|
|
|   |
Column 'Groeten uit Berbroek' - Column 420 t.e.m. 429
429. De greenhorn (dinsdag 28 juli 2009)
Antoine schept een overdadige portie chocolademousse op. In Hove
Malpertuus wordt die nog gemaakt met echte grondstoffen. Met echte
cacaoboter, dus of boter die niet van de koe komt en die pas gaat smelten
bij ruim 30 graden. Antoine herinnert zich precies het huisrecept dat Yvo
hem ooit toevertrouwde nadat de superbe gastheer ook bekend had dat voor
hem chocolade en liefde twee synoniemen zijn. Antoine lacht en gaat met
zijn bordje godenspijs weer zitten. Terwijl hij de voedingrijke brij
smakelijk binnen lepelt, vraagt hij plots aan Joachim of hij Quetzalcoatl
kent. Neen, antwoordt Joachim. Wel, steekt Antoine nog een lepeltje zoet
in zijn mond, Quetzalcoatl stond bij de Mexicanen uit de Oudheid bekend
als de gevederde slangengod. Deze god bracht het volk de kennis bij die
noodzakelijk is voor een hogere bestaansvorm. Zo leerde hij ze de loop der
sterren te volgen en schonk hun de kalender, hij liet ze de pluizige
vezels plukken van een wilde plant, er draden van spinnen en die tot
katoenen stof weven. Van Quetzalcoatl leerden de Mexicanen mantels te
maken van veren en die te tooien met jade. Maar té gek was dat
Quetzalcoatl ze ook lekkernijen schonk die vroeger alleen door hem zelf en
de andere hemelbewoners werden gebruikt, namelijk maïs en chocolade.
Joachim kijkt stuurloos naar Antoine alsof hij vijftien vlaggen tegelijk
ziet wapperen en gaat dan zonder iets te zeggen ook een bordje chocomousse
opscheppen. Na zijn eerste hap kijkt hij Antoine aan, En waarom wordt hij
dan de slangengod genoemd. Dat is een goeie vraag, klopt Antoine zijn
vriend zachtjes op zijn rug, Quetzalcoatl die in tegenstelling tot zijn
onderdanen een baard droeg en blank van huid was, is verraden door een
god-rivaal en moest uiteindelijk vluchten. Maar eerst veranderde hij zijn
koninklijke cacaobonen in doornige heesters en daarna bouwde hij een vlot
van slangen en zeilde weg met de plechtige belofte ooit terug te keren.
En, kijkt Joachim zijn vriend een beetje verwonderd aan. Antoine duwt met
zijn wijsvinger tegen de nieuwsgierige neus van Joachim, De
Quetzalcoatl-legende heeft ervoor gezorgd dat begin 16de eeuw de blanke
Spanjaarden zonder veel verzet het land van de Azteken konden innemen.
Ostentatief duwt Joachim zijn bordje chocomousse nu opzij. Dé moraal
Joachim, glimlacht Antoine, Wat is de moraal van dit chocoladeverhaal.
Joachim wacht niet, Als er een god bestaat, is het een smeerlap, sist hij.
Antoine omhelst zijn vurige vriend en lacht hardop. Ook Leon lacht zijn
tanden bloot en geeft een uitdagend antwoord, Vertrouw altijd op jezelf
Joachim, wees beducht voor de immer woekerende afgunst van je vrienden, je
allerbeste vrienden en wees alert, zoals god altijd en overal.
Ik wil een afspraak met theoloog Schilders, zegt Antoine plots, Ik wil hem
spoedig spreken over De Haick. Niet hier, niet in Parijs, maar in
Cerisy-la-Salle, de achtertuin van Parijs. Daar is een cultureel centrum
waar intellectueel Parijs belangrijke colloquia houdt. Daar wil ik hem
ontmoeten. Bovendien zijn het altijd hete hangijzers die in Cerisy gesmeed
worden. Als Schilders zijn geschiedenis kent, zal hij weten dat op die
plaats systemen er met een staalborstel worden uitgekrabd. Joachim, dit is
spek naar uw bek. Zorg dat die afspraak geregeld wordt en geef al de
referenties via mijn BlackBerry door. Steek bij de uitnodiging - die je
aan Schilders persoonlijk moet bezorgen - een Mont-Blanc vulpen. Een
duurzaam geschenk als blijk van intellectuele erkentelijkheid. Vraag er
maar eentje aan Margaretha want zij weet waar ik ze opgeborgen heb.
Zaterdag en zondag kan ik nooit, maar al de overige werkdagen kan ik me
vrijmaken. En zorg dat er minstens vijf broeders in Cerisy-la-Salle
aanwezig zijn als onze ontmoeting in het cultureel centrum plaatsvindt. Ik
zelf breng Joris en Buck mee uit Parijs. Joachim bevestigt met een
hoofdknik. En dan, vraagt Joachim, Zal je er wijzer van worden. Ik wil
weten hoe hard Opus Dei het spel wil spelen, zegt Antoine en vervolgt, Ik
wil weten of ze De Haick gaan inzetten als een soort terroristenbeweging
of dat ze De Haick willen laten sublimeren in de organisatie om alzo
drastisch en snel uit te breiden. In het eerste geval gaan we een
regelrechte oorlog tegemoet, in het tweede geval duurt de koude oorlog
verder. Maar de moorden die totnogtoe zijn gebeurd, gooit Joachim in het
midden. Voorlopig beschouw ik ze als excessen, bijt Antoine op zijn
lippen. Maar de dood van Veerle dan, probeert Joachim opnieuw. In iedere
organisatie zitten heethoofden die weliswaar desastreuze opdrachten geven
en uitvoeren, maar daarna zoals Maximilien de Robespierre, doctrinair van
de Franse Revolutie, zelf met hun hoofd onder de guillotine geraken. Er is
nog iets, zegt Leon, Hoe De Haick in Tsjechië tekeer gaat, is toch buiten
proportie. Daar kan je niet meer spreken van excessen, maar van
regelrechte vervolgingen met de dood tot gevolg. Je gesprek met Schilders
helpt ons niet echt vooruit, vrees ik. Antoine slaat met vlakke hand op
tafel, Er moet gepraat worden. Er moeten contactpersonen gevonden worden
voor als er ooit écht overleg zal zijn. De Haick en Opus Dei moeten weten
wie de contactpersonen kunnen zijn. En vice versa. Het zorgt alleen maar
voor ontoelaatbaar wantrouwen binnen eigen rangen wanneer we dat niet
proberen. Zie de gouverneur maar eens. Hij blijkt zo te horen meer
contacten te hebben met Opus Dei dan met ons. Waarom? En vooral, wie
vertrouwt hem nog? Ik, alleen ik waarschijnlijk. We moeten bruggen slaan
met de zogeheten vijand. Dat is de basisregel bij iedere oorlog. De
voormalige KGB en FBI uitgesloten dan, merkt Leon spottend op. Noppes,
reageert Antoine, Op zekere niveaus zijn er contactpunten. Altijd. Overal.
Van Caesar tot Saddam Hoessein. Van Alaska tot Tsjoektsjen. Maar al dat
doden dan, knarsetandt Joachim nogmaals. Ik heb het recht om te doden uit
zelfverdediging omdat mijn leven mij toebehoort, zoals het leven van mijn
aanvaller hem toebehoort, verdedigt Antoine zich, Lees er Montesquieu maar
op na. Zo ook voert een staat oorlog omdat zijn voortbestaan even
gerechtvaardigd is als het voortbestaan van elke andere staat. Vervang het
woord 'staat' door 'een groep van ideologische mensen'. Joachim verheft
zijn stem, Maar moeten onze daden niet beoordeeld worden naar onze
bedoelingen? Onze bedoelingen zijn edel en oprecht, redelijk en humaan.
Over de geest van onze wetten, verzameld in een manifest, bestaat geen
twijfel, wrijft Antoine met zijn rechterhand over zijn mond, Ze zijn zoals
de wetten van de natuur. Ze 'zijn' mijn lieve Joachim. Sartre, weet je
wel. L'être et le néant, Het zijn en het niet. Jij hebt het manifest graag
ondertekend, weet je nog? Maar in het geval van De Haick gaat het meer
over de wetten in relatie tot het verdedigend vermogen. De Haick is de
kanker van ons huidige samenlevingsmodel die we moeten bestrijden. Met
geweld als het moet. Met rede als het kan. Het is hier Eros en Thanatos.
Het is de waarachtige wereld waarin goed en kwaad mekaar treffen, eerst
met wetten, daarna voor eigen veiligheid, daarna via oorlog maar altijd
zijn er wetten die gestalte geven aan de aard van de strijd, de wetten die
gelden in iedere sfeer, de sfeer van Eros of de liefde en het verlangen en
de wetten van Thanatos of Mors. Misschien kan je wel denken dat deze
stellingname van Eros en Thanatos niet meer past in deze tijd en dat ze
een lauwe reflectie is van al de oorlogen uit vorige eeuwen of misschien
kan je denken dat leven en dood machtige spelers zijn met eigen wetten en
ideologische dienaars die geen invloed meer hebben op het nieuwe leven van
de 21ste eeuw, maar ik wens alleszins te handelen naar de wetten van onze
humane en vrijzinnige groep mensen die de toekomst willen bestendigen voor
de redelijke mens als het opperste geschenk van de kosmos. Leon zucht en
neemt dan uitvoerig het woord, Pfff, het lijkt hier wel te gaan over een
epos zoals 'In de ban van de ring' van Tolkien waar goed en kwaad mekaar
uiteindelijk ook treffen in een allesomvattende wereldoorlog. Luister, de
toekomst is altijd in nevelen gehuld. Boeken vertellen dat. Ervaring ook.
En de dood zet geen punt, maar een komma... dus, met onze Orde hebben we
een duidelijk project voor ogen. De Haick maakt het ons moeilijk, maar
misschien kunnen we ze inderdaad via Opus Dei intomen. Opus Dei is
fanatiek, maar niet doodzuchtig. Antoine heeft gelijk. Hij moet met
Schilders gaan praten. We moeten mekaar een beetje blootgeven. Via dialoog
het brute geweld proberen af te zweren. Alle betrokken partijen moeten dat
weten, desnoods met de tong tussen de tanden.
Joachim schudt nogmaals zijn hoofd en Antoine schenkt voor iedereen een
tasje koffie in. Hoe is het met Margaretha en de crew van Hotel Strauss
gesteld, wil hij weten van Leon. Tumultueus, lacht Leon, Britt is
aangekomen en zorgt voor een ongelooflijke sfeer. Optimisme is troef en
iedereen is op zijn hoede nadat ze Jaak-de-rukker goed heeft
tussengenomen. Tussengenomen, herhaalt Antoine zijn makker verbaasd.
Joachim grinnikt nog na wanneer Leon verslag uitbrengt van de
zakdoekaffaire. Ontspannen duwt Antoine zijn kinnebak vooruit, En verder,
hoe gedragen onze jonge paarden Jeroen en Fréderique zich in de zaak. Ze
zijn toch niet op de hoogte van de huidige stand van zaken tussen de Orde
en De Haick. Leon bevestigt hun voorlopige onwetendheid in de zaak, maar
bevestigt wel de nerveusheid waarmee Margaretha rondloopt, Margaretha
maakt zich permanent zorgen over jou en ze ruikt de aanwezigheid van
gevaar. Ze durft haast niet meer op het terras komen omdat ze vandaaruit
de louche vissers ziet gluren. Maar ze ontfermt zich vooral over de werken
die zijn aangevat in de garage om de tunnel weer vrij te maken die naar de
ondergrondse plaats van het kasteel Vilain XIIII leidt. Naast de garage
staat trouwens een grote container van bouwfirma Vandervelden, waarvan
iedereen zich afvraagt wat daar wel allemaal in gestort wordt. Alle drie
lachen ze hartelijk. Daarna komt de zeer gewaardeerde ijver en vlijt van
Sylvain-de-saxofonist aan bod. De zeer gedreven commissaris van
Toeristische Uiterwaarden en Urbanisatie van Ingesloten Waterbekkens die
Antoine voor het eerst de Winnetou van de oevers van de Maas noemt.
Winnetou, trekt Leon zijn wenkbrauwen omhoog. Is dat niet zo, slurpt
Antoine aan zijn eenendertigste hete tas koffie, Hij wordt vaak beschouwd
als een vijand, maar is dat nooit. Hij voert permanent metingen uit aan de
Maas en helpt de streek uit de anonimiteit van omstrooide regio's, hij
volgt de sporen van Maas en water en ontgint de voedende waterlijn met een
miljoen woorden. En wie is dan Old Shatterhand, vraagt Leon met een
lachje. Dat zijn alle toeristen die het Maasland bezoeken, aarzelt Antoine
geen seconde. Nu slurpen ze alle drie aan hun bakje zwart goud. Daarna
komen de praktische zaken van Hotel Strauss nog ruim aan bod die kunnen
samengevat worden als boekhoudkundige succesverhalen in alle disciplines
en op alle niveaus. Deze zomer is het absoluut bingo in het hotel en
Strauss wordt door de toeristen als Querido's beste lectuur gelezen.
Antoine vertelt op zijn beurt over Parijs en zijn ontmoetingen, zijn
vervelingen aan de oevers van de Seine en heel kort over zijn heimwee naar
de Maas. Weet je wat een 'greenhorn' is, kijkt hij Leon aan en zonder te
wachten op antwoord, geeft hij het zelf, Het is een heel boosaardige en
minachtige benaming voor ieder op wie zij toegepast wordt. Green betekent
groen en met horn wordt op voelhoorns gezinspeeld. Een greenhorn is dus
iemand die nog 'groen' is en in een land waar hij alle ervaring mist, zijn
voelhoorns moet uitsteken, wil hij zich niet pijnlijk stoten. De greenhorn
gaat als eerste buiten als hij in gezelschap van een vrouw is, hij geeft
een onbekende geen hand als hij hem ontmoet, hij durft al eens eten met
zijn mes in plaats van met zijn vork, hij spreekt slecht Frans en beheerst
het Engels in het geheel niet... en zo voel ik me meer en meer in Parijs.
Als een greenhorn. Lieve vrienden, ik wil weer spoedig thuiskomen. Het
Maasland opnieuw omhelzen zonder gevaar voor mijn eigen leven. Iedereen
zwijgt. Iedereen staart met een oneindige blik op de tafel waar spijzen en
drank en vooral dampende koffie de trouwe trawanten van de vroege en lange
ochtend zijn. Het is half vier. Antoine staat recht en stapt naar het
terras van Hove Malpertuus dat uitkijkt op het glooiende landschap van
Haspengouw. Buiten dit gastvrije hotel bezit Herderen enkele belangrijke
hoeven en een obligate tumulus. Misschien is de bijzonder hoog gelegen
Sint-Jan de Doperkerk met een 15de eeuwse gotische toren ook een
blikvanger, maar dan is het 'op' in de knusse deelgemeente van Riemst.
Waar verhalen van Bokkenrijders en heksen zo talrijk zijn als Romeinen die
er ooit verbleven op weg van Tongeren naar Keulen of Nijmegen, waar
boerenzonen nog de ingewanden van een paard aan de kook brachten in een
ketel onder de grote schouw en er klokslag middernacht - ieder met een
jonge eik in de hand - wachtten op de komst van de plaatselijke heks. Om
ze daarna weer te verjagen. Ach Riemst. Ook Leon en Joachim hebben zich nu
op het terras gevoegd. Ze zwijgen en voelen de geest van Antoine dwalen
over het landschap. Proeven van de rijke schat van Haspengouw, spionage
verrichten zonder feiten, de landschappen in het minzame maanlicht
toevoegen aan zijn innerlijke landschappen, de plaats als een levend
museum toevoegen aan zijn geest. Joachim en Leon zien hun vriend bewegen
boven het mensenmogelijke. Zijn gezicht verraadt spijt en tegelijk hoop op
geluk. Dan mompelt hij terwijl hij zijn vrienden, links en rechts van hem,
omarmd en kust op de wangen, Er komt geen nieuwe hemel en er komt geen
nieuwe aarde... er wordt enkel gewerkt aan een ideale ordening van de
bestaande wereld. Dan kust hij zijn bloedbroeders nog een keer en vertrekt
dan in zijn zwarte Porsche richting Parijs. Het is klokslag vier uur.
428. Hove Malpertuus (dinsdag 21 juli 2009)
Met het jonge viooltalent Ilian Garnet uit Moldavië uit de bose boxen
raast Antoine met een zwarte Haick-Porsche richting Hove Malpertuus in
Riemst. Garnet speelt met een helse zielenpijn Sjostakovitsj (1906-1975,
nvdr), het wonderkind en tegelijk omstreden figuur en dit laatste met
betrekking tot zijn relatie met Josif Stalin, het communistische varken
dat meer doden op zijn geweten heeft dan Hitler. Vooral de zesde symfonie,
een meditatie over voorbije zorgen gevolgd door een bevestiging van huidig
geluk, krijgt de volle aandacht van Antoine. Tijdens zijn nachtelijke
ritten houdt hij van deze bizarre muziekcontrasten en stekelige
dissonanten. Ze drijven hem vooruit met een zekere heldenkracht. In een
ruk mijmert hij dan een filosofie van temporaire aard bijeen. Dat kan gaan
van seksualiteit en afgunst als politieke problematiek, dat kan al eens
gaan over de mens met een opdracht van niets op zoek naar iets dat hij
niet zal vinden of de enorme futiliteit van wat we hier op aarde
uitspoken, Antoine kan ook geweldig fantaseren over een bejaarde
jonkvrouw op safari of over de mystiek van een aanrander, maar deze keer
is hij vooral in de ban van eenzaten. Hoe het ermee zit tijdens de huidige
crisis die ongeëvenaard is, nooit gezien na 1939, erger dan 1929 en
catastrofaal en deflatoir ad infinitum en wellicht boodschapper van een
ommekeer van het kapitalisme zoals wij dat kennen. Volgens sommige
economen-futuristen valt ieder systeem na zestig jaar in duigen en maakt
het plaats voor iets anders. Na een cyclus van zestig jaar gaat alles op
zijn kop staan en wentelen de polen of zakken ze naar een andere plaats.
Zoals beweerd wordt van de aarde - ooit - toen de noord- en zuidpool zowat
ergens kwamen te liggen, links en rechts op de evenaar waardoor het leven
op aarde verschrikkelijk over de schreef ging en zich prompt nestelde in
een nieuwe ijstijd of einde ijstijd - wie weet het - die gemakkelijk
tienduizenden jaren zou duren vooraleer rust en stabiliteit zich weer heer
en meester maakte van Moeder Aarde. Menige beesten en wie weet ook mensen
werden van de kaart geveegd zoals een verschrikkelijke storm dat ook doet
met eeuwenoude koraalriffen alsof het lucifers zijn in het oog van de
storm van meer dan tien beaufort. Maar hoe zit het met de eenzaten, wil
Antoine zichzelf de vraag stellen wanneer hij tegen 300 km per uur de
buurt van Cuvilly en Ressons-s-Matz passeert. Als deze crisis heeft
duidelijk gemaakt dat de rijken maar één zorg hebben: het veilig stellen
van hun hebben en houen voor de volgende generaties, dan zijn eenzaten er
al langer op gericht om - indien ze het hebben - hun kapitaal zo maximaal
mogelijk te benutten en op te maken nog voor ze sterven. Het is de enige
soort mensen die zou willen weten wanneer ze hun laatste adem uitblazen
zodat ze hun fortuin tot op de laatste seconde kunnen programmeren.
