Groeten uit Berbroek

<- terug
    Inhoud
    verder ->
 

Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 410 t.e.m. 419

419. Persistente interactie (dinsdag 19 mei 2009)

Hoofdstuk 19

De dag is jong. Bloedjong. Vogels kwetteren hun symfonie en het licht verjaagt de duisternis met lichtsnelheid. Om vijf uur stapt Margaretha de keuken binnen. Jeroen en Fréderique roosteren een broodje en slurpen al aan een Nespresso terwijl Fréderique muziek van Erik Satie in de lader van de cd-speler stopt. Met veel handgebaren verstrekt hij Jeroen uitleg over de markante Franse componist, een autodidact die op een mysterieuze wijze een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent op de wereld van muziekliefhebbers. Jeroen knikt en knipoogt naar Margaretha. Een heilzame tik die hij van zijn moeder Nirakie heeft geërfd. Margaretha kust de beide jonge mannen op hun voorhoofd en slentert meer dan gaan verder in de keuken. Fréderique gaat volledig op in zijn verhaal over Satie, Jeroen, ik schenk je deze cd-box van Satie en je moet luisteren naar de sobere, exentrieke klanken. Ik wens alleen maar dat je feedback geeft en minstens een keer naar de Maas trekt om de muziek samen met het kabbelende water te laten assimileren in je geest. Jeroen knikt opnieuw en spreekt dan Margaretha aan, Weet jij waar Leon naartoe moet. Om half vijf nam hij twee lunchpakketten mee en ik zag hem met de fiets vertrekken. Margaretha draait zich om, Leon gaat met Sylvain vissen aan de Wissen. Sylvain, die Commissaris van Toeristische Uiterwaarden en..., Ja, die, bevestigt Margaretha en gaat verder, Leon krijgt vandaag ook documenten van Sylvain over het Kasteel Vilain IIII zodat hij de werken in de catacomben kan starten. Jullie weten wel waarover ik het heb. Jeroen en Fréderique nemen nog een slok koffie en kijken Margaretha aan alsof haar verhaal niet af is, Sylvain heeft een fluisterboot geregeld en ze gaan dan de Maasplas op richting Kerkeweerd. Dan zullen ze veel vis vangen, lacht Jeroen, Ik ben er gisteren gaan fietsen en zag dat de kampeervlotten poepvol lagen met rumoerige Nederlanders. Die verjagen er de laatste vis. Zelfs de paling op de bodem van het meertje. Ik zal alvast een emmertje vis bestellen als straks de visboer langskomt, grapt Fréderique verder. Ach mannen, neemt Margaretha weer over, Het is niet alleen vissen eh, je weet toch ook dat Antoine al lang een veerpontje extra wil op de Maas in schilderachtig Leut tijdens de lente- en zomermaanden. Wel! Daar moet Leon ook voor zorgen. Leon en Sylvain zijn trouwens twee handen op een buik, zodoende. En waar wil Antoine die extra veerpont dan wel laten leggen, wil Jeroen weten. In Mazenhoven aan het struingebied, net onder de grenspaal, denk ik, steekt Margaretha haar neusje omhoog. Ach zo, begint Jeroen het spek te snijden in smalle reepjes. Het genootschap wordt gestoord door getik op het venster. Daar staat Joachim en hij doet teken dat hij een koffietje wil op het terras. Is die ook al wakker, vraagt Fréderique. Absoluut, bevestigt Jeroen. Volgens Leon heeft hij vannacht op het terras geslapen. Ik ga wel, haast Margaretha zich naar het koffiemachientje en ze dicteert Jeroen, Smeer snel een paar boterhammen en doe er gerookte zalm op met enkele grijze garnaaltjes, dat heeft hij dolgraag. Jeroen knipoogt naar Fréderique en die draait aan de volumeknop. Satie tokkelt nu wat harder op zijn pianosnaren.

Ben je al op lieve Joachim, zet Margaretha koffie en rijkelijk gevulde boterhammen voor zijn neus neer op het ronde tafeltje. Joachim lacht, Kom je even bij me zitten lieve Margaretha? Ik heb wel even voor je, maakt ze een pruimenmondje. Ik heb net een kattebelletje voor je gemaakt, kijkt hij haar zijdelings aan. Vertel, kijkt ze hem in de ogen...
Goeiemorgen mijn Aller Aller Margaretha
Overspoeld door nostalgie, tranen en herinneringen
De zon van je ogen in mijn kijkers
De vorm van je lichaam in mijn handpalm
De kronkeling van je tong in mijn mond
Nostalgie maakt zich meester van mij
En ik denk en draag Venus aan je op
In een flits, in een moment van totaal geluk
Grijp het vast want Venus is wispelturig
Carpe Venus, van harte van je stille Joachim
Goeiemorgen lieve Margaretha, goeiemorgen, dag

Blozend kust Margaretha Joachim op de mond terwijl ze zucht, Dank je Joachim. Hij geeft zijn kattebelletje aan haar en ze leest onder aan zijn vaste baseline 'Zonder golven geen golf'. Ze wacht even, maar waagt het dan toch maar. Zeg eens Joachim, wie ben je eigenlijk en van waar kom je? Joachim staart voor zich uit en knabbelt heel traag op zijn eerste beet van zijn lekkere boterham. Wanneer hij stoïcijns dreigt te blijven zwijgen, maakt Margaretha aanstalten om weer op te staan, in gedachte dat het weer het zoveelste terrasscenario in lijn wordt waarbij zij vraagt wie hij is en hij dan dagenlang weer zwijgt en zich zoals een steenmarter verschuilt in boom of zelfs onder de grond. Deze keer is het anders. Wacht, zegt Joachim plots, Kom zitten. Stomverbaasd gooit Margaretha haar poepje weer in de rieten zetel. Joachim nipt nog even van zijn koffie en vertelt dan in een overvloed van woorden, Ik ben officieel een filosoof-krijgskunstenaar die tot voor kort studenten aan universiteiten in Duitsland persistente interacties liet beleven, alles gekaderd in de lessen agogiek. Vanaf mijn zevende levensjaar volg ik karate, judo, Tai ji, qi qong en wado ryu en ik ben meester in alle disciplines. Ik ben bezeten door Lao Tse, Tsjwang Tse, Liè Tse en Friedrich Nietzsche. En via deze laatste ben ik op een congres in Cerisy-la-Salle in Normandië in contact gekomen met Antoine. Hij was toen nog praktiserend vrijmetselaar en nog niet afgescheurd met zijn Orde. Hij was er toen, net zoals ik, als Nietzscheaan in hart en nieren en we hebben oneindig veel tijd samen doorgebracht aan het strand. Daarna zagen we elkaar veel in Parijs waar ik toen vooral vertoefde. Joachim zwijgt even en neemt weer een ferme hap. Margaretha kijkt hem voortdurend aan, Maar ben je dan eerder filosoof dan krijgskunstenaar of wat? Joachim raast verder, Ik vond dat filosofen het allemaal zeer goed konden uitleggen, maar te weinig bewogen. Voor mij zat er meer in het leven, meer levenskwaliteit. En kwaliteit betekent voor mij etymologisch 'gedaanteverwisseling' of dat je meer in die metamorfose kan terechtkomen als je daar het lichaam aan toevoegt. Lichamelijkheid - trillende ruimte in het weefsel van hier en nu - is concentratie van de beweging. Dat heeft het oosten goed gezien. De spirit die je in het oosten maar ook bij indianen ontmoet, houdt eigenlijk in dat de geest een lichaam krijgt. Als het ware gaat men de geest gestalte geven in zijn handelingen en dat is iets dat bij de meeste zoniet bij alle filosofen ontbreekt. Ik zou kunnen zeggen dat het subject er is, maar dat het subject moeilijk kan reizen omdat het geen lichaam heeft. I Tjing is precies die Oosterse levenskracht waarbij voortdurend gerefereerd wordt aan het lichaam en de aantrekkingskracht van de aarde. Dat het subject besloten heeft én bereid is zich permanent aan het zelfgewilde leren en veranderen - kortom aan de verandering - over te geven. Dus, wat zijn de mogelijkheden tussen enerzijds de fluctuatie en de beweging en anderzijds de essentie van de beweging en de integratie van het lichaam in die beweging? Hoe zal het lichaam zich modificeren want niet alleen de voeding zal moeten aangepast worden, maar ook de ademhaling als meditatieve vorm en het spirituele of de geest! Het subject geneest zichzelf: subjectiviteit geneest zichzelf Margaretha: subjectiviteit is geneeskunst... de geest wordt herboren. Het subject in deze modificatie is eigenlijk de vorm van concentratie of het creëren van beweging met concentratie, met ademhaling. Deze drie factoren zijn fundamenteel net zoals bij Tai ji en alle oosterse krijgskunsten. Altijd zijn er die drie fundamentele begrippen: beweging, concentratie en ademhaling. Middenrifademhaling moduleert lichaamsgevoel met gravitatiekracht. Die concentratie is hier weliswaar de cyclische ervaring die we als vijfde dimensie kunnen omschrijven. Je hebt eerst drie ruimtedimensies en als vierde is er de tijdsdimensie. Alle vier verlopen ze lineair, maar de vijfde dimensie, die de geestelijke vertegenwoordigt - het subject om het zo te zeggen - herneemt zich voortdurend. Dat is persistente interactie van de essentie op de existentie. Snap je, Margaretha? Haar hoofd tolt alsof ze alle attracties van de kermis van Stokkem ineens heeft beleefd. Vol ongeloof over deze waterval van woorden, knikt Margaretha van 'yes', maar even goed vol ongeloof over deze kennis die Joachim tentoonstelt, Is Antoine dan ook een filosoof-krijgskunstenaar, wil ze per se weten. Joachim glimlacht, Antoine was mijn beste leerling, hij is in staat om dagenlang onder de grond te leven, weken te overleven met enkele zaadjes en een druppel water, hij kan tien sterke mannen aan of nog meer. Antoine beheerst de vijfde dimensie als niemand. Hij is momenteel de meester waar iedereen van de Orde naar opkijkt. Zijn naam staat gegrift in eenieders hart en zijn wil is wet. Als Antoine roept, moeten we komen en daarom ben ik hier. Margaretha schudt haar hoofd. Zij meende Antoine een beetje te kennen en ja, zij wist dat hij meester was van de Orde, maar zijn onwaarschijnlijke invloed was haar totaal onbekend. Joachim ziet haar in complete vertwijfeling wegzinken aan het terrastafeltje. Hij wrijft haar over de rug en streelt haar kastanjebruine haren. Van de weeromstuit legt Margaretha haar hoofd op Joachims schouder en prevelt zoals een elfje tegen haar eenhoorn, Kan je me die krijgskunst ook leren? Natuurlijk, streelt Joachim haar verder in een roes van een zesde dimensie, Kom straks na het vallen van het licht naar mijn kamer. Tien mannen en meer, stamelt Margaretha stil. Ik moet gaan, zegt Joachim plots. Margaretha schiet recht en vraagt spontaan, Waarom? Antoine heeft gisteravond gebeld, er is zware storm op komst. Ik moet een aantal contacten leggen. Ik moet dringend naar Hotel De Klaproos in Maaseik en daarna moet ik naar Maastricht. Ik ben in de vroege namiddag terug. Als de gouverneur komt, vraag hem dan te wachten op me. De gouverneur, kijkt Margaretha een beetje verdwaasd, Wat komt die doen? Zeg maar dat die wacht, Ik heb nieuws voor hem, heftig vitriol-nieuws en dan zal hij het wel begrijpen. Wil je? En weg is hij.


418. Moord in La Grand Palais (dinsdag 12 mei 2009)

Hoofdstuk 18

Nerveus stapt Antoine uit in Metro Champs-Elysées Clemenceau en wandelt tegen een hoog tempo via de Avenue Winston Churchill het gigantische expositiegebouw La Nef du Grand Palais binnen. Drie mannen in het zwart met een eigenaardig bordeaux mutsje op, volgen hem op tientallen meters. Aan de ingang van het paleis laat Antoine een vervalste Belgische Perskaart zien en wordt onmiddellijk en gratuit toegelaten tot de expo La Force de l'Art02 die maar liefst 13.500 m² van het Grand Palais in beslag neemt. De drie mannen scharrelen naar hun portefeuille bij de kassa en eentje betaalt met veel tegenzin de toegang terwijl ze proberen Antoine in het vizier te houden. Antoine kent het Grand Palais al jaren en heeft maar één doel voor ogen: ontsnappen via de administratieve vleugel. Ontsnappen? Eens in de grote ruimte met zijn majestueus groenachtige Eiffelprofielen en oneindig veel glaswerk schieten de ogen van de drie mannen in het rond zoals de ogen van Gollum in de onovertreffelijke trilogie van J.R.R. Tolkien. Fictie natuurlijk, maar hier is het echt. Eentje ziet Antoine nog net achter een metersdikke zuil verdwijnen en gaat erachteraan, gevolgd door zijn drie kompanen. Het groot cultureel-evenement over hedendaagse kunst laten ze voor wat het is en ze versnellen hun pas wanneer ze de kolossale ijzeren zuil naderen. Er zijn maar bitter weinig bezoekers in het paleis en de enige Securitasman is buiten een sigaretje aan het roken. Zoals het hoort trouwens. Wanneer de eerste van de drie zwartgeklede mannen de zuil zowat 180 graden heeft gepasseerd, schreeuwt hij plots hemeltergend hard wanneer Antoine hem met een onomkeerbare wado-ryu handstoot zijn twee ogen tegelijk uitduwt. De tweede struikelt van de weeromstuit over zijn blinde metgezel en wordt in een fractie van een seconde zijn nek omgedraaid. Nog voor de derde zwartgeklede kerel effectief in actie kan treden, steekt Antoine een roestvrij Laguiole vouwmes met een lemmet van 110 mm in en door het strottenhoofd. Hij ontwijkt de ferme straal bloed die tegen de pilaar spuit en wringt dan ook de hals van de tastende en kermende blinde om. Antoine hoort al mensen in zijn richting lopen en tieren terwijl hij vliegensvlug als een panter naar de drie portefeuilles graait van de schielijk overledenen, verder tast en in ieders broekzak ook Porsche-autosleutels vindt, maar tevergeefs verder zoekt naar gsm's en mogelijke wapens. Daarna zet hij het op het lopen. De enige en uiterst voorzichtige Securitasman met een gedoofde sigaret in zijn mond en zijn gummi knuppel in aanslag komt aan de zuil aan en gaat dan millimeter na millimeter verder, aangespoord door een bende schreeuwende toeschouwers die zowel uit angst als uit nieuwsgierigheid hun volumeknop openzetten. De Securitasman met overgewicht maant aan tot stilte en schuift stilletjes verder en verder tot hij achter de zuil verdwijnt. Hij wankelt op zijn sportieve schoentjes wanneer hij drie levenloze mannen op een hoopje ziet liggen in een plas bloed, die nu vanachter de zuil zijn weg naar de expositie vindt. Bovenop de 'gestelde lichamen' liggen drie bordeauxgekleurde mutsjes. De hevig transpirerende bewaker van goed en erfgoed begint te jammeren en te schreeuwen en zoekt als een patiënt die té veel cocaïne heeft gesnoven, naar zijn mobieltje. Eerst zegt hij met een knapenstemmetje, Help, Help, maar dan herpakt hij zich en buldert in zijn gsm dat er minstens drie doden gevallen zijn in La Nef du Grand Palais. Twee bezoekers die nochtans bewonderaars zijn van Picasso en Van Gogh, vallen in zwijm en anderen beginnen spontaan te huilen. De kassierster sluit stoïcijns de toegang van de expo af en wandelt dan geruisloos naar de Securitasman die nu langs de zuil op zijn schoenen staat te kotsen. Ze klopt hem op zijn schouders. Andere niet zo schuchtere bezoekers van de hedendaagse kunst beginnen het hele zootje, de doden incluis, te filmen voor het nageslacht en bellen opgewekt het verrassende nieuws van La Grand Nef door naar hun vrienden of familieleden. Wanneer de Parijse politie met man en macht verschijnt is Antoine al lang verdwenen in de massa via een zij-uitgang van La Nef du Grand Palais. Hij wandelt flink door in de Franklin D. Roosevelt om zo snel als mogelijk via het gelijknamige metrostation ver weg uit de buurt te gaan. Hij sms't zijn vrienden Joris en Buck dat ze onverrichterzake naar Belleville moeten komen en absoluut niet naar het achtste arrondissement. In Parc de Belleville nabij Rue des Couronnes zal hij ze treffen.

