieuwe tijd een lachertje is. Om het maar bij ŽŽn van de tien geboden te houden. Dan heb ik het niet over de dogmaÕs waarmee jullie iedere wetenschap de nek omdraaien. Heb je Brian GreeneÕs De Ontrafeling van de kosmos gelezen? Over de zoektocht naar de theorie van alles? Misschien is de kosmos God en is God de Opperbouwmeester van het Heelal of vice versa, om alles tegelijk. Ja, wij geloven ook, wij vrijmetselaars, maar we wensen de vrijheid te hebben te geloven in wat we willen, op basis van feiten en wetenschap, voor zover ons verstand reikt. Bij iedere nieuwe ontdekking moeten we onze hypothese bijstellen en zo komen wij dichter bij onze Opperbouwmeester. In alle redelijkheid en met de uitwerking van de liefde tot alle mensen van goede wil. Inderdaad, de vrijmetselarij is verdeeld en kent vele geledingen maar het uitgangspunt is steeds hetzelfde gebleven, net zoals het geloof in Jezus Christus verdeeld is en iedere stroming andere wetten hanteert, maar allen streven toch de liefde tot de naaste na. Te vuur en te wapen als het moet en daarin verschillen wij toch grondig van elkaar. Kruistochten zijn ons vreemd, net zoals het ter dood veroordelen van mensen die de vrije gedachte hanteren als de uitwerking van hun liefde tot het leven. Wij leggen ook niemand woorden in de mond of zadelen kortweg niemand op met dogmaÕs. Wij hebben geen aanhangers die onder het mom van onze Opperbouwmeester een Wereldoorlog I en II beginnen en wij hebben geen boekje waarin we het kettersleven van mensen of hele volkeren in kaart kunnen brengen. Mensen die verguisd, vervolgd of verbrand zijn, van Gottschalk de Saks, over de Waldenzen, Konrad Waldhauser, de protestantse ketter Hans Denck tot Gottfried Arnold. Je kent ze allemaal als voorname theoloog. Je kent de tien geboden op je duimpje in de variant van Thomas van Aquino en misschien weet je meer over de Cassandra voorspellingen, maar durf je je handen in het vuur steken dat wanneer het einde der tijden nadert, alleen de goede mensen van de kerk de toorn van God zullen overleven. Net zoals de vrijmetselaars heeft De Orde respect voor alle mensen in wie of wat ze ook geloven. Misschien verschilt De Orde maar in ŽŽn ding van de grote wetten van de vrijmetselaarsbeweging en dat is dat ze onomkeerbaar in actie komt wanneer ze met de dood bedreigd wordt, als de rede en het hart geen uitkomst meer kunnen bieden om te overleven, dan zal De Orde niet werkloos toezien, maar eveneens het vuur en het zwaard hanteren om te overleven. Nooit om gedachten nolens volens te verspreiden of om het zogeheten rijk uit te breiden, andere mensen met andere gedachten het zwijgen op te leggen. In die redelijkheid willen wij leven en onze roeping kracht bijzetten. In die zin heb ik je willen zien en in die context heb ik met je willen praten. Met alle liefde tot een naaste. Laat echter een zaak duidelijk zijn. Vrijmetselarij is geen godsdienst. Binnen haar ruime kring profileren de vrijmetselaars zich als groepen die de innerlijke vervolmaking van hun leden niet tegen de gevestigde religies, maar in ieder geval zonder hulp ervan of verwijzing ernaar nastreven. Ik zou kort kunnen verwijzen naar de verwantschap tussen de grondwaarde van ŽŽn godsdienst, het christendom, de agape, en de grondwaarde van de vrijmetselarij, de broederschap, maar ook hier dringt een relativering van het standpunt zich op. Je zou het de fenomenologie van de religie en de vrijmetselarij kunnen noemen. Ik wil je hierbij graag verwijzen naar de godsdienstfenomenoloog Friedrich Heiler met zijn opmerkelijke analyses. Dan zwijgt Antoine.

Beide mannen van middelbare leeftijd kijken mekaar een tijdje aan. Ze glimlachen niet meer, maar peilen naar de jacht in ieders geest naar de waarheid. Ieder zijn waarheid. De geconditioneerde waarheid. De dogmatische waarheid. De wetenschappelijke waarheid. Misschien de waarheid van de liebe Magister der Bohemers, Jan Hus (1371 Ð 1415), die verkondigde, Daarom, mijn beste christen, zoek de waarheid, hoor de waarheid, leer de waarheid, heb de waarheid lief, spreek de waarheid, neem de waarheid in acht, verdedig de waarheid tot in de dood. Want de waarheid bevrijdt u van de zonde, de duivel, de dood der ziel en tenslotte van de eeuwige dood... Een verkondiging die Hus regelrecht naar de brandstapel bracht.
Antoine verbreekt de stilte, Ik wil geen moorden meer. Iedereen moet kunnen geloven met zijn vrije gedachte in wat hij wil. Onze atmosfeer is groot genoeg om al die gedachten naar de kosmos te leiden. Daar kan geen enkele god iets op tegen hebben. De liefde tot de naaste is toch ook die naaste respecteren. Schilders staat plots recht en zegt met luide stem en gedecideerd, Gij zult geen andere goden hebben, eerste gebod. Antoine verheft op zijn beurt zijn stem, En gij zult niet doden, vijfde gebod. Schilders stapt naar de deur, kijkt nog eenmaal om naar Antoine die nu ook aarzelend recht staat. Dan begeeft de theoloog zich met snelle tred naar buiten.


433. Intermezzo (dinsdag 25 augustus 2009)

Hotel Strauss: Hoofdstuk 33

Aan de Seine schrijft Antoine zijn persoonlijke Goddelijke Komedie. Zeer weldoordacht en eigenlijk als een soort intermezzo in zijn leven. Hij is gepakt en gezakt om onvoorwaardelijk en onomkeerbaar weer te keren naar Hotel Strauss in het Maasland. Maar eerst heeft hij zijn afspraak in Cerisy-la-Salle met theoloog Schilders. Niet geheel risicoloos ook al wordt hij begeleid door Joris en Buck en eens ter plaatse komen daar ook nog eens minstens 25 broeders of misschien een veelvoud - een meester is nooit alleen - in de buurt van de plaats der afspraak, om anoniem te waken én veel meer. Antoine herleest zijn eigenzinnige parodie op die van meester Dante Alighieri.

CANTO I
Ongeveer op 't midden van mijn levenspad gekomen,
Kwam ik bij zinnen aan de bruisende brekende zee,
Want aan vele kruispunten heb ik rechtdoor genomen.

Rondom mij waaide en zong de klappende frisse wind.
Ik kan niet zeggen hoe goed mijn longen zich voelden,
Toen ik mij herinnerde van het leven sinds mijn tijd als kind.

Als uit het torentje geklapt, ging ik terug in de tijd.
Ik zag een barricade van heel wat vingerafdrukken,
Maar ik zeilde mee met de karavaan en had geen spijt.

Ik weet niet goed hoe ik opnieuw alles herbeleefde.
De Tranen van een Krokodil zijn een heel dik boek:
Alsof ik stukjes van mijn hersenen nam en zeefde.

Maar bij een eerste kruispunt ergens in zestig aangekomen,
Het vrij zwevende woord was nog een brandende kwestie,
Zag ik me vervuld van verlegenheid maar liefde schromen.

Ik zag mijn vader nog zo sterk als een grizzly-teddybeer,
Hij kon alles en ik lachte met de Tien van Hercules,
Die me meenam op zijn ronde in het mensenverkeer,

Maar al vlug bleek dat de wereld niet is gebouwd voor mensen:
De angsten slopen 's nachts behendig binnen als een dief.
Ondanks de dagelijkse inspanningen en de vele wensen,

Zoals die ene filosoof die ook nog zijn andere wang aanbood,
Een lichamelijke oefening die het einde onder ogen ziet,
En niet geheel onverwacht te maken kreeg met de helse dood.