Waarom, zegt Antoine hardop tussen twee fagotten en klarinetten met wat
xylofoongetingel door, Waarom willen ze hun laatste cent verbrassen in
synchroniciteit met hun bestaan. Omdat ze niemand achter laten en daarom
ook niemand iets wensen te gunnen. Mensen met kinderen denken er in
normale omstandigheden anders over en net andersom. En, glimlacht Antoine,
Bijzonder gegeven, Hoe ouder ze worden, hoe agressiever gaan beide soorten
mensen ertegenaan. Antoine moet ook even denken aan een makker in Parijs
die gisteravond als afscheid in La Coupole hardop nadacht over welke
houding hij zich moest geven om zijn angst en hoop te verzoenen. Of de
angst te transformeren naar hoop. Ook hoe hij zich dient te gedragen om
trots vertrouwen te dragen zoals een kind zijn vlindernet en een astronoom
zijn sterrenkijker. Antoine had hem geantwoord dat zijn malende
gedachtestromen het werk zijn van engelen die via de voortdurende andere
stand van de sterren de mensen beelden bezorgen die plots op een onbewaakt
moment in dromen opdoemen of nog vaker tijdens gedachten op willekeurige
plaatsen en nog het meest wanneer drank of ander genotsmiddel de geest
hebben bevrijd van dagelijkse sleur. Angst en hoop, trots en vertrouwen
hangen zoals de sterren aan de hemel in eenieders hoofd. Iedereen die
zichzelf een zelfbewustzijn aanmeet, zal ermee puzzelen en er zich een
model mee maken waaraan hij zich kan reflecteren. Natuurlijk beweegt dat
model mee met de vrije vlucht van de aarde rond de zon, de zon in zijn
melkweg, de melkweg in het heelal en het heelal in de ongekende ruimte die
volgens Antoine niet groter hoeft te zijn dan een zakdoek van een eerste
communicantje. Wij zijn maar minuscule wezentjes, had Antoine de brave
ziel op zijn beide wangen gekust. Daarop was de man in snikken
uitgebarsten. Daarna had Antoine uit het vuistje een gedicht geschreven op
het menutableau van La Coupole,
Rustig blijven
Van 0 tot 10 tellen
Altijd en telkens weer
Kennen we toch.
De oneindige getallenas!
Luisteren moet
Het is goud
Spreken slechts brons
Ook in metaforen denken
Stilletjes lachen
Maar nooit
Massamens zijn
Worden
Altijd U zijn
En vooral
Op U komt het aan
Al de gasten van de zaak waren bij het buitengaan even gaan lezen wat die
opmerkelijke vent daar had neergeschreven en sommigen moesten lachen toen
Antoine een brilletje op zijn neus zette en scheel keek als Sartre.
Nabij Roye lacht Antoine zo hard dat de hoornvlagen en knarsende violen,
cello's inbegrepen slechts geruis lijken in het concert dat hij dirigeert
op vier wielen. En zo vliegt de reis als een Enterprise over aarde. De
grens wordt niet geraakt. Antoine vliegt er met zijn Porsche over. Een
politiewagen doet geen moeite om hem achterna te zitten en om klokslag één
uur, remt Antoine als een haas op de hellende parking van Hotel Malpertuus
in Herderen, minimale deelgemeente van Riemst waar de Puemannen
zegevieren. Hove Malpertuus is helemaal van Yvo Molenaars, een absoluut
wielertalent uit de jaren '60 die om maar iets te zeggen vijf keer aan de
Ronde van Frankrijk startte waarvan hij er drie uit reed én bijvoorbeeld
in 1963 de Ronde van Luxemburg op zijn palmares schreef. In totaal
behaalde Yvo zo'n 20 overwinningen tijdens zijn wielercarrière. Een meneer
om U tegen te zeggen, dus. En als Yvo meneer Puemans roept, dan moet die
subito komen. Naar de koning niet, maar naar Yvo wel. Omdat Yvo altijd
zegt dat De wolf geen lam is en een handgranaat geen zacht gekookt eitje.
Deze simpele ideologie van Herderen en verre omstreken maken indruk. En
zeker op broekventjes die plots in glanzende schoenen in het parlement
staan met de scepter. Maar de Herderse ideologie zegeviert altijd. De
consequentie waarmee de woorden worden uitgesproken nog meer. De
competentie waarmee ze worden uitgevoerd, vroeg of laat, maar altijd,
tarten elke verbeelding van macht. Hierover kan geen misverstand bestaan.
En als laatste voetnoot bij deze machtelijke interventie die nog altijd
goed aangepast is in de wereld van 2009 is het goed om te weten dat Leon
een boezemvriend is van Yvo en dat hij aan de basis lag van het hotel en
vooral de naam Hove Malpertuus of zegge het voort, de burcht van Reinaart
de Vos. Maar daarover gaat het hier natuurlijk niet, wel over de korte
ontmoeting die Leon geregeld heeft in het charmant hotel aan de
Tongersesteenweg in Herderen tussen Antoine, Joachim en hemzelf. Omdat
Hotel Strauss even te gevaarlijk is voor Antoine. De stand van zaken even
opmeten en noteren, de plekken drijfzand aanduiden op de voorlopige
levenskaart en dan resumeren hoe ze de duivelsboom van de Haick verder
kunnen omhakken en daarna met welke middelen ze ook de wortel kunnen
uitboren en vergruizelen tot stof. Een puur ideologisch standpunt
natuurlijk want enkel talen sterven uit of kunnen worden uitgeroeid en dan
nog blijft het een generatiekwestie gecombineerd met sociale uitsluiting.
Leon is al binnen en snoept van het uitgebreide buffet van restaurant
Melograno als Joachim met Antoine de zaak binnenstapt. Yvo zijn rol als
gastheer is beperkt tot het ter beschikking stellen van zijn
infrastructuur en hij verdwijnt zoals hij alleen dat kon tijdens een
ontsnapping in de eerste rit van Parijs-Nice in 1960, een rit die hij
overigens glorieus won. Hij groet Antoine hartelijk met een vaste hand en
een glimlach die een ijsberg kan doen smelten. Hij fluistert in Antoine's
oor dat hij voorzichtig moet zijn, alert en een wolf, geen lam moet
blijven en dat hij eerst een zacht eitje moet eten alvorens zijn granaten
te gooien. Antoine lacht en knipoogt met respect naar de oude gardist die
nooit verzaakt en altijd blijft stappen, zelfs indien de nacht volledig
is, doorstappen, al is het ook tastend, steeds doorstappen. Yvo groet zijn
eeuwige vriend Leon en kijkt argwanend naar Joachim die pas een hand
krijgt wanneer Leon teken doet dat 'hij' oké is. Dan is Yvo weg en geeft
zijn zaak in handen van de drie musketiers want dat is wat Yvo ervan denkt
terwijl hij naar zijn kamer stapt. Vooraleer hij het licht uit floept
denkt hij hardop, Met wat zijn ze toch allemaal bezig. Wie bedenkt het,
een nachtelijke bijeenkomst van één tot vier uur en met een gezellige lach
vertrekt hij met een spurt uit het peloton naar de volle maan die even
verderop boven Maastricht schijnt.
In twee uur en zesendertig minuten, kijkt Leon een vrolijke Antoine aan.
Van bij de parkingkoker diep onder de grond nabij de Walt Disneywinkel aan
de Champs Elysée tot hier, geeuwt Antoine zijn persoonlijke race na. Bij
een bord scampi's, gedroogde tomaatjes en een kontje brood kijkt Antoine
Joachim aan, Vertel eens, wat ben je van mijn vriend de gouverneur te
weten gekomen? Maar bezin je tweemaal vooraleer je wat zegt. Ik duld geen
geroddel over mijn vriend, mijn boezemvriend, ooit mijn enige vriend. Leon
kijkt Joachim ernstig aan en terwijl Antoine rustig aan zijn lekker hapje
begint, steekt hij van wal, Vooreerst zijn we met vijf schimmen in de weer
geweest om het parcours van gouverneur Vroon te volgen. Het is een lastige
opdracht gebleken, maar hier is alvast een i-Pod en een MP4 waarop foto's
en getuigenissen zijn gedigitaliseerd. Er staat ook een filmpje op waar de
gouverneur te zien is tijdens een wandeling in het arboretum van Bokrijk
met de Limburgse vicaris apostolicus Antol waarvan het een publiek geheim
is dat hij lid is van Opus Dei. Ik kon deze digitale dragers onmogelijk
doorsturen of doorseinen, dat begrijp je. Uiteraard, knikt Antoine,
Daarvoor ben ik onder meer hier, en nerveus vuurt hij in de richting van
Joachim, Maar wat heeft de gouverneur tegen je gezegd tijdens zijn jongste
bezoek aan Hotel Strauss. Hij is vooral boos omdat hij niet precies weet
waar je uithangt en wat je plannen zijn. Dat moet zo blijven, hapt Antoine
een garnaal in een keer naar binnen, En verder... Joachim vervolgt, De
gouverneur weet dat er in het Koningshof, een NH-Hotel in Veldhoven nabij
Eindhoven en een voormalig zusterklooster, binnenkort een internationale
bijeenkomst zal zijn van de Haick en diverse leden van Opus Dei. Er staat
maar een officieel punt op de agenda: verbroedering, maar achter de
coulissen wordt onderhandeld hoe ze meer grip kunnen krijgen op de huidige
beleidsvoerders en meer specifiek het juridische apparaat in België
specifiek en Europa in het algemeen. Bovendien willen ze via Europa een
helikopterfunctie uitbouwen over alle landen heen zodat ze op termijn
overal hun mannetjes kunnen droppen. Zowel in het parlement als in het
rechterlijk apparaat. Dat is nu natuurlijk ook al, maar niet zo
nadrukkelijk. Er worden blijkbaar enorme budgetten vrijgemaakt om
bijvoorbeeld parlementairen en rechters via hoge sommen geld rechtstreeks
in te kopen. Dat moet via partijbesturen verlopen en als het even kan
enkel via partijvoorzitters. Zoals bij notarissen al gebeurd trouwens. Eén
miljoen euro of meer voor een notariaat. Wel, dan zal het één miljoen euro
worden voor een ministerpost of een rechterpost her of der al naargelang
de noden en de opportuniteiten in de streek. Antoine knikt stilletjes
terwijl hij eet. Het is een soortgelijk verhaal dan hij in Parijs heeft
opgesnoven. Ook daar is de bal volop aan 't rollen en wordt de democratie
meer en meer geleid door harde valuta. Dat is altijd zo geweest, maar nu
expliciet. Met de democratische instelling wordt openlijk gesold en met de
kiezers en het volk nog het meest! Ministers worden letterlijk 'gekocht'.
Rechters worden na het storten van grote sommen geld gewoon toegeleverd.
Het is de nieuwe dictatuur en het einde van de democratie in het Westen.
En, verheft Joachim zijn stem nu, Ze willen jou liquideren... letterlijk.
Antoine glimlacht terwijl hij naar Leon kijkt die zijn mondhoeken
flauwtjes optrekt. Joachim vertelt verder, Sinds een week wordt Hotel
Strauss streng bewaakt door loze vissertjes aan de Maas. Fifty-fifty
staatsveiligheid en de Haick. Staatsveiligheid heeft blijkbaar een
bevelschrift op zak voor jouw onmiddellijke aanhouding en de Haick zal
graag met scherp schieten, vermoed ik. Er volgt een korte stilte. Hmm,
snijdt Antoine nog een garnaal in twee, Weet je wie zijn informant is...
Van de gouverneur, euh... neen, kijkt Joachim sip, Maar ik heb zijn
wandelgangen een aantal dagen laten volgen en die komen geregeld uit in de
Sint-Servaasbasiliek in Maastricht. In het Pandhof heeft hij dan
ontmoetingen die soms uren duren. Met wie, wil Antoine weten. Enkele keren
hebben we theoloog Schilders zien binnengaan. En wie is Schilders, vraagt
Antoine. Die ken ik, mengt Leon zich in het gesprek, Schilders komt uit
het land der Norbertijnen, maar hij is vrij vroeg in de leer gegaan bij
het Vaticaan en hij is zich vanaf dan beginnen gedragen als een botte
inquisiteur die onder het mom dat een democratie als evenwicht fungeert
tussen vrijheid en gelijkheid, mensen positioneert in de maatschappij,
maar evengoed mensen liquideert... maar dan figuurlijk. Door ontslagen te
regelen en zo. Pionnen in een radarwerk weg te promoveren en zo. Hij gaat
in de wandelgangen door voor een gematigd gelovige die vooral op zoek is
naar potentieel gelovig talent. Tal van huidige bisschoppen zijn
suggesties van hem, zowel in Nederland als België. Eigenlijk is hij
ondogmatisch en anti-ideologisch in de zin dat hij afkerig is van alle
pasklare formules en doctrines. Wel, wel, schept Antoine een beetje
krabsla op, En wie heeft mijn vriend de gouverneur nog zoal ontmoet. Bert
Tey en Patrick Bloem, voegt Joachim er resoluut aan toe. Twee rechters,
kijkt Antoine verbaasd op. En fanatieke anti-vrijdenkers, vult Joachim
aan. De foto's staan op de MP4 en er staat ook een opmerkelijk interview
op van Patrick Bloem over zijn gedacht over de vrijmetselarij. Wow
Joachim, jij hebt er waarachtig werk van gemaakt. Je overtreft mijn
verwachtingen. Mijn vrienden in Parijs zullen opkijken van dit puik
opzoekwerk. Joachim lacht verlegen, Ik heb veel medewerking gehad van onze
vrienden-rechters Joan en Marie. Op de i-Pod staan ook nog foto's van
Haick-leden die in Praag verantwoordelijkheid dragen waaronder de
vermoedelijke killer van onze Aller Drahomir en wellicht ook Bohuslav. We
hebben de foto's via Nederland binnengekregen van Husak die nog steeds
ondergedoken leeft in Praag. Ik wil dringend naar Tsjechië, staat Leon
plots recht. Jij blijft hier, beveelt Antoine hem weer te gaan zitten. Jij
bent hier nodig en meer dan ooit. Jij bent de nestor van het hotel en je
zal op korte termijn ook moeten zorgen dat die vissers verdwijnen. En welk
prikkelend nieuws is er nog, staat Antoine recht terwijl hij naar het
rijkelijk gevuld buffet wandelt en zoekt naar zijn geliefd toetje bij de
koffie: chocolademousse.
427. Stapje terug in de tijd (dinsdag 14 juli 2009)
En nu iedereen slaapt - eindelijk - kan ook Hotel Strauss op zijn
fundamenten rusten. De grondslag van het huis gaat terug tot de 13de eeuw
toen de geschiedenis van Leut en Meeswijk nog verankerd lag in het verhaal
van de kasteelheren van Leut. Ongeveer gelijktijdig met het bouwen van hun
versterkte waterburcht door Jacob van Tongeren in 1274, is het deugdelijk
fundament van Hotel Strauss opgetrokken als een soort waakhuis van de Maas
die toen nog onvoorspelbaarder was dan vandaag, maar vooral de bron was
van alle leven dat was, komen zou en eigenlijk nog altijd is. Het waakhuis
aan de Maas in Mazenhoven van Jacob van Tongeren had een veelzijdige
functie. De belangrijkste was echter de tunnel die liep van zijn
zwaarbewapend kasteel naar het huisje aan de Maas als ultieme vluchtroute.
Steevast lagen er snelle bootjes in de Maas nabij het huis zodat de
vluchtroute snel en gemakkelijk kon verlengd worden via de vlietende Maas
die toen nog breder en veel sneller stroomde dan nu en veel meer
Maasplassen herbergde. Perfecte schuiloorden bij nacht en ontij én bij
levensgevaar. Maasplassen die niet ontstonden door grindontginning maar
door overstromingen die jaarlijks plaatsvonden en als visitekaartje
oneindig veel meertjes, zeg maar gerust heuse vijvers achterlieten die de
plaatselijke bewoners inspireerden om er persoonlijke oorden van te maken
waarop ze vis uitzetten om alzo op korte en middellange termijn een extra
bron van smakelijk eten te hebben. De respectievelijke kasteelheren lieten
betijen en eisten jaarlijks enkele pannen vis als vergoeding. Vele vijvers
werden vakkundig beheerd en afgedamd zodat bij een volgende overstroming
de hele buit niet weerkeerde naar de ader van alle leven, de Maas. Het was
bovendien ook en vooral aan de randen van de vijvers dat de befaamde
wilgen van het Maasland werden ingeplant om er redelijk snel al dunne
twijgjes van te knippen om alzo manden en ander praktisch wisgoed van te
vlechten. Jawel, in de Middeleeuwen van Leut en Meeswijk was de
bedrijvigheid veel groter dan vandaag ook al woonden er maar een handvol
mensen. En dat wil wat zeggen nu het toerisme er weelderig tiert en
stoeten mensen er komen wandelen en fietsen, komen genieten van de
natuurlijke pracht en urenlang aan de oevers van de Maas kunnen
reflecteren over het leven, hun leven en wat ze er nog van gaan bakken.
Alleszins, de eerste bewoner van Hotel Strauss was een sympathieke
landloper die eens het leven van de kasteelheer Jacob van Tongeren heeft
gered. De landloper Egon zou in zijn eentje drie struikrovers naar het
eeuwige leven geholpen hebben toen die heer Jacob in de oneindige
loofbossen van het Maasland nabij Leut met zijn paard ten val brachten en
de heer levend wilden villen toen die compleet verdoofd-bedwelmd van de
val naast zijn paard bleef spartelen. Egon kruiste ongelooflijk toevallig
het pad van de struikrovers en de gevallen heer en greep spontaan in omdat
zijn Middeleeuwse filosofie niet toeliet dat iemand onrechtmatig zou
gevild worden. Er zo ontstond er een geheime vriendschap tussen de twee
die niet dadelijk kon veruiterlijkt worden gezien het klassenverschil
tussen de heer en Egon, maar de verloning voor Egon's daad kon tellen.
Heer Jacob liet een wachthuis optrekken aan de Maas, waarop later het
Hotel Strauss zou opgetrokken worden dus, en installeerde er zijn vriend
Egon die hij eveneens twee meiden en een staljongen bezorgde zodat hij
zich specifiek kon wijden aan het zogezegd bewaken van de Maas en
uiterwaarden in Leut en omstreken. Egon kreeg een soort zegelring waarmee
hij zich kon legitimeren naar de ridders en bezoekende adel toe. Maar nog
het meest spon de vriendschap een onverwoestbare draad toen heer Jacob
zijn vriend Egon een algemene opleiding aanbood via de abt van het
kasteel, een brave Norbertijner die als eerste nazaat van de feitelijke
stichter van de Orde, Norbertus van Xanten, van Prémontré - de plaats waar
in 1121 de Orde is gesticht met als levensfilosofie het beschouwende leven
en de liturgische dienst te verenigen met het actieve leven, zoals
zielzorg en onderricht - naar het Noorden werd gestuurd om de eerste
bakens uit te zetten. Soit, de abt nam zijn opgelegde taak ter harte en
maakte van de toch al pientere Egon een klassenbak van jewelste. Binnen de
twee jaar was Egon een bedreven literator die als de beste leerling het
Latijn meester was en vlotjesweg omging met een Quintilianus en Ovidius en
de niet gekuiste bijbel op zijn duimpje kende. De gesprekken die hij vanaf
dan voerde met zijn heer Jacob en vaak ook de abt waren van een
uitzonderlijk hoog niveau dat menige filosoof van vandaag zou
verbijsteren.