De zon staat hoog aan de hemel als Antoine aan de metro Belleville uitstapt en via de Boulevard de Belleville langs China Town stapt om zo in de rue de Belleville uit te komen. Daarna draait hij de rue Jouye-Rouve in om uiteindelijk in het golvende Parc Belleville te stranden. Hij kijkt omhoog en drentelt via de gezellige wandelpaadjes helemaal naar boven in het park waar hij net onder de rue Piat of zeg maar Passage Piat plaatsneemt op een sierlijke bank. Van hieruit heeft hij een panoramisch zicht over de stad der steden. Niet voor niets noemen ze het hier Montmartre II, maar dan zonder de massa kronkelende toeristen die Montmartre zelf rijk is. Antoine begluurt nauwgezet het park en onderzoekt of er in zijn onmiddellijke buurt geen toevallige bezoekers zitten die op hun beurt hem kunnen bespieden. Niemand! Mooi zo. Hij haalt een eerste portefeuille van zijn slachtoffers tevoorschijn. Een flinterdun hertenlederen geldomslag waar zo op het eerste zicht een Europese identiteitskaart en geld zit. Ben Klimmt is een Zwitser die geboren is in Bern op 23 maart 1955. De foto komt precies overeen met de persoon van wie Antoine het zicht en even later het leven benam. Tussen drie coupures van 500 euro zit een elektronische kaart van Etap Hotel Porte de Saint Ouen. In de enkele zijvakjes van het hertenlederen ding zit verder niets. Of toch. Nog een flinterdunne bordeauxkleurige kaart met een sierlijke letter H op. Antoine bergt Ben Klimmt op en neemt de tweede geldomslag. Ernst Watan is eveneens geboren in Bern op dezelfde dag als zijn voorganger, maar dan in 1954 in plaats van 1954. Er zit een geurkartonnetje van Dior Homme bij. Watan heeft maar liefst 5 briefjes van 500 euro bij zich en nog wat kleingeld. Er zit ook een uitgescheurd kaartje van Leut-Meeswijk in een zijvak met aanduiding van Hotel Strauss en er is ook een kruisje getekend in het struingebied van Meeswijk waar vooral Maaslandse kruiden groeien. Ook aan de bastaardboom van kasteel Vilain IIII staat een kruisje. Er zit een rekening in van Ristorante Da Lidia aan de Rijksweg in Maasmechelen en verder nog een condoom van het merk Durex, mét aardbeiensmaak zo te zien. Ook hij draagt een bordeauxkleurige kaart met de goudkleurige letter H op. Dieper in een zijvakje voelt Antoine nog iets. Hij kijkt verwonderd als hij een pasfotootje van zichzelf vindt. Weliswaar een aantal jaren geleden genomen, maar hij is waarachtig. Aan de achterkant staat in gotisch schrift geschreven, Maître Antoine - Belge. Antoine staart voor zich uit en probeert zich te herinneren aan wie hij ooit een pasfoto van zichzelf heeft gegeven. Die zoektocht kan niet lang duren want Antoine heeft zijn leven lang maar enkele keren voor de fotograaf gezeten en pasfoto's uitdelen is beslist zijn passie niet. En dan mompelt hij zacht de naam van Aquino. Tijdens een bijeenkomst van de broeders-meesters in Berlijn had die ooit om onduidelijke redenen er eentje gevraagd. Antoine steekt alles weer weg in de portefeuille van Watan en onderzoekt dan die van Jefrey Marai, eveneens geboren in Bern en opnieuw op dezelfde datum als zijn kompanen, 23 maart, maar deze keer in 1957. Van een hecht triumviraat gesproken, bedenkt Antoine zich terwijl hij opnieuw de weinig informatieve identiteitskaart met zwart-wit foto bekijkt en de bordeauxkleurige kaart met letter H ziet. Misschien brengt een chiplezer meer informatie op de voorgrond van deze drie mannen. Marai heeft eveneens veel geld op zak, maar liefst 5.000 euro in de steeds meer gegeerde biljetten van 500 euro. En een vijftal biljetten van 5 euro. Marai blijkt de rommelaar van de drie te zijn. Rekeningen van restaurants uit Keulen, Bonn en Bern, maar ook een ticket van een kruidenaankoop in De Koetsier in Meeswijk. Een papiertje met een zo goed als onleesbaar kattebelletje alhoewel Strauss toch in de contouren van de letters te lezen valt. En dan schokt het hart van Antoine wanneer hij tussen al die rekeningetjes plots een verfrommeld fotootje vindt van Veerle, geposeerd voor haar Porsche Carrera GT, uitgeknipt uit een andere grotere foto, maar tamelijk recent. Veerle in witte broek met een wit hemdje met zwarte bolletjes, een designer Gucci-zonnebril op haar bijzonder mooie neusje en haar knappe kastanjekleurige haar erg naar achter geföhnd. Antoine verbijt de pijn en denkt aan het geheime politieverslag van het dodelijk ongeval van Veerle. Hij kreeg het van een bevriende broeder-rechter uit Aken toegestuurd enkele dagen na de dodelijke crash! In dat verslag staat melding van een getuigenis van een wandelaar die vier Porsches als gekken heeft zien racen... Antoine heeft de killers dus een koekje van eigen deeg bezorgd in La Grand Palais, maar hij kan er geen nanogram plezier aan beleven. Het was trouwens een kwestie van 'overleven'. Een beetje ineengedoken als een clochard staart hij voor zich uit en hij merkt maar vaag de komst van Joris en Buck die almaar harder beginnen zwaaien. Luidkeels naderen ze Antoine die de portefeuilles weer heeft weg geborgen en twee van de drie autosleutels van de Porsches omknelt in zijn rechterhand. Nog voor Buck en Joris hem kunnen omhelzen, gooit hij ieder een autosleutel toe, Hier, lacht hij, Jullie krijgen een splinternieuwe zwarte Porsche van mij. Joris en Buck kijken elkaar verwonderd aan en schudden het hoofd van ongeloof en verwarring, Hoezo, trekken ze hun ogen ver open terwijl ze de autosleutels bekijken. Dat vertel ik je in Bercy, veert Antoine recht, zijn dappere vrienden omhelzend en drie kussen schenkend, Tijdens een hapje op de Kiosque flottant aan de Quai de Montebello. Joris protesteert om nu al verder te gaan, maar Antoine pakt hem lieflijk vast en fluistert in zijn oor, Je krijgt onbeperkt champagne met kreeft. Echt waar, vrolijkt Joris hic et nunc op. Echt waar, bevestigen de blauwgroene ogen van Antoine, met een vleugje bruine vlek. Waar gaan we naartoe, wil Buck weten, terwijl hij de autosleutels bestudeert!


417. Afscheid (dinsdag 5 mei 2009)

Hoofdstuk 17

Zowat op de grens van het achtste en het zevende arrondissement blijft Nirakie staan. Ze trekt Antoine met haar mee op de Pont Alexandre III over de Seine. In het midden van de 109 meter lange brug blijft ze plots staan en op deze overdadig gebeeldhouwde en versierde brug, gebouwd als symbool van de Russisch-Franse alliantie in 1892 door tsaar Nicholas II, houdt ze Antoine kort tegen zich aan, kijkt in zijn ogen en zegt dan heel stilletjes, Morgen vertrek ik naar Aillon-le-Jeune in de Franse Alpen. Ik ga bij Hugues wonen. Terwijl ze het zegt, verstevigt ze haar greep op Antoine. Hij glimlacht flauwtjes en terwijl hij weg kijkt in de Seine, prevelt hij tegen haar, Naar de Savoie, dus. Naar Hugues, de Alpenherborist. Antoine kijkt haar aan, omhelst haar, geef ze drie kusjes waarvan het laatste op haar voorhoofd en vraagt, Waarom Nirakie? Ik ben de oorlog beu, Antoine. Volledig willen opgaan in iets is een wezenlijk gevoel, maar mijn hart heeft eindelijk rust nodig. Ik zeg de Orde niet vaarwel, maar ik laat me graag in slaap wiegen en daar moet jij voor zorgen. Ik ben nu drieënveertig jaar en wens niet langer in angst en tussen werkelijkheid en droom te leven. Ik heb voor de Orde jaren in en rond Brussel vertoefd, mijn leven gewaagd voor het ideaal en ik deed het allemaal met plezier, maar de dood van Veerle is de druppel die de emmer heeft doen overlopen. Ik kap ermee. Ik kan het niet meer aan. Ik wil geen boek zijn dat voor niemand geschreven is. Ik heb verdorie met drie mannen lief en leed gedeeld, ik heb drie gezonde kinderen op de wereld gezet! Jij wou de vierde niet zijn Antoine, zeg zelf! En Hugues is niet alleen de eigenzinnigste nomade die ik ken, maar hij is lief, toegewijd en vooral, hij is hopeloos verliefd op me en wil me onvoorwaardelijk opnemen in zijn bedaarde leventje als herborist in zijn uitgestrekte regio van de Rhône-Alpes... Nirakie zwijgt en kijkt Antoine nog steeds in zijn ogen. Ik begrijp je, streelt hij haar wangen, En ik zal graag zorgen voor je wiegelied bij de Orde, maar wat gebeurt er met Ons? Ons, Antoine, bijt ze op haar lippen, Ons blijft Ons, voor eeuwig en altijd. Jij zal voor altijd mijn 'specialleke' blijven en in mijn hart bezit jij een kamertje dat alleen en alleen voor jou is bestemd. Ik hoop dat jij jouw kamertje blijft huren in mijn hartje. Het is niet eerlijk van mij om dat te hopen, maar geloof me, het is een kamertje behangen met veel speciale vriendschaps-dingetjes. Ik zie een kamertje met lovertjes, zo van die parelmoere kleine ronde dingetjes overal. En in het midden van die kamer een mooie fluwelen zetel, vuurrood, bijna een troon... zou trouwens mooi staan met jouw zwart hemdje vandaag, lacht ze met haar mooie mondje open, Een troon waarop jij thuishoort! Opnieuw omhelzen ze elkaar. Dat kan gemakkelijk in Parijs. Stilzwijgend, maar hand in hand, zo vast in elkaar gestrengeld als kettingen van een oceaanreus, wandelen ze verder over de brug de trappen af en stappen ze op de kaai langs de Seine, nu en dan vertwijfelend lachend naar elkaar, eerst parallel langs de Quai des Tuileries, gevolgd door de Quai du Louvre en zo naar het Ile De La Cité. En daar waar het eiland door beide Seine armen omhelsd wordt, vallen ze mekaar weer in de armen. Nirakie laat zich gewillig kussen op de mond en duwt haar stijve tepels tegen de stoere borst van Antoine. Maar ze zeggen niets meer en zonder nog een keer om te kijken naar de machtige muren waarachter zich het Elysée bevond, gaan ze in een ruk de Pont Neuf op waar Nirakie iets in Antoines handen stopt, Hier, mijn rozenkwarts hartje, Ons symbool van Amos en Eros, weet je nog? En daar moet ik dan mee verder leven, klopt Antoine op Nirakie's poepje, Dit is alles wat er overblijft van mijn Nirakie, lacht hij verder. Nirakie knipoogt en buigt diep over de leuning van de brug terwijl ze haar leven probeert te spiegelen in de levensader van de lichtstad. Antoine grijpt haar schouders vast, Net als een antropoloog houd ik van een cultuurshock, maar dit... en hij draait haar beheerst ruw en 180 graden om, gezicht tot gezicht, Dit is het liefste geschenk dat ik ooit van je kreeg. Jouw hartje in rozenkwarts met een beetje titaan en mangaan erin. Samen met Onze herinneringen aan de oevers van de Maas en Onze Geheimen, kan ik me er wel doorheen slaan, denk ik. Samen lachen ze uitbundig en in het voetspoor van het bruisende leven, flaneren ze naar hun lievelingsbrasserie La Coupole aan de Boulevard du Montparnasse. Dáár voelen ze zich zoals Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir thuis en vertrouwen ze elkaar, net als de twee Parijse schrijvers, hun grootste geheimen toe. Na de eerste fles champagne wordt de sfeer zoals een zachte nevel van plezierige onwerkelijkheid en wordt La Coupole een geselecteerde wereld van alledag.

De avond vordert met hoogtepunt na hoogtepunt waarin niets gebeurt, behalve dan dat Antoine gedicht na gedicht voor Nirakie uit zijn mouw tevoorschijn schudt. Allemaal afscheidsgedichten voor jou, krabt hij met zijn Artline achter zijn oren. Nirakie kan er niet genoeg van krijgen en spoort haar allerbeste vriend vurig aan, Nog een met een wonderlijke rode jagershoed, en dan, Met het oog op de toekomst, En nog een met de kleuren van Ons tijdperk, een passiebloem, wijsheid, kracht en.schoonheid, klapt ze enthousiast in haar handen. En terwijl Antoine nog een fles Moët laat aanrukken, roept hij, Clowns en dwazen zouden altijd het laatste woord moeten hebben, net zoals dichters en schrijvers, Hier zie, een gedicht met licht,
Als ik alles overweeg,
Op de weegschaal,
Met een blik op de horizon,
Het hoofd boven de wolken,
Eén voet in de hemel,
De andere in bad,
Dan denk ik toch vaak...
Nog wat warm water bijvullen.
Nirakie leest het zacht voor, nipt aan haar kristallen coupke en steekt het gedicht dan vrolijk in haar dagboekje. Antoine is al met een volgende gedicht bezig,
Ik verdraag geen pijn meer,
Niet langer dan de glans,
Van spiegelend glas,
Doorzichtig helder

Lijden is voor mietjes,
Of voor zieken,
Voor terminalen,
Maar niet langer voor mij

De beuk erin,
Stappen in de regen,
Doorgaan, buik vooruit,
't Gereedschap droog eronder.
Nirakie lacht en bergt het geestige gedichtje en méér op.

Antoine geraakt in een roes van dichter bij het licht en wijst met een waggelende hand naar Nirakie, Voor jou als je er niet meer bent voor mij, en hij schrijft,
Ik, geile hetero numero uno,
Ik heb het zo koud vanbinnen,
Zelfs tien hoeren kunnen me niet,
Ontdooien

Zie me hier nu ijsberen
In de pijpenstelen regen,
Kijken naar de maan,
Steenkoud

Alleen die ene ster, ergens,
Heeft de kracht en glans,
Om mijn hart te doen ontbranden,
Vuurheet

Ongelooflijk toch,
Onze onvoorspelbare natuur,
Die met één vrouwtje alles kan,
Verwoesten.
Is dat zo, fronst Nirakie de wenkbrouwen. Zo is het, knikt Antoine, De geschiedenis is één opeenvolging van ontspoorde testosteron.