Zo bleef mijn geest nog even dwalen in mijn zoete kinderjaren;
Altijd kwamen er wel enkele heren om dingen te meten,
Maar stilaan begon ik te koken, te spinnen en te garen.

Na het legendarische negenenzestig ben ik op pad gegaan,
Kriskras langs de knoflookbakker, water en vuur
En met vallen in kuilen en met bulten kon ik plots staan.

Ik kwam elke dag wel interessante individuen tegen;
At ergens in Amsterdam bamikippensoep met kerrie;
Als ik plots Galadriël ontmoette op mijn smalste wegen.

Zij had mij listig en geduldig opgewacht
Waarbij ze me elke terugweg belette
En meer en meer was ik het die aan haar dacht.

De dag brak door, de nacht viel en de sterren fonkelden
En ik werd één met haar, opnieuw en opnieuw.
Het was alsof meerdere goden met me kronkelden.

Ik geloofde in de wereld, zijn sterrenbeelden en zijn kracht.
Ik kon rennen, dolfijnen en vliegen,
De tover van de liefde had me voor het eerst en diep versmacht.

Op hoop gedreven en zoals wolken in de richting van de wind
Kreeg ik een handdruk van Kafka en een klop van Nietzsche.
Ik was oeverloos gelukkig en blij, maar ook vreugdevol blind

Zoals de honger naar een uitgemergelde keek,
Verteerd en van woede ontstoken,
Zo gluurde De Wrede door de brievenbus naar mijn leek.

Een tweede, een derde, een vierde en oneindig
Doken als katachtigen broederlijk naast elkaar
En gedroegen zich als een leeuw zo strijdvaardig.

En dan het gras, altijd groener bij die ander;
Erosie joeg als een orkaan door ons huis.
Ik bleef alleen achter, bescheiden en schrander.

Met haastige spoed begon ik heftig te bewegen:
Sparrenweg, Dennenweg, Beukenweg, Bosweg.
Reed meer over zanderige zij- dan hoofdwegen.

Ik werd een dier en leefde voet voor voet,
At en dronk waar ik het vond,
Bande alle stabiliteit en rust uit mijn gemoed;

En toen ik neerviel, bezweek aan de boze kwaal,
Mijn geest gekraakt, ik dacht het niet,
Kwam een nieuwe vrouw met een nieuw verhaal.

Ik kon niet meer dan een kaal landschap laten zien
Met in mijn zak een heleboel zaad;
En compleet in de war weet ik niet wat me beviel.

Ik was een mens, een goed mens van mijn ouders,
Zij kwamen uit het bronsgroen eikenhout;
Toen, daarna en nog steeds kon ik steunen op hun schouders.

Een steen, nog één, een muur, een huis met een dak,
Zolders vol met kostbare dromen,
Ik kwam in de Republiek der Letteren met een smak.

Daar schreef ik een epos, een essay en mijn heldendicht,
Naast mij stond een hebzuchtige nicht;
Ik werd een bescheiden schrijver zonder gezicht.

Ik pleegde dag na dag liefdevol verraad,
Vrijheid is geen rozentuin,
En stond met woorden en een tijdschrift paraat.

Geflamd en gemazeld, ontmoette ik de parasieten van de democratie:
Live, op televisie of op papier;
Het was alleszins zoals moslims redden van de 'islamie'.

Verzorgend van nature vertaalde ik het dagelijks leven:
Dat was nieuws, sport en veel gezever,
Met vijf regels tekst kan je iemand doen beven.

Elk bericht was belangrijk maar riep ook deernis op:
Madonna, Horni Cerekev of Istanbul,
Het was een bericht van den kalen kop.

Willem Elsschot bracht op een dag een wijs besluit,
Het verleden bezweren met literatuur en poëzie,
Antoine zou zorgen voor nagel en kruid.

Het kruispunt waarvoor ik plots stond was een mastodont,
Tegen de stroom in,
Met tranen in de ogen koos ik voor de lont.

Ik hoorde mannen en vrouwen heel hard schreeuwen:
Katholieken en conservatieven onder een dak;
Ik moest slikken, maar Antoine begon er van te geeuwen.

Hebben beroemde schrijvers een goudader in huis,
Hebzuchtigen worden barbaren in nood
Want schaamteloos zonden ze een koude erfenis uit op de buis.

Zij, een lief schattig ding, droeg een haartje in haar decolleté.
Schrijven is springen van steen op steen,
Kwam de transformatie of deed ik alsnog dapper mee.

Wie had het elastische gelijk in pacht,
De broedermoord in de nacht;
Er is niemand die echt op je wacht.

Dan is, Parijs, Wenen en de ongelooflijk nabije kust,
Bijna dood in Praag,
De lat op ongekende hoogten bracht rust.

Boem! De schaduw viel van een belezen dijbeen,
Oernijd, afgunst en diepe jaloezie,
Het licht verscheurend en al lachend, obsceen.

Op vleugels van de media vloog ik richting Oost.
Terreur van de vrijheid, extreme allure,
Ik moest natuurlijk hard zorgen voor mijn kroost.

Ik zette me over de grens van de tijd.
Kreten van smart en vreze doen pijn,
Droefheid stroomde vol van zinrijkheid.

Waarna je zal zien wie er blij mee zijn;
Te branden, in de hoop er ooit te komen.
Bij hen die reeds gelouterd zijn er rein,

Gestalttherapie met een sausje zen
Is hier op zijn plaats,
Neem dus van tijd tot tijd papier en pen.

Licht en duister zijn maar een kwestie van seconden
Zoals ook zwart en wit, leven en dood:
Hij wordt nooit meer dan een der archonten.

Heerst alom, om slechts dáár te regeren;
Daar in Zijn gekke Huis, Zijn troon, daar nestelt Hij.
Oh zielig, wie De Wrede kiest er te verkeren.

Oh Antoine, dacht ik plots, ik smeek u bij
De God die u niet kende mij te leiden;
Houdt dit kwaad en erger ver van mij,

En leid mij naar het Eiland van de Maalstroom,
Naar de poort van Cocagne
In de wereld van Zarathustra of zijn kloon.

En ik vervolgde mijn weg, op de catamaran naar Ithaka.

... Antoine staat recht, kijkt de Seine in zijn appelblauwzeegroene ogen en wandelt dan naar zijn zwarte Porsche. Joris en Buck wachten geduldig en wanneer ze Antoine's motor horen brullen, weten ze dat het een snelle rit zal worden.