Als de drie, gewapend met het beste bier uit de streek en een pond kaas,
naar de Maas trok, dan kon het wel eens zijn dat ze dagenlang wegbleven.
Vooral als ze het over Augustinus, een Noord-Afrikaanse bisschop (354 -
430) hadden en zijn boek, De bono conjugii, of waarin op een wel heel
polemische manier wordt vastgelegd dat in een huwelijk
geslachtsgemeenschap alleen is toegestaan met het oog op voortplanting
(concubitus propter solam procreationem). Dus als middel en nooit als doel
of om het genot. Maar evengoed deinde het gesprek uit naar de materie uit
de hemel of, Heeft God de hemel van een materie voorzien, Wat is de
opvatting van de Averroïsten, de Platonici en in het bijzonder van
Aristoteles over deze kwestie... Egon wou altijd verder gaan, Indien de
hemel materie bezit, van welke natuur is ze dan, en, Is de materie van de
hemel dezelfde in alle delen van de hemel. Ook de figuur en de kleur van
de hemel kwamen aan bod, Waarom is de figuur van de hemel cirkelvormig,
Waarom mag de cirkel eeuwig genoemd worden, Heeft de hemel een linker- en
een rechterkant, Heeft de hemel een kleur, Hoeveel vormen heeft de
hemel... tot vragen zoals, Heeft de hemel een onbeweeglijk centrum nodig
waarrond hij kan bewegen en, Wat is het antwoord van de huidige filosofen
daarop... Ja, het ging er soms hevig aan toe aan de oevers van de Maas en
het zou nog duren tot de geboorte van Julius Caesar Vanini in 1585
vooraleer op bovenstaande vragen een gefundeerd atheïstisch antwoord zou
geformuleerd worden. Tijdens zo'n filosofensessie aan de Maas werd er
menig visje gevangen en gebraden om de geest verder te voeden met
proteïnen en overheerlijke Maaslandse geuren en kleuren. De abt was een
kei in kruiden en strooide op iedere vis een kruidenmengeling die paste
bij de redenaar van dienst. Egon kreeg daarbij altijd extra marjolein,
wilg en koningskaars toegediend - nog steeds enkele van de
basisingrediënten van het huidige Maaslandse kruidenzout - wanneer hij al
eens terugkeerde naar zijn landlopersverleden en zijn adagium 'Zij
belasteren ons, de schurken, waar er slechts dit verschil is, dat zij de
armen beroven onder dekking van de wet, gewis, en wij de rijken beroven
onder bescherming van onze eigen moed'. Maar naast het extra zout van de
abt, was een blik van heer Jacob vaak voldoende om Egon te temperen en
zich weer in goede orde te melden en zich aan de leuze te wijden 'Wat niet
in de verbeelding kan ontstaan, zal in werkelijkheid nooit bestaan' en dan
was de boot weer vertrokken.
Het zou tien jaar duren vooraleer heer Jacob het geheim van de tunnel van
de versterkte waterburcht naar het wachthuis zou bekend maken aan Egon. En
het was de abt die diep onder de grond de eed van Egon verzegelde om dit
geheim te bewaren tot in zijn graf. Het was ook de beginfase van het
uitwerken van een heel nieuw tunnelstelsel onder de waterburcht en de
activiteiten zouden geschieden vanuit het wachthuis. Egon die zich al die
tijd bekwaamd had in bouwkunde en werktuigkundige, een soort burgerlijk
ingenieur van die tijd zeg maar, nam de totale werken op zich. Het centrum
van het project zou zich bevinden onder de kapel van de abt in de burcht
en alles, werkelijk alles, van steengruis wegbrengen tot het aandragen van
meubilair in de catacomben van het kasteel zouden via de oorspronkelijke
vluchttunnel gebeuren. En zo geschiedde. Egon ontwierp een plan dat eruit
zag als een wiel met acht spaken waarvan eentje de spaak van het kasteel
naar het wachthuis was. De as of het centrale gedeelte was de tempel die
zich eerder ovaal dan rond aftekende en een oppervlakte had van ongeveer
62,80 vierkante meter. De spaken of gangen vanuit de as naar de buitenkant
van het wiel kwamen uit op een gang die zich dus rond de tempel cirkelde -
een soort wandelring op spaakafstand van het centrum, dus - met op gelijke
afstand op die ring nissen waarin kunstvoorwerpen geplaatst werden of
waarin individuen konden mediteren. Een nis nabij de (vlucht)tunnel naar
het wachthuis was ruimer omdat er de catering in gebeurde. Dat was ruwweg
het plan waaraan Egon en twaalf werklieden gedurende drie volle jaren
kapten en zwoegden. Daarna werd het ondergrondse bolwerk, dat heer Jacob
graag zijn tempel noemde, ingehuldigd door zeven adellijken uit de nabije
streek die vandaag de euregio wordt genoemd, bijgestaan door de abt die
kapelmeester moest spelen wat niet meer of minder wilde zeggen dan hij met
harp en gezangen het feest moest opluisteren. Egon had de taak van
tempelbewaker en hofmeester tegelijk. Vanaf dat inwijdingsmoment van de
ondergrondse waterburcht genoot Egon een ongekend aanzien bij de betere
adel en werd hij zowat de vertrouwensman van de hele regio. Via de Maas
kwamen de adellijken regelmatig afgezakt naar het wachthuis om dan
spoorloos te verdwijnen in de tijd. Het wachthuis werd ook uitgebreid met
stallingen voor paarden en een extra opslagplaats voor bootjes.
Tja, dit stapje terug in de tijd is leutig om te weten vooral omdat de
dubbele werken aan Vilain XIIII momenteel zijn gestaakt na een instorting
waarbij een arbeider zeer zwaar gewond is weggevoerd. Toen de bouwfirma
Vandervelden opheldering vroeg inzake de plannen, de werkelijke plannen
dan, heeft Sylvain de werken stilgelegd en heeft hij Antoine uiteindelijk
kunnen bereiken over het verdere verloop van de grote én geheime
renovatiewerken. Daarop heeft Antoine gevraagd om de werken opnieuw, zoals
ten tijde van heer Jacob van Tongeren, te starten vanaf Hotel Strauss. De
manschappen om het werk uit te voeren zullen geleverd worden door de
broeders van de Orde. En zodoende zullen dan eerst de catacomben worden
gerenoveerd en later het eigenlijke kasteel waarin Sylvain zich kan
installeren met zijn administratie. En met die opdracht is Sylvain nu
belast. De bouwwerken aan het bovengrondse kasteel Vilain XIIII nog twee
jaar uitstellen via allerlei procedures, gaande van wetten inzake
ruimtelijke ordening tot de duistere nooit uit te klaren milieuwetgeving
tot de meest geheimzinnige urbanisatieregelingen die erop van toepassing
kunnen zijn. Antoine zal spoedig afreizen van Parijs naar Leut, maar niet
zonder er zich eerst van te vergewissen dat de kust veilig is. Volgens
Joachim bevinden zich de jongste tijd enorm veel pleziervissers in de
buurt van Hotel Strauss. Sommigen vissen zelfs zonder aas en anderen
vissen meer met de verrekijker dan met hun werphengel, respectievelijk de
mannen van de Haick - sinds de moord op Amos Van Aquino - en agenten van
de Staatsveiligheid - ook na de duistere moord op Amos! Joachim denkt
echter de situatie redelijk onder controle te hebben. Hij gaat op zijn
beurt ook dagelijks vissen en gaat daarbij wild te keer door regelmatig
van plaats te veranderen alsof hij een pathologische gek is, nog meer dan
een psychotische visser.
426. De pijp van Britt (dinsdag 7 juli 2009)
De nieuwe avond en ik wik mijn woorden want iedere avond is nieuw maar
niet zo nieuw als hij met Britt beleefd wordt, zo zal later blijken.
Vandaar de zogeheten nieuwe avond om toch enigszins onderscheid te maken
met alle nieuwe avonden die het Maasland in het algemeen en Hotel Strauss
in het bijzonder te beurt vallen. Dag na dag en al zolang als de aarde
bestaat. Dat is een kosmische wetmatigheid waartegen geen enkele geleerde
iets kan inbrengen. Maar deze nieuwe avond waarover zodadelijk een verslag
volgt, is niet bestemd voor gevoelige lezers, preutse toeschouwers of
uitgesproken puriteinse kijkers omdat hij een smeuïge weerklank heeft, al
schrijf ik het zelf omdat ik het moet schrijven omdat schrijvers gebonden
zijn aan rationaliteiten en emotionaliteiten of een mengeling van die
twee, maar evengoed omdat ze moeten schrijven over de levensbevattelijke
excessen die op aarde plaatsvinden, her en der, in oorlogstijd of in
vredestijd, in Timbuktu of gewoonweg aan de Maas in en aan Hotel Strauss.
Vanaf nu licht dan ook eenmaal maar duidelijk het verwittigingsicoon op
van Verboden onder 18 jaar én... verder lezen op eigen
verantwoordelijkheid, dus. Temeer daar Britt één brok eros is en iemand
die eerder uitzonderlijk dan wel zoals de massa leeft. Mensen zoals Britt
vind je niet overal omdat ze haar tijd, of de tijd die er in haar ogen
naast het leven rest, niet besteed aan het verzamelen van postzegels,
sigarenbandjes, ansichtkaarten, boeken, horloges, vazen, stenen, beelden
uit mahoniehout, handtekeningen, uilen, paarden in alle materialen,
blikken dozen, schilderijen, miniatuur autootjes, antiek speelgoed,
maskers uit Venetië, schoenen, streekproducten uit Limburg,
sleutelhangers, Disney-figuren, asbakken, pennen, cd's, radio's,
stripboeken, uitgaves van National Geographic, brillen of alles waarvoor
geldt, materiam superabat opus, de bewerking overtrof het materiaal. Neen!
Britt koestert maar één verzameling en dat zijn... mannen. Alle mannen die
ze versiert slaat ze op in haar geheugen en in de meest gediversifieerde
mappen rangschikt ze haar verzameling van mannen die ze gewoon versierd
heeft zonder een aanraking tot de mannen nec plus ultra, of in dit laatste
geval gewoon gezegd, de mannen die haar zo doen genieten hebben dat er
geen druppeltje meer bij kon of dat ze vol levenssappen zat als een
literfles waar je met geen mogelijkheid meer dan een liter in krijgt.
Kortom, ik wil later, na het lezen van dit hoofdstuk, absoluut geen
klachten krijgen van de Uitgever, laat staan persoonlijke brieven
ontvangen die me uitschelden als zou ik een geile gortige schrijver zijn
of in een nota terechtgewezen worden en waarbij de nota zich beroept op de
morele plicht van een schrijver met gewicht of tenminste zijn gevoel van
pedagogische tact als handelaar in woorden. Maar goed! Eigenlijk leidt
deze nieuwe avond (met Britt, dus) het verhaal in over de pijp die Britt
haar baas gezet heeft de jongste week, terug te tellen vanaf dit moment.
Gezien het uitzonderlijke hete weer dat de afgelopen dagen het Maasland
teistert, hebben ook de vele gasten er meer en meer last van. Ze kleden
zich almaar schaarser en schaarser, ze drinken meer en meer én vooral
sterk alcoholische dranken, ze eten minder, ze trekken een grotere bek
open en vooral... ze hebben duidelijk meer zin in sex. Dit laatste is des
te opmerkelijker daar het Maasland doorgaans een zekere ingetogenheid
voorhoudt en al bij al meer neigt naar bedeesde omgangsvormen dan wel
tepels die uitnodigend doorheen een bloesje steken of al te korte rokken
die het niet zo nauw nemen met pikant ondergoed. Mannen daarentegen lopen
al eens ongegeneerd met een tent in hun broek over het terras als
belachelijk lokmiddel of als schijnbaar vertoon dat hun BlackBerry
verkeerd zit opgeslagen in hun broekzak. Zoiets. Mannen zijn nooit zo
geraffineerd als vrouwen. Zij hebben een pik en die volgen ze bij wijze
van testosteron. Vrouwen zijn zoveel interessanter en zoveel mooier. De
meeste vrouwelijke klanten van Hotel Strauss blijken dezer dagen trouwens
hun goesting niet onder stoelen of banken te steken en ze begeren
duidelijk dingen die ze anders niet zo fel begeren: neuken! Volgens de
meeste enquêtes in Flair, Goedele of Het Belang van Limburg hebben ze die
uitgesproken goesting maar gemiddeld tot drie keer per maand. De huidige
koerswijziging bij de vrouwen in Strauss zorgt dan ook voor uitermate
vrolijke mannen die zich vooral niet meer weten te gedragen wanneer de
wulpsheid hun vrouwen plots begeestert. Nochtans bestaan er theorieën die
eveneens gepubliceerd worden in media voor het simpele volk en die
uitleggen dat vrouwen bij aanhoudend heet weer gemakkelijker en sneller
van bil willen gaan. Mannen volgen veelal gedwee hun vrouw en even lijkt
het dan de omgekeerde wereld. Het kan verkeren, zei Bredero, maar dan nog!
Het prioriteitenlijstje heetst, heter en heet, komt maar zelden van pas
bij het spel der spelen tussen man en vrouw. De man mag dan nog zoveel
wensen als hij wil, de vrouw beslist altijd! Maar de voorbije nachten leek
het bij Hotel Strauss dus de wereld op zijn kop. Al na het avondmaal
porren de vrouwelijke gasten hun mannen aan om snel snel hun degustiefje
naar binnen te gieten om dan snel snel mee te gaan naar de kamer van
plezier. De bedoeling laat zich gemakkelijk raden. Zelden is Hotel Strauss
zo zwanger geweest van de rasechte eros. Een toevallige bezoeker zal
beslist spreken van obsessief gedrag, volledig te wijten aan de
uitzonderlijke paringsdrang van de vrouw, maar alleszins komt gedurende de
hele nacht en op de meest onmogelijke momenten altijd wel iemand klaar. En
na enkele dagen doet blijkbaar niemand nog de moeite om zich wat in te
houden bij zo'n love-sessie. Zo dacht Margaretha de nacht voordien dat in
Kamer Montaigne een bevalling aan de gang was, maar toen ze haar oor
stevig tegen de deur aandrukte, hoorde ze duidelijk de man in een
onderdanige rol prevelen, Is het lekker schat. En dat zeg je niet tegen
een vrouw in barensnood. In Kamer Aquino hadden de gasten duidelijk
internet opgezet om synchroon met het pornofilmpje te hijgen en te
kreunen. In kamer Nietzsche zit Jaak, waarover straks veel meer, een
vrijgezel die zich deze vakantie een ongeluk masturbeert en de legende als
zou Nietzsche zich gek gemasturbeerd hebben, alle eer aan doen. En zo kan
Margaretha van elke kamer een bedgeheim of een seksgeheim vertellen. Britt
luistert ernaar zoals een priester naar gregoriaanse gezangen. Ze nipt met
een ingehouden onstuimigheid aan haar glas champagne met zoveel smaak
alsof ze de druiven zelf uitperst en absorbeert zoals alleen vinologen dat
kunnen. En zo heeft iedere kamer vroeg of laat zijn bedgeheim, lacht
Margaretha tegen Britt. Toegegeven, Britt kan een ongelooflijke
katalysator zijn tussen mannen en vrouwen. Vrouwen die haar zien, gaan van
nature uit en nog voor er sprake kan zijn van werkelijke concurrentie, in
de tegenaanval en smoren hun man terplekke om hem daarna weg te sleuren
van de indringende blikken van Britt en vooral haar fantastisch voorkomen
dat prikkelt zoals citroen op een wonde.
Deze avond belooft de hemel opnieuw alles. Op het terras is het ruim 30
graden en het is al 22.30 uur. Heel wat koppels zijn zoals gezegd of
gesuggereerd al naar hun liefdeshol vertrokken, maar bij sommigen duurt
het voorspel wat langer. Britt laat het zich welgevallen en pimpelt rustig
- zo nu en dan vergezeld van Margaretha - een flesje champagne leeg.
Iedere keer als Margaretha langs komt, wil Britt klanteninformatie en als
ze op een zoveelste moment informeert naar die rare aan het tafeltje
uiterst rechts van haar, laat Margaretha eerder het wit dan het schone
bruin van haar ogen zien, Dat is nu Jaak, wordt ze een beetje ernstig. Een
rukker eersteklas. Hij is een rijke Nederlander en woont in Heerhugowaard
boven Amsterdam. Eigenlijk is hij een bijzondere gast die jaarlijks een
weekje komt logeren, fluistert Margaretha verder in het bereidwillige oor
van Britt, Hij handelt in alcoholische dranken en bezit diverse
drankencentra. Tijdens zijn vakantie hier, bezoekt hij vooral de
wijngaarden in Limburg en het liefst doolt hij door de wijnplantages van
het superbe Wijnkasteel van Genoelselderen. Hij heeft pakken geld, hij is
niet getrouwd en hij kan verschrikkelijk veel drinken. Hmm, neemt Britt
hem nog eens op van kop tot teen. Dat ze daarbij ook haar lippen nat maakt
met haar tongetje is Margaretha niet ontgaan en dadelijk reageert ze, Maar
er is ook een andere kant van de medaille. Het is een ongelooflijke
heetzak die zonder dralen een voorstel durft doen waar je meteen van
bloost. Aha, knikt Britt terwijl ze een ferme slok neemt. Bovendien, gaat
Margaretha verder, Eens je met hem aan een tafeltje zit te drinken en te
grappen, kan hij zijn handen niet thuishouden. Eerst onschuldig, daarna
stoot hij toevallig tegen je borsten en als je niet reageert, durft hij
ook lager gaan. Een goed voorstel, wil Britt weten. Margaretha kijkt Britt
strak aan, Hij bood me gisteravond 500 euro aan voor een wip. Britt grijpt
naar de fles en schenkt royaal in, Vijfhonderd euro, giechelt ze. Echt
waar, steekt Margaretha haar vingertjes een en twee in de lucht. Maar ik
meen dat het ieder jaar erger wordt met Jaak, roddelt Margaretha onder
invloed van drank in treinvaart verder, Vorig jaar probeerde hij de
vrouwen met zijn charme te versieren of een koppel flessen champagne, maar
dit jaar heb ik hem al een paar keer met geld zien goochelen. Eigenlijk
zou ik hem moeten zeggen dat dit absoluut niet kan, maar zoals ik al zei,
Het is een goede klant. Britt lacht hardop en maakt aanstalten om het
tafeltje te verlaten en meteen naar Jaak te verhuizen. Oh neen, reageert
Margaretha heftig terwijl ze aan het korte rokje en tevergeefs aan de
tsunamigoesting van Britt trekt. Maar Britt is al weg en vraagt beleefd
aan Jaak of ze zich even bij hem mag zetten. Geen probleem, aarzelt hij
geen seconde.
De dialoog begint bloedserieus en gaat tamelijk snel, Ik heb je hier nog
niet gezien. Ik ben vandaag pas aangekomen. Ah zo, en blijf je lang.