Ga je me missen, streelt Nirakie met haar vinger over Antoine's dichtershand. Wat denk je, vraagt hij met zijn neergeslagen ogen in het glas champagne. Ga je me schrijven, wil Nirakie weten. En jij, kaatst Antoine de vraag terug. Nirakie twijfelt en zegt dan, Ik schrijf jou honderden brieven, maar vind niet de woorden. Ik wil jou nooit kwetsen... daarom misschien dat ik geen woorden durf neer te schrijven zwart op wit, maar misschien vind je mijn woorden wel geschreven op Ons strandje in het zand... Antoine lacht, maar nu met tranen in de ogen, Ja Nirakie, ik zal je missen, héél erg. Na morgen wordt mijn wereld anders. Ik hoop dat je gelukkig wordt met Hugues alhoewel ik goed besef dat er altijd wat kleeft aan stille dingen. Hoeveel inwoners telt Aillon-le-Jeune? Nog geen vierhonderd! Wel, je zal er zeker rust vinden. En ik? Ik zal je man in de schaduw zijn, die er zal zijn als je hem nodig hebt... denk ik. Heb je nog een wens? Niet te moeilijk, grapt hij er snel achterna, Want ik heb te veel gedronken. Nirakie proeft met haar ogen verder van haar meester en duwt hem dan met de wijsvinger op zijn neus, Ja, ik zou je willen verzoeken om goed te zorgen voor Jeroen, want hij weet nog niet in welk wespennest hij terecht is gekomen. Wil je? Ja, ik wil, steekt Antoine twee vingers met bezwerende kracht in de lucht. Kom we gaan, kijkt hij Nirakie bezorgd aan, en hij vraagt de rekening aan een voorbijsnellende ober. Eens buiten, slenteren ze arm in arm naar hun hotelletje. Is het leven zoete dromen en bedrog, kronkelt Nirakie zich tegen Antoine aan, Wat denk je lieve Antoine? Antoine kijkt naar de volle maan die de nacht begeleidt, Ach lieve Nirakie, duwt hij haar zacht in haar zij, Ons leven speelt zich een beetje teveel af in een eendimensionale wereld, we waren te veel rond als gekortwiekte vogels, bovendien zijn mensen te veel soldaat in plaats van monteur en voorts wil ik nog één keer met je naar bed voor Ons afscheid. Wat denk je?

Om 10.54 uur stipt verrekt de TGV in La Gare du Nord naar Lyon. Daar zal Hugues zijn Nirakie komen afhalen. Niet haar grootste liefde, maar wel een man met wie ze gelukkig kan worden. Zacht als boter, op vele wereldse vlakken zo groen als sla, eenvoudig als een appel, eerlijk van bloesem tot oogst. Beloof je gelukkig te worden, pakt Antoine haar nog eens stevig vast op het perron. Ik beloof, kijkt Nirakie ernstiger dan ooit. Bewaar het geheim en Ons geheim, kust Antoine haar op het voorhoofd. En het mooie geheimpje van vannacht, knipoogt ze lieflijk naar hem. Ze neemt zijn hand en legt die op haar kloppende hart. Hier zit jij voor eeuwig, pinkt ze een traantje weg. Ik weet het, zucht Antoine, Ik weet het. Dan stapt Nirakie met haar karige bagage op haar weg naar Heaven. Antoine verlaat zonder zich nog een keer om te draaien het station en zet zich op het terras van Le RV des Belges aan de rue de Dunkerque. Hij bestelt een café crème en zoekt dan een papiertje waarop hij schrijft,
Heerlijke, eerlijke Café Crème
Met Lavazza, Sagefredo of Illy
Jij raakt mij zo diep
Als een meteoor de aarde

Vooral in Parijs, alleen dààr
Op een terrasje aan La Gare du Nord
Met naast me een zwarte vrouw
Zo lief als het schuim op mijn koffie

Ik heb je graag zo heet mogelijk
Zodat ik moet blazen en slurpen
Én dat ik je voel stromen
Ab ovo en ad infinitum
De lucht van dwaasheid en wijsheid droogt zijn tranen snel op. Hij kijkt in zijn agenda van zijn BlackBerry. Nog even en dan arriveren Joris en Buck in Parijs. Nirakie heeft haar vertrek goed gepland, lacht hij in zichzelf. Maar het is en blijft een afscheid dat hem enorm zwaar valt. Antoine staat op en slentert naar La Nef du Grand Palais waar hij met zijn vrienden-broeders heeft afgesproken. Het gedicht laat hij aan de wind of toevallige voorbijgangers of aan... niemand. Er is werk aan de winkel. Dat zal zijn zinnen verzetten. Hij steekt een wilde milde cigarillo op en herinnert zich een mooie inleiding van een boek over Parijs, Een Valentinois wordt geboren in Valence, een Draguignanais in Draguignan en een Briochain in Saint-Brieux, maar een Parisien wordt niet geboren in Parijs: hij wordt er herboren. On verra, mompelt hij hardop, terwijl hij een nieuw evenwicht zoekt in zijn leven.


416. Kruidig genieten (dinsdag 28 april 2009)

Hoofdstuk 16

Het Maasland staat in bloei! En niet zomaar eventjes zoals in Haspengouw, maar diep tot in het najaar! Morgen, 1 mei én feestdag van de arbeid, start eigenlijk officieel het toeristisch seizoen voor Hotel Strauss en het ongeëvenaard waterparadijs aan de Maas. Margaretha is hoogzwanger van het grensverleggend labeurwerk dat op haar wacht en heeft traditioneel seizoensarbeiders gemobiliseerd. Het zal totaal anders zijn dan vorige jaren want naast een heleboel personeel kan ze dit jaar ook beroep doen op Jeroen, Fréderique en Leon alsook Joachim Stiller, al weet ze van deze laatste niet welke hulp hij rechtstreeks aan de sector kan brengen. Haar volgen, ja. Haar bespioneren, ja. Haar bijspringen in alle mogelijke en onmogelijke situaties, ja. En haar als een illegale immigrant van het hotel op speelse magie doen blozen, ja. Zo schrijft hij sinds zijn komst regelmatig prachtige gedichten over het wroetende kwaad en steekt het velletje papier, altijd geurig gemaakt met een of ander Maaslands kruid, onder haar kamerdeur. Hij besluit altijd met een soort baseline die luidt 'Zonder golven geen golf'. De dag erop verwacht Margaretha dan telkens een uitgebreid gesprek, maar dat komt er nooit! Het lijkt wel alsof Joachim met zijn gedichten wil bewijzen dat hij bestaat. Zo van 'Ik schrijf gedichten, dus ik besta'. Descartes après la lettre! Na ieder gedicht wordt hij dan weer zo stil als een espenblad en verschuilt hij zich in zijn kamer achter de gordijnen, of in een hoekje op het terras of in de struiken van de Maasoever. Eén enkele keer, toen ze dacht dat ze van hem verlost was, zat hij in het topje van een boom die uitzicht gaf over hotel en omgeving. Hij lag erin zoals een panter en vermits hij zijn ogen nooit sluit, wist ze niet of hij sliep of waakte. Een echt roofdier, dus. Maar eentje dat stilaan haar hart veroverde met scabreuze glorie. Margaretha lacht als ze hem overdenkt. Zij heeft het eigenlijk altijd gehad voor uitzonderlijke mannen, of dat nu in geest of daad was, maar als ze haar mannen even op een rijtje zette, dan verschilden ze in niets van de stoet van Orpheus of hét dierenboek van schijnbaar gewone beestjes. Misschien moest ze Joachim verantwoordelijk maken voor het terras, 100 stoelen en 25 tafeltjes sterk. Hij zou ook de verhuur kunnen regelen van de fietsen en de fonkelnieuwe elektrische fietsen en Vespa's die Antoine voor dit nieuwe seizoen heeft voorzien om door de vallei van de kronkelende stroom te lanterfanten.

Leon heeft intussen de eerste klanten op het terras al voorzien van een smakelijk verhaal. Hij is een schatje die de meest creatieve voorstellen uitwerkt voor het hotel en dat wordt door de gasten en toevallige bezoekers meer dan gesmaakt. Kruidig gesmaakt, want Leon is een kenner van de Middellandse Zeekruiden die weelderig groeien en bloeien in de ongerepte natuurreservaten en aan de rimpelloze grindplassen van de Maas. Maar Leon kent ook talrijke kruiden in de dichte bossen, heidevelden en vennen die eveneens deel uitmaken van de rijke Maasvallei die eigenlijk een ruim rivierbed kent. 's Avonds durft Leon in het midden van het terras een mandje vlechten met wissen die hij zelf is gaan snijden aan de uiterwaarden van de Maas. Zo laat hij dan de rijke vlecht- en mandengeschiedenis van een regio herleven en verhoogt hij de belevingswaarde van de hotelgasten. Vanmorgen heeft hij een fietstocht geregeld van Hotel Strauss naar Ophoven. Een lange rit langs de vlietende Maas. Regelmatig zullen ze via de gratis veerpontjes de Maas oversteken en ook Nederland bezoeken. Slechts één dagen heeft de uitnodiging voor het beleven van deze fietslus aan de hoteldeur gehangen en vandaag, de dag van het vertrek, zijn er maar liefst zeventien geïnteresseerden voor de tocht. Voor iedereen is een picknickmandje voorzien. In Ophoven nemen ze dan de boot naar het witte dorp Thorn en als ze later weer aanmeren in Ophoven, komen ze via een deel van het snoer van Maasdorpen terug naar Leut. In welke typische Maasdorpjes passeren wij ook alweer, wil de eerste klant uit Maastricht van de grensverleggende fietsroute weten. Leon geeft zijn geheugen de sporen en rammelt het lijstje af zoals ooit zijn Wees Gegroet bij de pastoor, Ophoven, Aldeneik, Maaseik, Heppeneert, Elen, Rotem, Oud-Dilsen, Stokkem, Meeswijk en dan zijn we weer in Leut. Ah zo, knikt de dame vol ongeduld. Daarna vertelt Leon graag zijn klassieker, Toen hij op een dag aan het wandelen was langs de Maas, zat daar een visser met een witte hond en toen ontspon zich de volgende dialoog. Mooie hond heb je daar. Ja, antwoordde de visser trots, Gekocht op de Smokkelmarkt in Stokkem. Aha, en hoeveel heb je hem betaald, wilde Leon weten? Tweehonderd euro. Zozo, en euh, kan hij iets? Ja, zei de man en nam een stok die op de oever lag en gooide die ver in de Maas... Pak, gebood hij zijn witte hond. Die stond recht en liep zoals Jezus over het water, nam de stok in zijn mond en keerde weer terug naar zijn baasje... En, draaide de visser nu ongelooflijk trots zijn hoofd. Tja, keek Leon twijfelend naar de visser, Toch veel geld voor zo'n hond die niet kan zwemmen!

Intussen brengt Fréderique vier Maaslandse kruidenthees naar het terras voor de vier Nederlandse gasten van Hotel Strauss die er zich na het ontbijt opnieuw voor uren genesteld hebben. Ze vinden het zo sjofel om na het ontbijt al de kranten van de regio te lezen. Daarna vertellen ze tegen mekaar wat ze is bijgebleven, ze vechten dan een tijdje met zwaarwichtige gewetensvragen en dan begeven ze zich al wandelend naar het eerste veerpontje in de buurt. Ze reizen er dan met een inschikkelijke onverstoorbaarheid zo'n vijf keer mee op en af en slenteren dan terug naar het terras waar ze zich voorbereiden op het middagmaal. Eén keer zijn ze naar Maaseik geweest, op zoek naar de schildersbroers Jan en Hubert van Eyck, maar toen ze er plots op de Grote Markt van Maaseik oog in oog mee stonden, vonden ze het maar niets. Ze keken nog even als onverlaten naar de authentieke renaissancegevels en historische gebouwen en begaven zich toen snel terug naar Hotel Strauss. We houden eerder van de oeverloze rust en de struinnatuur van Mazenhoven, vertrouwden ze Margaretha toe. En daarna zijn ze niet veel verder meer geweest dan Kasteel Vilain XIIII, de Portugese eik en de bastaardeik. Eén keer heeft Margaretha nog geprobeerd ze te sturen naar Oud-Rekem, het mooiste dorp van Vlaanderen, maar de vier zegden in koor, Maar we genieten hier met volle teugen, méér moet dat echt niet zijn.

Het terras zit half vol. Het is half tien. Leon heeft de fietsen in slagorde opgesteld. Om tien uur stipt zijn ze weg. Zelf neemt hij een elektrische fiets gezien zijn gezegende leeftijd, maar vooral omdat hij op die wijze snel van fietser naar fietser kan spurten om nog een extra volksverhaal toe te voegen. Jeroen komt samen met Margaretha even uitpuffen van de voorbereidingen in de keuken, heeft het tegen haar over de verheven alledaagsheid en de alledaagse verhevenheid. Fréderique gooit er nog een zoethoudertje bovenop, Intellectuelen redden zich wel in onze maatschappij, maar hoeveel intellectuelen zijn er? Hij knipoogt naar Margaretha terwijl hij het ontbijt brengt naar Joachim Stiller die zich in een hoekje van het terras heeft verschanst en iedereen en alles nauwgezet gadeslaat. Hij leest tegelijk in De Volkskrant en Het NRC Handelsblad. Zo nu en dan maakt hij notities in een schriftje. Zo te zien schetst hij ook profielen. Die van Margaretha nog het meest. Tja, zo te zien gaat het er gezellig aan toe in en aan Hotel Strauss. Domweg gelukkig in Hotel Strauss, geeft Margaretha een nat kusje op Jeroens mond. Als een gepassioneerde kok proeft hij ervan en lacht dan zijn tanden bloot. Mijn soep, roept hij dan plots. Enkele gasten kijken op, maar de meesten bevinden zich in een roes van verrassing en orde met de Maas als blauwe draad van hun momentane leven, het vredige leven zoals het is, hier en nu aan de Maas.


415. Tahar Djaout (dinsdag 21 april 2009)

Hoofdstuk 15

Joris en Buck staan vertrekkensklaar voor het hotel Strauss. De bagage zit al in de koffer. Reisdoel is Parijs, Hôtel Clarion Saint-James & Albany nabij de Tuileries. Daar zullen ze morgenvroeg op de knappe binnenkoer Antoine en enkele Franse vrienden ontmoeten. Joris houdt zijn zopas toegekomen zoon Fréderique nog even flink in zijn armen. Hij houdt een tikkeltje anders van hem dan van zijn overige twee kinderen en constateert systematisch dat Fréderique een aanzienlijke stevige greep houdt op het gezin. Natuurlijk is er de onweerlegbare affiniteit en niet in het minst dat beide heren apotheker zijn, maar de wijze waarop ze deze metier onder de knie kregen, is opmerkelijk verschillend. Terwijl Joris het volgens de geijkte wetten van de chemie met een vleugje mystiek volbracht aan de Gentse universiteit, verwierf de zoon zijn meesterschap aan de hand van de deconstructie van al de universitaire apothekerskabbala waarbij hij teruggegaan is naar de ontstaansgeschiedenis en zijn historische voorlieden en met een spookachtige koppigheid op zoek naar het leven na de dood. Maar net zoals zijn vader is Fréderique behept met de onderwerping van de mens aan het fatum, aan het irrationele en de inperkende geboden en verboden van wetten en dé macht. Maar niet de macht zoals wij die kennen, maar eerder op zijn Frans! De macht of eerder de term 'macht' vindt hij vaag en volgens hem omvat het zowel hetgeen in't Frans puissance als pouvoir heet. Soit! Zeg maar gerust dat Fréderique de atheologie van de Franse filosoof Michel Onfray in het vet onderschrijft en de odyssee van de vrijdenkers kent als zijn broekzak. Ook dat hij het atheïsme ziet als een uitweg uit het nihilisme en dat al de vrijdenkersstellingen en zoveel meer hem spoediger dan normaal naar de Orde brachten, of zoals zijn vader en hijzelf wel eens durven declameren, Naar dé levenskunst uit hartstocht en woede. Joris zou hier wellicht graag aan toevoegen, Hoe te leven in het heden met aanbevelingen van Marcus Aurelius en natuurlijk - zijn stokpaardje - de dikke turf De Essays van Michel de Montaigne, maar Joris is geen schrijver! Nu komt ook Léon buiten gelopen met een zakje levensmiddelen voor onderweg, Hier, geeft hij zowel Buck als Joris een klein plastiek zakje waarin donkergroene pilletjes dansen, Homeopathische derivaten voor een behouden tong, en al lachend schudt hij ze fors de handen. Wees voorzichtig en geef een seintje als jullie er zijn. Vooraleer Joris in zijn Mercedes stapt, ziet hij Joachim Stiller toekijken vanuit het open raam van zijn kamer. Joris wuift bescheiden naar Stiller die weer stilletjes verdwijnt zoals alleen de wind dat ook kan doen. Als laatste in de rij kust Margaretha haar hartelijke vrienden een droomreis toe en haast zich dan weer naar binnen. Aan de balie staan immers twee half belegen koppels uit Nederland - geweldig slecht gekleed - ongeduldig te wachten om in te checken. Straks begint immers de traditioneel gratis veerpontenmaand in het Maasland. Iedereen kan dan te voet of te fiets gratis via elk veerpontje op de Maas van Belgisch Limburg naar Nederlands Limburg pendelen en omgekeerd. Blijkbaar beschouwen sommige Nederlanders, vooral die uit Groningen, dat als een soort cruisetocht op de Maas. Deze vier gasten van Hotel Strauss komen uit Zuidhorn.