432. Sigarenrook (dinsdag 18 augustus 2009)

Buona sera senorita, hoort Antoine in zijn oortjes suizen. Het is negen uur ’s avonds. Om mysterieuze en andere menselijke redenen heeft Antoine de dag doorgeslapen. Geen gat in de dag zoals ze dat plegen te zeggen. Maar het gat ver voorbij. Lap! Tot negen uur des avonds. De zon twijfelt alweer om zelf te gaan slapen of tenminste te zakken tot diep in zee, onder de zeespiegel en zo de andere halve wereld te gaan verblijden met haar levensstralen. We pikken even in tijdens het laatste halfuur van Antoine’s jongste slaapavontuur. Het laatste halfuur van de slaap waarin meestal gedroomd wordt. Antoine bevindt zich dan in de donkerblauwe Middellandse Zee met op grote diepten oesterparels zo groot als de ogen van een paard en waarin je de hele wereld ziet bewegen zoals ook een goede fee haar wensen kan vertolken in haar grote glazen geslepen bol. Een nevel van engelen daalt neer over Antoine en dekt hem lekker warm dicht zodat zijn dromen nog dieper en weidser kunnen doordringen en uitdijen zoals ook het universum dat doet. Een en ander staat glashelder uitgelegd en meer zelfs, tot de ontrafeling van de ruimte toe, in Brian Greene’s De ontrafeling van de kosmos, maar kortweg vliegen de dromen van Antoine nu met een eenparige rechtlijnige snelheid – en dat is fysica die ontdekt is door Newton, de grondlegger van de moderne wetenschappen die de renaissance inleidde en het open gat van de katholieke kerk ver achter zich liet. Of de dogmatische inspiraties dat de aarde het middelpunt van het universum is, waar God en bastaardzonen het voor het zeggen hebben en enkele snoodaards zoals paus en de zijnen zogezegd opdracht hebben gekregen om de aarde te kerstenen op basis van legendes, afgeschreven geschriften uit de Himalaya om uit te strooien over de aanvankelijk weinig ontwikkelde mensen die nog niet eens zo lang geleden in bossen sliepen als de dieren, later in een lemen kot en ’s winters al eens omkwamen van honger en ontbering. Antoine telt op zijn ongelooflijke lange vingers die op bonenstaken lijken en vanuit zijn slaapkamer tot aan de hemel reiken, dat het nog maar twee eeuwen is geleden dat onze geciviliseerde West-Europese wereld leefde zoals in Bokrijk vandaag, begin 21ste eeuw, wordt voorgesteld. Een ruimte en tijd waarin iedereen dacht en met de katholieke kerk meeleefde terwijl her en der geleerden zaten te piekeren hoe de vooruitgang een duw in de rug kon krijgen, zonder dat ze daarvoor zelf het leven zouden laten. Via zijn pink klimt Antoine naar boven, ver boven huizen, kerken en kathedralen, nog hoger dan het wolkendek en hoger dan de beste vliegtuigen kunnen vliegen... om even naar de aarde te kijken zoals een god. Eens boven trekt hij zijn te lange vingers mee en verlaat hij de aardse beslommeringen en kijkt zelf zoals Zarathustra of Hiram dat moeten gedaan hebben. Mensen bewegen zoals mieren op zoek naar suiker tussen huizen, gebouwen, kathedralen en de Eiffeltoren. Kijk hoe ze in steden krioelen zoals slangen in een putkuip en hoe ze allesverslindend een weg banen naar niets. Zijn het de vleesgeworden nihilisten van de 21ste eeuw die onder het mom van het ecologische geweten de aarde nog eerder doen verschrompelen tot een klomp steen dan de post 68’ers die onder het mom van absolute alternatievelingen de wereld in enkele decennia verkloot hebben, onomkeerbaar en de mens zodanig veroordeeld heeft dat hij alleen nog maar met minder verder zal moeten ploeteren en al zijn verstand zal moeten bijeenschrapen om te overleven en dat overleven zal moeten koppelen aan levenskwaliteiten die ver beneden het peil van pakweg begin 19de eeuw liggen. Tel maar op, minder goed water, gepollueerde lucht, catastrofaal minder grondstoffen, veiligheid wordt herleid tot leven in calamiteiten, voedsel wordt fabriekskoekjes met de basiselementen in om te kunnen functioneren of een dosis vitaminen en wat aminozuren, sociaal contact wordt herleid tot games waarbij iedereen zijn sociale doelgroep kan samenstellen en opslaan in een megageheugen van de computer. Of kan deleten. Met de komst van intercontinentale mainframes zullen mensen kunnen deelnemen aan de noodzakelijke administratie om enigszins te kunnen volgen in een wisselvallige en ontheemde maatschappij die zo vreemd zal zijn als de nieuwe diersoorten die zopas in de Himalaya zijn ontdekt, vliegende kikkers, een nieuwe apensoort, de Arunachalmakaak, een ichthyophis garoensis en een bottenloze amfibie dat er eerder als een gigantische aardworm uitziet. Iedere dag zal een dag met een El Niño zijn, allesvernietigend en altijd aangekondigd in elk journaal, maar catastrofaal bij iedere aantocht. Vanop grote hoogte, minstens 30 km boven de aardkorst heeft Antoine er een goed beeld over. In het hartje van zijn droomverwachting zoemt hij in op het beestige leven dat alle mensen leven met een spanningsveld dat gaat van decadentie tot pure ellende. Het grootste spanningsveld bevindt zich tussen de hemelachtige continenten Noord-Amerika, West-Europa en de hel of Afrika. Schuimbekkend liggen daar de zeven zeeën tussen die bootjes dragen met mensen in nood, maar evengoed fantasieboten of cruiseschepen met de decadenten van deze wereld. Ook op de zeven wereldzeeën dus spanning die geen walvis kan dragen. Dan tuurt Antoine boven zich. Waar zit je kerel, reikt hij zijn handen naar de maan. Betast het stenen bolletje in de ruimte en gooit het dan terug in niets. Op een eigenzinnige manier springt de maan weer op zijn precieze afstand maan-aarde als hing ze vast met een onzichtbare elastiek. Mars, Jupiter, zonnestelsels, miljarden melkwegstelsels, spiraalnevels en de Andromedanevel, Magalhãese Wolken en nog verder en verder... Antoine ziet niets, niemand, zelfs 12 miljard lichtjaren ver ziet hij geen kat, geen leven, geen sikkepit iets, alleen maar een hoop stenen, gruis en vuurhete stenen die de zogeheten zonnen of sterren zijn. Hij voelt zich eenzamer dan ooit en wanneer hij onze zon wil strelen van verdriet en ellende, verbrandt hij zijn vingers zodanig dat hij wakker schrikt en bijna uit bed tuimelt. Verdwaasd kijkt hij naar zijn wekker. Wow, hij ligt al een godganse dag in bed te smeulen als een neergeslagen meteoor op aarde. Yeh, die gekke droom heeft hem schijnbaar lange tijd in de ban gehouden. Antoine struikelt uit zijn bed en sukkelt naar de keuken waar hij in een teug een halve liter koude choco leeg drinkt. Hij kijkt naar zijn kale wreker en knikt dat het tijd is om hem weer uit te laten. Hij puft terug naar bed en zet zich zoals Rodins denker op de rand van het ledikant. Het regent sterren in zijn hoofd. Alsof zijn eigen hoofd en niet de aarde in de stofnevel van de Perseïden vliegt.