Zolang Margaretha me nodig heeft. Ah zo, je kent Margaretha. Oh ja, we
zijn boezemvriendinnen. Ja, mooie boezems hebben jullie wel, haha. Dank
je. Wat doe je voor de kost. Ik werk voor een telecombedrijf. In de
ambtenarij, dus. Een soort parastataal bedrijf. Ah, een
semio-overheidsbedrijf. Zo je wil. Dat heb ik vroeger gedaan. Ambtenarij?
Ja, ambtenaartje spelen. En? En wat? Je bent ermee gestopt? Natuurlijk,
toen ik door had hoe de verdeling van de taken gebeurde, heb ik ermee
gekapt. En hoe werden die taken dan verdeeld? Volgens een zeer eenvoudige
regel. Dewelke? Namelijk die dat de vertegenwoordigers van elke rang de
plicht hebben al het werk te doen dat binnen hun competentie valt, zodat
er zo min mogelijk werk door hoeft naar de volgende rang. Britt giechelt
luid en Jaak doet teken dat hij nog een fles champagne wil. En twee halve
kreeften voegt hij er met een lachje aan toe wanneer Margaretha de
temperatuur aan het tafeltje komt opmeten... Dit betekende dat wij kleine
ambtenaren onafgebroken aan het werk waren, van het begin van de dag tot
het eind, terwijl onze bureauoversten zo nu en dan iets te doen kregen.
Wij wisten niet alles, ging hij met een vinger over Britts arm zijn
oogleden optrekkend alsof hij iets verrassend vertelde. Ga verder, spoort
Britt hem aan, Wel, kijkt hij in haar guitige ogen, De chefs hadden
slechts af en toe iets te doen en de directeur van de dienst vrijwel
nooit. En toen dat maar bleef duren ben ik ermee gekapt. En toen? Toen ben
ik in de drankenhal bij mijn vader gaan werken en van het een komt het
ander. Ik verdeel nu alle betere dranken in Nederland. Vooral de sterke.
Van Groningen tot Maastricht en van Venlo tot Den Haag. Wow, je bent een
hele Piet. En ik heb ook een hele Piet, grinnikt Jaak vol zelfvertrouwen.
Britt lacht flauwtjes mee. Het moet gezegd dat Britt stiekem walgt van
deze kerel, maar des te meer wil ze zich inzetten om hem een poepje van
eigen deeg te laten ruiken. Uiteraard na eerst de halve kreeft en het
flesje champagne soldaat te hebben gemaakt. Tijdens die smulpartij spreken
ze niet veel en is er af en toe oogcontact, enfin de ogen van Jaak gaan
niet verder dan van zijn kreeft tot de welgevormde borsten van Britt.
Britt bespeelt de rijkaard nu met haar ogen en met ongekende krachten laat
ze af en toe ook haar borsten bewegen. Alleen als hij drinkt kijkt hij
Britt aan, Lekker eh, kraakt hij nog een poot. En wanneer de kreeft
volledig naar Walhalla is verhuist, veegt Jaak zijn vettig mondje af en
schuift hij iets dichter bij Britt. Die is op haar hoede, maar daar merkt
Jaak geen sikkepit van. Hij staat al half naakt in zijn dromenwereld. Je
bent een knappe vrouw. Dat weet ik. Ah, je bent ook ijdel. En jij durft.
Hoezo ik durf. Ik ben toch een vreemde vrouw voor je en jij bent na een
uurtje al zo intiem. Zo ben ik. Hoe ben je. Recht door zee. En hoe diep
door zee. Tot de bodem als het moet. Maar stel eens dat ik een hoertje
ben. Dan betaal ik je. En als ik 1.000 euro voor een wip vraag. Dan betaal
ik dat. Maar ik ben geen hoertje. Dan krijg je ook 1.000 euro. Je bent
gek. Ik heb ontzettend zin in je. Je hebt teveel gedronken. En zo gaat het
gesprek verder. Zeemzoet, SpongeBobachtig niveau en naarmate het terras
leeg loopt, durft Jaak al een keer meer zijn vinger of zijn hele hand
gebruiken om Britt een aai te geven. Een keer raakt hij zelfs Britts
borsten aan. Oei, giechelt hij als een homo zonder adamsappel. Britt voelt
op dat hoogst eigen moment dat de buit binnen is. Margaretha komt zo nu en
dan langs en ze knipogen naar elkaar. Jaak is nu volledig verblind door
Britt die overgaat naar fase twee van haar duivels plan, Dus jij zou alles
voor me willen doen. Alles. Echt alles. Ik zweer het op al mijn flessen
bordeaux. En je wil doodgraag met me naar bed. Ik heb ongelooflijke zin in
je. Kan je dat bewijzen. Kijk naar mijn tent in mijn broek. Dat zegt
niets. Zeg dan wat ik moet doen. En hier zou Jaak geweldig spijt van
krijgen al beseft hij dat nog niet, maar zoals later zal blijken, is dit
het scharnierpunt van het verhaal tussen Britt en Jaak dat intussen verder
en verder kwijlt in de avond die stilaan een nieuwe dag nadert, Goed, dan
zal ik je een opdracht geven. Ik een opdracht krijgen, strompelt hij met
zijn tong. Ah ja, je zegt dat je ontzettend zin in me hebt en dat moet je
dan maar eens eerst bewijzen. Ok ok, zeg maar wat ik moet doen. Heb je een
zakdoek bij. Ik heb een zakdoek bij. Goed, ga dan naar je kamer en trek je
af. Breng je zaad mee op de zakdoek. Als je dat voor mekaar krijgt, ben ik
van jou. Dan zet ik je een pijp. Is dat alles. Dat is alles. En dan mag
ik... Dan mag je als je nog altijd zoveel zin hebt, natuurlijk. Tot
zodadelijk... en Jaak vertrekt bijna hals over kop het hotel binnen.
Margaretha stapt onmiddellijk naar Britt toe en vraagt haar wat dit
allemaal betekent, maar Britt komt niet meer bij van het lachen en als het
dan toch even kan, zegt ze, Als Jaak seffens terug komt, kom dan snel naar
het terras en wijk niet meer van mijn zijde, maar wacht eerst tot je Jaak
zijn zakdoek ziet nemen. Afgesproken!
Jaak komt niet veel later het terras op gelopen. Fier en trots met zijn
trofee in zijn handen. Hij wil doek en zaad wel camoufleren, maar de drank
bedwelmt hem om dit ook daadwerkelijk te doen. Bovendien zijn de laatste
twee koppeltjes op het terras zodanig in de ban van de liefdestover dat ze
Jaak al lang niet meer in de mot houden. Britt kijkt Jaak met argusogen
aan en glimlacht met dezelfde flair zoals de volle maan de aarde
beschijnt, Ben je er al. Ik ben er al. En? Hier zie! Trots toont Jaak zijn
mannelijke prestatie, netjes opgeborgen in zijn zakdoek. Britt kijkt van
ver en beaamt zijn werkelijke topprestatie. Zo te zien zit zijn zakdoekje
goed vol. Bwa, heeft ze plots genoeg van champagne en ze beseft dat ze
hier ver over de schreef is gegaan, maar gedane zaken nemen geen keer.
Daarom is ze uiterst content wanneer plots Margaretha op de proppen komt. Daar
wil Jaak zijn goedje niet aan laten zien en van de weeromstuit duwt Jaak
zijn neus in zijn zakdoek als moet hij eens flink niesten of zijn neus
snuiten... maar wanneer hij zijn nakomelingen in zijn neusgaten voelt
trappelen, jammert hij zoals een huilende wolf in de nacht, duwt met zijn
voeten zijn stoel achteruit en verlaat met een vuurrood hoofd en veel
kabaal het terras. Bloedt je neus, wil Margaretha hem ondersteunen, maar
met een heftige armomhaal breekt Jaak verder door de nacht. Ze zien hem
niet meer terug en de dag nadien zal hij ook niet meer op het toneel
verschijnen. Britt proest het uit. Margaretha lacht mee al kent ze de
finesse van het verhaal niet. Britt gaat vlotjes van de gulle lach over
naar de slappe lach. Ze ruimt met een smile tot achter haar oren het
terras samen met Margaretha op en dan begeven de twee vrouwen zich naar
hun bedje.
Vertel eens. Wat is dat met Jaak geweest, wil Margaretha weten. Britt
speelt de film nog eens af. En hoe zit het met die pijp van je baas, is
het volgende verhaal dat Margaretha wil horen vooraleer ze haar schaapjes
wil beginnen tellen. Ach, zegt Britt. Om een lang verhaal kort te maken
want ik ben doodmoe, Toen ik vorige week met drie vrienden in Moeskroen
naar een sjieke parenclub ging, zag ik plots mijn baas aan de toog zitten.
Je baas in een parenclub, zet Margaretha zich rechtop in bed. Ze doet net
het licht niet aan. Ja, herhaalt Britt, Het is een zéér exclusieve tent -
250 euro inkom voor vrouwen, mannen betalen het dubbel - maar daar zat hij
plots te zwieren met zijn mastje aan de toog. Hij heeft maar een matige
pik. Ik schat maximum 14 cm. Geen pornobabe, dus. Maar daar heb ik hem een
pijp gezet toen ik hem passeerde. Zomaar, laat Margaretha zich omvallen in
bed. Ja zomaar, antwoordt Britt rustig, Zoals dat overigens een van de
geplogenheden zijn als je als vrouw naar een parenclub gaat. En wat zei
hij achteraf, blijft Margaretha zich verbazen. Dat de beste werknemers van
alle markten moeten thuis zijn, giechelt Britt. Het bed schudt nog lange
tijd na.
425. Maasland vol Amber (dinsdag 30 juni 2009)
Hoofdstuk 25
Meeslepend bezoek voor Hotel Strauss. Of beter gezegd, flamboyante Britt
is voor een visite van drie dagen en twee nachten in Hotel Strauss
aangekomen. Op verzoek van haar boezemvriendin Margaretha wil Britt wel
enkele dagen komen overnachten in het amoureuze Maasland. Het belooft
immers een druk verlengd weekend te worden want Maasland voor L'anker
vindt er plaats. Een zestigtal authentieke vaartuigen komen dan afgezakt
naar Lanklaar om er een historisch overzicht van de scheepvaart op onze
binnenwateren te evoceren. Nadat Britt er zich vorig jaar van haar beste
kantje had laten zien toen ze eerst de veerpont Stille Waters bijna
omdoopte tot een discovlot en daarna op de scheepvaartmarkt ei zo na een
buikdanssessie had gegeven met haar opzichtelijk ondergoed van Van De
Velde. Daarna ging het nieuws als een lopend vuurtje dat deze wulpse dame,
een hete deerne zonder meer, naakt zou gaan opdienen op het terras van
Hotel Strauss in Meeswijk... en nog geen uur later stonden de eerste
gluurtoeristen met fiets of wandelstok al te wachten op een lekker
Elzaswijntje bij Strauss. Toen Britt even later niet naakt, zoals de
roddels verspreid hadden, maar in uiterst uitdagende tenue verscheen -
waren de getrainde recreatievelingen allerminst ontgoocheld. Deze outfit
bood de brave zielen meer perspectief. Het perspectief van de droom, van
de fantasie, van de werkelijke eros. Zo'n kort rokje van Miss Sixty,
houten hakschoenen van Diesel en een doorzichtig bloesje van Helsen
Fashion waaronder het pikantste ondergoed van Andres Sardá te zien was,
bood meer dan lenzen in het algemeen en mensenogen in het bijzonder kunnen
verdragen. En nog een uur later kwamen ook trossen matrozen en hordes
kapiteins graag afgezakt van op de unieke cultuurhistorische locatie
Tivoli naar het warme terras van Hotel Strauss. De champagne vloeide
rijkelijk en het alom bekende Maasland van leute en plezier, van de
allerbeste carnavalsfeesten in de euregio en van plezier tout court, kende
zijn vergelijk niet die avond die pas in de vroege uurtjes afsloot met een
zwempartij in de Maas. Een naakte zwem- en braspartij welteverstaan. Toen
pas, konden de dappersten van alle dappere drinkebroers hun naakte Britt
zien, maar omdat de meesten onder hen zo ladder waren, zagen ze toch weer
niets. Of toch niet in volle bewustzijn. Het dolle feest had ook een
andere kant van de medaille. Twee mannen zijn in de loop van de avond
gesneuveld; Zij verloren hun veldslag aan de Maas. Eentje kreeg een
beroerte toen Britt op een gegeven moment op een tafel sprong en een
geïmproviseerde salsa danste. Haar Sardáslipje deed zowat de hele tent uit
de bol gaan en sommige mannen gingen op de grond liggen om het schouwspel
in alle glorie waar te nemen. Eentje is toen niet meer opgestaan en de MUG
moest ter plekke komen om hem te reanimeren. De boot van de Hollander is
veel later met een vrachtwagen van Lanklaar naar Rotterdam teruggebracht.
Kapitein Beroerte zou nooit meer varen. Een tweede man donderde van een
tafel toen hij gelijke tred wou houden met de snelle voetjes van Britt.
Hij brak een arm en zijn kaak. Enfin: dolle pret en exclusieve dolce vita
met mooie Britt die avond bij Hotel Strauss. Antoine was zeer onder de
indruk van haar optreden. In haar eentje had ze gezorgd voor een
meerwaarde van zowat 5.000 euro. Antoine had het berekend op basis van
zijn omzetten van de voorbije jaren. Inderdaad, mompelde Antoine na het
feest der feesten, Toerisme is inderdaad big economy. Het was niet
Maasland voor L'anker, had hij haar de volgende morgen gefeliciteerd, maar
Maasland vol Amber. En nu is het weer zover. Belle Britt est arrivée.
Britt, vriendin van Leon, vriendin van Joris en van Buck, van de
plaatselijke schepen Marino, van de wereldberoemde kapper Rafaëlo van
Stokkem, van de veerpont-overzetter Alberto, van de regionale charmezanger
Gio, van de bakkerszoon Joe, de vrienden van Joe en vooral de zwarte
slanke met een Porsche waarvan ze de naam vergeten is, van alle Maasland
voor L'anker matrozen en hun kapiteins, van Antoine en eigenlijk van alle
mannen. Als ze maar vrolijk en lief zijn en liefst ook een beetje veel
geld bezitten. Natuurlijk komt ze graag terug om te helpen, verzekerde ze
Margaretha aan de gsm, toen deze haar opbelde, En ik doe het opnieuw voor
niets. Dat 'voor niets' moet je wel met een korrel zout nemen, cum grano
salis. Antoine bedacht de flamboyante Britt met een Pandora hanger met een
waarde van vijfhonderd euro en zes flessen Piper-Heidsieck. Daarbovenop
mag Britt levenslang haar bruin-rossig haar laten coifferen bij kapper
Rafaëlo op kosten van Antoine. Later zou Margaretha haar nog een gedicht
van Antoine overhandigen dat hij zelf niet durfde afgeven. Zogezegd! Ze
had erom gelachen, maar draagt deze schertspoëzie niet alleen in haar
hart, maar het papiertje waarop het staat ook in haar geldbeugel als
betreft het een relikwie. Sindsdien volgt ze de website van Antoine
nauwgezet en e-mailt hem bij elk nieuw woord dat hij schrijft. Maar
misschien even terugkomen op het gedicht. Dat gaat zo:
Hete Britt
Het geroddel was er nog maar net
Dat zij zo heet stond als een raket
En dat geen man haar benen kon kruisen
Zonder zijn schuim op haar te bruisen
In de omgeving van haar werk
Kende ze nagenoeg elke klerk
En in een opgewold boekje van katoen
Schreef ze de maten van ieders klaroen
Geen man kon haar ontwijken
Zonder dat ze begon te wijzen
Naar de zwakke plekken van zijn lijf
Ze was werkelijk bezeten, het geile wijf
Maar op een dag ergens in een bed
Blies ze op de verkeerde trompet
De kleppen van haar hart sloegen door
En ze stierf als Picasso een hete dood.
Maar, ik leef toch nog, had ze verontwaardigd gereageerd toen ze het
gelezen had. Margaretha vertelde dat het gedicht als een grapje bedoeld
was. En toen Britt later Antoine ermee confronteerde, lachte deze hardop,
Maar als je zo verder gaat, is dit je fatum. En toen hadden ze beiden zo
hard gelachen dat hun buik zoals die van een buikdanseres schudde.
En, wil Margaretha meteen weten, wanneer Britt met luide entree de koffers
neerploft aan de balie. Ze giechelt en valt Margaretha meteen om de hals
terwijl ze snel in haar oor fluistert, Ik heb hem. En terwijl de twee
vrouwen mekaar stilletjes beheerst loslaten, voegt ze eraan toe,
Gisteravond is hij thuis geweest en het was heerlijk. Hij is de beste. Hij
wordt voortaan mijn absolute minnaar en, knipoogt ze naar Margaretha, hij
is geweldig en hij kan het ook ge-wel-dig. Terwijl Margaretha de koffers
opneemt en zich naar de derde verdieping begeeft, stapt Britt achter haar
aan, Het is zo'n schatje en hij is knap, zó knap. En geil, wow, ik ontplof
bijna als ik er weer aan denk. Aan wat, daagt Margaretha haar uit, Wel,
als ik zijn ding vastheb, spuit hij bijna meteen. Hij is ook zo gek van
mij dat ik meteen hopeloos verliefd geworden ben. Maar is dat niet wat
snel, puft Margaretha de twee zware koffers naar boven. Oh neen, blijft
Britt met beide handjes in de lucht bewegen dat het best in orde is, Het
is liefde op het eerste gezicht. Hij heeft het achteraf zelf bekend. Hij
vindt mij de beste in bed en... Hoe kan je al na de eerste keer, probeert
Margaretha haar interesse te laten blijken, maar Britt onderbreekt haar
meteen, Natuurlijk in bed. Alleen in bed. Voor meer heb ik hem niet nodig.
Hij is getrouwd, weet je. Hij is een slanke knappe met pekzwart haar.
Juist een Italiaan, maar hij is een geboren en getogen Belg. Een Belgische
zakenman nog wel. En hij heeft ook twee kinderen. Maar zijn vrouw is een
lellebel en verwaarloost hem. Dat bleek al na ons eerste gesprek. Ze
beschouwt hem als een geldkoe en sex is voor haar een
voortplantingsgegeven. Ah zo, is Margaretha eindelijk aan de kamerdeur
geraakt, Hij is niet alleen goed in bed, maar nog een smeerlap erbovenop.
Oh neen, protesteert Britt heftig, mijn Guido is geen smeerlap. Als die
witte del hem niet geeft wat een echte man nodig heeft, dan zal ik dat wel
even regelen. Trouwens, als hij niet bij mij komt, gaat die toch op een
ander. Een smeerlapje, dus, duwt Margaretha met één voet de deur open
terwijl ze de koffers tegen de muur laat vallen. Zeg dat niet, giechelt
Britt een beetje nerveus, Hij is zo'n lieverd. Jaja, kijkt Margaretha haar
recht in de ogen, De hoeveelste minnaar is dat nu al dit jaar. Verlegen
toont Britt vijf vingers zoals een schoolmeestertje dat zijn leerling
evenveel bladzijden straf geeft. Margaretha schatert het uit, Jij bent
onverbeterlijk. Kom hier lieve schat van me, en ze pakt Britt stevig vast.