Joris geeft zijn 3,2 liter Mercedes zescilinder de sporen. Op de dvd-speler doet Elvis The King zijn best om het prachtige Maasland te doen vergeten, maar het is toch Buck die Joris uit de roes haalt van het snoer van Maasdorpen en de grillig lieve Maas, Ik las vorige week een schitterend boek van Tahar Djaout. De laatste zomer van de rede, een verbazingwekkend politiek testament van een schrijver volgens Le Monde des Livres en dat is het ook. Tahar Djaout is omwille van zijn boek en standpunten immers vermoord door fundamentalisten, de Waakzame Broeders. Joris schakelt the King met één vinger uit en zegt bedeesd, Dat interesseert me. Waarover gaat het boek precies. Buck haalt diep adem, Het is een poëtische vertelling van grote kracht en schoonheid die zich afspeelt in Algerije, de voormalig Franse kolonie. Boualem Yekker is een boekhandelaar die een kleine boekhandel drijft in een land dat meer en meer in de greep raakt van fundamentalisten, de Waakzame Broeders. Boualem heeft een bijzondere band met boeken en koestert ze als zijn 'onwankelbare vrienden' die de eeuwen en de jaren in zich dragen, zonder ook maar iets van hun kracht en helderheid te verliezen. Maar in wat Djaout later de laatste zomer van de rede zou gaan noemen, worden de tekenen van een onheilspellende toekomst zichtbaar. Brigades Verlichte Verlossers maken de stranden onveilig, bij wegversperringen vallen jonge bebaarde mannen de inzittenden van auto's - vooral de vrouwen - lastig. Na de zomer wordt de situatie steeds ernstiger. Wanneer kinderen Boualem bekogelen met stenen en hij geregeld wordt opgepakt en dreigbrieven ontvangt, vraagt Boualem zich hardop af of zijn boeken nog wel redding kunnen brengen. Omdat Buck een te lang intermezzo inlast in zijn navertelling, tikt Joris hem zacht met zijn hand op de knie en vraagt fluisterend, En dan? Buck gaat verder, Tja, je kan het al raden eh. Zijn boekhandel wordt geannexeerd door de Waakzame Broeders. Poeha, het boek is zoals ik al zei het politiek testament van de schrijver Djaout. In 1993 wordt hij door fundamentalisten op brute wijze voor zijn huis vermoord. Buck zwijgt even. Joris zwijgt. The King zwijgt al een tijdje. Dan begint Buck, Zou het ook hier zover kunnen komen, Joris? Zijn de nazi-beulen van de Haick de voorlopers van het fundamentalisme dat ons hier te wachten staat? Joris wrijft even met duim en wijsvinger in zijn ringbaardje en sputtert dan, Ik vrees dat Antoine gelijk heeft en ik weet dat we hem moeten volgen. Het handmerk van de vrijheid heeft zijn grenzen bereikt. Toen hij jaren geleden vertelde over de Haick, heb ik hem niet willen geloven, maar stilaan zien we dat ook ons land, ons dierbaar België, stilaan maar zeker begint te draaien en te tollen en de binding met het verleden verliest. Als we niet opletten zal ons land, net zoals de rest van West-Europa, inderdaad uit de geschiedenis stappen of erger... worden geschopt. De overpeinzingen van Aurelius ten spijt, de levenswijsheid van Seneca ten spijt of zelfs het streven naar goddelijk inzicht in al wat er is van Aristoteles ten spijt, volgens mij zullen deze oerdegelijke wijzen niet langer redelijkheid brengen in het hedendaagse verhaal, of toch niet in die mate dat fundamentalisten zich gaan bezinnen over hun onomkeerbare ontwrichting van de maatschappij. Buck moet glimlachen als hij zijn vriend-broeder zo hoort vertellen. Voor hem is Joris een echte Quintilianus. Dan fronst Buck de wenkbrauwen en haalt hij nog een keertje diep adem alvorens zijn volgende zin los te laten, Maar zijn wij dan zoveel beter dan de fundamentalisten zoals de Haick als wij eveneens beginnen moorden? Hoe bedoel je, reageert Joris kordaat. Ik bedoel Amos, schrikt Buck even van Joris reactie. Weer klopt Joris zacht op Bucks knie, Weet je hoeveel rechtschapen mensen die mooie Amos al heeft laten verdwijnen? Rechters, professoren, politici en gewone straathoekwerkers. Allemaal mensen die het mooiste van hun leven en ziel schonken aan het welzijn van de democratie? Mensen die met hart en rede de mensheid vooruit wilde helpen en de toekomst probeerden te vrijwaren van onredelijkheid en onrecht. Weet je in hoeveel landen onze Amos actief was met het full time liquideren van mensen die een schakel vormden in een rechtschapen en democratisch systeem? Buck schudt van 'neen'. Joris steekt zijn kin enkele graden omhoog terwijl hij onbewust extra gas geeft, In zeventien landen! Antoine heeft me ook de lijst laten zien van mensen die door zijn toedoen zijn omgebracht. De officiële lijst eh. We weten nog niet alles... Het gaat om 133 mensen! Dat zijn twee lange rupsbussen van De Lijn stampvol. Bovendien was Amos een spion buiten categorie die enkel en alleen in de Orde zetelde om aan gerichte informatie te geraken. Je weet, onze Orde telt veel rechters! Even is er stilte. Buck twijfelt, maar waagt het dan toch maar, Maar iemand vermoorden Joris. Daar zijn we toch absoluut tegen in onze Orde. Joris kijkt Buck schuintjes aan en wrijft zijn lippen diverse keren over elkaar alvorens te reageren, Ja, dat doen we niet, maar als we drieduizend procent zeker weten dat we te maken hebben met een onredelijke gezant van de duivel zelf, om het kind een naam te geven, de niet uit te spreken onredelijkheid zelf, de ongeëvenaarde valsheid in de achttiende graad, dan moet ik Antoine gelijk geven. Summum ius summa iniuria, het hoogste recht is het hoogste onrecht. Dan is er geen redelijk en rechterlijk proces meer mogelijk, dan moet het zwaard ter hand genomen worden, hoe jammer dat het ook is. Zegt Montesquieu niet, Ik heb het recht om te doden uit zelfverdediging omdat mijn leven mij toebehoort, zoals het leven van mijn aanvaller hem toebehoort. Zo ook voert een staat oorlog omdat zijn voortbestaan even gerechtvaardigd is als het voortbestaan van elke andere staat. Maar ik begrijp je volkomen, Buck. Ik ben er ook niet volledig uit of 'iemand vermoorden' een goede en vooral rechtvaardige oplossing kán zijn, maar ik volg Antoine wel in zijn redenering. In Parijs zullen we eindelijk zijn manifest te lezen krijgen. Zijn vrienden uit Toulouse, echte Vaninianen - je zult het meteen merken - zijn volgens Antoine totaal gewonnen voor zijn visie. Jamaar, probeert Buck te relativeren, En toch hebben we in mensen te geloven, want anders is er geen toekomst meer op aarde. Dan beleven we op de kortste tijd de nacht van de ondergang. Joris lacht en vindt dat het hoog tijd is om de ernst uit de ogen en de oren van Buck weg te nemen. Maar misschien is er nog wat te doen met humor, grapt Joris plots. Mijn vader zaliger loste vroeger vele zaken op met keiharde humor. Vertel, spoort Buck aan. Wel, vat Joris zijn verhaal aan, vroeger tiranniseerde een stationschef het plaatselijke stationnetje en zelfs de hele buurt daar rond. Hij voerde niet alleen overdreven controles uit op het perron, maar joeg ook iedereen weg die in de buurt van het station kwam genieten van treinen en zo. Kortom maakte die kerel iedere reiziger het leven zuur en zelfs de treinen beefden als ze het station binnenreden. Toen deze verschrikkelijke stationschef op een dag met zijn splinternieuwe fiets kwam werken en het vehikel traditioneel in de catacomben van het station parkeerde, nam mijn vader - die ook al van de zweep gekregen had - de schitterende fiets een uurtje mee naar huis en verfde hem volledig wit, de banden inbegrepen. Daarna zette vader de fiets weer op zijn vertrouwde plaats. Toen de stationschef om vijf uur zijn werkdag besloot, vond hij zijn wit gedoopte fiets. Naar verluidt zou hij zodanig gevloekt en getierd hebben dat de omwonenden van het station dachten dat er een trein ontspoord was. Nooit heeft de politie kunnen achterhalen wie die witte grapjas wel geweest was. Buck lacht uitbundig en fantaseert onmiddellijk, Kunnen we de smeerlappen van de maatschappij dan niet allemaal wit verven, zodat iedereen ook kan zien wie ze zijn? Glimlachend antwoordt Joris, Wel, zo'n straf voor jarenlang getreiter en tirannie op het klein stationnetje was wel verdiend én bovendien humoristisch, denk ik. Maar met zo'n volkse strapatsen komen we er in de 21ste eeuw niet meer. Ook niet langer met het boek van Discipline, Toezicht en Straf van Michel Foucault. En het huidige gerecht waarin we dienen te geloven, is meer en meer een erudiete kwestie van intersubjectiviteit en beroepsnaijver geworden, of eerder het uitpluizen van procedurefouten dan wel de feitelijke doodzonde zelf. Neen Buck, ik denk dat Thanatos definitief voet aan aarde heeft gezet. Eros krijgt het bijzonder moeilijk en daarom zijn we nu op weg naar Parijs. Waar zijn we al, wil Buck weten? Iets voorbij Lille, bevestigt Joris met zijn wijsvinger op het display die het parcours in videobeelden weergeeft. Terwijl ze deze technische snuisterij van Mercedes begluren, razen drie zwarte Porschen de vrienden voor het leven voorbij, bijna net zo snel als de klokvaste Thalys die rechts van de autosnelweg oprukt naar Parijs.


414. Brief uit Parijs (dinsdag 14 april 2009)

Hoofdstuk 14

Dinsdag 14 april om vijf uur 's ochtends wordt Margaretha door een sms-berichtje gewekt. Eén boodschap: BIM, XX X. Margaretha floept het nachtlampje aan en leest met ontwakende ogen meerdere keren het bericht. Ze glimlacht en houdt de gsm dicht bij haar boezems wanneer ze weer even onder de dekens duikt. Het is hoog tijd om op te staan. Vijf uur: Hotel Strauss s' éveille, lacht ze diep in haar binnenste. In de keuken is Jeroen al druk in de weer. Sinds hij is toegekomen is het voor Margaretha een plezier om het hotel te runnen. Ondanks de drukte van de afgelopen dagen, het lijk Amos, het parket dat maar blijft langskomen, nieuwsgierige bezoekers, gasten die worden doorgestuurd... De zoon van Nirakie geurt en kleurt de dag zoals de bloesems dat doen in Haspengouw. Hij is een zeer bedreven amateur-kok en vooral een zeer harde werker. Sinds het vertrek van Antoine en Nirakie, werkt hij in het hotel van vijf tot twaalf uur. Beheert de hele keuken en rent dan als het ware naar zijn fruitplantages in Kortenbos. Vast ritueel: als de ochtendlijke glorie voltrokken is, ontbijt hij om zeven uur met Margaretha. Spek en eieren, met kleine tomaatjes. Ze nemen de agenda van de dag en de week door en lachen dan vooral over goed te leren leven. De krant wordt er even bijgehaald, maar Jeroen is het meest in zijn nopjes wanneer Margaretha een van zijn dromen verklaart. Jeroen is vooral gefascineerd door het droomboek van Artemidorus, een Griekse droomuitlegger van de tweede eeuw na Christus. Zelfs Freud heeft er zijn mosterd gehaald. Steeds draait zo'n analyse van een droom uit op the question, of dromen nu bedrog zijn of precies een hogere waarheid! Maar deze morgen is het anders. Margaretha is opgewekter dan ooit en geeft Jeroen een tik met haar poepje wanneer ze hem goeiemorgen wenst. En na een kort ontbijtje om zeven uur, haast ze zich in zevenmijlslaarzen naar Maastricht. BIM, zegt ze stilletjes in zichzelf wanneer ze stipt om acht uur het postkantoor aan het Vrijthof binnenstapt, BIM, Brief in Maastricht. In het kantoortje heeft Antoine al jaren een postbus gehuurd. Alleen hij en Margaretha hebben er een sleuteltje van. Met de brief in haar handen haast Margaretha zich dwars door Maastricht naar het Crowne Plaza Hotel aan de Ruiterij vlak naast de Maas. The place to be aan het water om in de grootste intimiteit een brief of een geheim te beleven. De koffie die de keurige kelner brengt, ruikt heerlijk als Margaretha de brief voorzichtig opendoet.

Parijs, woensdag 8 april
Liefste Margaretha

Te verbranden na (herhaaldelijke keren) gelezen te hebben!