Zo kan hij niet ontwaken. Alles staat op zijn kop. Wakker worden in de avond. Hij zet zich in een zetel aan de grote venster en tuurt de hemel af waar hij zonet nog met zijn onsterfelijke ziel vertoefde. Is het waar gebeurd? Is het waar gebeurd, Antoine? Was je daar? Je ziel, je onsterfelijke ziel. Het leven telt zoveel mysteries en geen enkel is al wezenlijk opgelost. Ja, griepjes en een appendix scheiden van de dikke darm en ook een hartoperatie. Chemotherapie en je schedelpan erafhalen zonder kans op volledig herstel. Daar zijn de burgerlijke ingenieurs van hoofd en ledematen vandaag al wel in geslaagd, maar als het even verder gaat dan dat... Een mens helemaal uit mekaar halen en weer in mekaar steken. Zoals de mannen van Ford in Genk of Opel in Antwerpen dat vakkundig kunnen met auto's... Ach, het rasechte bestaan van de mens blijft een raadsel en hoe kort ze ook bij de totale ontrafeling van de mens denken te staan, ze zullen het nooit weten. Waarom de maag na de slokdarm kwam te liggen. De alvleesklier zo flamboyant in het lijf hangt te zweven. Waarom het hart zich als een spier zo gedraagt en niet zoals die van de aars. De ogen kunnen zien en de hamer in het oor geen stukken maakt bij het onophoudelijk kloppen bij elk geluidje. Een penis van voor staat en niet opzij... Over de zoektocht naar de theorie van alles, blijft alles bij hypotheses. Bovendien betreft het hypotheses die niemand ooit kan of zal kunnen bewijzen. Daarvoor zou je werkelijk een god moeten zijn. De CERN-ring op de grens van Frankrijk en Zwitserland ten spijt. Waarom de kolossale aarde rond zichzelf draait en daarbovenop nog een ovaal toertje rond de zon maakt. Volgens alle wetten van de aantrekkingskracht zou de aarde netjes in een cirkel rond de zon moeten draaien en niet zoals nu een grote ovaal. De invloed van Mars en andere grote planeten in de derde of vierde ring rond moeder zon... geen vorser weet waarom en hoe. Alles vliegt volgens een bepaald concept rond de zon en de zon met al zijn planeten op haar beurt in het universum. Het universum breidt uit, maar tot waar. Waar zit het universum in? In een blik Materne? Zoveel sterren zoveel planeten. Zoveel leven op aarde, zoveel leven op andere planeten. Contact is onmogelijk. Voor mensen altijd, ook al kunnen we ons verstand upgraden zodat het verfijnde koolstofmachines kan ontwikkelen die met de snelheid van het licht kunnen reizen. Diegenen die daarin stappen om te gaan reizen, komen nooit meer terug. Ook onze Frank De Winne kan deze race niet 'winne'. En als ze ergens iets vinden, achter hoek of kant, zwart gat of proper, we zullen het nooit weten. Neen, schudt Antoine zijn hoofd. De mens is gedoemd om eenzaam te blijven en niet alleen komen te sterven op deze planeet, maar er ook uit te sterven. Alles ten spijt. Gerrit Komrij, Couperus, Ida Gerhardt, de nieuwe prozaïsten, Walter Benjamin, zijn jeugd, zijn leven en zijn overlijden. Alles lijkt zo zinloos te worden als een steentje dat we soms in een stroompje gooien. In een modderpoel. Het is iedere dag weer oppeppen geblazen om aan de zwaarte van het leven weerstand te bieden. Om tegen jezelf te zeggen, We doen er nog een dagje bij. Het denken breekt en bouwt permanent. Iedereen denkt over zijn geselecteerde wereld van alledag. Ieder mens lijkt wel een eclectisch bestaan te leiden, al bevat ieder individu weliswaar springstof om een nieuwe mens te maken, zijn eigen kinderen wel te verstaan, maar het leven is instant-wetenschap, een boer die graan zaait, een koekoek die haar eieren ergens anders dropt. Jaaa, lacht Antoine in zichzelf, Boeken zijn een bezit voor het leven, maar ook daar komt een einde aan. Iemand zal ooit het laatste boek schrijven in de wetenschap dat niemand het nog zal lezen, kan lezen omdat er een tijdstip komt waar het einde in vervat zit, terminus post quem. Oók voor de aarde, de zon en de hele zwik die daarmee te maken heeft. Alles vliegt naar zijn einde. Zoals de mens op weg naar Ithaka, zo beweegt de aarde ook zijn weg naar zijn hoogst eigen einde, maar we noemen dat ondenkbare einde misschien beter het Nirwana. Het zij zo. Festina lente!

Antoine schenkt zich nu een diepvriesgekoeld glaasje Amaro Averne in en heft het glas op de hemel die voor hem in paraatheid wordt gebracht. O bittere beker van mijn heil, prevelt hij. Of is het onheil. Bwa, nipt hij van het godendrankje, Alles oer, alles gezond. Zwijg Antoine, Leef, berispt hij zichzelf. Zoals een jonge aardappel onder de grond die zich nooit bewust is dat hij binnen de negen weken zal gerooid worden. Hij leeft tegen een ongelooflijke snelheid en groeit als bloemkolen. Zijn leven is een gedicht en postuum zal menige mond er nog overgaan. Naakt zal hij verschijnen en zijn daden zullen ongekend, onbekend blijven voor de eter van zijn hartelijke lijf, in olie gebakken of in water gekookt, gesnipperd of tot puree gestampt. Dat is het leven van een patat. Er zijn veel vergelijkingen mogelijk met sommige mensen. Slechts een fatsoenlijk mens wijkt ervan af. Een sigaar om de jonge avond in te zetten. Kan dat? Antoine staat recht en steekt zijn accordeonCD France in de gleuf van zijn turkooise sonoro, class 1 laserproduct, en uit zijn bescheiden humidor grijpt hij trefzeker een Montecristo Especiales No. 2, die een zachte zoetheid in zich draagt. Hij knipt de hemelse havanna in zijn kontje en citeert Aldous Huxley wanneer hij zijn lieveling tussen zijn lippen knelt en met een gasaansteker aansteekt, Time must have a stop. Daarna zuigt hij zoals een baby aan de moederborst, maar dan met de ervaring van een man, een man met stijl, met een levenservaring die uitnodigt om raad te geven, niet veel meer te krijgen – aristoteliaans ten voeten uit - met de uitstraling in de ogen en slechts één vrouw in de geest die hij avontuurlijk wil beminnen. Hier en nu, op het vloerkleed, zoals Boudewijn de Groot het ooit onomwonden zong. Al-hoe-wel... zei Rudyard Kipling niet, Een vrouw is maar een vrouw, maar een goede sigaar is rookgenot.

Hmm, Antoine wil licht, veel licht. Antoine wil warmte, veel warmte. Antoine wil avontuur, veel avontuur. Antoine wil rust, veel rust. Antoine wil vrede, veel vrede. Antoine wil per se theoloog Schilders zien. Hij lijkt de geknipte persoon om via Opus Dei de Haick tot rede te brengen. Om voor een soort wapenstilstand te zorgen. Er mogen geen doden meer vallen, geeft Antoine het vuur de volle laag in zijn Montecristo. Niets dan de natuurlijke is de dood waard, geen sekten en geen sektariërs, geen filosofie en geen psychologie, geen politiek en geen enkele streek van gelijk welk schuw nachtdier ook. Zelf moet ik mijn harde stellingen herzien en ik moet, zo kucht hij even wanneer hij te gulzig lurkt, Ik moet het nut van mijn angst inzien en daaruit besluiten trekken. Ik moet het lot van mijn souffleurs onder ogen zien. Ik mag mijn broeders niet de dood injagen omwille van een heilig doel en zeker niet met de regel dat de dood de middelen om dat doel te bereiken heiligt. Alle mensen hebben maar één leven en dat moeten ze zo lang as possible proberen vast te houden. Elk leven is een hoogtepunt waarin veel of weinig gebeurt, maar alleszins mag het niet door heldendaden of gewoon domme ongelukken vroegtijdig beëindigd worden. Meer dan honderd jaar na Darwin kan dat niet de bedoeling zijn. Voor niets, voor niemand. Nog het minst het verstand is de mens de aap ontgroeid om abrupt of vroegtijdig uit het leven te moeten stappen. Bwa, Schilders moet ik hebben, peinst Antoine. Met Schilders moet ik praten. Dan bekijkt hij de prachtige as-toren op zijn sigaar. Kunst, grijnst hij, pure kunst, geniet hij verder met rustige trekjes. Nu denkt hij niets meer en tuurt weer naar omhoog. Zien ze hem zitten? De anomalieën van de kosmos. Zien ze hem hier zitten tobben in Parijs, zoals de dichter zijn gedichten, de schrijver zijn romans, de fotograaf zijn foto’s, Magritte zijn hoed, Delvaux zijn treintjes, de zon de maan, de maan de aarde. Utopia is niet ver van hier, bijt Antoine op de meesterlijke rookstok. Dat kan niet. Hier op aarde moet de sleutel liggen voor het heelal. Hier moet de kritische nota van de mens verborgen liggen. Misschien wel 20.000 mijlen onder zee. Onder een slapende draak. Of op de maan. Maar alleszins in de nabijheid of toch bereikbaarheid van de mens. Wanneer de kleuren van een tijdperk beschikbaar zijn, geschilderd worden, zal de dichter van het Licht tevoorschijn komen en zal hij het verhaal van de mens naar voren brengen, praktisch, tolerant en wijs. Redelijk en hartelijk. Het kan niet anders, likt Antoine uit zijn glas de laatste druppel Amaro Averne.