De knuffel is intens en gemeend en wanneer Margaretha haar net onder haar
borsten knijpt, doet Britt bruusk een stap achteruit, Oe, daar kan ik niet
tegen, trekt ze een pruimenmondje, Daar ben ik supergevoelig. Als Guido me
daar... maar deze keer onderbreekt Margaretha haar, Je slaapt bij mij, is
dat goed? Maar natuurlijk is dat goed, lieve Margaretha. Tja, gaat
Margaretha verder, Het hotel zit bomvol en het kan niet anders. Maar het
is helemaal niet erg, kijkt Britt al lachend rond, Dan kan ik je 's avonds
pikante verhalen vertellen. Dat wil je toch he. Ik wil ze allemaal horen,
stuk voor stuk en de heetste eerst, beaamt Margaretha. Mooi mooi mooi,
gaat Britt nu op verkenning in de ruime dubbelkamer. Wow, giechelt ze
plots, Je hebt een bubbelbad hier. Ge-wel-dig! Daar wil ik meteen in. Doe
maar, wendt Margaretha haar blik nu van haar af, Ik laat je zolang alleen.
Installeer je een beetje en kom seffens naar beneden voor de avondlunch.
Zeg Margaretha, ik moet je nog dringend een geheim vertellen. Een geheim,
herhaalt Margaretha geacteerd nieuwsgierig. En weer giechelt Britt haar
witte tanden bloot. Met haar handjes op haar hart en een aureool van puur
lef declameert ze, Ik heb mijn baas een pijp gezet. Margaretha schrikt
zich een hoedje, trekt grote ogen en stamelt verbaasd, Je baas een pijp
gezet. De heer Didier Sonner een pijp gezet. Ja, knikt Britt met een
ingehouden pretlachje dat geen enkele actrice kan nabootsen. Vorige week
na een uitgelopen werkvergadering, knikt Britt zoals een eerste
communicantje. Poeha, schudt Margaretha nog steeds haar hoofd. Daar wil ik
alles maar dan ook alles van weten. Geen probleem, stapt Britt weer naar
het bubbelbad. En hoe moet het nu verder, wil Margaretha weten. Hij vond
het goed denk ik. Ik ben ook de beste in dat soort dingen eh. In een wip
kan ik... maar Margaretha protesteert om verder te luisteren door de
aandacht plots op een ander onderwerp te brengen. Britt giechelt van
plezier. Alhoewel, denkt Margaretha terwijl ze de volgende zin
voorbereidt, Ik wil je aan een opmerkelijke gast van het hotel
voorstellen. Een mooie man hoop ik, draait Britt de kranen van het
bubbelbad volop open, terwijl ze nog eens nadrukkelijk vraagt, Het is toch
een mooie man eh, maar Margaretha spoort haar aan zich te haasten. Met
haar ogen knippert ze zoals oranje licht dat de man slank en donker van
huid is, dik in orde dus. En Britt knippert heftig terug, de wegcode
volledig begrepen, Geweldig, ik wil er alles van weten. Beide vrouwen
blijven een moment veelbelovend naar elkaar knikken. Dan halen ze nog een
keer uit met een gesynchroniseerde giechelbui en de vuurberg die ze beiden
gecreëerd hebben, is definitief ontwaakt. Het magma kolkt en bonkt vol
ongeduld tegen de schil van de aarde. Het moet eruit. Met geweld of gewoon
met vuur en rook. Misschien straks al. Haar baas gepijpt, lacht Margaretha
hardop als ze de trappen letterlijk afholt. Heet meisje, denkt ze verder,
terwijl de kriebels als een tornado door haar buik razen.
424. Vrolijke ochtend (dinsdag 23 juni 2009)
Hoofdstuk 24
Jeroen is in zijn nopjes. Hij heeft zopas van Margaretha een enveloppe
gekregen. Met een Franse postzegel op en daarlangs een Eiffeltoren.
Afzender: Antoine. Hoera, draait Jeroen het spek nog eens om. Zijn werk in
de keuken zit er die morgen bijna op. Margaretha blijft rond hem hangen,
Wanneer ga je hem lezen, wil ze weten. Nu, draait Jeroen het vuur uit. Hij
schenkt zichzelf een grote tas koffie uit, werpt zijn keukenshort
vakkundig op het venstertablet en wandelt een beetje trots via de inkomhal
naar het terras. Jaja, knipoogt Fréderique, Een jongen gevolgd door
nieuwsgierigheid, en hij haalt ijverig een stapel borden en kopjes uit de
rekken om de ontbijttafels te dekken. Margaretha slentert twijfelend
achter Jeroen aan. Mag ik meekomen, fluistert ze meer dan praten.
Natuurlijk, zegt Jeroen, Je mag zelfs meelezen als je wilt. Neen, neen,
versnelt Margaretha haar pas, Het is jouw brief. Het is half zeven in de
ochtend en het gras buigt door van de dauwdruppels, de blauwe hemel spant
zich op en ook al valt er in de verste verte geen zon te bespeuren, ze
schijnt in het hart van Jeroen... en Margaretha die zich nu dicht tegen
hem aanschurkt. Eens de brief open, gaapt Jeroen de ochtend voor eeuwig
naar de Filistijnen terwijl Margaretha hem een por geeft, Komaan Jeroen,
lees de brief hardop voor, en ze vleit zich tegen hem aan, sluit de ogen
zodat ze intenser kan genieten van een gesprek van vriend tegen vriend,
broeder tegen broeder, peter tegen petekind.
Lieve Jeroen,
Ik wil deze keer niet vanuit de gedrochten van de aarde schrijven, niet
lelijk en niet vies, niet zwartgallig en niet troosteloos. Niet
schaduwrijk en niet zwart. Zelfs niet grijs. Geen enkele donkere tint zal
deze keer mijn geschrift beïnvloeden. Mijn woorden zullen zo helder zijn
als jonge sla. Mijn zinnen zullen schijnen als de zon en als je me leest,
zal je dezelfde warmte ervaren als bij het beluisteren van de intieme
pianomuziek van de Spaanse componist Frederico Mompou (1893-1987). Muziek
zo zacht als boter en zo zoet als gedroogde tomaten door de avondzon.
Prikkelend als groene pepertjes en tintelend op de tong als mierikswortel.
Verzachtend-verslavend als versgetrokken thee uit valeriaanwortel.
Beklijvend als een geliefde die fluistert 'Ik hou van jou'. Pianokunst om
bij het haardvuur te beluisteren met al de geliefden in de buurt. Ze mogen
toeven in de sofa, ze mogen dolen in mijn geest. Ik zet de poorten open
naar mijn ziel en laat ze proeven van mijn filosofie die ik even
herpositioneer als een filosofie van mooischrijverij. De wereld zoals
Leibniz hem voorhield: geen volmaakte, maar wel de beste van alle
mogelijke werelden. Daarin wil ik nu op mijn beurt ronddwalen, daarin wil
ik de mens van de eenentwintigste eeuw ontmoeten. Daarin wil ik de
geschiedenis van Altamira tot heden herbeleven. Zonder tijdmachine zal ik
vliegen doorheen tijd en ruimte, van de grot van Lascaux over het
Colosseum van Rome tot ik stijf van goesting de jeneverbessenpolka dans in
het museum van Picasso in Parijs. En ik vergeet het haast! Als ik Marco
Polo zal tegenkomen op de Angamaneilanden dan zal ik vragen naar zijn
manuscript 'Livre des merveilles'.
Mijn lieve Jeroen, ik omhels de aarde, 365 maal. Ik volg de tomatenteelt
bij Tepic in Mexico en zwem als een dolfijn onzichtbaar de
ontdekkingsreizigers achterna die deze 'gouden appel' in de 16de eeuw
meebrachten naar Europa. Ik duik even in The Grand Prismatic-geiser van
het oudste nationaal park (Yellowstone) ter wereld in Wyoming en laat me
bedwelmen door de 10.000 geisers die er 'natuurlijk' staan opgesteld. Ik
pluk een verse ananas nabij Abidjan in Ivoorkust en ontkleed hem even
verder op een heuvel in de omgeving van Siena in Toscane aan de boorden
van de Tyrreense Zee. Ik hou niet op te dromen en telkens als er zich nog
maar een fractie van een probleempje aanbiedt, dan grijp ik naar Proust om
mijn leven gelukkig te veranderen.
Maar wie zijn de brengers van de blijde boodschap? Van het geluk? Van het
goed nieuws? Zijn dat muzikanten? Zijn dat filosofen? Zijn dat schrijvers?
Kunstenaars? Kunnen dat mensen zijn? In alle geval de accordeonisten die
met hun handharmonica geluid voortbrengen door tongwerken. Diepe liefde.
Evenals bij het harmonium bedienen blijde handen een blaasbalg door die in
en uit te trekken. De goddelijke vingers bespelen het instrument door
middel van klaviaturen of reeksen van knoppen. Meesters zijn alvast Astor
Piazzolla, Alfredo Marcucci en de hemelse Richard Galliano. Wie deze
muziek wil beluisteren, wordt overvallen door vrolijkheid en blijdschap.
Het kwaad verdwijnt. Het barbaarse, de chaos, het geweld en de
beangstigende leegte zowel buiten in het wereldruim als binnen in jezelf
smelten als sneeuw voor de zon. Net zoals bij het lezen van de filosofen
die zo goed als allemaal kunnen herleid worden tot Socrates en Plato. Het
kwaad dat bij het drama van de menselijke vrijheid hoort, krijgt bij deze
wijsgeren minder kans. Maar ook in de kerk van Augustinus was ondanks
alles vrolijkheid troef. Immanuel Kant droomde eveneens van de eeuwige
vrede en in zijn voetspoor stond de buitengewone Hegel op. Maken we een
sprong naar de blijde filosofen van de twintigste eeuw dan lezen we graag
de antropologische bijdragen van Karl Marx, Friedrich Nietzsche, Max
Scheeler, Gabriel Marcel, Herbert Marcuse, Jürgen Habermas en eigenlijk
alle filosofen omdat ze op de een of andere manier het bewustzijn en het
zelfbewustzijn bij de mens bespelen als geen ander en zodoende prikkels
vrijmaken die de mens verhoeden dat hij zichzelf verraadt. Het kwaad
buiten sluit. Is de etymologische betekenis van het woord filosofie niet
streven (phileo) naar wijsheid (sophia). Geen groter geluk dan wijs te
zijn! De gezellige eruditie vind je overigens vaak bij schrijvers en
dichters. Zij zijn de meesters die het boze oog, de esthetica van de
verschrikking, de genadeloze natuur, de schaduw van Hitler... kunnen
ombuigen tot romantisch vuurwerk zodat de mens naar een positieve wereld
wordt gekatapulteerd. Met een lach en een traan, maar steeds geordend in
zuiverheid en vrolijk als het heilige 'goed'. Wie in bed de 'Lotgevallen
van de brave soldaat Svejk' leest van de legendarische Tsjech Jaroslav
Hasek lacht de hele nacht. En wie de boeiende Umberto Ecco meeneemt,
slaapt zeker niet. Wie zijn bedgenoot voorleest uit Goethe, K.P. Kavafis
of Czeslaw Milosz wordt zo week als een garnaal en spoelt aan op het
strand met 'Een gedichtje tussen schaal en lippen, geeft vurige zoenen op
Finse kliffen; voelt de gloeiende zon onder de dekens, bevrijd zich van al
zijn ketens; en zo hij is een man - hij voelt het gehaast tikken van de
hamer, het slaperig stemmengeruis gaat dan door venster en kamer.'
Hoe zit het met de kunstenaars? Kunnen zij de duivel bezweren of moeten ze
precies de duivel erbij halen om het kwaad te begrijpen? Het kwaad als
tegenpool van de menselijke vrijheid! 'Of is het kwaad de prijs die we
voor de vrijheid betalen,' vraagt Rüdiger Safranski zich af? Wie kunst wil
lezen, komt al snel tot andere gedachten. Wie een schilderij of een
kunstbeeld wil en kan lezen zoals een boek, wordt alleen maar vrolijk en
gelukkig. Vergelijkbaar 'happy' zoals bij het beluisteren van muziek van
Toots Tielemans of de madrigalen van Monteverdi! Wie zich als gewone
kijker openstelt voor kunst ziet in elk doek, elk beeld, elk voorwerp een
verhaal. Het is een plezier om de geheime code van de kunstenaar te
vinden, want elk beeld schenkt leven aan het verhaal, dat op zijn beurt
leven schenkt aan het beeld. Heel zeker: kunst maakt het leven aangenamer.
Maar de echte vrolijkheid, lieve Jeroen, het echte geluk, vind je
natuurlijk bij de mens zelf. De mens als buurman, als collega of als
vriend. De mens als natuurwezen, die door het bewerken van de natuur, door
arbeid, in zijn fysieke behoeften voorziet. In onze westerse wereld
uiteraard niet meer in de onmiddellijke confrontatie met de natuur want de
mens leeft in een maatschappij. En dan komen we uiteraard weer bij Hegels
mensbeschouwing terecht, 'Een mens is niet een eens en voor altijd
vastgelegd wezen met een gelijkblijvende kern, een 'zelf', maar een wezen
dat zich ontwikkelt met behulp van en tegenover zijn medemensen. Het
wezen van de mens ligt in zijn daden, in zijn houding naar buiten, en niet
in zijn onuitgesproken innerlijk. Er is voortdurende wisselwerking: pas
door de ander wordt men zichzelf. Wat een mens doet of maakt komt buiten
hem te staan, wordt vreemd voor hem. Via de reacties van de anderen kan
hij zich dit vreemde weer toe-eigenen.' Kortom, om deze vrolijke boodschap
te besluiten lieve Jeroen: kies je vrienden zorgvuldig uit, leef in goede
verstandhouding met collega's en groet altijd je buren. Maar méér mag ook:
Dag Jeroen met het hart en de rede met de bloem ploem ploem
dag jongen naast de meester
dag liefde in het leven
dag Jeroen met het hart vol rede
en
dag Jeroen met de gulle lach
lach en rede
van mijn lieve Jeroen
goeiendag
Daa-ag jongen
dag lieve jongen
dag hartelijke Jeroen-mijn
(Vrij naar Paul van Ostaijen, Marc groet 's morgens de dingen, 1924-1925)
Peter Antoine
xx x
P.S. Ik dank je uit heel mijn hart dat je Hotel Strauss van de lekkerste
dingen voorziet, jij zult snel de meester-kok zijn!
Blij laat Jeroen de brief zakken tot op zijn knieën. Margaretha zucht
zacht, maar de lach staat voor de rest van de dag op haar lippen gebrand.
Wat een schrijver, tuurt Jeroen opgewekt naar de Maas. Wat een
meester-kokje, duwt Margaretha haar hoofd nog dichter tegen Jeroen aan.
423. De sprint van de naakte aap (dinsdag 16 juni 2009)
Hoofdstuk 23
Antoine maakt zich klaar voor een portie recreatief bewegingsplezier. Ook
in Parijs houdt hij eraan om de twee tot drie dagen zijn acht kilometer te
gaan joggen. In de zogeheten lichtstad gebeurt dat steevast in de Jardin
du Luxembourg, pal gelegen in Montparnasse, ooit de navel van de wereld.
De Jardin du Luxembourg vormt samen met het Observatoire en het station
Montparnasse een forse driehoek. Het gebied binnen die driehoek,
doorsneden door de Boulevard de Montparnasse, bevat nog resten van de
befaamde cafés van de jaren '20 uit de vorige eeuw waar schilders,
schrijvers en alles wat naam en faam gemaakt heeft in de 20ste eeuw heeft
geslapen, gezopen en gevogeld zoals in een dolce vita. Namen noemen?
Derain, Matisse, Vlaminck, Max Jacob, Kisling, Cocteau, Poiret en
natuurlijk en vooral Hemingway. Later ook Sartre en de Beauvoir, maar die
lagen vooral in elkaars armen in de nog steeds bestaande La Coupole. Soit.
Antoine staat voor het Palais du Luxembourg en start zijn rondje dat hij
acht keer zal herhalen. Antoine beseft meer dan ooit dat hij een renner is
met handicap, want hij is de vijftig netjes gepasseerd, maar toch... hij
loopt de acht kilometer vlotjes in veertig minuten! Het plezier dat hij
beleeft met lopen is enorm. Naast het onderhoud van zijn overigens
voortreffelijke conditie kan hij tijdens zo'n veld- of parkloop een massa
prikkels op een rijtje zetten, zijn hersenen masseren door een en ander
nog eens te herdenken en systematisch aan al die opgehaalde gedachten of
gebeurtenissen conclusies verbinden. Of niet. Zijn hoofd is vrij als hij
loopt. Alles kan en niets moet. Per rondje van een kilometer snijdt hij
een ander onderwerp aan. Bewust maalt hij het onderwerp fijn en herschikt
elk atoompje totdat het weer een model wordt waarmee gewerkt kan worden.
Genetica avant la lettre, virtueel beleden en volgens de wetten van
Aristoteles die filosofeerde dat vorm en materie alleen en slechts tijdens
het denken kunnen gescheiden worden. Ach, wist de wijze uit Stagira dat
ruim tweeduizend jaar later de 21ste eeuw de gouden eeuw zou worden van de
heilige drievuldigheid eugenetica, robotica en nanotechnologie met in de
marge de zwellende bio-medische wetenschappen. En dan spreken we nog niet
van de zwarte gaten in de ruimte die volgens fantast Brian Greene niet zo
zwart en onzichtbaar zijn als ze wel lijken. Kortom, Antoine zijn hoofd
loopt al over nog voor hij de eerste meters van de acht kilometer heeft
ingezet. Toch zullen al zijn kilometerkronkels over meer alledaagse dingen
gaan en uiteraard de belevenissen van de jongste dagen.
Bij kilometer één surft hij graag terug naar zijn legertijd waar hij bijna
dagelijks - tien maanden lang - acht kilometer in één ruk moest lopen. Wie
kan het nog, bedenkt hij als hij parallel met de rue de Médicis loopt. Wie
echter drie maanden oefent zal vlot evolueren naar deze overbrugbare
afstand. Acht kilometer was alleszins in zijn gedwongen diensttijd in de
jaren tachtig bij het Belgische leger de minimumafstand die een
stormfuselier met pak en zak - geweer in aanslag - moest kunnen afleggen
als absolute conditietest. Die kwaliteit moest hem in oorlogstijd in staat
stellen om aan het front gemiddeld twaalf minuten lang te (over)leven.
Acht kilometer, een magische afstand om je van een gevaarlijk punt te
verwijderen naar een beredeneerde veilige afstand. De soldatenfilosofie
klopt nog steeds, wie acht kilometer kan lopen, kan iedere vuurhaard van
één en veel ontlopen. Antoine lacht wanneer hij langs de Ecole Nationale
Supérieure des Mines loopt. Hopsa, één kilometer.