Liefs liefs liefs vanuit Parijs. Alles verloopt voortreffelijk en Nirakie begint stilaan te wennen aan de drukte en de liefde van de lichtstad. We zitten in een anoniem hotelletje aan de Boulebard du Montparnasse nabij de vermaarde La Coupole. Maar eerst lieve Margaretha: hoe gaat het met je? Ik moet je zoveel zeggen en vragen dat ik vrees dat het een chaotisch briefje zal worden. Vooraleerst hoop ik dat de brief goed is toegekomen. Ik zal je dinsdag om vijf uur sms'en want dan ben ik zeker dat hij Maastricht zal bereikt hebben. Klopt ;-) Je zal begrijpen dat ik deze brief niet in het hotel kon laten toekomen gezien de jongste perikelen. Heb je onze Aller Joachim Stiller goed ontvangen? Ik ga er van uit dat je hem in Kamer 8 te slapen hebt gelegd. Van daaruit heeft hij zicht op de Maas. Dat is noodzakelijk. In de naburige Bed&Breakfasten zijn voor de komende maanden nog enkele 'Vrienden' op vakantie om niet alleen Hotel Strauss te bewaken, maar ook om de catacomben van Kasteel Vilain XIIII in orde te brengen. Je zal ze vooral zien vissen en wandelen aan de Maas en ze zullen regelmatig komen ontbijten en koffietjes slurpen. Maar vanuit het raam kan Joachim ze ook observeren en instrueren. Vandaar Kamer 8! Je herkent de Vrienden aan het teken en de gemoedstoestand van Joachim. Bovendien zal de komst van Joachim Stiller je rustiger stellen. Hij is superbegaafd en bezit meerdere nuttige diploma's zoals burgerlijk ingenieur scheikunde, huidspecialist en amateur-astronoom... om er maar enkele te noemen. Hij zal je graag helpen op verzoek, maar voor de rest zal hij vooral onzichtbaar zijn. Uiteraard, wees zelf alert, want de killers van Veerle zijn in het Maasland gesignaleerd. Ze bewegen zich verder in drie identieke zwarte Porsches. Volgens onze Aller gouverneur hebben zij de dood van Veerle op hun geweten. Op de een of andere manier hebben zij ervoor gezorgd dat Veerle met haar Porsche tegen hoge snelheid - de politie van Aken beweert tegen 360 km/u - tussen Keulen en Aken over de kop is gegaan. Ze is schijnbaar ongeschonden uit het wrak gekomen, maar haar nek was gebroken. Op slag dood, dus. Volgens het parket van Tongeren zijn er ook drie zwarte Posches gesignaleerd bij Hotel Strauss. Drie mannen in het zwart... Ze wilden inchecken en Joris zou ze verder gestuurd hebben. Weet je dat? Voorts geen paniek. Je zal zolang ik in Parijs ben of elders, nooit alleen zijn. Telkens heb je gezelschap. Ook nu in Maastricht. Ik hoop dat je me dat niet kwalijk neemt. Ik wil je niet verliezen. Geen tweede tsunami van verdriet in mijn leven... Ah ja, wat Joachim betreft. Vrees niets. Mocht je hem toevallig roerloos zien liggen op bed of in een zetel, Joachim slaapt met zijn ogen open. Grappig toch, maar angstaanjagend als je 's nachts naast hem ontwaakt, hahaha. Zorg dat je ook snel mensen uit het profane leven in hotel Strauss opneemt. Joris en Buck komen straks ook naar Parijs, maar Léon blijft bij je. Misschien ontvangt hij later in de week vrienden uit Praag. Verzorg ze goed alsof dat een probleem zou zijn, hahaha. Trekt Jeroen zijn plan? Heeft hij al iets gezegd over zijn inwijding van afgelopen woensdag? Het wordt tijd dat je iets meer vertelt dan dromen en ontwaken in de armen van Morpheus. Maak je snel bekend als zijn Zuster. Ik denk ook dat het goed is als Fréderique, de zoon van Joris, naar het hotel komt. Vraag je hem? En zorg jij zelf dat je zondag 17 mei in Parijs bent. Dan wordt een rituaal opgevoerd in de tempel van Montparnasse voor Veerle. Ik mag het zelf schrijven van de Machtige Soevereine Grootcommandeur. Daarna zullen enkel de Meesters-Ridders van de Zon van onze Orde de verdere strategie bepalen ten aanzien van de Haick en andere wereldgebeurtenissen. Alles wijst erop dat de zitting verder zal gaan in Rome, in de Via del Corso nabij het Piazza del Popolo. Je weet wel!

Zo lieve vrouw. Morgen vlieg ik nog even op en af Rome voor de instructies en voorbereidingen van 17 mei, maar intussen geniet ik met volle teugen van Parijs. Nirakie is alleszins in haar nopjes. Ze kent Parijs helemaal niet en daarom kies ik de meest amoureuze zaken eruit, haha. In het Musée d'Orsay, het voormalige stationnetje uit de Belle Epoque aan de Seine was ze erg onder de indruk van de werken van Cézanne, Monet, Gaugin en Rousseau. Ik zag meer in het Liggend Naakt van Auguste Renoir, hahaha. Je kent me hé. Ach Parijs, eindeloos en eeuwig kan je er van alles doen? Ik zeg altijd, volop genieten van de niet-alledaagse alledaagsheid. Anoniem en met een wereldse rijkdom rondom je. Nirakie en ik toefden heel lang in Quartier des Halles, de commerciële tegenhanger van de klerikale en intellectuele centrum op de Rive Gauche. Les Halles, de volkse buurt die centraal staat in 'De Buik van Parijs' van Emile Zola. Met een pril lentezonnetje als onze metgezel. Diezelfde dag slenterden we ook met exotische geuren in de rue Mouffetard. We vergaapten ons ook in La Défense waar we lange tijd onder de 110 meter hoge Grande Arche hebben gestaan. Deze keer zijn we er met de kokerlift op geweest. Een prachtige site met een exuberant zicht over de stad der steden. Binnenin kwam het echter oud en belegen over met een belachelijke tentoonstelling over De Computer. Tanend! We slenterden lange tijd in Père Lachaise, de Franse én romantische dodenakker bij uitstek. Opnieuw zocht ik tussen de 1,3 miljoen doden, het gerenommeerde graf van Jim Morrison van The Doors. Ach, we moeten nog zoveel zien in Parijs: Bercy, de boekentorens van François Mitterrand aan de Seine, het Louvre, Le Marais ten gronde en noem maar op. Je kent het allemaal Margaretha, maar zoals gezegd is het voor Nirakie ontdekking na ontdekking.

Zo lieve Margaretha, ik moet besluiten, want ik moet ervandoor. Vanmiddag zie ik enkele vrienden in hotel Ibis in Bercy. Ze wachten me op aan het metrostationnetje Cour-St-Emilion. Ik schrijf je spoedig opnieuw en zal je in de loop van de week opbellen.

Zie je graag
Antoine
Veel lieve groeten van Nirakie die vraagt haar zoontje goed te verzorgen
XX X


413. Intussen (dinsdag 7 april 2009)

Hoofdstuk 13

Het is een ongelooflijke drukte in, rond en nabij Hotel Strauss. De politie en het parket van Tongeren is al aanwezig als de MUG en de ambulancewagen met veel lawaai diepe kuilen remmen voor het hotelletje aan de Maas. Het grind vliegt in het rond en twee verplegers en een arts vliegen zoals getrainde soldaten uit hun voertuig. Margaretha wijst ze de weg naar de ontbijtruimte waar het levenloze lichaam van Amos van Aquino languit op de zwart-witte tegels ligt. Maar meer dan de dood en de absolute dood, kan de arts niet vaststellen. Het slachtoffer is schijnbaar geen haar gekrenkt, maar vanbinnen is hij zo dood als een pier. Twee politieagenten aan de deur van het ontbijtgelag kijken van onder hun kepie nauwlettend toe dat de ontbijtruimte in de staat blijft zoals ze zich bevindt. Als hun speurdersogen alle hoeken en kanten, het lijk, de verplegers en de arts, ook de kapitein en brigadier van het parket inbegrepen, hebben geobserveerd, kijken ze genoegzaam naar elkaar, knikken en zetten zich dan weer stokstijf aan de deur zoals de muren. Op de borstkas van Amos rust een zware eiken ontbijttafel die hij in zijn val naar het middelpunt van de aarde heeft meegetrokken. Het hele ontbijt ligt verspreid rond en op Amos: lekkere croissants, broodjes met maanzaadjes, kleine gehaktballetjes en gegrilde worstjes, ham, saucijs en krabsla en tal van kleurrijke combinaties confituur uit nat Haspengouw. Ook een lekkende pot honing uit Kortenbos siert de compositie. Ook diverse kruidenthee uit het Maasland, twee kokertjes Maaslands keukenzout en vier eieren waarvan er eentje zo plat als een spiegelei, brood, wit en grijs... parketambtenaar Willy kijkt ernaar en bedenkt dat het een geweldig rijkelijk buffet is dat ze hier in het Maasland serveren. Ook zijn collega Ben kijkt watertandend toe. En even schijnen ze het lijk vergeten te zijn, maar dan zien ze de wijd verspreide plakken goudakaas die als het ware alle ontbijtingrediënten met elkaar verbinden, die van het lijk nog het meest! Alsof het lot van de dood niet voldoende is, ligt er zelfs een plakje belegen gouda op de open rechteroog van Amos zodat hij piraat eenoog lijkt. Kapitein Willy kan een glimlach niet verbergen. Ben lacht niet, maar zoekt de koffie. Die is er niet. Alleen thee terwijl het linker oog van Amos halsstarrig kijkt naar de chic uitgewerkte tafelpoot waar dikke klonters boter ophangen. De poot wijst naar de hemel. Een glazen theetas ligt in de palm van de linkerhand van het slachtoffer en voor de rest is het plaatje van de dode man op de stenen vloer één groot schilderij van een kunstenaar-kladder eersteklas. Mét nog twee opmerkelijk cynische details: half uit zijn mond hangt een stukje brood met siroop uit Vrolingen en in het rechteroor steekt een klein theelepeltje. Kapitein Willy, de uitgesproken dikste van de twee van het parket, maakt volop foto's van het tafereel en grapt tegen zijn collega Ben, Dit is een schitterend plaatje van Het Laatste Ochtendmaal. Collega Ben kijkt er niet van op en vraagt aan Margaretha, die het kille gezelschap heeft vervoegd, of zij hem de hotelkamer van de overledene wijst. Kom maar mee, neemt ze hem mee. Er valt weinig te zien in kamer Aquino, maar Ben voedt zich met de kleine reisspulletjes op het nachtkastje en een open reiskoffer die niet uitgepakt is. Het bed is normaal beslapen geweest en ook de badkamer biedt een normaal zicht van een redelijke man die zich 's morgens scheert en wast en zijn laatste druppel verliest op de rand van de WC-pot. Ben noteert enkele gegevens en schiet eveneens foto's met zijn digitale Canon. Daarna begeeft hij zich met Margaretha naar de loungebar waar de overige gasten van het hotel zich verzameld hebben om een gesprek met hét parket te hebben. Iedereen vertelt hetzelfde verhaal. Het was een gezellig ontbijt. Lekker en hartelijk en plots sloeg het fatum toe en viel Amos van de tafel. Niemand wist waarom. Alleen de dood. Ben schrijft alle verhalen op en systematisch mogen de geïnterviewden de bar verlaten, maar voorlopig zeker niet het hotel. Maak je nuttig in huis, adviseert Margaretha haar gasten terwijl ze knipoogt naar Ben die omringd door vele geluiden zijn werk doet, Van wie is die pianomuziek toch maar, wil hij weten van Margaretha. Weet je dat dan niet, kijkt ze hem verbouwereerd aan. Geen idee, denkt Ben diep na. Erik Satie, fluistert Margaretha hem toe, Ideaal voor dode vrienden. Ah die, klapt Ben zijn schriftje dicht. Kom, kijkt hij Margaretha aan, alsof het zijn assistente geworden is, We gaan naar kapitein Willy.

Intussen stopt bouwfirma Vandervelden op de parking voor het hotel. Voorzichtig stappen vijf mannen in blauwe outfit uit hun opgedreven camionnette en melden ze zich aan de balie. Margaretha loopt naar ze toe en verzoekt de heren mee te komen naar de Suite Kierkegaard. Dikke Willy en aandachtige Ben kijken even op, maar vinden bouwwerken in een hotel even geruststellend als twee politiemannen op wacht. De opdracht is simpel, vertelt Margaretha tegen de ploegbaas terwijl ze naar boven stappen, De kamer moet volledig geïsoleerd worden van de buitenwereld, Het enige raam en de enige deur moeten dicht gemetseld worden. Thats it and thats all. Gewoon dicht, herhaalt de leider van de bouwbende zijn taak. Margaretha knikt. De ploegleider fronst de wenkbrauwen maar weinig en toont dat hij perfect begrijpt waarom deze opdracht zo duidelijk en eenvoudig is. Zijn mannen struinen achter hem aan en bewegen zich zoals de poten aan een spin. Het lijf zegt waarheen. Wanneer Margaretha de Suite Kierkegaard openzwaait, valt de mond van de spin toch even open, Jamaar, en al die spullen die hier nog staan. Blijven die zomaar hier? Margaretha bevestigt van wel, Alles blijft liggen zoals het er ligt. Ook dat prachtige hemelbed en al die kleren en de schilderijen aan de muur en... Margaretha onderbreekt hem, Ja alles. Is dat een probleem? De baas en zijn mannen knikken van niet. Begin er dan maar aan, beveelt Margaretha streng, Zodra Buck hier is, kunnen jullie de arbeid aanvatten. De ploegbaas reageert slapjes, Wie is Buck? Buck zal een oogje in het zeil houden, dicteert Margaretha, Niet dat we jullie niet vertrouwen, maar het dicht metselen moet volgens een bepaalde code gebeuren. De vijf metsers van Vandervelden kijken elkaar nietszeggend aan en halen dan de schouders op. Is er een lift, wil de kleinste van de vijf weten. Neen, antwoordt Margaretha, de enige weg hiernaartoe is de trap. Ah, hier is Buck. Hij is jullie maatje de komende uren en hier is de enveloppe met 5.000 euro. Ze geeft het aan de ploegbaas die het nonchalant in zijn bovenste vestzak stopt. Ik wens dat alles feilloos wordt uitgevoerd, verdwijnt Margaretha op de trappen. Buck neemt plaats op een meegebrachte stoel die hij aan het hemelbed plaatst. Vanaf daar kan hij zowel de venster als de deur maximaal gadeslaan. Intussen gluurt hij rond. Zonde van deze mooie kamer, mijmert hij terwijl zijn ogen van schilderij naar boek, van bijzettafeltje naar een valies, van boeken op het salontafeltje naar een spreuk tegen de muur rollen. Dan leest hij stilletjes de mooiste gevleugelde woorden die de jongste tijd zijn woordenspiegel hebben gevuld, Niet de vrouw die geprezen wordt om haar benen of armen is mooi, maar de vrouw die de lof voor afzonderlijke ledematen doet verbleken met haar hele uiterlijk. Buck slikt en leest het opnieuw, deze keer met oren en oren dicht. Mooi, hemels mooi, denkt hij nu ook aan Veerle en dan dwalen zijn ogen af naar een velletje papier op het kussen van het hemelbed. Netjes geborgen in een plastiekje. Bovenaan staat geschreven, Lieve Veerle en dan begint het gedicht ' Machteloos' van Marc Pairon... Slaap mijn hand./ Op je nachtvlees./ Verwissel een tepel./ Met mijn gulzige mond./ Kus je ogen./ Op het scrotum./ Ruik de vlokken./ Van lust./ En red me./ Tijdig./ Wanneer/ ik in je ben./... Lieve Antoine... en dan volgen nog drie kusjes. Intussen zeulen de bouwvakkers met stenen en mortel, truwelen en koevoeten, schietlood en een waterpas. Maar vooral, ze werken zeer nauwgezet en bijna onnatuurlijk proper. Ze maken geen vlokje stof en trekken geen sporen van vernieling op en van hun weg naar hun werk. Niet bij de afbraak van het raam, het uitbreken van de deur en nog minder bij het traag maar zeker dichtmetselen van de openingen van Suite Kierkegaard. Het lijkt een gemakkelijke klus en Buck krijgt kriebels in zijn buik van zoveel passie die de arbeiders uitstralen. Ja, geniet hij van deze bouwtaferelen, Het ziet er veel eenvoudiger uit dan appelmoes maken van appels uit Haspengouw.

Het parket verzegelt de hotelkamer van Amos en vraagt ook de reservesleutel van de kamer Aquino. Daarvoor komen we straks terug, zegt dikke Willy tegen Margaretha, En ik denk dat we de kamer morgen al kunnen vrijgeven. Ik neem alvast zijn reisspullen mee. Brigadier Ben is intussen klaar met allerlei andere moordklusjes en wanneer hij zich naar buiten wil begeven om ook eens een kijkje te gaan nemen in de auto van Amos, botst hij op de gouverneur van de provincie Limburg die met twee politieagenten het hotel binnen wandelt. Gouverneur Vroon, zet Ben zich in houding, Waarom bent u hier? Maar de gouverneur knikt met een koele glimlach en is al enkele meters verder als Ben beseft dat hij geen antwoord krijgt. Gouverneur Vroon gaat recht op Margaretha af, geeft ze drie kussen en vraagt dan, Waar is Antoine? Gouverneur Robert Vroon geeft met zijn ogen een teken aan zijn lijfwachten dat ze even vrij zijn en gaat dan met Margaretha naar de kamer van Antoine op de tweede verdieping. Dikke Willy kijkt vragend naar het koppel dat via de trappen uit zijn gezichtsveld verdwijnt, draait even met zijn tong over zijn lippen en neemt dan nog wat ontbijtsporen die zich op het lijk bevinden. Hij neemt ook de portefeuille en een notaboekje uit de kostuumjas van Amos. Alles gaat in plastiek diepvrieszakjes.