431. Zomeroogst (dinsdag 11 augustus 2009)

Sándor Márai heeft gelijk, het leven is een plicht, draait Antoine de sleutel van zijn appartement halfom. Hij duwt de deur open en hoort nu ook muziek. Zijn wil port hem aan zonder enige angst het halletje binnen te gaan en wanneer hij pal midden in de living komt, ziet hij een blad papier op het salontafeltje liggen met in grote rode drukletters geschreven, Welcome back in Paris. Wij zorgen voor licht en muziek en als je ons ook wil ontmoeten, kom dan naar La Coupole. Getekend, Buck en Joris. Antoine herleest de woorden terwijl hij gniffelt en de twee boezembroeders in zijn geest ziet ravotten op de grens van twee werelden, de profane en die van Hiram. Zijn vriendschap met Buck en Joris berust op een voortdurend engagement, een trouw die steeds weer op de proef wordt gesteld. Een vriendschap die geen onderscheid meer maakt tussen liefde en vriendschap en vice versa. Ach, kijkt Antoine nog eens oplettend rond in zijn appartementje, óók dwars door de muren naar zijn slaapkamer, badkamer en toilet. Dan ploft hij zich neer in de zetel. De rit Maasland-Parijs zit hem erg in de benen, maar in tegenstelling tot zijn lichaam is zijn geest zo helder als de ochtend... . Zeven uur. Wow! Paris s’éveille. Het gezegende ochtenduur. De gedachte weer in Parijs te zijn. De mooie rit… alles inspireert Antoine op dit moment. Hij grijpt naar zijn laptop. Legt het gigacomplex op zijn knieën en typt boven aan het nieuwe worddocument, Zomeroogst. Het is weer tijd, denkt hij, Dat ik mijn poëzie die ik het jongste half jaar zaaide, ga oogsten. Zoals de boeren hun oogst in augustus binnenhalen. Van een wankel boekenrekje naast de zetel plukt hij zijn twee jongste notaboekjes, grijs stoffen geruite A5-schriftjes, en begint hij traag te bladeren. Ze bestrijken ruwweg de periode van 28 december 2008 tot medio juli 2009. Ruim zes maanden, dus. En meer dan 200 bladzijden nota’s, veel gedichten, kattebelletjes allerlei en verder allemaal ingewikkelde mysteries in het belang van de mens. Diep van binnen roept een luidspreker, Gedichtenbundel nummer Vijf. Vanaf dat moment sluit Antoine zijn ziel waardoor hij van de buitenwereld is afgesloten en geeft hij zich volledig over aan de bouwmeester van het heelal. Nederig en vol enthousiasme van zijn voorbije halfjaarlijkse belevenissen die hij als geheimenissen heeft genoteerd als een boodschap van zijn ziel en maakt hij een strenge selectie van zijn gedichten. Wanneer hij de eerste woorden al tokkelend neerschrijft, ondergaat ziel en lichaam een eigenaardige verdoving. Vergis je niet. Antoine geniet er ont-zet-tend van!

Oostende I
Ik zit op wacht
Als in een bordeel
De milde zeelucht in mijn kieuwen
De geur van schelpen en chloor
En op een vleugje van hier
De zeeslag van oneindigheid
Massa's golven en macht
Met schelpen als pasmunt
Neergesmeten op het strand
(28/12/2008)

Oostende II
Als ik de zee zie
Lieve moeder
Rollen de herinneringen
Één voor één stuk op het strand
Geen reflectie blijft overeind
Hoe klein ik ook was
In de wieg van je armen
Gestructureerd door pa
Troostend zoek ik weer schelpen
En hou ze vlak tegen mijn oren
Ik hoor de zee
Van dertig veertig jaar geleden
Roepen,
Ik hou van jou
(28/12/2008)

Oostende III
Als ik wil
Dan drink ik de zee
In één teug leeg
Maar cui bono
't Is hier zo mooi
met golfslag in't vizier
(28/12/2008)

Oostende IV
In het zeestation
Hangen de plafonds
Zoals golven vier meter hoog
De klanten deinen op de baren
En oude meeuwen zingen
Totdat de eerste trein vertrekt
(29/12/2008)

Oostende V
Oh, dunne spoeling van de zee
Op vijftig is het nog enkel consommé
Met hier en daar een vleesballetje
Een lepel verse groenten
Met vooral veel smaak
Naar herinneringen
Van toen moeder ze nog kookte
(29/12/2008)

Oostende VI
In het kursaal
Drink ik Rodenbach-grenadine
Adem ik de beau monde
Bonne 2009 kieper ik de R achterover
2009 wordt sober
maar aan de afgrond van je leven
tolereer je het concept leven beter
(31/12/2008)

Oostende VII
Oostende, jij verschalkt me niet
Om vijf uur was ik op
Samen met de vloed
En de eerste vissen uit zee
      Ja! Het was ik op de dijk
      Ik fietste me rijk
      Knikte op twee wandelaars
      Liberalen van de verkiezingen nog paars
Geef maar toe, jij sliep nog
Toen ik aan de haven stopte
En de grote pier op draaide
Diep in jou naar zeelucht graaide
(08/07/2009)

Oostende VIII
Ik teken een hartje op het strand
Diep gekerfd in kostbaar zand
Ik roep je naam in de wind
Stuur al mijn wensen zoals een kind
      Straks zal je alles ontvangen
      Sta je daar met blozende wangen
      Je zal hard aan me denken
Als ik je zie, zal je weer wenken
Zo houdt de zee ons lekker samen
Blijven we vrienden zonder dralen
Want we bestaan uit water en lucht
De zee is ons hart met een zucht
(08/07/2009)

Oostende IX
Hier in Oostende
In het stationsbuffet
Vroeg in de morgen
Half zes - zes uur
Verbaas ik me telkens weer
Dat niet alleen de zee
Eb en vloed
Maar ook mensen
Getijen
(08/07/2009)

Oostende X
Even samen
Met de schelp uit zee
Toet, toe-oèt
Klinkt de hoorn
Die herinneringen
Aan mekaar plakt
Zoals mosselen
Aan de borst van
Een ouwe walvis
Jaaà
Zo zij het
Zo is het
Niet eeuwig
(14/07/2009)

Verdiept in jou
Is het leven niet
Macht, liefde, dood
En eenzaamheid
Jij en ik
      Ik heb de rotsvaste overtuiging
      Dat moed en karakter
      Nieuw licht kunnen scheppen
      Voor ons
De tol op ons verleden
Is betaald
Wij zijn nu vrij om samen
Naar... een sauna te gaan
(09/01/2009)

Euh
De morgen schijnt
De zon spant zich uit
De hemel kleurt turkoois
De aarde wordt wit van blijdschap
...
Il est neuf heures!
(15/01/2009)

Nirakie I
Op jouw zeilboot
Wil ik de eiken mast zijn
Waaraan jij je zeilen kan hijsen
      En bij storm
      Beide armen kan omslaan
En bij zonnig weer
... beide benen
      Kortom, voor jou
      Sta ik als een paal boven water
(29/01/2009)

Nirakie II
Ik mis je, ik mis je hard
Je lach en je elegante draai
Het houdt geen steek dapper
Je gedacht niet te willen wijzigen
De dapperen van de oorlog liggen op het kerkhof
En zei Einstein op een dag,
Een gedacht dat niet evolueert
Is ten dode opgeschreven
(04/03/2009)

Nirakie III
Ik, geile hetero numero uno
Ik heb het zo koud vanbinnen
Zelf 10 hoeren kunnen me niet
Ontdooien
      Zie me hier nu lanterfanten
      IJsberen in de vriesregen
      Gluren in de ijzige maandag, steenkoud
Alleen die one star, again
Heeft de kracht en glans
Om mijn hart te doen ontbranden
Vuurheet
      Ongelooflijk toch
      Onze onvoorspelbare natuur
      Die met één vrouwtje alles kan
      Verslaan
(25/03/2009)

Nirakie IV
Als je alles hebt gedaan
Om iets te verkrijgen
Wat je dierbaar is
      En je verwerft het niet
      Wat kan je dan meer doen
      Dan sereen wachten
En hopen op
Een vallende ster
(27/04/2009)