Kilometer twee is voor zijn geliefkoosde chansonnier Jacques Brel
(1929-1978). Antoine heeft een tijdje geleden met verbijstering gelezen
hoe die jonge Brel tot drie keer toe de vierde klas - Saint-Louis in
Brussel - moest overdoen alvorens aan het lager onderwijs de brui te
geven. Hoe een Vlaamse Brusselaar, dankzij de meest onwaarschijnlijke
hardnekkigheid, is kunnen uitgroeien tot een wereldster waarvan Amerikanen
denken dat het een Parijse chansonnier is en de meeste Nederlanders lachen
als je zegt dat hij daadwerkelijk een Vlaming is. Goh, hij trok in de
jaren zestig minstens tien keer zoveel publiek als Georges Brassens, Léo
Ferré, Guy Béart en Charles Aznavour. De laatste vier jaar van zijn leven
genoot hij slechts met één long - geopereerd in november 1974 in Brussel -
van de passie en de pijn, maar de zeiler-vlieger-zanger-filmster-fantast
Jacques Brel nam in 1977 nog een laatste elpee op, genaamd B.R.E.L. (bij
Barclay) met het legendarische nummer 'Les F...' waarin hij de Vlamingen
een spiegel voorhoudt, alvorens de aarde te verlaten. Haha, heel
Vlaanderen stond met B.R.E.L. op zijn kop, bedenkt Antoine en van de
weeromstuit loopt hij wat harder, De BRT verbood daarop zelfs het
personeel om nog langer nummers van hem op radio en televisie te spelen.
Gezongen met één long, hé! Wat een bekrompen Vlaamse leeuwen die geen vlo
in hun manen kunnen verdragen, zou de nooit-Nobelprijswinnaar Hugo Claus
na de rel schrijven. En Antoine lacht opnieuw als hij zichzelf ziet joggen
met slechts één long. Zou het kunnen? Hopsa, twee kilometer.
Kilometer drie is altijd voorbehouden aan Nirakie. Ze spoelt dan aan op
hun favoriete strandje van zijn ziel. Soms kijken ze samen naar de
bruisende zee. Soms omhelzen ze mekaar zonder meer. Soms wandelen ze
eindeloos langs de kustlijn. Soms zeggen ze niets en knikken veelbelovend.
Soms verstrengelen ze in een zuigende kus. Soms kleden ze elkaar uit en
zwemmen een rondje in zee. Soms vrijen ze de schelpen uit het strand, maar
evengoed dansen ze soms een walsje... Antoine heeft al een tijdje niet
meer aan Nirakie gedacht, maar altijd ze plots als een vallende ster bij
heldere dag. Plots worden Antoine's hersenen toch gestresseerd als hij hic
et nunc met duizend en een vragen wordt geconfronteerd. Opnieuw ziet hij
zich in actie om Nirakie tegelijk op te bellen, er naartoe te surfen, ze
te mailen, haar te sms'en, te facebooken, te twitteren of te skypen en
weer... doorlopen moet hij doen, maar kan zijn brein al die gedachten aan
Nirakie wel aan? Nirakie blijft hem impulsen bezorgen die hem zo diep
treffen als Jules Verne's zijn succesnummer Twintigduizend mijlen onder
zee. En mogelijk nog dieper! Antoine rent verder en gaat nu een beetje als
een speedboot evenwijdig draven langs de rue Guynemer. Jawel hoor! Rondje
drie is altijd zijn snelste rondje. Alsof Nirakie hem op de hielen zit.
Mompelend brabbelt hij tegen zichzelf dat hij nog even zal wachten om zijn
vlammende ster te facebooken.
Bij kilometer vier komt hij opnieuw Aristoteles tegen. Alsof deze laatste
geen vrede kan nemen met de nieuwe tijdingen. En toch, zegt Antoine
binnensmonds, Ik heb de laatste maand al dikwijls vastgesteld dat
Aristoteles het bij het rechte eind heeft. Lichaam en geest zijn naar
analogie van zijn 'vorm' en 'materie' twee gescheiden dingen.
Ogenschijnlijk zijn ze één, maar door te denken, kunnen we ze afzonderen.
In werkelijkheid gaat het natuurlijk niet. Je kan een mens niet splitsen
in zijn vorm, het omhulsel van vel en knoken, en materie of de geest... of
dat wat er uniek aan is. Volgens Aristoteles hebben dus alle mensen grosso
modo dezelfde vorm, maar er zijn geen twee die dezelfde materie hebben.
Wel, zweet hij rustig verder, Ik heb het de jongste weken aan den lijve
ondervonden. Mijn lichaam (vorm) was vaak zo moe dat ik dacht dat ik geen
potente vijftiger ben, maar een metselaar die tien uur per dag ruwe stenen
moet sjouwen en kappen. Maar evenveel keren dwong mijn geest (materie)
mijn lichaam (vorm) om zich verder te bekwamen en vooral om het lichaam
van de beste conditie te voorzien. Lopen, dus. En wat blijkt telkens,
snuift Antoine met zijn wijd gesperde neusgaten de parklucht op, Na twee
kilometer loslopen, blijkt mijn lichaam (vorm) helemaal niet vermoeid te
zijn. Ik ben een-en-al vitaliteit. Spieren, pezen, gewrichten en hun
gewrichtsbanden, bezenuwing, bloed- en zuurstofvoorziening en de botten -
de basisingrediënten van mijn bewegingsapparaat - helpen het lichaam
(vorm) vlotjes vooruit zoals de geest (materie) het bedenkt en na vier
kilometer behoort zelfs een spurtje tot de mogelijkheden. Antoine moet
opnieuw glimlachen met zichzelf en ook met de valsheid van zijn lichaam.
Gelukkig heeft een lichaam dus hersenen, besluit hij en daarom beloont hij
zijn grijze hoofdmassa kilometer na kilometer met een salvo extra
ademhalingsoefeningen. Wow, vier kilometer!
Kilometer vijf. Nu jogt Antoine opnieuw richting avenue de l'Observatoire.
Neen, Antoine is niet happy met zijn geweld in La Grand Palais. Maar het
was hij of zij. Als je leven bedreigd wordt, gelden andere levenswetten.
Overleven is een menselijk recht dat de natuur in alle atomen van het
menselijke leven heeft ingebakken. Het is onafscheidbaar van ieder mens.
Zelfs niet door kernsplitsing. Het brengt Antoine opnieuw naar Nirakie
en... de antieke liefdesdichter Sannazaro die schreef, Ik ga dood! Dan
moet je er vooral niet aan toevoegen: kom gauw bij me in de Onderwereld!
Nee; het is: ik ga dood en jij wordt oud! Deze elegie behelst een verzoek,
ja bevel, aan zijn vriendin om, als de dichter eerder komt te overlijden,
tot haar laatste snik op zijn graf te blijven wenen. Dat graf heeft naar
antieke trant een stortkoker naar de onderwereld, zodat de schimmen kunnen
meegenieten van haar blijken van trouw. De moraal luidt: toch maar beter
hup het bed in. Brr, Antoine mag er niet meer aan denken om te sterven.
Hij moet zijn zinnen onmiddellijk verzetten want anders is de lol van het
lopen eraf! Antoine vlucht in zijn hoofd snel naar zijn geliefkoosde plek:
de leeshoek van zijn Hotel Strauss aan de lieflijke Maas.
Kilometer zes is dan ook meteen een beetje heimwee naar zijn hotelletje
aan de Maas, de machtige Maas. Maar hij kan voorlopig niet terug. Het
gevaar voor zijn duurzaam personeel zou dan te groot zijn. Met de Thalys
naar Parijs heeft hij het gevaar letterlijk meegezogen. Maar net voor
Antoine het zoete Maasland inruilde voor het lichtende Parijs, las hij het
boek 'De geschiedenis van de eeuwigheid' van Jorge Luis Borges. Over de
leer van de eeuwige terugkeer die zich als volgt laat formuleren, Het
aantal atomen dat de wereld vormt, is weliswaar mateloos maar eindig en
laat derhalve slechts een eindig - zij het eveneens mateloos - aantal
combinaties toe. In een oneindige tijd moet het aantal mogelijke
combinaties ooit bereikt zijn en zal het universum zich herhalen. Opnieuw
zul je uit een schoot geboren worden, opnieuw zal je skelet groeien,
opnieuw zal deze zelfde bladzijde in je eendere handen komen, opnieuw zul
je alle uren doormaken tot aan dat van je ongelooflijke dood. Deze
paragraaf houdt Antoine al een tijdje bezig en hij weet dat deze 'leer'
over het algemeen aan Nietzsche toegeschreven wordt. Echter... Borges
weerlegt deze 'Leer van de eeuwige terugkeer' in het verdere verloop van
het boek, maar toch. Het is zo'n prachtige romantische gedachte dat
Antoine ze niet kan loslaten.
Kilometer zeven - Hotel Strauss komt weer op zoals verse maatjes. Alberto
Crisafulli of hoe het allemaal begon met Hotel Strauss, ab ovo! Zijn
hartelijke vrienden Leon de Siège, de driehoekbroeders Buck en Joris en de
onvermoeibare knappe Margaretha de Almeida Prada. Wijlen Veerle Kristeva
en sinds kort ook de jonge en schitterende broeders Jeroen en Fréderique.
De komst van Joachim Stiller. Aan de verrader Amos gunt Antoine maar één
nanoseconde. Veel meer aan zijn vriendelijke en vertrouwelijke Sylvain die
zich meesterlijk heeft getoond in de zaak van het kasteel Vilain XIIII.
Antoine is ook zeer in zijn nopjes met de verworven plannen om zo van de
catacomben een nieuw oord van De Orde te maken. Deze keer geen dertien
hoog in de lucht, maar veilig, knus en met beide voeten op Moeder Aarde.
Antoine ziet het struingebied nabij Mazenhoven al opdoemen. Het
schilderachtige Leut in zijn dromen verschijnen. Schilders met doek en
penseel al aanrukken om tijdens de zomermaanden op het Leutse pleintje het
rebelse plekje van het Maasland te komen vereeuwigen. Bij Hiram nog aan
toe, spreekt hij nu werkelijk hardop... Maasland is werkelijk het paradijs
op aarde. En zo is kilometer zeven veel te kort om Antoine bij zijn plan
te houden om slechts een gedachte per kilometer te malen. Hij zit al diep
in de achtste kilometer als hij zich herpakt met de wijze Descartes door
blij en vrolijk te stellen dat hij gelukkig nog leeft en alles kan bewegen
dat aan zijn frêle lijf hangt.
Haha, ik loop, dus ik besta, mijmert Antoine. Volop denken is na zeven
kilometer afstand geen probleem, maar nog een hoog tempo halen is er deze
keer niet meer bij. Ik zal ruimschoots veertig minuten nodig hebben om
deze acht kilometer te overdenken, beseft hij terwijl zijn hersenmachine
verder stoomt, Dat moet sneller kunnen in de toekomst. Het is alleszins
belangrijk weer 'thuis' te kunnen komen na zo'n tocht door het park. Thuis
is waar Antoine rust vindt. Waar hij in evenwicht is of waar hij eenparig
rechtlijnig kan bewegen zonder brokken te maken. Het doet hem altijd
denken aan Nathalie, een bloedmooie vrouw van 38 die nog geen echte thuis
heeft. Ze twijfelt nu al jaren tussen 'vastroesten' met haar vriend of een
nieuw leven beginnen zoals dat heet. Gelukkig las Antoine in het boek 'De
sprint van de naakte aap' van neuropsychiater Karel Ringoet een zo
mogelijk bevrijdende anekdote voor haar. Die heeft hij haar ook bezorgd.
Antoine herinnert zich nog goed het kattebelletje waarop hij netjes had
overgeschreven uit het boek... In de filosofie van het existentialisme is
de overlevingsstrategie dat de mens alleen datgene is wat hij van zichzelf
maakt. De mens is vrij, de mens is sociaal geëngageerd. Dit wordt trouwens
geïllustreerd door een merkwaardige anekdote. Tijdens de oorlog kwam een
jongeman bij Sartre en vroeg, Wat moet ik doen? Mijn moeder is ziek. Moet
ik bij haar blijven of moet ik resoluut vertrekken en strijden in het
verzet? De wijsgeer antwoordde, Kies!
Ziezo, acht kilometer, trapt Antoine op zijn rem. Zweet parelt zoals
briljanten in een gouden ringetje van Cartier. Goed gedaan, klopt Antoine
zichzelf op zijn schouder, Nu nog een helende douche en ik ben er klaar
voor. Het is zaterdagochtend zeven uur. En dan straks naar La Coupole om
samen met Joris en Buck de laatste hand te leggen aan het Rouwritueel voor
Veerle dat voor deze bijzondere gelegenheid in de Sénat van het Palais du
Luxembourg aan de rue de Vaugirard zal plaatsvinden. In smoking uiteraard!
422. Rouwzitting in Saint-Médart (dinsdag 9 juni 2009)
Hoofdstuk 22
In de rue Mouffetard, een van de beroemdste en meest schilderachtige
straten van Parijs, La Mouffe voor Parijzenaars, heerste eens een
Zuid-Franse sfeer vervuld van scherpe geuren van niet geraffineerde
olijfolie. Verweerde, oude huizen met een lichtgrijs en okerpatina sloten
ooit deze nauwe hellende straat in en alle winkeliers stalden er hun
artikelen en hun etenswaren op de stoep uit. Alleen dààr zag je in Parijs
de levendigheid en deskundigheid van de Franse vrouwen bij hun inkopen,
hoe ze de graad van rijpheid van een camembert met een lichte duimdruk
controleerden, een krop sla pas kochten nadat ze hem in het hart hadden
geschouwd en elk stuk vlees kritisch bestudeerden... dit alles gepaard
gaande met toneelmatige gebaren en met een stroom van welgekozen woorden
waarvan de welluidende intonatie het absolute voorrecht is van Latijnse
volken. Spijtig genoeg blijft er van dit schouwspel vandaag niet veel meer
over. La Mouffe blijft een wonderlijke belevenisstraat met veel
geschiedenis, maar de nostalgische glans is er verdwenen. Of niet? Op het
einde van de straat aan nummer 141, nabij het metrostation
Censier-Dauberton vind je de kerk Saint-Médart die het laatste uur toch al
gauw zo'n vijftig knappe vrouwen en evenveel zwartgeklede mannen heeft
opgeslorpt. Maar wie de kerk binnenstapt, zal er niemand zien buiten een
verdwaalde clochard en een oude tante die per se haar ziel wil geven aan
de mythe Christus. Via de derde biechtstoel aan de linkerkant van het
middenschip is iedereen verdwenen. Saint-Médart is een tamelijk onbekende
kerk in Parijs uit de 17de eeuw die gewijd is aan de Heilige Médard,
raadgever van de Merovingische koningen. Wat echter opvalt - voor wie het
interesseert - is het grote gotische venster aan de buitenkant van de kerk
en voor uitslovers is het een gegeven dat in de kerk het middenschip ook
in die stijl gemaakt is terwijl het koor in de renaissance stijl is
gebouwd. Bovendien hangen in de kerk enkele mooie kunstwerken zoals een
schilderij van Zurbaran (Heilige Jozef met het Christus Kind) en een
schilderij van Philippe de Champaigne.
Rust in de kerk? Schijn bedriegt zoals ook het geloof. In de catacomben
van de Saint-Médart is een grote zaal die afgesloten wordt met een
gigantische loden deur. Aan die deur staan twee mannen in het zwart
gekleed met een bordeaux mutsje op. In de linkerhand houden ze een krom
zwaard met de punt loodrecht naar boven. Voor de zaal zijn kleinere
vertrekken, links voor mannen en rechts voor vrouwen. En dan nog een
vertrek met een Hessekruis op de deur. Ook voor die vertrekken staan
telkens twee mannen in het zwart met een bordeaux muts, maar zij dragen
geen krom zwaard maar een kromgebogen dolk. Wanneer een man vanuit de
biechtstoel vanuit de kerk in de catacomben afdaalt, wordt hij eerst naar
zijn vertrek geleid en komt hij er na enige tijd geblinddoekt weer uit om
zo naar de zaal te worden gebracht. Daar neemt hij plaats in een fauteuil.
Vrouwen die aankomen, worden eveneens naar hun specifiek vertrek geloodst
en komen even later poedelnaakt weer buiten met een i-POD aan hun hals en
oortjes. Hun handen zijn geboeid. Zij moeten plaatsnemen achter een
fauteuil. Wie de zaal betreedt, ziet links en rechts een rij van
vijfentwintig knusse zwartlederen zetels staan. Achter elke rij zetels is
een buffet met de meest goddelijke hapjes en drankjes. Cocagne op
mensenmaat! Vooraan de zaal is een kubusvormig arduinen altaar en
daarachter staan drie statige bordeaux gekleurde tronen. Na een uur zijn
alle vijftig zetels volzet en staan evenveel naakte vrouwen achter een
man. Altijd kijken de vrouwen naar het enorme Hessekruis dat achter de
drie tronen hangt en verder blikken ze eerder angstig rond, maar maken in
eerste instantie geen oogcontact met andere vrouwen. De geblinddoekte
mannen zitten ingetogen in hun zetel en zoeken stilletjes maar beheerst
naar een juiste zithouding. Voor het overige is de zaal pekzwart met op
drie meter hoogte slechts een licht bordeaux streepje dat de volledige
ruimte rondgaat en slechts onderbroken wordt door de open loden deur, maar
als die ook dicht is, is de lijn oneindig. Het is muisstil in de zaal. De
vrouwen horen nog het meest. Op hun i-POD staat uitstuitend
renaissancemuziek van Tallis, Gibbons, Tomkins, Palestrina en De Monte.
Lassus en Du Caurroy ook! De rol van de vrouwen is eerder bizar te noemen
tijdens de maandelijkse bijeenkomsten van de mannen van de Haick & De Orde
van de Oude Falangisten met het Hessekruis. Het zijn vijftig uiterst
selectief gekozen vrouwen van hogere stand uit héél Frankrijk die voor
deze diensten gemakkelijk duizend euro vangen en sommigen een veelvoud
daarvan. Wat ze moeten doen, wordt duidelijk in het soort rituaal dat de
Haick en De Orde opvoert. Er zijn echter strikte regels en wie ze
overtreedt, bekoopt dat met de dood. Zo zullen de vrouwen nooit te horen
krijgen wat er tijdens zo'n zitting wordt gezegd en kunnen ze alleen maar
kijken en doen wat ze voorgeschreven is. Dat voorschrift bestaat
grotendeels uit drie punten. Eén: dat ze volledig naakt en vrij van
maanstonden achter iedere man geboeid plaatsnemen; twee: dat ze gedurende
de zitting - en niemand weet hoe lang die duurt, dat kan tot vier
onafgebroken uren zijn - hun aangewezen man verzorgen zoals ze denken dat
ze dat moeten doen, over alle mogelijke grenzen van verstand en sentiment
heen, en drie: dat ze nooit met iemand praten over deze bijeenkomst en het
geheim bewaren eveneens met de inzet van hun leven. Een speciale afdeling
van de Haick zoekt en selecteert de vrouwen en zorgt er ook voor dat geen
enkele vrouw een andere vrouw kent. De mannen dan? Die mogen hun luxezetel
onder geen beding verlaten en moeten met de meeste hoogachting deelnemen
aan de agenda van de dag. Dat is vandaag de rouwzitting van de drie
vermoorde leden in La Grand Palais. De drie hoofden van de vermoorde
Haick-leden staan in reuzenbokalen met formol geopenbaard op drie marmeren
zuilen voor het altaar. Je zou denken dat hier de temporaire avant-garde
kunstenaar Damien Hirst aan het werk is geweest met dezelfde bedenking
over het rituaal als over zijn kunstvorm of het gegeven dat de toeschouwer
enkele spelregels moet aanvaarden om het rituaal te begrijpen, want wie
niet bereid is de code te leren kennen, weigert elke toegang tot het
rituaal of in het geval van Hirst... zijn kunst.