Intussen heeft Leon zich nuttig gemaakt in de keuken en heeft Joris zich genesteld aan de balie. Zo is iedereen bezig met een taak te vervullen. De twee agenten die de gouverneur vergezellen, krijgen een tas koffie van Leon aangeboden en geraken aan de praat met de twee wachters aan de deur van de ontbijtzaal. Daarna stellen ze zich ook strategisch op in de ruime inkomhal. Eentje aan de toegangsdeur van het hotel en de andere aan de trappen naar de bovenste vertrekken. Buiten stoppen drie zwarte Porschen. Drie keurige mannen, volledig in het zwart gekleed, stappen als het ware gelijktijdig uit. Nonchalant grissen ze ieder een zwart valiesje vanop de achterbank en begeven zich zonder een woord tegen elkaar te zeggen noch iemand een blik te gunnen naar de balie. De twee agenten van de gouverneur volgen al hun bewegingen. Joris staat een beetje versteld van hun gesynchroniseerd optreden en wanneer de eerste van de drielingen aan de balie komt, zet hij zich honkvast met zijn twee handen op het balieblad. Goeiemorgen heren, verwelkomt hij ze overdreven met een glimlach, maar de respons is koelbloedig en koud, Heb je drie kamers voor ons, kijkt de eerste van de rij streng neer op Joris. Sorry heren, alles is volzet, verroert Joris geen vin. Heb je ook geen twee kamers, wil een tweede Porscherijder weten. Volzet, herhaalt Joris de stand van zaken van het hotel, Hotel Strauss is volledig volgeboekt, maar ik kan je een ander hotel in de buurt aanbevelen, probeert Joris en terwijl hij aanstalten maakt om te gaan zoeken in een toeristische brochure van Toerisme Limburg, zijn de drie zwarte heren al op hun terugweg naar buiten. Dikke Willy komt aangehold en wil van Joris weten wat die heren willen. Tja, lacht Joris, dit is toevallig een hotel. Deze heren willen een kamer boeken, maar het hotel is zo vol als een sardienendoosje. Joris kijkt het parketmannetje aan. Dikke Willy roept op Ben dat hij de nummerplaten van de drie Porsches moet noteren en wel onmiddellijk. Ben zet zich in beweging en vanuit de deuropening noteert hij de drie cijfer- en getallencombinaties. Nog voor de laatste letter zijn schriftje siert, zijn de drie Porsches al uit het oog verloren. Wow, besluit Ben zijn bijkomende opdracht.

Maar waarom is Antoine zo plots vertrokken, wil de gouverneur van Margaretha weten, maar zij herhaalt dat ze het niet weet. Kan ik hem opbellen, blijft gouverneur Vroon nerveus aandringen. Ik weet niet dat hij zal opnemen, haalt Margaretha haar schouders op. Waar zit hij ergens, probeert de gouverneur nogmaals, Je weet toch dat we boezemvrienden zijn en dat we beiden Veerle koesteren zoals onze eigen moeder! Dat weet ik, zegt Margaretha zacht, Maar ik heb alleen onderrichtingen gekregen voor het hotel en verder weet ik niets. Ten gepaste tijden zal Antoine contact met me opnemen. Dat heeft hij beloofd! Gouverneur Vroon kijkt machteloos toe en neemt plots de kin van Margaretha tussen zijn duim en wijsvinger en draait haar hoofd zodat ze duidelijk oogcontact hebben, En Amos, hoe natuurlijk is hij hier gestorven? Is Antoine gek geworden of wat..., maar Margaretha rukt zich los en staat in een ruk recht, Bel hem dan op, roept ze, Ik weet niets, helemaal niets. Alleen hoe ik dit hotel verder moet runnen als hij weg is. Antoine heeft alles onder controle. Rustig maar, veert nu ook gouverneur Vroon recht. Ik ben ermee weg. Bel me als je iets nodig hebt of als het parket te lastig doet of wie dan ook. Hier is mijn geheime gsm-nummer. Hou je sterk Margaretha en condoleer Antoine als je hem hoort en vraag hem om me dringend op te bellen. Bovendien, weet je of Antoine het netwerk al op de hoogte heeft gebracht? Weet je of onze agenten al op pad zijn? Via Leon is er contact met Praag, wil Margaretha kwijt, maar dan kijkt ze weer verweesd naar de grond. Kom hier, knuffelt de gouverneur de lieftallige Margaretha en hij kust ze op het voorhoofd. Bel me, streelt hij haar wangen en samen gaan ze de trappen af. Wanneer Joris en Leon de gouverneur in het vizier krijgen, haasten ze zich naar hem toe, geven hem een stevige handgreep met code en ze wensen mekaar veel sterkte toe. Dan is de gouverneur bijna weg want dikke Willy kijkt aandachtig toe en holt op zijn beurt ook de gouverneur achterna, He gouverneur, wacht even als je wil. Gouverneur Vroon blijft staan en draait zich om, Ja kapitein Willy, zucht de gouverneur, Hoe kan ik je helpen? Mag ik misschien weten wat je hier kwam doen? Gouverneur Vroon zet een stap vooruit, glimlacht en geeft kapitein Willy een hand en zegt dan, Grensoverschrijdend fietsen Willy, Ik kom een arrangement Grensoverschrijdend fietsen regelen. Dat moet je ook eens doen met je gezinnetje. En dan met het veerpontje naar Nederland en weer terug. Daarheen en weer terug, babbelt de gouverneur zich naar buiten, zijn twee agenten in zijn kielzog. De kapitein ziet de zwarte limousine wegrijden en begeeft zich opnieuw naar zijn dode opdracht. Hij buigt door zijn knieën en zet zijn gezicht even vast in zijn handpalm. Peinzend zet hij een aantal dingen op een rijtje en wanneer hij bij Grensoverschrijdend fietsen in het Maasland komt, hoort hij Margaretha vragen wanneer ze de boel mag opruimen. Dat het hotel geen mortuarium is. Willy staat recht en neemt de arm van Margaretha even vast, Zeg eens, wat kwam de gouverneur hier eigenlijk doen? Fietsen natuurlijk, trekt Margaretha zich los, Je weet toch dat de gouverneur een fervente fietser is. En waar kan je dat beter doen dan in het Maasland. En terwijl kapitein Willy peinzend Ja knikt, geeft Margaretha verder van katoen, Maar zeg eens kapitein, Wanneer wordt het lijk eindelijk opgehaald, Het is hier een hotel, straks ontvang ik nieuwe gasten en die heb ik broodnodig om te kunnen leven. Toerisme is een harde business, weet je. Ja, kijkt dikke Willy naar het lijk, Dat kan je zo wel stellen. Maar hij herpakt zich en roept Ben bij zich. Bel de begrafenisondernemer maar op. Ik heb alle gegevens die ik nodig heb. We gaan opnieuw naar het kantoor voor ons verslag. Goed zo, knikt Willy in de richting van Margaretha. Goed zo, steekt ze haar kinnetje in de lucht.

Intussen is het raam van de suite van Kierkegaard dicht gemetseld. De ploegleider probeert nog een keer van Buck te weten te komen waarom zo'n mooie kamer de ogen moet sluiten, maar Buck is niet te vermurwen. Wil je dan buiten gaan zitten, vraagt de brave man, Want we beginnen aan de deur en je wil zeker niet levend begraven worden. Neen, lacht Buck en hij gooit er een oneliner bovenop, Leren sterven is trouwens leren hoe we goed kunnen leven, maar daar heeft de ploegbaas geen kaas van gegeten. Verse mortel, roept hij een van zijn mannen toe. Maak er mooi werk van, kijkt Buck op zijn horloge en hij port de ploegleider aan om snel verder te doen. Moet de elektriciteit niet afgesloten worden, wil die nog even weten. Dat is al gebeurd, zegt Buck. En dan gaat het snel. Vandervelden heeft prima personeel. Echte vakmannen. Wanneer de laatste steen een einde maakt aan de eeuwenlange deuropening, klopt Buck de ploegleider op zijn schouder, Prima werk. Wanneer komen de stukadoors? De trotse ploegleider kijkt op zijn horloge en twijfelt, Die moeten er zó zijn. En inderdaad, buiten toetert een ongeduldige chauffeur in een bestelwagen van Vandervelden. Het zijn de plakkers! Aflossing van de wacht, slapjanussen, grappen ze tegen de bouwvakkers die vol ongeloof over hun jongste opdracht vertellen. Volledig dichtgemetseld, herhaalt de ploegleider tegen zijn collega-stukadoor en hij kijkt daarbij naar de hemel, zo ontroerend als een kind dat voor het eerst zijn vader ziet wenen.


412. Thalyspoëzie (dinsdag 31 maart 2009)

Hoofdstuk 12

In Brussel-Zuid aarzelt de Thalys even vooraleer hij honderden reizigers toelaat tot zijn interieur. Een grote dikke kaartjesknipper raakt opgewonden als onbekwame pendelaars hem vragen of rijtuig 15 ook daadwerkelijk rijtuig 15 is. Ja, mevrouw, zegt hij eerst matig vriendelijk, maar als een derde oen naar bevestiging hengelt met haar ticket waarop 15 staat afgedrukt, raakt de man opgewonden als een kreeft in kokend water. De conducteur in tenue steekt zijn hoofd omhoog, boven alle reizigers uit en raaskalt in zichzelf, niet overdraagbaar. Om 7.13 uur stipt rolt de Thalys het station van Brussel buiten. Niemand staat nog op het perron. Ook de twijfelaars niet. Parijs laat geen twijfelaars toe. Nirakie en Antoine hebben plaatsgenomen in rijtuig 15 op plaatsen 43 en 44. Nirakie vleit zich neer in de comfortabele zetel en legt haar hoofd tegen de sterke schouder van Antoine, Schrijf me neer, kust ze Antoine op zijn wang en sluit dan haar ogen. Antoine klapt het tafeltje neer en schrijft zijn eerste gedicht voor haar,
Ik geloof dat jij het bent
Ik geloof heel hard dat jij
Ik geloof
Dat niet HIJ maar JIJ
Zorgt voor licht en warmte
In mijn hart
Overdrijf ik
Neen!
    Want ik geloof
    Zoals een veulen in zijn moeder
    Een lammetje
    Een welpje
    Natuur-lijk mooi
En zo echt
Als kinderen
Waarachtig kunnen zijn
    Zo geloof ik
    In JOU
...en dan leest hij het zachtjes voor in haar oor. Ze glimlacht en streelt zijn brede rug, Nog één, fluistert ze.
Deze dag
Deze goede dag
Zo goed als Sinterklaas
Zon en duister
Tegelijk
En in het hoofd
Parijs
Vedettes du Pont-Neuf
Se déplacer a Paris
La Grande Arche
Euh
Foie gras frais entier Caviar & Saumon
Hahaha
Na deze woorden nestelt Nirakie zich nog dichter tegen Antoine aan, Meer liefde Antoine, diepere liefde, wil ik horen!
Antoine scherpt zijn pen, een rasechte Lamy van een rasechte broeder gekregen voor bewezen diensten,
Op jouw zeilboot
Wil ik de eiken mast zijn
Waaraan jij je zeilen kan hijsen
    En bij storm
    Beide armen kan omslaan
En bij zonnig weer
...beide benen
    Kortom, voor JOU
    Sta ik als een paal boven water
Ze lacht en haar vingers glijden behoedzaam naar de bobbel in zijn broek, Je paal heb ik al gevonden, wrijft ze er over. De Thalys geeft er een lap op en rukt op naar de 300 km per uur. Even opent Nirakie haar diepbruine ogen en kijkt in die van Antoine. Nog meer, lacht ze plots terwijl ze haar geborgen nestje aan zijn linkerflank weer opzoekt, haar beide handen diep in haar eigen moederschoot gewriemeld. Op volle snelheid worden ze gestoord door de kaartjesknipper. Niet de rode opgezwollen vis van bij het vertrek, maar een rasechte kaartjesknipper met moustache. Vermitst de tickets via internet zijn geboekt, wil hij ook per se de paspoorten zien. Tja, de kunst van het reizen moet op alles voorbereid zijn. Met hetzelfde enthousiasme waarmee Goethe Italië bezocht, trekt Antoine zijn carte d'identité. De conducteur kijkt alsof het zijn laatste dag van de rede is en wacht ook nerveus op de zoektocht die Nirakie onderneemt om haar bewijs van zelf-zijn te tonen. Haar enthousiasme is dat van een vliegeraar, maar een knipoog doet de Thalysambtenaar uiteindelijk glimlachen. Petankt mevrouw, zet hij in slechts Vlaams zijn controleroute verder.
Is het leven niet
Macht, liefde, dood
En eenzaamheid
Jij en ik
    Ik heb de rotsvaste overtuiging
    Dat moed en karakter
    Nieuw licht kunnen scheppen
    Voor ons
De tol op ons verleden
Is betaald
Wij zijn nu vrij om samen
Naar... Parijs te gaan!
Hmm, die is leuk, rilt Nirakie. Antoine duwt zijn pen opnieuw in het voorbijrazende landschap, strijkt even met zijn handen door de korte haardos van Nirakie en schrijft dan,
Ja, ik wil diep in je wonen
In alle kamers van je ziel
Ons geheim openbaren en
Je dan kussen op televisie
Zodat iedereen het weet
Zelfs de kluizenaar van de Notre-Dame
Je bent een lieveke, duwt ze met haar neusje tegen de onderkant van Antoine's kinnebak. Doe je er bij je volgende een beetje filosofie bij? Zonder leugens, wil Antoine weten. Nirakie knikt bevestigend,
In de loge van je ziel
Reflecteer ik mijn liefde
Eeuwig en waarachtig
Zonder leugens naar Augustinus
En oprecht naar mijn hart
    Ik vrij je neer
    Met al mijn mannelijkheid
    Nieuwe woorden
    En een stilte uit de ruimte
Diep in je tempel
Blijf ik staan
En bewonder de pracht
In de schittering van onze liefde.
Mag ik eens even, neemt Nirakie het schriftje uit Antoine's handen. En terwijl hij mee kijkt, schrijft zij de volgende gevleugelde woorden met de zekerheid van een trein op rechte sporen,
Eindeloos verzonken
In de diepte van jouw ogen
Eindeloos in gedachten
    Eindeloos golvend
    Leef ik
    Op de tijden die gaan komen
    Met jou in mijn eindeloze dromen
Mooi mooi mooi, geeft Antoine haar een knuffel. Nirakie legt haar hoofd op zijn borst terwijl ze naar buiten kijkt, Denk je dat je alleen maar kan dichten als je verliefd bent, staart ze naar buiten. Antoine knikt van 'ja'. We zijn er bijna, streelt hij haar door de haren. Jammer, antwoordt ze, hier is l'Aeroport de Roissy al. Als dat dezelfde is als die van Charles de Gaulle is het goed voor mij, kijkt Antoine haar vragend aan. Dat is hetzelfde, maar de Fransen zeggen graag Roissy, bevestigt Nirakie, Maar zeg eens, in welk hotel heb je geboekt Antoine? In het Ibis-hotel in Bercy, nabij het park en ook nabij de Seine en de prachtige bibliotheek van François Mitterrand. Wat denk je? Alles is goed voor mij Antoine, als ik maar bij je ben. Is er een metrostationnetje in de buurt van het hotel, wil Nirakie nog weten? Cour St-Emilion, knikt Antoine, in Gare du Nord gaan we dadelijk ondergronds. Een kwartiertje maar! Als de Thalys stopt is het klokslag 8.35 uur: Paris s' éveille.