Nirakie V
Woordeloos
Zit ik hier
Met in m'n hoofd
Een bibliotheek vol boeken
Waarvan jij meerdere covers siert
      Waarom ligt dat ene boek niet open
      Waarin jij volop vertelt
      En ik droom
      Van hoofdstuk naar hoofdstuk
Herinneringen als inleiding
Ons leven als verhaal
Onze toekomst als epiloog
Zeg mij
      Waarom de boeken
      Anders wél geschreven zijn?
(08/05/2009)

Nirakie VI
Het einde van een relatie
Welke dan ook
Is de machteloosheid
Die van je intiemste geliefde
Plots een vreemdeling maakt
      Het is diezelfde onomkeerbaarheid
      Waarmee de dood aanklopt
      Alleen is hier het fatum
      Een einde
      Waarmee je verder leven moet
De machteloosheid
Kijkt als een sfinx
Permanent op je neer
Sleurt je mee als een vod
In de stroom van ontgoocheling
(07/05/2009)

Nirakie VII
Ik vraag me af
Hoe sterk is liefde
Die zich niet ten volle kan ontplooien
Hoe machtig is liefde
Die geheim blijft
Hoe lang duurt liefde
Die blijft duren
(26/06/2009)

Nirakie VIII
Rondom mij hang jij
Op Ons Strand staan wij
Ver in zee, de horizon voorbij
Verdwaal ik langs je zij
      In de wind hoor ik je stem
      Kom hier dat ik je tem
      Je aait me zacht op mijn bolleke
      Mijn kale wreker slaat op holletje
Een tikkeltje zout
Hij is hard als hout
Lief vaart hij bij je binnen
Eb en vloed zal ik je beminnen
(09/07/2009)

Nirakie IX
Ik ben blij
Zo blij
Als een roos die geurt
Ontzettend blij
Met de tover van het leven
Ik ben miraculeus blij
Het geheim met jou
Atomisch precies
Te delen
(03/01/2009)

Droog blijven
Ik verdraag geen pijn meer
Niet langer dan de glans
Van spiegelend glas
Doorzichtig helder
      Lijden is voor mietjes
      Of voor zieken
      Voor terminalen
      Maar niet voor mij
De beuk erin
Stappen in de regen
Buik vooruit
't gereedschap droog eronder
(25/03/2009)

Robespierre
Als ik verdoemd geslagen
Neergeknuppeld in het leven
Moet woekeren om te overleven
Dag na dag, wit en zwart
      Met pijn in ledematen
      Brakende geest nog het meest
      Kijkend naar randdebielen
      Die overal opdoemen en rechtveren
Zou ik graag even dictator willen zijn
Op enkele weken tijd
Ruim ik exponentieel op
WO II en de Spaanse griep samen
      Daarna ga ik gedwee
      Naar de guillotine
      En breek het mes
      Dat vlijmscherp veroordeeld
(09/07/2009)

Tapioca
Is er een huis
Waar ik zomaar
Kan binnenstappen
Zij aan het aanrecht
Liefde op het eerste gezicht
Of ze me wil pijpen
Lief en goed
Vol overgave
En tot de laatste druppel
Zal ik haar ook
Laten genieten
Zomaar in haar huis
Waar ik
Zomaar binnenstap
(15/04/2009)

Vrijdag
Eindelijk, die godendag
De goudmijn van vrije tijd
Excentriek en kleurrijk
Altijd vrolijk
      Vrijdag hebben we nodig
      De pionier van vrije tijd
      En als het verlof erop volgt
      Dan wordt het een zondag
Vrijdag, zeedag
Open ruimte, hoop
Aangedragen door een briesje
En een kind met een vlindernet
(10/07/2009)

Surrealisme
Het surrealisme van het leven
Woedt in iedere mens
Slechts zij die het kunnen schilderen
Bevrijden zich van frustraties
      Het drijft als schuim
      Op caffé ristretto
      Is sterk van stem en geur
      Maar voedt de geest
Wie surrealisme koestert
Geen weerstand biedt
Evenwicht zoekt tussen emo en ratio
Overleeft de kernproef in zijn hart
(01/06/2009)

Op je tellen
Vaart minderen
Respect voor mens en medemens
Ook al...
We kennen de soort!
      Rustig blijven
      Van 0 tot 10 tellen
      Altijd en telkens weer
      We kennen toch
      Dé Getallenas!
Luisteren moet
Het is goud
Spreken slechts brons
Ook in metaforen denken
Stilletjes lachen
      Maar NOOIT
      Massamens zijn
      Worden
      Altijd U zijn
En vooral
Op U komt het aan
(10/07/2009)

Zo! Ontwaakt Antoine uit zijn gedichtenroes. Hij valt achterover in zijn zetel. Iemand schrijft gedichten, mompelt hij, terwijl hij met de cursor alles overloopt, Ik wens ze niet te publiceren. Een gedicht is eigenlijk moeilijk publiceerbaar, tenzij in een bijzonder boek of in een bijzonder tijdschrift, knikt hij in zichzelf. Bij Oostende VI wacht hij even, en denkt dan hardop verder, In een gedicht verbergt men een intieme ervaring. De enige vorm van publiceerbaar gedicht is het experiment. Weer knikt hij terwijl zijn hersencellen blijven reageren op zijn vloed van woorden, Gewoonlijk verstaat men niet veel van een experimenteel gedicht omdat het over een ervaring met woorden gaat. Weer houdt de cursor op te bewegen, midden in Nirakie! Antoine veert recht en praat nu hardop, De dichter schept zichzelf ruimte en afstand door woorden. In het experimentele gedicht wordt niet een intieme ervaring uitgedrukt, maar woorden worden uitgesproken en ervaren op een bepaalde wijze. Ja, is hij het volkomen met zichzelf eens, Het gedicht is een woordenbouw, lief en boos, zwart en wit, licht en duister, dag en nacht, trouw en ontrouw, Thanatos en Eros, vrolijk en droef, vogel en vis, Baas en klein Pierke, haar en kaal, kut en lul, klassiek en punk, open en toe, hoofd en tenen, dik en dun, mooi en lelijk, berg en strand, glas en zand, ochtend en avond, zoon en vader, moeder en dochter, hoer en echtgenoot, sterrenrestaurant en frietbarak, curry en mayonaise, Nietzsche en de paus, Airbus A380 en zweefvliegtuig, hemel en hel, Frank Zappa en Will Tura, stijf en slap, gezond en kanker, hart en ziel, mimesis en woordenboek, kort en lang, man en vrouw, Hesse en Streuvels, op en neer, eb en vloed... Antoine staat op. Klikt de laptop zachtjes dicht en kruipt naakt in bed. Hij kronkelt dicht tegen zijn gedichten aan. Het is halfelf, bijna middag en… slaaptijd voor nachtraven.