Plotseling valt de loden deur met een formidabele klap dicht. Iedereen
schrikt op, ook de vrouwen die eigenlijk kunnen kijken waar ze maar
willen. Drie notabelen, de drie wijzen geheten, met de oudste voorop zo
lijkt, stappen via het midden van de zaal naar voor, buigen ter hoogte van
het altaar voor het Hessekruis en begeven zich dan naar hun
respectievelijke tronen. De drie wijzen zijn niet geblinddoekt. Aan de
deur staan eveneens acht niet geblinddoekte bewakers van de zaal, vier met
een kromgebogen zwaard en vier met een dolk. De oudste notabele wijst een
vrouw aan. Die wordt door twee bewakers verzocht om op het altaar te gaan
liggen met enkel een kussen onder haar hoofd. Haar handen en voeten worden
vastgemaakt met bordeaux kleurige touwtjes. Ze spartelt niet tegen. Van
bovenaf gezien lijkt ze op de Vitruvius-man van Leonardo da Vinci, maar
eigenlijk symboliseert ze de 'homo ad circulum' en is ze voor de
aanwezigen een soort logo van het gezelschap en zijn onderzoekende geest.
Zij zal straks, na de zitting de offerpot krijgen van de bijeenkomst. Dat
is vaak een massa geld dat op het einde van het rituaal wordt opgehaald
bij elk van de vijftig mannen. Het bedrag kan oplopen tot tienduizend euro
want iedere gerespecteerde aanwezige geeft minstens honderd euro. Dat is
zo! De man die zijn vrouw tijdens het rituaal moet afstaan voor het
altaar, mag ter compensatie zijn blinddoek afleggen en hij is de enige,
samen met de drie wijzen en de acht bewakers die het rituaal kan horen én
zien. Te pas en te onpas brengen de vrouwen eten en drinken naar hun
aangewezen man die gebaart dat het al dan niet genoeg is. De zitting
begint.
Het is een zeer eenvoudig rituaal. Iedere aanwezige stelt zich voor als
vertegenwoordiger van een regio. De voertaal is Engels en er blijken zeven
West-Europese landen vertegenwoordigd te zijn. De eerste van de linkse rij
wordt aangemaand door een tik van een bewaker om zijn rouwende relaas te
doen. De groep van vijftig kan nooit uitbreiden, wordt door de eerste
spreker onder blinddoek nog eens aangehaald als aanloop op zijn kritiek
dat zijn regio té groot wordt om alles onder controle te houden. Hij heeft
het dan specifiek in de research van potentiële vijanden of de zogeheten
'zondaars tegen de interreligieuze en morele delinquentie ten aanzien van
de normen en waarden van de Haick & De Orde van de Oude Falangisten met
het Hessekruis'. In deze context zijn de drie geëxalteerde Haickers
overleden want ze voerden een opdracht uit tot ver buiten hun eigen Duitse
regio en hebben die missie met de dood betaald. Vele geblinddoekte mannen
knikken. Maar wanneer een van de wijzen met een lange aluminium staaf drie
keer op de grond beukt en hard zegt, Ter zake, herpakt de spreker zich en
daalt hij in zijn rouwbetoog af naar de presocratische filosofen. Met Zeno
van Elea bewierookt hij zijn drie collega-vrienden en verheft hij ze in de
huidige onmogelijkheid van beweging, door gebruik te maken van de methode
die bekendstaat als 'reductio ad absurdum' en hij beredeneert ter plekke
dat de te betreuren drie nergens nog ooit zullen arriveren dan de plaats
waar ze aangekomen zijn. Is de cirkel rond? Wanneer hij ophoudt te praten,
slaat de wijze met staaf een keer op de vloer en de man naast de eerste
spreker vertelt zijn rouwverhaal. Hij haalt er Plotinus bij om zijn
vrienden te herdenken en steunt zijn gedachte op God, ofwel het Absolute,
die niet schept, maar emaneert. De ziel is de tweede emanatie na het
intellect en voor de materie. Met deze metafysica die aan het pantheïsme
(dat is de opvatting dat de werkelijkheid en God dezelfde zijn) grenst,
brengt hij de drie slachtoffers van een 'gruweldaad' weer aan de horizon
waarnaar zij allen dagelijks turen. De meeste volgende sprekers blijven in
de rijke wereld van de Oude Grieken - de Atheense periode nog het meest -
hangen met een uitgesproken voorkeur aan de lippen van Aristoteles, de
beste student van Plato, en vooral zijn visie over het onderscheid tussen
vorm en materie en dat deze twee hoofdkenmerken van de werkelijkheid
echter alleen in het denken van elkaar kunnen gescheiden worden. In die
geest worden de drie overledenen blijvend in hun denken betrokken en
zullen ze nooit uit de geest verdwijnen. Ook Augustinus van Hippo, de
voorname middeleeuwse filosoof komt ter sprake en sommigen halen er zelfs
hedendaagse denkers bij zoals Leszek Kolakowski, Richard Rorty of een
Martha Nussbaum. Kortom, de rouwzitting lijkt wel een filosofische
gebeurtenis waarin de drie overledenen de kern van het zijnde uitmaken.
Sommige vrouwen hebben zich met een glas champagne op de schoot van hun
toegewezen man gezet, sommigen hebben zich er tegenaan gevleid en
sluimeren in het aanzicht van drie formolgevulde hoofden. Van tijd tot
tijd vegen ze de tranen van hun mannelijke partner in de Saint-Médart
wanneer het betoog van een spreker te emotioneel wordt. Enkele vrouwen
wagen zich tot bij de drie bokalen en bekijken de hoofden die opvallen
door de ver opengesperde ogen en de strak gesloten monden. Op het
voorhoofd staat een bordeaux Hessekruis gestempeld of getatoeëerd, dat is
niet duidelijk. Aan het linkeroor is een bordeaux kleurig lintje
gepiercet. Wanneer de vrouwen te chaotisch rondlopen in de zaal - want na
een tijdje worden ze allemaal nieuwsgierig - klopt de wijze met staaf twee
keer op de grond en begeven de schone naakten zich weer een tijdje lang
achter de zetel van hun geblinddoekte man. Na de laatste spreker, staan de
drie wijzen recht en gaan ze in driehoekopstelling naar iedere aanwezige
geblinddoekte toe. Bij de derde slag van de staaf op de grond staat ie
recht en wordt zijn voornaam uitgesproken terwijl hij een kruis op zijn
voorhoofd krijgt van de oudste wijze. Op dat moment staan alle vrouwen
stokstijf achter de fauteuil, hun geboeide handen op hun hoofd. De derde
wijze ontvangt van iedere aanwezige een som geld dat hij in een bordeaux
kleurige zak stopt. Die goedgevulde geldzak wordt na afloop aan de vrouw
gegeven die nu wordt losgemaakt van het altaar en zich met de andere
vrouwen achter de drie wijzen schaart. Dan gaat de loden deur open en
verdwijnen de drie wijzen, direct gevolgd door de vrouwen die zich
onmiddellijk naar hun vertrekken begeven, zich aankleden, een enveloppe
met duizend euro ontvangen en via de biechtstoel onder het waakzame oog
van bewakers met dolken weer in de Saint-Médart begeven om dan op te
lossen in de drukke rue Mouffetard en zo in Parijs, de stad der steden. In
de zaal blijft het nog even heel stil tot de aanwezige man zonder
blinddoek roept, Haick Haick Haick. Dat is het signaal dat de mannen de
blinddoek mogen afnemen en elkaar in de armen vallen en tot in de late
uurtjes samenzijn in de zaal, de heilige plaats, het hoofdkwartier van
Parijs en Frankrijk, van West-Europa. Drie mannen staan er onwennig bij.
Het is de eerste keer dat ze een plechtigheid van de Haick & De Orde van
de Oude Falangisten met het Hessekruis meemaken. Zij zijn de nieuwkomers,
de drie vervangers van de overledenen. Angstig kijken ze naar de bokalen
gevuld met hoofden en formol. Wanneer ze alle drie tegelijk hard beginnen
wenen van de weeromstuit, worden ze getroost door hun medestanders. Nu
zijn ze pas echt opgenomen in hun mystieke midden, de waarachtige vrienden
van de Haick & De Orde van de Oude Falangisten met het Hessekruis.
421. Magritte (dinsdag 2 juni 2009)
Hoofdstuk 21
De Maaslandse fluisterbootjes hebben hun naam niet gestolen. Deze
elektrisch aangedreven bootjes glijden geruisloos over het water zoals een
anaconda. Sylvain bestuurt de fluisterboot alsof hij tijdens zijn leven
nooit anders heeft gedaan en Leon geniet van de aurora die met de boeg
gekliefd wordt zoals jazz doet met warmbloedige zielen. Minutenlang zeggen
Leon en Sylvain geen woord. Ze genieten van de praal en pracht van de
Maasplassen met zijn natuurglans. Ze happen bij elke watermeter van het
prachtige kleurenpallet dat het rijke natuurgebied aan De Wissen in
Stokkem aanreikt. Sylvain manoeuvreert de boot richting Kerkeweerd, een
uitgelezen natuurgebied dat elke yanomami-indiaan zou doen watertanden.
Sylvain heeft Leon ooit willen doen geloven dat het gebied tussen de
Orinoco en de Amazone er beslist zo uitziet als het struingebied in
Kerkeweerd. Hij baseerde zich op het superbe reisverhaal van avonturier
Redmond O'Hanlon die in de jaren tachtig de legendarische reis van de
negentiende eeuwse ontdekkingsreiziger Humboldt heeft overgedaan.
Alexander von Humboldt vertrok stroomopwaarts over de Orinoco in Venezuela
en voer door het gebied van de Casiquiare om via vele onduidelijke
stroompjes en moerassen uit te komen in de machtige Amazone waarmee
Humboldt wilde bewijzen en bewees dat de Orinoco en de Amazone een
gemeenschappelijk brongebied hebben. Sylvain is compleet in de ban van dit
waarachtige reisverhaal en telkens weer als hij op een van de Maasarmen
danst met zijn fluisterboot, voelt hij zich een beetje O'Hanlon. Wanneer
ze voorbij het kampeervlot varen - een unieke Maaslandse logeerbeleving,
hebben ze oogcontact en knikt Sylvain naar Leon die knipoogt en met zijn
opwaartse kinnebak vraagt of ze er zijn. Hier kunnen we alvast beginnen,
zet Sylvain de motor uit. Ik heb nog een formidabel plan in mijn mouw
zitten voor dit gebied, opent Sylvain zijn viskastje, Ik denk eraan hier
een mini-ontdekkingstocht uit te tekenen. Met een boomstamkano van aan de
Wissen door de Maasplas en de vennen van Kerkeweerd een doortocht zoeken
naar de Maas. Deze stroomopwaarts afvaren en dan via het struingebied van
Mazenhoven naar het wandelgebied van de Maaswinkel doorstoten. Waar je
niet kan varen met de kano op je schouders of rug verder gaan. Dus zoals
echte avonturiers een stroomgebied doorploeteren op zoek naar de bron.
Zoals Redmond O'Hanlon, weet je wel. Leon begint hardop te lachen, Maar
jij bent onverbeterlijk. Jij moet al lang geen toeristische producten meer
bedenken, maar je hart loopt er constant van over. Je zou toch een rustig
leven gaan leiden in het Kasteel Vilain XIIII of zijn die plannen weer
gewijzigd? Er is een heel team vakspecialisten van toerisme in Limburg
actief, met directeur en operationeel manager op kop, gedreven
regio-coördinatoren en creatieve 'planten', plaatselijke
hogeschoolmedewerkers, stagiairs en jij speelt nog steeds uitvinder van
ecologische attracties en... maar Sylvain onderbreekt zijn vriend. Ach
neen, prikt Sylvain een wormpje met wat kempzaad aan de haak van zijn
werphengel, Ik wil van het Maasland een plaats maken voor toeristen die
paradijselijk en avontuurlijk is uitgebouwd, maar het geld niet hebben om
naar Borneo, de Filipijnen of het Amazonegebied in Brazilië te reizen.
Hier in het Maasland kan ik ze eenzelfde genietersveld aanreiken. Je kent
schilderachtig Leut toch en je ziet wat je hier ziet! Het vergt alleen
maar een beetje ijdele moed en enkele creatieve mensen die er hun
schouders willen onderzetten om het Maasland te transformeren naar een
wereld van concepten die je compleet tot rust doen komen en waar je
compleet kan herbronnen en ontstressen. Leon fronst glimlachend de
wenkbrauwen, Maar vorige keer wou je het Nationaal Park Hoge Kempen nog
exploiteren vanuit het Maasland. Wat is daar dan mee? Dat idee is volop in
ontwikkeling, gooit Sylvain haak en voedsel tientallen meter in de
Maasplas, Dat blijft een voornaam idee! Eigenlijk start aan de Maas een
ongelooflijk watergebied, zeg maar een ingenieus waterbekken tot diep in
Limburg waar zowat het hele nationale park zit ingebed. Met alle beekjes
en rivieren die vanuit het park in de Maas meanderen kan ik een
ongelooflijk architectonisch plan tekenen waarvan zelfs een O'Hanlon
omvalt. Sylvain kijkt Leon nu twijfelend aan. Je bent een echte grapjas,
lacht Leon, Ik wil je Maasland niet onderschatten, maar overdrijf je niet
een beetje? Een beetje maar, draait Sylvain aan het molentje van de hengel
terwijl hij zijn betoog doorzet als een stormfuselier in actie, Ik heb nog
een groot plan, zegt hij ineens. Leon zwijgt. Wil je het weten, geeft
Sylvain een paar loodjes door voor de werphengel van Leon. Vertel maar,
verzwaard Leon zijn nylon-draad van zijn werphengel een tiental centimeter
boven de haak, Gaat die lekker verder, steekt Leon zijn kin weer omhoog.
Wel, tuurt Sylvain in de richting van de waterplashorizon, Ik heb opdracht
gegeven tot een studie om een tunnel onder de Maas te graven. Driehonderd
meter lang. Van buiten de uiterwaarden aan Belgische zijde tot buiten de
uiterwaarden aan Nederlandse zijde. Hier in Stokkem, aan Negenoord. Leon
zegt niets en zwiert met een ongelooflijke kracht zijn aas in het water.
Plons! Een Maastunnel, kijkt Leon Sylvain diep in de ogen. Een Maastunnel
herhaalt Sylvain zijn plan, Als permanent alternatief van de veerponten.
Toch alleen voor voetgangers en fietsers, knikt Leon zachtjes zijn hoofd.
Natuurlijk, haalt Sylvain haak en aas weer uit het water... en Vespa's. En
wat gaat die grap kosten, wil Leon weten. Jamaar, protesteert Sylvain, De
studie is nog niet klaar, maar ik reken maximaal op een half miljard
euro's. Maar ik verzeker je dat het Fietsparadijs Limburg dan meteen een
monument heeft dat zijn gelijke niet kent. En tijdens de zomermaanden laat
ik er jazzmuzikanten in optreden. Zoals in de metro van Parijs. Of bekijk
het zoals de Ponte Vecchio in Firenze, maar dan onder de grond eh. Wat
denk je? Leon proest het uit, Maar jongen, jij bent werkelijk de Magritte
van Toerismeland. Voor jou is de wereld van toerisme even reëel, even
concreet als de wereld van natuur. Daarmee bombardeer jij het
surrealistische toerisme tot concrete kunst. Je bent gek, maar een
ongelooflijke inventieve gek die kleur in het leven brengt, die toerisme
als muziek beleeft. Ken je Kandinsky. Wel, zoals zijn spiritueel werk moet
jouw toerisme er ongeveer uitzien. Kom hier, mijn lieve vriend. Ik omhels
je duizend keer om je authentieke creativiteit. Als het kon, zou ik je
vragen nu iets van Stan Getz te spelen op saxofoon. Maar dat kan, kijkt
Sylvain Leon opgewekt in de ogen. Hoe dat kan, grinnikt Leon als een
blijde veulen. Hier, tilt Sylvain plots een sporttas in de hoogte, Ik heb
mijn alt-sax altijd bij me, en enthousiast ontsluit hij het magnifieke
muziekinstrument zoals een pater zijn iconenbijbel en hij zet het mondstuk
aan zijn mond, Desafinado of verkies je liever One Note Samba. Doe maar
op, haalt Leon al lachend zijn snoepje voor de vissen binnen. Sylvain
blaast de wangen bol en Leon start de fluisterboot om ze naar de steiger
van Kerkeweerd te dirigeren. Hij neuriet met de ochtendlijke tonen mee en
probeert zo voorzichtig mogelijk aan te leggen, want Sylvain blaast lustig
door, gewoon domweg als in de Dapperstraat, maar nu in een boot op een
ochtend dat vissen en vogels zich horen klaar te maken voor een lange dag,
maar op een vreemde en muzikale manier onttrokken worden aan hun
dagelijkse regels van het bestaan. Na Once Again, klapt Leon hard in zijn
handen en roept, Ontbijt op de steiger, en hij geeft Sylvain een por in de
rug zodat die met zijn saxofoon veilig en snel op het houten ledikant
terechtkomt. Hmm, ziet er uitstekend uit, kiest Sylvain een broodje met
spek en eieren. Vanmorgen gebakken in Hotel Strauss, zet Leon ook de
tanden in de eenvoudige maar voedzame boerenkost.
De mannen eten zo smakelijk dat schare vissen zich aan de steiger
verzamelen om mee te genieten van het pittig eetspektakel. Leon haalt ook
nog een flesje Piper-Heidsieck uit de tas en ontkurkt het in het Rijk der
Lichten. Tja, op het houten staketsel is Magritte nooit ver weg. Vandaag
is het feest, wordt Leon wel erg uitbundig. Wat vieren we, vraagt Sylvain
met zijn mond vol. Maar, maarr, maarrr, laat Leon de r almaar langer
rollen terwijl hij Sylvain aankijkt als een nar zijn koning, De plannen
van Vilain XIIII natuurlijk, mijn waarde Sylvain. Die heb je me vandaag
beloofd. Och natuurlijk, duikt Sylvain in zijn sporttas, Ik ben ze
gisteravond gaan ophalen in het archief of beter, Ik heb ze gisteravond
meegenomen uit het archief. Als ik ze niet terugbreng, bestaan ze niet
meer! Jij bent dus na mij de eerste die het volledige plan van de
voormalige middeleeuwse waterburcht te zien krijgt, Leon. Wat zeg je
daarvan? Maar Leon is al een en al oog voor de knappe blauwdruk van het
kasteel en vooral de tekening van de catacomben. Mooi, mooi, mooi,
herhaalt hij en hij gaat met zijn wijsvinger langs alle gangen die het
ondergrondse stelsel rijk is. Sylvain kijkt hem verwonderd aan. Gaat het,
probeert hij het stil gejuich van Leon te doorbreken. Knap werk, Sylvain,
Echt knap werk. Daar ga je geen spijt van hebben. Antoine zal al je
profane wensen inwilligen. Ook je tunnel onder de Maas, knipoogt hij.