411. De ochtendtrein naar Parijs (dinsdag 24 maart 2009)

Hoofdstuk 11

Hoe zoekt een mens troost? Hoe lang weent hij? Wanneer wordt verdriet weer hoop? Wat is een mislukt leven? Wanneer lijkt een oude man weer op het speelse kind? Waar is het begin? De analogie? Hoe ver gaat de vergelding? Tot in het circus? Wanneer de nar heeft opgetreden? De ontaarding is geschied? De hoer hard heeft gelachen? De nachtmerrie bezit neemt van de ziel? De objectieve voorwaarden zijn ingeruild voor gepraat en gezwets? De drempel van de waan is overschreden? Taal en verstaanbaarheid plots ieder hun koers gaan varen? Het einde van de kunst wordt voorspeld? De roman heeft afgedaan? De avond niet meer wenkt? De morgen overgaat in een volgende? Ach, in veel denken, huist bitterheid. Antoine ligt meer dan zitten in zijn fauteuil aan het raam. Hij zit daar al meer dan twee dagen nadat hij een volledige nacht aan de Maas liggen huilen heeft. Veerle ligt hem niet nauw aan het hart, maar Veerle is zijn hart. Margaretha was hem uiteindelijk gaan zoeken en had hem kunnen overhalen om weer naar huis te komen. In zijn zetel probeert hij zich weer meester te maken van zijn gevoelens, zijn gemoed, zijn redelijkheid en zijn zelfkennis. Diverse materialen heeft hij bijeengesprokkeld om te koesteren terwijl hij reflecteert naar toen en nu. In zijn linkerhand masseert hij onophoudelijk een lichte rozenkwarts met de kleurgevende stoffen titaan en mangaan, een dierbaar geschenk van Veerle als surrogaat voor hun liefde, aangewakkerd door de goden Amor en Eros. En toen ze het geschenk overhandigde, had ze er aan toegevoegd, In de Oudheid werd de licht roze mineraalsteen om zijn geneeskrachtige werkingen al eens gebruikt om liefdesverdriet te verzachten. Antoine wrijft erop terwijl hij leest in de Nachttrein naar Lissabon van de Zwitserse auteur Pascal Mercier, pseudoniem van Peter Bieri. De magistrale roman heeft Antoine zowat kapotgelezen. Van deze roman die een zoektocht naar vrijheid is, heeft hij zelf twee inhoudsregisters gemaakt, eentje van de hoofdstukken tout court en een ander van al de filosofische bijdragen. Daarin kuiert hij nu volop en leest zo nu en dan een favoriet, zoals deze, "Van de duizenden ervaringen die wij opdoen, brengen we er hoogstens één ter sprake, en dan ook die ene alleen maar toevallig en zonder de zorgvuldigheid die de ervaring verdient. Tussen al die verzwegen ervaringen zitten diegene verborgen die ons leven ongemerkt zijn vorm, kleur en zijn melodie geven. Wanneer we ons, als archeologen van de ziel, over die schatten buigen, ontdekken we hoe verwarrend ze zijn. Het onderwerp van deze beschouwing weigert stil te staan, de woorden glijden af op wat we beleefd hebben en uiteindelijk staan louter tegenstrijdigheden op papier (...) dat de erkenning van de verwarring de koninklijke weg is naar het begrijpen van die vertrouwde en toch raadselachtige ervaringen." Dan knikt hij bevestigend terwijl de pianomuziek van de Noorse componist Grieg zijn geest probeert te plezieren.

Antoine voelt zich compleet moedeloos. Zijn levensstroom lijkt gestopt, geremd te zijn, zoals een uitgedroogde beek. Het begin, genesis is niet meer. Op elk begin valt het einde en alvorens hij nog maar iets wil doen, is het reeds gedaan. Deze afwezigheid van een begin dat zich kan uitstrekken tot een einde is het verlies aan zin of het betekent de eigenlijke moedeloosheid. Antoine wrijft nog eens over zijn rozenkwarts en denkt nu ook aan Nirakie die talloze keren deze moedeloosheid heeft moeten ondergaan. Hij twijfelt even haar op te bellen voor een opbeurende babbel en meer, maar zijn moedeloosheid zorgt meteen voor haat tegen deze gedachte. Hij belt niet en zoekt naar een gemakkelijke houding om opnieuw in slaap te vallen. Dat is zijn huidige vlucht naar het ontwaken. Slapen uit geestelijke en morele vermoeidheid. Op die manier de moedeloosheid de rug toekeren. In de slaap probeert hij te herleven. Eerst dwaalt hij als een soort gehypnotiseerde over de drempel van de nachtelijke grot van het vergeten en eens de diepe slaap het overneemt, wandelt Antoine van droom tot droom in de hoop er zijn Veerle weer tegen te komen en meer zelfs, zijn jeugdige leven. maar als hij weer stilaan ontwaakt, kijkt hij opnieuw verward in de ontnuchtering van de dag en bladert hij onthutst verder in de Nachttrein naar Lissabon. Wat zou hij graag hic et nunc de hoofdfiguur van het boek zijn of Raimund Gregorius en net zoals hem de trein naar Lissabon nemen zonder een woord van afscheid aan iemand en met de bedoeling ooit of nooit weer te keren naar zijn thuisbasis Bern. Zijn job van professor in handen te geven van een goede vriend en erop te vertrouwen dat zijn huidige leven netjes in de lamp van Alladin zou gefoefeld worden totdat hij er zelf zou op wrijven met de magische woorden, Kom er maar uit en herneem je taken. Of zoiets! Antoine glimlacht voor het eerst in twee dagen. Tijd heelt stiekem alle wonden, van hele kleintjes tot eeuwig afgescheurde ledematen of organen. Twee dagen ligt hij nu al in deze zetel. Niemand, behalve Margaretha en één enkel telefoontje van Nirakie heeft hij toegelaten. Met de dood van Veerle valt zijn wereld uit elkaar. Alles ontglipt hem. Alles gaat ten gronde. Zijn hoofd gaat aan het dolen en met een zucht zegt hij tegen zichzelf, Het gaat niet meer, ik kan niet meer. Het gaat letterlijk in de richting van Adorno's Die Verdunkelung der Welt, een filosofisch traktaat over de tijd die ontspoort en de avond die zo leeg is dat een redelijk mens de dood zoekt in een stromende rivier. De Maas zou aan zijn verzuchtingen kunnen tegemoet komen. Ja, knikt Antoine, maar hij beseft tegelijkertijd dat de rivier ook een vuist kan maken tegen de verduistering van de wereld. Het is niet toevallig dat hij Hotel Strauss aan de regenrivier de Maas heeft uitverkoren tot zijn grote levensbron en herrijzenis-grot die net zo filosofisch als buitengewoon is zoals 'vaders hut' aan de rivier in Siddhartha van Hermann Hesse. Het grote leven, grijnst Antoine, terwijl hij een nieuwe CD van Grieg oplegt en weer in zijn zetel kruipt.

Weer leest Antoine een mijmering in de Nachttrein naar Lissabon, "De verhalen die de anderen over je vertellen en de verhalen die je over jezelf vertelt: welke komen in de buurt van de waarheid? Zijn dat vanzelfsprekend je eigen verhalen? Is iemand voor zichzelf een autoriteit? Maar dat is niet de werkelijke vraag die me bezig houdt. De werkelijke vraag luidt: is er bij dergelijke verhalen eigenlijk wel een verschil tussen waar en onwaar? Bij verhalen over het uiterlijk wel. Maar als we ons opmaken iemands innerlijk te begrijpen? Is dat een reis waar ooit een einde aan komt? Is de ziel een domein van feitelijkheden? Of zijn de vermeende feitelijkheden niet meer dan de bedrieglijke schaduwen van onze verhalen?" Voor het eerst na al die dagen stapt Antoine naar het raam en ziet zijn vrienden op het grasperk zitten. De ene leest een boek. De ander port zijn i-Pod aan. Leon schrijft nog een syllabus en helemaal aan de andere kant zit Amos met Margaretha te praten. Zo nu en dan lachen ze. Antoine ijsbeert nu in zijn kamer en praat hardop tegen zichzelf, Hopen noch wanhopen, maar bedaard zijn en laten gebeuren hebben talrijke filosofen afgeraden want het betreft eigenlijk de dood. Antoine gaat weer zitten, legt het rozenkwarts op de Nachttrein en belt Nirakie op, Kan je snel komen, vraagt hij zo zacht als Grieg in zijn fluwelen pianostukje Opus 57. Onmiddellijk, antwoordt ze. Ik vraag Jeroen om me te brengen. Dank je, duwt Antoine zijn BlackBerry uit.

Margaretha brengt Nirakie naar Antoine. Nirakie omhelst Antoine en geeft hem drie kussen en zet zich dan neer aan het venster. Dank je, zegt Antoine tegen Margaretha en vraagt haar of ze morgenvroeg zeker zijn kamer wil verfrissen. Uiteraard, kijkt Margaretha hem vragend aan. Verder is er niets, je mag gaan, draait Antoine zich nu naar Nirakie. Die staat recht en omhelst nogmaals haar neergeslagen boezemvriend. Het is vijf uur in de namiddag. Hij trekt haar mee naar zijn slaapkamer. Hij kleedt haar uit en daarna zichzelf. Alles gebeurt in existentiële stilte. Ze leggen zich neer in bed en rollen zich samen op zoals alleen een kat dat kan. Niemand zegt iets. Antoine houdt met zijn rechterhand de rechterhand van Nirakie vast en miljarden signalen gaan via de vingers naar elkaar. Zo vallen ze in slaap. Om vier uur wekt hij Nirakie. Kom, zegt hij, we zijn weg. We vertrekken naar Parijs. Nirakie kijkt versuft naar Antoine en mompelt, Mijn kinderen, maar Antoine sust en zegt dat ze die vanuit Parijs kan opbellen, Ze zijn tenslotte al volwassen en vinden liefde bij hun partner. Jij kan ook moeder zijn in Parijs of gelijk waar ter wereld. Als je kinderen maar weten dat je er voor ze bent. Kom, we moeten verder doen, want ik heb de Thalys van 07.13 uur in Brussel-Zuid gereserveerd. Maar ik heb geen kle... Antoine lacht wanneer hij Nirakie zo naakt en zo lieflijk versuft ziet zitten op het ledikant en duwt ze een zwart-paarse koffer toe. Hier, streelt hij haar wangen, Een koffer vol met mooie kleren, ondergoed en vrouwelijke noodzakelijkheden van Veerle. Jullie hebben toch dezelfde maten, niet? Veerle had altijd een reservekoffer bij me staan en ik geloof dat ze die ieder seizoen opfriste met de nieuwste modezaken. Nirakie twijfelt want ook al was ze één met Veerle, in haar kleren kruipen, is nog iets anders. Maar ze protesteert niet langer en maakt zich klaar. En het hotel, kijkt ze Antoine in zijn ogen. Er ligt een briefje klaar voor Margaretha, wijst Antoine met zijn ogen naar het tafeltje, Ze zal weten wat ze moet doen. Het is niet de eerste keer dat ik weg ben, alleen weet ik niet hoe lang het deze keer zal duren. Wat is dat koddige zakje naast de brief, wil Nirakie nog weten? Dat, haalt Antoine zijn adem diep in, Dat is mijn afscheidsgeschenk voor Amos. Het zijn ingrediënten voor zijn allerlaatste thee die hij zal drinken. Nirakie slaat haar ogen neer. Voorzichtig stil trekken ze de deur van het hotel achter zich dicht en stappen naar de auto. Vanuit de keuken ziet Margaretha het vervlochten koppel vertrekken. Ze wrijft een traantje weg en kuiert dan weemoedig naar de kamer van Antoine. Neemt de brief en het zakje beet en legt zich in het schijnbaar onbeslapen bed. Antoine en Nirakie gaan intussen hand in hand naar het station van Hasselt. De trein van een minuut na half zes is stipt.