430. De rusteloze ziel (dinsdag 4 augustus 2009)

Ik kus je onsterfelijke ziel, laat Antoine niet meer los op weg naar Parijs. Leon fluisterde de woorden in zijn oor voor zijn vertrek. Koud, ijskoud liggen ze op zijn maag en hij probeert ze te herkauwen als een etnologisch reisverhaal. De onsterfelijke ziel, herhaalt hij almaar en hij draait de muziek een toontje lager. Antoine herinnert zich bij het turven van verbanden in zijn onmetelijke hersenvelden, tussen ziel en leven, een recent onderzoek waarbij wetenschappers een verbijsterende hypothese hebben beredeneerd hoe lang een afgehakt hoofd van een mens nog in staat is te denken, te zien, te horen, te proeven en misschien ook te voelen. Vorsers menen dat het antwoord tot 20 seconden kan zijn als en slechts als het hoofd niet hoger dan een halve meter valt. Anders verduistert een zware hersenschudding het laatst mogelijke licht dat de mens, of in dit speciaal geval het afgehakt hoofd, de laatste seconden van zijn leven kan ontvangen. Antoine herdenkt de guillotine en de hoofden die erop gescheiden zijn van de romp, het lichaam. Indien het hoofd een beetje goed viel, kon het zijn eigen onderlichaam nog alle stuiptrekkingen zien maken. Twintig seconden is een hele tijd, bedenkt Antoine en hij telt hardop, eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig en zo tot eenenveertig. Dat is een hele tijd, maar waar het Antoine nog het meest om gaat, is die onsterfelijke ziel. Als die in het lichaam van een mens zit, waar dan. En in het geval van een mens die onthoofd wordt... zit de ziel in het lijf of in het hoofd? Zoekt de ziel de intelligentie op van de grijze hersenen of zoekt het zielenrust bij het kloppende hart of een ander vitaal orgaan. Weet de ziel zo zij bestaat, wanneer zijn lichaamseigenaar zal onthoofd worden en kiest ze dan een veilig plekje, zeker niet in de hals! Of vertrekt ze hals over kop nog voor het vlijmscherpe mes hoofd en romp gescheiden heeft. De wijde wereld in. Tja, de nietswaardigheid van de mens staat voor niets, of alles. Alles past trouwens paradoxaal in elkaar. Ook de ziel met het lichaam? Antoine trekt een scheef mondje nu zijn gedachten zo te keer gaan als de Maas bij rampspoed. Met grote snelheid vliegen zijn gedachten naar de Grieken, de presocratische filosofen om precies te zijn, want daar was de ziel nog de mysterieuze bron van de mens. En kreeg ze steevast een plaats in objectieve definities. Voor Socrates was de ziel overigens de bron van alle waarheid en stelde hij ze nogal eens gelijk met de innerlijke persoon. Maar waar zit de innerlijke persoon in een mens? In een orgaan, de elleboog, een borst, een oog, het testosteron of de hormonen? Socrato's allerbeste leerling deed er nog een schepje bovenop. Alle waarheid komt van binnen, zei hij, vanuit de ziel, dus. De onsterfelijke ziel van een persoon is geboren met de waarheid en volgens Plato heeft de ziel de pure vormen aanschouwd voordat de ziel belichaamd wordt. Geboorte is dan synoniem voor het belichamen van de ziel en deze gebeurtenis is zo traumatisch dat je vergeet wat je weet. De rest van je leven moet je daarom de diepten van je ziel peilen om te ontdekken wat je al weet. Vandaar de opmerkelijke stelling van Plato dat alle kennis slechts herinnering is. Bovendien verkondigde Plato dat de ziel drie delen heeft, het begerende of dierlijke deel, het vurige of bron van daden en drie, het redelijke deel. Antoine moet lachen want over de ziel heeft hij ooit nachten en nachten met lieve Nirakie gefilosofeerd of beter, erotisch gefantaseerd. Uiteindelijk vond Antoine de ziel van Nirakie altijd en het liefst in haar moederschoot of ergens tussen haar twee mooie en lieflijke borsten, maar nooit kon hij de ziel grijpen zoals Nirakie dat wel grandioos deed met zijn ziel... een bobbel met een kloppende geest. Antoine lacht en waant zich dat de ziel van Nirakie plots over de autoweg vliegt, nog sneller dan zijn hete Porsche, een passerende Thalys, hoger dan de wolken en altijd zonder een duidelijke lijn of een centrum. De ziel van Nirakie volgt hem zoals de maan de aarde, de aarde de zon, een komeet zijn onvoorspelbare baan. Antoine bedenkt tegen 180 km/u dat als zielen ooit verwant zijn en elkaar echt en waarachtig hebben leren kennen, ze mekaar nooit meer loslaten. Over de geest en het verstand van de twee individuen heen. Ook al maken ze ruzie of scheiden hun wegen en zelfs wanneer een van de twee personen sterft of uiteindelijk alle twee. Antoine borduurt verder dat de zielen mekaar blijven zoeken en vinden zoals de lucht de aarde en de zonnestralen het leven. De ziel is puur en eens ze een besluit heeft genomen, komt ze daar nooit meer op terug. Twee zielen die mekaar vinden, gaan ervoor, ad infinitum. Met kosmische snelheden vliegen ze mekaar tegemoet, in de armen of om de hals. Zonder dat de twee lichamen daar per se iets van weten. Indien wel, spreken we van serendipiteit of gemakkelijker gezegd het toeval of anderen noemen het de synchroniciteit. Als het kind maar een naam heeft. In die zin volgt Antoine eigenlijk een beetje de meester-filosoof Descartes, je weet wel, die Franse filosoof uit de 17de eeuw waarvan sexbom Goedele Liekens tijdens haar debuut op televisie honderd jaar geleden niet wist dat hij de vader was van Cogito, ergo sum, Ik denk, dus ik ben. Dit beroemd beginsel van de filosofie voerde Descartes op door te stellen dat men nog altijd kan twijfelen aan het bestaan van zijn lichaam. En zo kwam hij uiteindelijk tot bij het bekende lichaam-geestdualisme. Lichaam en ziel dus gescheiden van elkaar en dan zit Antoine weer bij de geïnspireerde onthoofdingen tijdens de Franse Revolutie waar iedereen met een beetje faam en naam onder het scheidende mes ging, van Koning Lodewijk XVI en Marie-Antoinette tot de onkreukbare Maximilien-Marie-Isidore de Robespierre zelf. Poeha, duwt Antoine de Porsche nog eens op zijn staart in zijn adembenemend reisje tussen Maasland en Parijs. Is de Maas de ziel van het Maasland, reflecteert hij naar 'thuis'. De Maas die het Snoer van Maasdorpen bij mekaar houdt en er een eigen karakter aan geeft. De dorpjes van alle tinten voorziet, de kleuren van de regenboog erover uitstrooit. Het wij-gevoel er op niveau houdt. Antoine ziet de aantrekkelijke cultuurhistorische dorpjes vol heimwee als een eeuwenoude stroom voorbij drijven, Rekem, in het Ancien Régime een minivorstendom met zijn eigen munt; Leut, tijdens de Franse Revolutie een rijksheerlijkheid met zijn adellijke families en het allesoverheersende Vilain XIIII; Meeswijk of Maeswick of nederzetting aan de Maas en al sinds 1310 ingelijfd bij Leut; Stokkem of een strategisch bolwerk van de graven van Loon aan de linker Maasoever; Oud-Dilsen met een van de vroegste bewoningskernen van het Maasland; Heppeneert, het parochiekerkje waar eeuwen geleden tijdens een overstroming van de Maas de ziel van de Heilige Maagd Maria in de vorm van een beeldje kwam aangespoeld; Aldeneik waar de Frankische edelman Adelhard in de achtste eeuw voor zijn dochters Harlindis en Relindis een klooster bouwde en tot slot Kessenich met resten van een mottoren en een burcht uit de 10de en 12de eeuw. Is de Maas de ziel van deze fantastische dorpjes stelt Antoine zich de vraag opnieuw. Zorgt de Maas al die eeuwen voor het reilen en zeilen van deze besloten gemeenschap. Heeft een gemeenschap een ziel. Of is de ziel enkel weggelegd voor mensen. Maasmensen zoals Antoine zich plots een gast met een enorme bierpens in Hotel Strauss herinnert, die na een nachtelijk avontuur graag aanschoof aan de tafel van Nirakie en hemzelf en na de filosofie van Descartes te hebben aangehoord hardop lachte dat hij wel een ziel maar betwijfelde een lichaam te hebben. Daarop merkte Nirakie op dat hij inderdaad niet zo'n best lichaam had. Wat hebben ze toen gelachen want als de ziel nog iets kan, probeert Antoine er altijd bij te moffelen, dan is dat een ziel met humor. Zuivere humor want de ziel is ook even zuiver als een god. Niet bezoedeld door de zintuigen. De ziel is een puur zuiver begrip dat niet verontreinigd is door gegevens uit de zintuigen. Ja, zover is Antoine het met zichzelf eens in zijn gemijmer rond de onsterfelijke ziel. Nog 200 km te gaan! Zijn ziel is misschien al lang in Parijs, grapt hij, maar mijn lichaam zit hier nog mechanische dingen uit te voeren in de Porsche. Waar ontmoeten ziel en lichaam mekaar, werpt Antoine een volgende vraag op. Descartes dacht dat de ontmoeting steevast gebeurde in de pijnappelklier en ook weten de slimmeriken van de 21ste eeuw nog altijd niet waarvoor het orgaantje dient of heeft gediend - sommigen zeggen dat het te maken heeft met de controle over de grootte van de geslachtsklieren - maar voor Antoine is het een cruciale vraag met betrekking tot het scheiden van hoofd en romp. Het onderzoek van het afgehakte hoofd dat nog 20 seconden leeft in volle bewustzijn na vakkundig te zijn gescheiden, spreekt tot hem als een hallucinante verbeelding. Antoine heeft spijt dat hij niet meer over Freud gelezen heeft en lacht bij zichzelf dat dan de ziel zich waarschijnlijk in een geslachtsorgaan zou genesteld hebben en bij de mannen groter of kleiner kon worden al naargelang de goesting. Antoine glimlacht in de zwarte Porsche waarvan de ziel enkel beroerd wordt met een zware of lichte voet op het gaspedaal.