Kijk, vraagt hij Sylvain zijn aandacht, Deze grote open ruimte waar de
hoofdgangen op uitkomen, moet de zogeheten kapel zijn. Ben je er al binnen
geweest? Nooit, reageert Sylvain verbaasd, De gangen zijn eeuwenlang
dichtgemetseld en ik weet in de verste verte niet in welke staat het
onderaards gangenstelsel zich bevindt. Goed, rolt Leon de plannen weer op,
We zullen wel zien. En euh, je bent zeker dat niemand een kopie heeft van
dit bouwplan. Niemand, bevestigt Sylvain en dan aarzelend, Maar wanneer
krijg ik de plannen terug. Antoine wil ze laten overtekenen en dan krijg
je de plannen terug zonder het deel van de catacomben weliswaar, want je
weet dat Antoine daar zijn geheime locatie wil maken. Van De Orde, kijkt
Sylvain Leon aan. Ja, van De Orde, wordt Leon bloedserieus. Even zwijgt
Leon, maar dan wendt hij zijn blik tot Sylvain. Beide mannen kijken mekaar
in de ogen. Alsof ze op de Toverberg van Thomas Mann zitten, houdt Leon nu
de hand van Sylvain vast, Ik heb een pertinente vraag voor je Sylvain, En
ik stel ze op hoog verzoek van Antoine. Waar is Antoine eigenlijk, vraagt
Sylvain. In Parijs, stelt Leon, Hij is er voor belangrijke zaken die ik je
niet kan vertellen. Dat zal hij later zelf wel doen, maar eerst dit... Er
zijn mensen die op sociologisch, psychologisch, ideologisch en emotioneel
vlak fundamenteel van elkaar verschillen, maar elkaar toch op een intieme
manier ontmoeten in een gesloten groep, buiten de burgerlijke
maatschappij. Ze noemen zichzelf vrijmetselaar en gebruiken rituelen en
symbolen als middelen voor hun ontmoeting. Dit gebeurt al vanaf de
achttiende eeuw in ongeveer de huidige vorm en in de meeste Europese en
Angelsaksische landen. Vele burgers vragen zich af of deze onderneming
waarachtig is of dat het een spel is. Daar wijd ik nu niet over uit
alhoewel het een belangrijke dialoog is. Naast de vrijmetselarij zoals ik
hier kort schetste, heb je De Orde die uitsluitend uit vrijmetselaars
bestaat, maar aan de uiterst vrijzinnige beleving nog een dimensie
toevoegt: de dimensie van Lava Quod Est Sordidum, of, Zuiver wat onrein
is. Kort door de bocht zou je kunnen stellen dat De Orde vrijmetselaars
zijn die actie ondernemen tegen alles wat onrechtvaardig is en onrecht
aandoet, maar het is natuurlijk meer dan dat. Ik kan hier echter niet
verder in detail gaan, maar Antoine is ervan overtuigd dat jij een
extatische mens bent, iemand op maat van het mens-zijn, meer bewustzijn,
meer ervaring en meer werkelijkheid. Een componist van de eerste beweging,
allegro ma non troppo, un poco maestro met als Leitmotiv, Je bent een Kind
van de Kosmos. En Antoine wil je bij De Orde. Ik wil niet dat je iets zegt
Sylvain, zelfs niet dat je antwoordt of vragen stelt, maar dat je nadenkt
over wat ik hier en nu verteld heb. Ik weet dat het niet veel is, maar ook
niet weinig. Je bent verstandig genoeg om te weten wat ik bedoel en je
kent de wereld beter dan wie ook. Ook die van mysteries en spiritueel
intellectualisme. Denk na over de ultiemste zin van het leven, de
vervulling van de kosmische verbondenheid zonder verlies van je eigen
bewustzijn en als volgende week Antoine je zal verzoeken naar Parijs te
komen, ga dan en antwoordt op zijn vraag of je tot De Orde wil behoren of
niet.
Sylvain is er stil van geworden. Hij weet niet waarom, maar hij moet
onweerstaanbaar denken aan de kunstenaar Félicien Rops, gedreven door
durf, passie en Weltschmerz. Sylvain is vorige week in zijn schattig
museum in Namen geweest en heeft genoten van zijn werken, maar wat de
relatie met het verhaal of beter het verzoek van Antoine uit de mond van
Leon is, kan hij niet omschrijven noch vatten. Hij ziet de vrouwen van
Félicien Rops voortdurend door zijn tunnel onder de Maas flaneren, een nar
saxofoon spelen en telkens weer doemt Rops' bekendste werk op van La Dame
au Cochon, die niet door de tunnel, maar over het water stapt. Sylvain
schudt met zijn hoofd, maar Rops blijft aanklampen zoals in een enge
droom. Deze keer schuift zijn geest het werk Le Bonheur dans le crime voor
zijn lenzen en plots vraagt Sylvain aan Leon om te vertrekken zodat de
engelen hem niet langer kunnen verstoren met beelden die niet thuishoren
op de waterplassen van de Maas. Niet nu. Ceci n'est pas zomaar een museum,
lacht Sylvain in zichzelf terwijl hij overdreven snel opruimt, in de
fluisterboot springt en full speed richting Negenoord vaart. Leon kijkt
bedachtzaam toe en vraagt of het gaat, maar Sylvain lacht en zegt dat hij
het een hele eer vindt om te mogen nadenken over De Orde of tenminste dat
hij gevraagd wordt. Dat is zo, kijkt Leon naar de hemel, Dat is zo mijn
vriend Sylvain, Maar weinig mensen hebben het hart en de rede om bij zo'n
genootschap te kunnen komen. Daar, roept Sylvain, twee reigers in gevecht
om een vis. Leon geniet van het spektakel zoals een indiaan en wil dan de
geest masseren met enkele moppen, Ken je die van die werknemer met een
burn-out? Absoluut niet, antwoordt Sylvain.
Een man zit op zijn werk nogal sloom achter zijn bureau. De directeur komt
langs en vraagt wat er aan de hand is. De man antwoordt, Ik weet het niet,
ik heb het gevoel dat alles mislukt, dat alles als los zand door mijn
handen glipt. Ik zie het niet meer zitten. Waarop de directeur zegt, Kop
op kerel. Dat heb ik ook eens gehad. Ik ben toen twee weken lang alle
pauzes naar huis gegaan om me door mijn vrouw te laten verwennen. Dat
heeft prima geholpen. Dat zou jij ook eens moeten doen... Twee weken later
komt de directeur weer langs. De man zit lustig te tokkelen op zijn
computer en de laserprinter spuwt de ene na de andere pagina eruit. Zegt
de directeur, Ik zie dat het weer prima gaat, je hebt mijn advies zeker
opgevolgd. Inderdaad, antwoordt de man, Trouwens, ik heb nooit geweten dat
u zo mooi woont... Sylvain schiet in de lach en Leon begint onmiddellijk
aan zijn tweede mop.
Een man wandelt een bar binnen met zijn huisdier, een aapje. Hij bestelt
een pintje bier en terwijl hij het opdrinkt, springt zijn aap door heel
het café, neemt wat olijven van de toog en eet ze op. Dan neemt hij enkele
schijfjes citroen en eet ze op. Dan springt hij op de biljarttafel, neemt
één van de biljartballen en tot ieders verbazing slikt hij een bal in een
keer door. De barman schreeuwt naar de man, Heb je gezien wat die aap van
je gedaan heeft. Neen wat, kijkt de man op. De woedende barman, Hij at net
een bal van mijn biljarttafel op. Oh ja, antwoordt de man, Dat verbaast me
niet, hij eet alles wat ie ziet. Sorry hoor, ik zal voor alles betalen. De
man drinkt zijn pint uit, betaalt alles en vertrekt... Twee weken later
komt de man opnieuw de bar binnen en bestelt een pint bier en weer begint
de aap rond te springen. De aap vindt een kers, hij neemt ze en steekt ze
in zijn aars, haalt ze er weer uit en eet ze op. Dan vindt de aap een
borrelnootje en stopt het ook in zijn aars, haalt het er weer uit en eet
het op. De barman schreeuwt weer naar de man, al walgend, Heb je gezien
wat je aap nu weer deed? Neen wat, vraagt de man. De ziedende barman, Wel,
hij nam een kers en een noot, duwde die in zijn aars, haalde ze er uit en
at ze dan op. Ah, lachte de man, Dat verbaast me niet, hij eet nog steeds
alles wat ie ziet, maar sinds die biljartbal, meet die alles eerst... De
fluisterboot schommelt hevig op de Maasplas en zeer opgewekt vaart Sylvain
verder. Nog een, zegt Leon, de laatste voor vandaag.
Een man van 98 jaar gaat naar zijn huisarts voor zijn jaarlijks onderzoek.
De arts vraagt hoe hij zich voelt. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld.
Mijn vriendin is 18 jaar, zwanger en verwacht een kind van mij. Niet
slecht eh dokter, zegt de oude man. De arts denkt na en zegt dan, Laat me
je een verhaal vertellen. Ik ken een jager die nog nooit een jachtpartij
heeft overgeslagen. Maar op een dag deed hij per abuis zijn paraplu op
zijn rug in plaats van zijn geweer. Toen hij in het bos was, stond er
plotseling een beer voor zijn neus. Hij nam de paraplu van zijn rug, mikte
en... pang! De beer viel dood neer. Ha ha ha, lachte de oude man, Dat kan
niet eh. Er moet een andere jager geschoten hebben. Precies, zei de arts.
opnieuw gaat de fluisterboot heftig van links naar rechts. Het pittig
ontstressen op de Maasplas, zorgt voor golfjes op het water. Dan stopt
Sylvain de boot. Al lachend maken ze hun werphengel klaar. Het wordt stil
aan Negenoord. De eerstvolgende uren hoor je nog enkel van tijd tot tijd
het plonsen van lood in het water, het knetteren van molentjes aan de
werphengel en losgeslagen merels die kwetterend overvliegen... en kortbij
ook het ruisen van de vlietende Maas, de aorta van het Maasland.
420. De denkende fietser (dinsdag 26 mei 2009)
Hoofdstuk 20
Dit is het liefste wat Leon doet. Fietsen langs de Maas en zijn geest dan
de vrije vleugels geven. Nadenken over het leven. Over het 'zijn'. Over
zijn existeren. Soms lacht hij als hij denkt op de fiets. De lachende
denker. De denkende fietser... Hoe lang is een mens tijdens zijn leven
actief? Hoeveel jaren voegt hij de daad bij het woord? Alle schlemielen,
onnozelaars en jandoedels uitgesloten. Maar iemand die ervoor gaat. Vanaf
zijn twintigste tot zijn zeventigste? Soms nog iets langer. Dat is vijftig
jaar actief leven. Voor die periode zijn er al miljarden mensen geweest
die geloofden dat zij onmisbaar waren op aarde. In de eerste plaats voor
het gezin, de vrienden, de collega's, de gemeenschap. Maar is dat zo? Voor
wie hebben zij sporen nagelaten? Voor wie hebben ze dingen opgebouwd? Een
steen in de stroom verlegt? Idealisme, cynisme, ironie? Een schrijver meer
dan een vakman? Een keizer meer dan een boer? Zijn ingenieurs, van
Michelangelo tot plastische chirurgen de rotsen in de branding van het
leven? Is een vliegtuig het meest vernuftige ding dat ooit beredeneerd is?
Of (toevallig) antibiotica? Is het dit: de leeftijd van een mens in de
westerse wereld verlengen met tientallen jaren sinds de renaissance? Een
hart vervangen zoals een moeder vuile luiers? Wie van ons kan hardop
zeggen dat hij bijdraagt tot welke uitvinding, verbetering of missie die
het welzijn en de welvaart van de maatschappij verbetert? Ten koste van
iemand anders? Is er iets ten voordele van iemand anders? Laster in
raster! De Chinezen willen westerse welvaart en welzijn. Maar als straks
al die Chinezen gaan leven zoals de doorsnee Belg, dan ziet de lucht zwart
van de roetdeeltjes. Als straks India aansluit in de rij van de westerse
decadentie, zal men zand in chocolade moeten steken om iedereen een stukje
zoet te kunnen aanbieden. Waarom is de Zwitserse chocoladefabrikant Lindt
& Sprüngli in Zürich niet content met een omzet van 2,1 miljard dollar en
een chocolademarkt die over heel Europa is verspreid? Neen! De Zwitsers
zelf zijn met 25 pond chocolade per persoon per jaar verzadigd en de
chocoladetovenaars zoeken een nieuwe uitdaging en lonken naar China (en
India en Rusland). Ondanks het feit dat Chinezen nooit chocolade hebben
gegeten, gelust noch begeerd... maar nu de Gele Rivier sinds 1995 stilaan
is opgedroogd, 500 Chinese steden kampen met een watertekort, de
mensenrechten er met alle voeten worden getreden, arme Chinezen zijn
doodgeknuppeld ten voordele van de Olympische Spelen... nu gaan we ze
chocolade leren vreten. Mag het dan niet? Lekkere chocolade voor Chinezen?
Ik weet het niet. Een redelijk mens is altijd genegen om te zeggen dat
iedereen het recht moet hebben om dit en dat te mogen en te kunnen. Maar
is het realistisch met ruim 6,5 miljard aardlingen? Is de aarde daarvoor
uitgerust? Volgens technologie-expert James Martin van de
Oxford-universiteit is '2,5 miljard mensen' het maximum dat de aarde kan
dragen. Ideaal zijn het er slechts 500.000, volgens hem. Maar hij heeft
ook uitgeteld dat het er in 2050 ruim 9,5 miljard zullen zijn. Als we
doorgaan met de economische ingesteldheid van vandaag, dan kan de eerste
de beste idioot begrijpen dat er nooit voldoende grondstoffen kunnen zijn
om iedereen zijn ding te laten doen. Dat geldt zowel voor olieproducten,
drinkwater als voor chocolade. De meeste chocolade wordt nu al gemaakt met
fantasieproducten en heel zeker geen cacaomassa (cacaoboon). En dan is er
nog de luchtvervuiling. Hoe wij de samenstelling van gezonde lucht op de
proef stellen, is een eco-provocatie van jewelste om direct een pandemie
uit te lokken. Wie van de huidige 20-jarigen gaat gedurende zijn carrière
het tij doen keren? Het zal een dictator van de ergste soort moeten zijn
die wereldwijd de touwtjes in handen heeft en manu militari mensen met hun
neuzen in dezelfde richting zet. Op gewoon verzoek gaan ze het nooit doen.
Op basis van redelijkheid gaan ze het ook niet doen. Op basis van tien
documentaires van het type 'An Inconvenient Truth' (Al Gore) gaan ze het
nog minder doen. Aarzel niet. De Natuur zal het hier moeten overnemen. Een
nanovirusje zal het voor de mensheid regelen. Een virusje met 1.000.000
keer de kracht van een mens. Nonotechnologie van Moeder Natuur. Geen
nanochip met biljoenen schakelingen, maar simpelweg een ongelooflijk klein
beestje dat zoals ooit de pest, schoon schip maakt met deze ontspoorde
wereld. Wanneer zal het toeslaan? Plots! Zoals de blindheid in het boek
'De stad der blinden' van José Saramago. Plots! Zoals in de film 'I am
legend' van Francis Lawrence (met Will Smith in de hoofdrol). Plots zal
een treinmachinist van Straatsburg naar Frankfurt doodvallen achter zijn
stuurknuppel en met zijn aanstormende trein een station verwoesten. Daarna
zal een kinderjuf in elkaar stuiken voor een overvolle klas kleuters. Kort
daarop een ambtenaar die op een terras de minister informeert over het
nieuwe atoomtijdperk. Dan de senior die zijn hond uitlaat. De politieman
die zijn buurman flitst. Een Chinees die een tweede blokje Callebaut naar
binnen werkt... vanaf dan is het virus niet meer te stoppen. Mieren,
spinnen en hier en daar een steenmarter zullen lange tijd hallucinante
kreten over de aarde horen, maar na een tijdje zal het weer stil zijn. Zo
stil als Sneeuwwitje nadat ze in de appel beet. De vruchtbare appel. De
appel uit de Tuin van Eden. Zal er na vijftig jaar opnieuw een prins zijn
die haar wakker kust. Of is het leven echt een sprookje?
Leon schudt zijn hoofd en is best tevreden over zijn gemijmer langs de
Maas. Ook de rivier stroomt verder van geluk. Van waar komt al dat water?
Ach, laat maar, kijkt Leon strak vooruit. Ook gisteravond heeft hij voor
het slapengaan goed kunnen denken, herinnert hij zich plots. Ook dat vindt
hij gelukzalig. Voor het slapengaan een goeie portie denken. Hij kan er
zelfs vroeger voor in bed kruipen. Om alles nog eens op een rijtje te
zetten. Om een gedacht te laten rijpen in volledige rust en de groeiende
kiem te begeleiden in zijn slaapkamer. Nog even en hij is aan de Wissen.
Sylvain zal er al zijn. Dat weet hij. Het zweet parelt op zijn voorhoofd
en hij trapt nog wat harder op zijn pedalen. Leon reflecteert nog even
naar gisteravond in bed. Nog voor hij helemaal in zijn warme bunker
insliep, dacht hij aan 'De Onnozele hals' van George Sand. Een
geschiedenis van het goede en eerlijke jongetje Gribouille in een slechte
wereld. Het kereltje zou geheel ten onder zijn gegaan zonder de hulp van
de goede feeën die hem in zijn drang om de wereld te verbeteren zo goed
mogelijk terzijde stonden. Maurice glimlacht op fiets. Muziek van Fats
Domino spookt door zijn hoofd. Leon durft bijna niet te denken dat hij de
muziek van vroeger beter vindt dan de digitale muziekbrol van de laatste
jaren want anders verwachtte hij uit het duister een gemeen politiek
stemmetje dat roept, Ga dan in Bokrijk wonen. Neen, Leon wil hier en nu
wonen. Een vast onderdeel zijn van deze tijd. Leon wil proeven van de
schoonheid en de troost van de eenentwintigste eeuw. Hij wil de wereld
helpen kleuren, het geroezemoes van de aarde registreren en mensen
opgewonden zien leven. Leon gooit zich in een bochtje en kijkt nu strak
vooruit. Het gebouw van De Wissen komt in beeld. Hij wil eigenlijk opnieuw
- jaja, freudiaans ten voeten uit - dat kleine mannetje zijn dat door zijn
moeder in bed wordt gestopt. In een tijd dat ze tijdens koude lentedagen
nog een heet ijzeren strijkijzer in een doek wikkelden en aan de voeten in
bed legden. Dát was dan de goede fee die warmte gaf zolang de geest
onrustig bleef. Dat beeld is voor Leon de schoonheid en de troost waaraan
hij zijn frêle voetjes kan warmen. Troost en schoonheid gaan hand in hand
want wat ons troost biedt, vinden wij mooi. Liefde is dan nooit ver weg.
Leon heft zijn kont van het zadel om de laatste sprint in te zetten. Het
is niet gemakkelijk bewust en diep na te denken op de fiets, beseft Leon.
Je wordt zó afgeleid. En! De hersenen hebben altijd wel opmerkingen en
vaak strooien ze, met hele bakken, mist in de ogen zodat Leon geen steek
meer ziet. Zijn wil om vrij te denken staat in schril contrast om vrij te
kunnen denken op zijn fiets. Vrij denken heeft hij in de hand. Maar vrij
denken op de fiets? Dat is nog wat anders. Leon staart naar de lucht
terwijl hij uitbolt. Het wordt een schitterende dag. Aan De Wissen staat
Sylvain al kant en klaar te wachten. Zijn visgerief ligt al in de
fluisterboot.
Top
|
|