410. Ad absurdum (dinsdag 17 maart 2009)

Hoofdstuk 10 van Hotel Strauss

Drukte in het hotel. Margaretha en Antoine hebben zopas de ontbijtruimte gepoetst en ze weer in optima forma klaargezet voor de volgende ronde uit de hoorn des overvloeds. Ze geven nu zij aan zij de grote hal een flinke beurt. De witte fresia's op de balie geuren dat horen en zien vergaat en terwijl de inspirerende muziek van Richard Galliano het hotel voorziet van de mooiste noten die niet hangen aan struiken of bomen, maar vrolijk bengelen aan zijden engelendraadjes van de ziel, duwt Antoine regelmatig zijn kontje tegen dat van Margaretha. Dan lachen ze hardop totdat Antoine zijn wijsvinger voor haar mond houdt en zij op haar beurt dan weer haar lange tong uitsteekt. Daarna schrobben ze verder tot een van de twee opnieuw een accordeonkronkel in de muziek vindt om de andere in zijn zij te porren. Antoine durft ook wel eens iets hoger gaan en het is ook al eens gebeurd dat Margaretha onder de gordel toesloeg. Hun gallianissimo neemt een einde wanneer Jeroen in de deuropening van de hal verschijnt. Appelen, verse appelen, peren, sappige hangbuikperen en honing, verdraaid goedgedraaide honing, stapt hij al lachend Hotel Strauss binnen. Breng het maar naar de keuken, roept Antoine hem opgewekt tegemoet. Hij steelt snel een kus van Margaretha's zoete lippen en gaat dan achter Jeroen aan. Geeft hem drie kussen en trekt hem dan - nadat Jeroen de schat uit Haspengouw in de frigo's heeft neer geplant - zoals een flirtende danser naar boven op zijn kamer. Eens binnen houdt hij Jeroen met beide handen aan beide schouders vast en kijkt hem vol blijdschap in zijn beminnelijke ogen, Volgende week woensdag is het zover, Jeroen. Dan word je ingewijd in de Orde. Om 17.00 uur stipt word je verwacht aan de bastaardeik van het kasteel Vilain Quatorze. Iemand zal je komen ophalen. Vrees niet als je geblinddoekt wordt. Ik sms je de verdere onderrichtingen woensdagmorgen door, want er is zowel een dress- als een ethische code, maar die mag ik je pas 's morgens voor de inwijding meedelen. Te gek, niet? Jeroen lacht zijn witte rij tanden bloot en als een ingetogen apostel slaat hij de ogen neer. Hé, petekindje, duwt Antoine met zijn wijsvinger de kinnebak van Jeroen weer omhoog. Komaan, nog even en dan zijn we met elkaar vereeuwigd tot de dood. Waarom dat treurig blikje van je? Maar Antoine, probeert Jeroen weer in zijn ogen te kijken, Mag ik het echt niet tegen mijn moeder zeggen? Natuurlijk wel, Jeroen, maar wacht tot je het profane leven verlaten hebt, wacht tot je je eed gezworen hebt. Nirakie weet beslist al meer dan je denkt. Zij is een zeer pientere vrouw die mama van je. Ik hou van haar. Ik hou van haar zoals van een zus. Eigenlijk is ze mijn zus, Jeroen. En jij zal via onze broederband zorgen dat ik straks ook echt familie van haar zal zijn. Jeroen krijgt traantjes in de ogen. Zijn temperament kan zo week zijn als een open mossel. En zo hard als ze weer sluit. Mama zal huilen van geluk, Antoine, dat weet ik zeker. Ik weet dat ook wel gekkie, en terwijl Antoine, Jeroen in zijn armen neemt, mompelt hij eerder dan spreken, Ik weet dat beter dan wie ook jongen! Wat zeg je peter, verheft Jeroen zijn stem terwijl hij zich loswerkt, Wat vertel je me? Deze keer is Antoine's repliek zacht en stilletjes zoals de zwevende pianomuziek van Satie. Antoine herpakt zich snel en als een meester voor het eerste studiejaar richt hij zich tot Jeroen, Zeg jij maar eens mijn dierbare vriend uit Vochtig Haspengouw, Heb jij De Steppewolf van Hermann Hesse al uitgelezen? Heb jij De Toverberg van Thomas Mann tot U genomen? En heb je Het lijden van de jonge Werther van Goethe verslonden? De gelaatsuitdrukking van Jeroen vult zich met lachrimpeltjes en terwijl hij diep in de ogen van Antoine kijkt, geeft hij hem zonder verpinken de antwoorden, Ja, ja en nog eens ja, Meester! Oké, draait Antoine zich dan 180 graden om en hij stapt naar zijn overvolle bibliotheek, Handen open Jeroen. Hier zijn nog een paar belangrijke werken die je achter de kiezen moet slaan, en Antoine glijdt met zijn wijsvinger over de ruggen van zijn boeken tot hij bij Montesquieu komt. Die kanjer plukt hij ertussenuit en legt 'Over de geest van de wetten' in de open armen van Jeroen. Dan gaat hij als een pianist over zijn toetsen verder, tot hij bij Quintilianus komt. En dit hier, lacht hij flauwtjes, De Opleiding tot redenaar. Ken je de humanist Poggio Bracciolini, mijn beste Jeroen, Wel, hij heeft begin 15de eeuw in een Zwitser klooster de complete tekst van Quintilianus aangetroffen en hij heeft ervoor gezorgd dat het Oratoria als een golf van opwinding door intellectueel Europa is gegaan. Bravo voor Bracciolini! Dat het bij jou ook als een golf van zelfkennis en zelfbewustzijn door je mooie bolleke zal gaan. En dat je er van zult blozen zoals de lekkere appelen die je me wekelijks brengt. Was Quintulianus geen Romeins advocaat, probeert Jeroen. Hij was, drukt Antoine de boeken nu tegen Jeroens borstkas. Geef je moeder drie dikke kussen van me en zeg dat ze me nog eens een briefje schrijft. Wil je, Jeroen. Fluister in haar oor dat haar brieven steeds helend zijn voor me en durf niet te verzwijgen dat ik ze nog altijd zeer graag zie. Al lachend gaat Jeroen de kamer buiten terwijl hij hartelijk antwoordt, Dat doe ik voor je lieve Antoine, dat doe ik zoals ik dat iedere keer voor je doe wanneer je het me vraagt. Enkele stappen verder in de gang stopt Jeroen zijn vaste tred en draait zich om naar Antoine die op enkele passen volgt, Weet je wat ik me vaak afvraag, Antoine... Antoine botst verbaasd tegen Jeroen op, Waarom jij en mijn moeder nooit getr... Ach laat maar, en Jeroen versnelt zijn stap en eens aan de trap, duikt hij als een steenbok de houten trappen af, zoent Margaretha op haar bezwete voorhoofd in de hal en roept boven La Javanaise uit, Ik zie jullie graag, tot de volgende keer! En weg is hij. Antoine volgt schoorvoetend van de trappen en op de laatste trede zet hij zich licht bedwelmd door mijmering en hoge tonen even neer terwijl Jeroens laatste woorden nog even nazinderen. Maar veel tijd om te blijven zitten, krijgt hij niet, want een vrolijke Margaretha danst naar hem toe en trekt hem recht terwijl ze fluistert, Kom je kijken naar de Suite Kierkegaard. Ik heb er een persoonlijke touch aan gegeven. Veerle zal in haar nopjes zijn. En jij ook, gooit ze er meteen achteraan. Hand in hand, zoals twee kinderen die stoeien op de Maaslandse heide, rennen ze opnieuw naar boven. Deze keer naar de vierde verdieping waar maar één kamer is of de zogeheten heilige Suite van Kierkegaard. Daar wordt hotelbusiness op maat gedaan. Persoonlijker en intiemer kan geen kamer worden aangekleed. Voorzichtig duwt Margaretha de deur open. Het hemelbed straalt zoals de zon aan de hemel en aan de vier pilaartjes die rijken van het ledikant tot aan het plafond staan forse kristallen vazen met witte fresia's in. Het lichtbruine chesterfieldsalonnetje voor het bed blinkt van geluk en ei zo na hoor je er de runderen weer in loeien. Op het wit gelakte salontafeltje liggen de favoriete dagbladen van Veerle, De Volkskrant en het NRC Handelsblad. Er ligt een puntig wit-zwart zakje op van de betoverende home & body cosmetics shop Rituals en wanneer Antoine met zijn ogen vraagt, Wat zit erin, prevelt Margaretha, Haar lievelings gezichtsscrub en hydraterende gezichtslotion. Antoine schudt lieflijk zijn hoofd en kust Margaretha op haar mond, maar hij kan geen letter meer zeggen want een krop in de keel, belet het hem. Waarom wordt hij telkens weer zo emotioneel als het om Veerle gaat. Zij lijkt wel een relikwie in zijn leven. Nog heiliger dan Jezus voor de paus. Nog belangrijker dan een bijbel voor de kerk. Nog intiemer dan zijn eigen hart dat hij nu hoort bonzen tot in zijn keel. Antoine kijkt weemoedig rond in de suite. Ze is perfect in orde. Wat wordt hij toch omringd door zoveel lieve mensen. Ja, knikt hij nu, in mensen hebben wij te geloven want anders wordt de wereld een hel, maar ik heb werkelijk geluk dat ik midden in zo'n groep lieverds zit die meer dan Zeven op de Schaal van Richter scoren als het aankomt op empathie, liefde en duurzame vriendschap. Hij omhelst Margaretha, maar die trekt hem nu mee naar het bed. Daarop ligt een charmant cadeautje met veel tralala en tralalie. Wat is het, vraagt Antoine, maar pas na de derde keer, wil Margaretha antwoorden, Een setje van Marlies Dekkers, de nieuwste creatie uit haar lente- en zomercollectie, laat ze haar tongetje over haar lippen schuiven. Antoine bijt zich op de lippen. Zijn gedachten gaan met de lichtsnelheid naar vroegere oorden waar hij met Veerle verbleef. Hij staat aan het bed genageld zoals een jongetje dat voor het eerst de zee ziet en met zijn schepje kijkt en zoekt waar hij de stop van dat grote bad kan uittrekken. Antoine kijkt, kijkt nog eens en kijkt voor een derde keer rondom zich en hij ziet dat het goed is. Dan draait hij zich naar Margaretha om en steekt zijn neus omhoog, En heb je mijn geschenk ook ergens liggen? Yep, gaat Margaretha naar de badkamer, waar ze naast de talrijke zeepjes, lotions en nieuwe tandenborstel en tandpasta het doosje van Pandora aanwijst, Tatataa, buigt ze nu door haar knieën terwijl ze haar armen open waaiert, Net dezelfde als ik van jou gekregen heb: een prachtige zilveren Pandora armband met zilveren en gouden knekels voor het ronde bedrag van duizend driehonderd euro. Klopt? Met haar horoscoop uiteraard en ook die van jou, lekker naast elkaar. En my dear, gaat Margaretha als een orkaantje verder, In de koelkast staan vier lekkere flessen champagne Piper-Heidsieck en deze keer, zoals bij het ontbijt, geen Baby Pipers, maar uit de kluiten gewassen flessen van 75 centiliter. Daarna gaat ze pal voor Antoine staan, Zeg eens Meester, Heb ik het goed gedaan? Of heb ik het héél goed gedaan? Kom hier honnepon, trekt Antoine Margaretha tegen zich aan. Jij bent goed, beter en best, alleen weet ik niet goed in welke volgorde. En lachend verlaten beiden de Suite Kierkegaard. Oeps, blijft Antoine staan, Ligt het boek Wat de liefde doet, van Kierkegaard in haar nachtkastje? Margaretha blaast deze keer een lachje uit haar neus, Samen met haar favoriete dichtbundel Canto General van Pablo Nerruda, stelt ze zich in een positie zoals een pastoor die voor het altaar staat en een aanloop neemt tot het communierituaal. Kom, knijpt Antoine zachtjes in haar hand, We gaan er een lekkere Italiaanse prosecco op drinken. Dat hebben we wel verdiend. We, giechelt Margaretha. Ja, We, beaamt Antoine, want wij twee, zijn één. Maar eerst steek ik de sleutel van de suite opnieuw in de rode envelop aan de balie. De fles prosecco is nog niet ontkurkt of Sylvain-de-saxofonist komt plots binnengewaaid. Groot feest, duwt hij zijn lippen tot een tuitje. Nog een glas voor onze Commissaris van Toeristische Uiterwaarden en nog van alles, probeert Antoine, maar Sylvain vult hem graag aan, En Urbanisatie van Ingesloten Waterbekkens. Vergeet het nooit Antoine! Met deze titel word ik nog eens wereldberoemd, lacht Sylvain die met kennis van zaken zijn glas gelijkstemmig laat klinken. Wat brengt je hier, wil Antoine weten? Ik heb nieuws over het Kasteel Vilain Quatorze en meer nog. Ik heb zeer goed nieuws over Kasteel Vilain Quatorze. Vertel eens, wordt Antoine bijzonder nieuwsgierig. Sylvain houdt er nog even de spanning in en buldert dan van het lachen, Ik ga er mijn kantoor in maken, zegt hij plots. Ik heb een EFRO-dossier ingediend en het is voor mekaar. EFRO, kijkt Margaretha al vragend. Ja, klinkt Sylvain erg opgewekt, EFRO of een Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. Vijfhonderdduizend euro heb ik losgeweekt, hahaha. Het godganse kasteel wordt de volgende tien jaar mijn kantoortje weltevree met alles erop en eraan. Ook het Engels landschapspark dat zich uitstrekt tussen het kasteel en de Maas. Maar om dat te onderhouden heb ik een ander project ingediend bij Europa, schatert Sylvain verder. Antoine en Margaretha klappen in de handen en Margaretha schenkt de glazen opnieuw vol. Daarna wordt Sylvain heel stil en hij beweegt zijn hoofd naar dat van Antoine en Margaretha alsof hij een samenzwering wil instigeren, En ik heb geheime plannen van mijn goede vriend Ernesto losgepeuterd van het kasteel waaruit blijkt dat er honderden meters catacomben onder het kasteel zijn waarvan sommige gangen lopen tot aan de Maas en er zou zelfs een gang tot hier lopen, tot aan Hotel Strauss, wordt het even héél stil tussen de drie samenzweerders. Sylvain fluistert verder, Bovendien laat het plan een grote ruimte zien, een kapel of zo, die ongeveer centraal gelegen is in het gangensysteem. Hoogst merkwaardig en volgens mijn vriend Ernesto zijn die plannen van het gangenstelsel nooit geopenbaard geweest. Hij beweert ze gevonden te hebben in een ongeopende map die hij op zijn beurt vond bij notarisstukken toen het kasteel aan Willem van Meeuwen is verkocht rond 1750. Het plan dateert alleszins van tijdens de derde bouwcampagne van het kasteel toen het omstreeks 1700 het zogeheten Lodewijk XIV-kasteel werd. Sylvain nipt aan zijn glas. Margaretha zoekt verlichting in de bubbels en Antoine kijkt verbaasd met een lachje naar Sylvain die het woord weer neemt, Jij hebt me ooit gevraagd of ik kon zorgen voor een zeer geheime ruimte voor bepaalde activiteiten Antoine, en Sylvain klopt Antoine op zijn billen, Wel beste Antoine, zodra ik mijn intrek neem in het kasteel, mag jij beschikken over alles wat onder de grond zit. Wat denk je daarvan? Antoine kijkt trots naar Margaretha en zij naar hem. Hij kan zijn geluk niet op en grijpt de hand van Sylvain vast, schudt ze en geeft hem een prosecco gekruide kus op zijn voorhoofd. Margaretha vraagt hij om een nieuwe fles te gaan halen, maar deze keer een Piper-Heidsieck terwijl hij uitbundig wordt, Dát moeten we vieren! Het geluid van de knallende kurk wordt gestoord door de onstuimige BlackBerry. Aarzelend neemt Antoine het technisch vernuftig mobieltje op. Als hij hoort dat het zijn hoogbejaarde mama is, heft hij het glas hoog en roept, Proost mama, ik drink op je mooie grijze haren, maar al snel hoort Antoine dat aan de andere kant van de wereld van techniek ellende bruist, Zoontje, lieve zoon, ik heb slecht nieuws voor je. Van de weeromstuit verandert het lachende gezicht van Antoine in een ernstige grimas. Wat is er, wil Margaretha weten. Shhht, zegt Antoine. Hij laat zijn glas zakken en in een honderdste van een milliseconde tonen zijn hersenen alle mogelijke rampspoedscenario's die zij kunnen bevatten... behalve dan die ene rampspoed die zijn moeder heeft mee te delen. Wat is er mama, wat moet je me vertellen, geraakt Antoine lichtjes in paniek en nog meer wanneer hij zijn mama hoort huilen. Dat heeft zij al jaren niet meer gedaan. Antoine dringt aan, Mama, zeg het nou, wat voor slecht nieuws heb je voor mij... Margaretha houdt een oor tegen dat van Antoine en Sylvain kijkt als een toevallige toerist naar een ongelooflijke ramp in wording. Dan volgt een korte ijzige stilte en wanneer elke spier van Antoine verlamd wordt alsof een kosmische vrieskou heeft toegeslagen vanuit de ruimte, hoort hij tussen het snikken van zijn mama door, Veerle is dood. Jouw Veerle is dood zoontje. Antoine laat zijn glas vallen en wankelt. Margaretha en Sylvain grijpen hem vast en ondersteunen hem terwijl hij stottert, Mama, zeg iets, wanneer is zij... maar hij krijgt het dode woord niet over zijn lippen. Zijn stokoude moeder heeft haar moed blijkbaar weer bijeengeschraapt en zegt dan in één adem, Ze is vanmorgen verongelukt tussen Keulen en Aken met haar Porsche. Meer weet ik niet jongen, maar wees sterk. Doe geen domme dingen. Ik kom zo snel als ik kan naar jou. Ik hou van je, ik hou van je, blijft ze herhalen, maar die laatste navelstreng van woorden hoort Antoine niet meer. Hij wringt zich los uit de helpende handen van Margaretha en Sylvain en stormt al bulderend het hotel uit met een ijzingwekkende kreet die het hotel doet daveren op zijn grondvesten, Veerle is dood, Veerle is dood... en als een bezetene vlucht hij als zat het zwavelstinkende triumviraat Satan, Lucifer en Mefistofeles hem op de hielen, naar een onbekende onbestemde plaats aan de Maas. Hij rent sneller dan je van een vijftiger kan verwachten, veel véél sneller dan een vijftiger eigenlijk hardlopen kan. Margaretha schiet hem achterna tot aan de inkomdeur en beseft dan dat je een schreeuwende wind niet kan volgen. In de kille deuropening valt ze op haar knieën en huilt ze zoals een steppewolf in diepe nacht. Sylvain stapt twijfelend in haar richting en eens bij haar, neemt hij ze vast en brengt haar naar een zeteltje aan de balie. Hij haalt een rode zakdoek uit zijn broekzak en veegt ongecontroleerd de onophoudelijk lopende tranen van haar wangen terwijl hij zelf begint te wenen en hardop in zichzelf mompelt, Wat gebeurt hier toch allemaal?


Top