Maar de ziel laat niet los. Ze blijft bonken op zijn verstand. Zoals een droom die maar blijft terugkomen... En als de ziel nu eens een anomalie in iedere mens is. Een hoogst eigenzinnig informatiepakketje dat in een andere dimensie leeft en als een elektron in een atoom dagelijks in het lichaam rond schiet zolang het omhulsel sterk genoeg is om het geraas van de rondscherende ziel te weerstaan. Je kunt over alles een verhaal schrijven, denkt Antoine, waarom niet van de onsterfelijke ziel. Als het menselijk omhulsel ophoudt omhulsel te zijn, verlaat de ziel het lichaam en trekt het zich terug in een onzichtbare sfeer, zo eentje waarover misschien wel Peter Sloterdijk heeft geschreven. We zitten dan meteen in de microsferologie. Als de ziel eens de permanente instigator is van het denken en de menselijke hersenen alzo verheft boven die van de dieren. De ziel niet alleen als instigator van de hersenen maar ook als de persoonlijke bestuurder van de menselijke computer. Misschien zijn de zielen er altijd al geweest. Zolang de aarde leeft, duiken ze bij iedere nieuwe mens in de moederkoek, hoe die ook bereid wordt, met penis en vagina, via kunstmatige inseminatie of via gekunstel in reageerbuisjes. Mogelijk is de ziel een onmisbare schakel én bouwsteen van de mens en zo krijgt Nietzsche misschien toch nog gelijk wanneer hij in zijn werk De Vrolijke Wetenschap schreef, Misschien is de waarheid wel een vrouw, die redenen heeft haar redenen verborgen te houden? Misschien is haar naam wel, om het maar eens in het Grieks te zeggen, Baubo? Baubo, piekert Antoine. Baubo dan wel in de betekenis van waarzegger of profetes. Baubo staat in verband met vreugde, zang en dans, ongeremde seksualiteit en met vruchtbaarheid. Baubo is van oorsprong afkomstig uit Klein-Azië, waar ze betekenis had als vruchtbaarheidsgodin. Ze wordt vaak afgebeeld zonder romp, met het hoofd direct op de benen. Antoine ziet het beeld van Baubo zo voor zich. Hoofd en lichaam van elkaar gescheiden. Hij is weer bij het begin van zijn zielenmijmering. Alleszins, Antoine belooft zichzelf, eens in Parijs bij heldere avond of nog voor de dauw de planten heeft beroerd opnieuw het werk Sferen van filosoof Sloterdijk ter hand te nemen en vooral het hoofdstuk Reservoirherinneringen door te nemen, waarin mogelijk een filosofische sleutel zit tot de ziel die net zoals de aarde, de zon, de andere sterren en zwarte gaten altijd al deel heeft uitgemaakt van de kosmos en op aarde een partner heeft gevonden in de vorm van de mens. De ziel zou dan een soort additief zijn dat al het ware positief parasiteert bij de mens en enkel bij de mens. De mens onderscheidend maakt van de dieren en flora. De Darwinistische gedachte blijft ook hier overeind in de veronderstelling dat het aanpassen van ziel en menselijk brein een heel lang proces heeft doorgestaan. De evolutie is opgetekend door antropologen maar het toekomstperspectief van de mens is misschien nog niet geweten omdat de samenwerking ziel-lichaam niet geheel afgerond is en nog steeds evolueert. Wie weet. De zonderlinge drang van Antoine om hic et nunc met deze gedachte te blijven doorbomen kent geen grenzen. In deze roes van denken zou hij willen blijven zweven, hoog boven de grond en voor eeuwig in een baantje rond de aarde. Antoine, de eigenzinnige nomade op zoek naar de ziel, de onsterfelijke ziel. Volgens Antoine zitten de antropologen op een verkeerd spoor en ligt de missing link niet ergens begraven, maar dienen de vorsers van de mens als natuurhistorisch wezen, van denkpatroon te veranderen. Misschien wat minder graven en wat meer filosoferen. De filosofie opnieuw boven de wetenschap stellen als opperste laag in de taxonomie van het denken. Meer vluchten in een droom om later de aarde weer bewuster te kunnen aanpakken. Als een te pletter gevlogen insect op zijn voorruit, zit ook plots Albert Einstein in Antoine's gedachten rond de ziel. Einstein die toch zei dat lichaam en ziel niet twee verschillende dingen zijn, maar slechts twee verschillende manieren om hetzelfde feit waar te nemen net zoals natuurkunde en psychologie slechts twee verschillende pogingen zijn om onze ervaringen via systematisch denken met elkaar te verbinden. Einstein was dan ook geen aanhanger van het mysterie ook al helderde hij er zelf een op... dat van de relativiteit! Volgens hem woekert mystiek uit de zogenaamde theosofie en het spiritisme en dat vat Einstein op als een teken van zwakte en verwarring. Volgens hem bestaan onze geestelijke ervaringen uit reproducties en combinaties van zintuiglijke indrukken. Het idee van een ziel zonder lichaam komt hem maar als leeg en nietszeggend voor. Nochtans zien grote schrijvers dat anders, schudt Antoine zijn hoofd van links naar rechts. Zo de Hongaarse schrijver Sándor Márai die de ziel rijkelijk laat spreken in de Nacht voor de Scheiding... Wat is het, waardoor een ziel zich zo kan sluiten? Schrijft Sándor wanneer de rechter Kristóf zijn zus Emma ziet ploeteren in haar eigen leefwereld waar ze rond vliegt als een meteoor, doelloos tussen Mars en Jupiter. Herman Hesse geeft de ziel ook karakter in een aantal van zijn superbe gedichten. Eén strofe uit Dem Ziel entgegen... Immer bin ich ohne Ziel gegangen,/ Wollte nie zu einer Rast gelangen,/ Meine Wege schienen ohne Ende/... Ach, mijmert Antoine zich stilaan tot in Parijs, de ziel is een verworven recht in de literaire archeologie en de ziel wordt zoals het hart gemakkelijk toegepast in het dagelijkse leven van de mens. Door religieuzen en vrijzinnigen. Onsterfelijk en sterfelijk en niet altijd volgens de logica van het beleden geloof. Schreef de wijze Thomas van Aquino niet zoals Aristoteles dat de ziel sterfelijk is. En geloven vrijmetselaars niet in de onsterfelijkheid van de ziel? Antoine ruikt de stad Parijs. De duizend-en-een smakige stad met zes miljoen zielen, van narren tot presidenten, hellekrochten en paleizen, vrouwen en prachtige vrouwen waarvoor mannen hun ziel graag willen prijsgeven. Antoine verlaat de autoweg. Het is een verrassende zielenrit geworden, glimlacht hij. Hoe zal hij al zijn gepeins ooit opnieuw kunnen reflecteren in een enorme kattenbel, want hij vindt dat hij heus wel wat interessante dingen over de ziel heeft bij elkaar gedacht. Met zijn ziel onder zijn arm stapt hij uit. In zijn appartementje brandt licht.


Top