|
|
|   |
Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 280 t.e.m. 289
289. Vox populi (dinsdag 21 november)
"De mens wordt vrij geboren, maar overal is hij geketend." (Jean-Jacques
Rousseau)
I. Televisie
a. U mag elke dag televisie kijken, hetzij beeldbuis, LCD of plasma
b. U mag zelf uitmaken welk programma u leuk vindt of niet
c. Elke film, van welk genre ook, kan beelden bevatten die even later ook
voorkomen in het nieuws. Elke vergelijking moet persoonlijk worden
geïnterpreteerd, hoe dom of hoe slim de kijker ook is
d. Samen met een stroombegrenzer (10 ampère) zal straks ook een digitale
begrenzer (bij wet) worden opgelegd voor mensen die de digitale televisie
niet (competent) kunnen beheren.
II. Kleding
a. U moet kleren dragen bij alle sociale gelegenheden
b. De kleren moeten alle intieme delen bedekken, al wordt dat doel op
verschillende manieren bereikt
c. De kleren mogen niet schokkeren of beledigen
d. Iedereen moet kleren kunnen kopen ook al dragen de rijken schoenen die
een volledig maandloon van een hardwerkende poetsvrouw kunnen bedragen
III. Verkeer
a. U mag zich een motorvoertuig aanschaffen ten alle tijden
b. U moet zich houden aan de verkeersregels op alle plaatsen in alle
omstandigheden
c. U moet enkel slagen in een rij-examen om een vrachtwagen van 30 ton of
meer te mogen besturen. Er wordt geen intelligentietest afgenomen om dit
gevaarte op welke weg, waar ook ter wereld, te mogen manipuleren
d. U kan al eens iemand doodrijden en dan betaalt u enkel een boete.
Doodrijden om het plezier of uit wraak mag niet, alhoewel advocaten de
duivel en het paradijs kunnen pleiten
IV. Vechten
a. U mag onder geen enkele omstandigheid vechten met een medemens behalve
in sporten zoals judo, karate, worstelen of een of andere oorlog (altijd
ergens ter wereld)
b. Indien een gore bandiet uw vrouw voor uw ogen verkracht, moet u bellen
naar de politie en toekijken tot de arm van de wet toesnelt (of te laat
is)
c. Wordt u op straat aangevallen, sla nooit terug, maar gebruik uw
littekens als argument om voor de rechtbank een fikse schadevergoeding te
eisen
d. Een mep verkopen wanneer een randdebiel u van de weg rijdt, mag niet,
ook al wordt de begeerte sterker dan de moeilijkheid die ze ontmoet
V. Stemmen
a. Stemmen is een recht maar ook een plicht
b. U moet gaan stemmen als het politieke verkiezingen zijn, maar u kan het
vrij als een loting zien
c. U mag stemmen voor wie u wilt, doch u hebt totaal geen inspraak in de
latere coalitievormingen tussen partijen, evenmin dat u een goed gevoel
krijgt dat uw stem ook maar iets bepaalt in het uitgestippelde beleid
d. Tijdens het stemmen mag u niet roepen of ranzige dingen neerschrijven
op de stembrief alhoewel dat laatste moeilijk te controleren valt
VI. Niezen
a. U mag vrij niezen maar alleen onder strikte morele voorwaarden
a.1. Met de hand voor de mond
a.2. Niet storend tijdens openbare manifestaties of activiteiten
a.3. Indien aanhoudend, moet u zich liefst afzonderen
b. U mag nooit in iemands gezicht niezen, ook al heb je geen respect voor
wie naast je zit/staat
b.1. TBC-patiënten moeten drie weken in afzondering gaan (ziekenhuis)
b.2. De dokter zal TBC-patiënten vanop drie meter toespreken en behandelen
c. U mag nooit in iemands eten of drinken niezen tenzij betrokkene echt
maar dan ook héél echt een ongelooflijke smeerlap is (maar dan nog is er
rattenvergif)
VII. Tuin
a. U mag een tuin hebben en hem bewerken
b. U mag in uw tuin vóór 08.00 uur en ná 22.00 uur geen lawaai maken.
Morgen is weer een dag!
c. U mag geen al te stinkend mest bij droog weer verspreiden in uw tuin en
het is niet aangewezen uw eigen fecaliën (op gehurkte of andere wijze) te
verspreiden tussen de groenten
d. U zult geen bomen of struiken planten die op korte of langere termijn
het zicht van de buren kunnen hinderen
VIII. Huis
a. U mag een huis bouwen of kopen indien de financiële toestand het
toelaat (of die van de ouders)
b. Het huis moet voldoen aan alle bouwkundige wetten en regels die gelden
in de gemeente, provincie enerzijds en de wetten van Vinçotte en andere
technische instellingen anderzijds
c. Gevelstenen en dakpannen moeten affiniteit vertonen met de buurt tenzij
uw huis een uitgesproken villa is of de eigenaar een vermogen heeft dat
tien arbeiders samen in hun hele leven nooit samen zullen verdienen
d. Het huis moet deftig onderhouden worden en dit vooral aan de buitenkant
voor het zicht van de voorbijgangers.
e. Ook al is het huis afbetaald, al de overvloedige taksen die er nog
eeuwig op geheven worden, moeten betaald worden, anders wordt uw huis
alsnog eigendom van Het Kapitaal
IX. Huisdieren
a. U mag een huisdier, kleinvee of enkele koeien, varkens, pony's... houden
b. Wie zijn honden, schapen of pony's seksueel misbruikt, zal niet langer
bestraft worden (mogelijk wel veroordeeld voor openbare zedenschennis),
maar het is moreel niet aangewezen omdat er ruim voldoende mensen in alle
soorten en gewichten voorradig zijn en er bovendien een simpele import uit
pakweg Thailand mogelijk is
c. Voor dieren die in de buitenlucht vertoeven, moet een schutplaats
worden voorzien
X. Kinderen
a. U mag als hetero, holebi of gehandicapte, respectievelijk met of zonder
veel verstand of aantal handicaps, zoveel kinderen hebben als u wilt,
hetzij door zelfverwekking, in-vitrobevruchting, hetzij door adoptie
a.1. Gedrochtelijke kinderen mogen ook gekoesterd worden
a.2. De gelijkenis tussen kinderen en hun vaders kan ab ovo via
DNA-sporen onderzocht worden
a.3. Lafheid, de moeder van de wreedheid, wordt nooit aanbevolen, maar
kan toch verwezenlijkt worden als ouders de pasgeboren baby's dumpen
in openbare gebouwen (toilet) of zoals Mozes in een bootje op de Maas
(symbolisch)
b. Het opvoeden van de kinderen staat minstens achttien jaar centraal en
er is een schoolverplichting voor kinderen van alle slag
c. De Rechten van de Mens zijn ook van toepassing op de kinderen
c.1. Pedofielen mogen vrij kijken maar niets doen
c.2. Pedofielen bij wie de geest zichzelf hindert worden al eens
opgesloten
d. De genegenheid van vaders en moeders voor hun kinderen wordt niet
uitgedrukt in materiaal, maar in familieliefde
XI. Dromen
a. U mag dromen zoveel u wilt, maar liefst 's nachts terwijl u slaapt en
de vrijheid van het geweten de vrije loop kunt laten gaan
b. Dromen vormen een knelpunt voor de overheid want dromen kunnen niet
gecontroleerd worden (noch belast)
c. Wie voortdurend als de beesten droomt, wordt aanbevolen naar een
psycholoog te gaan (de mutualiteit komt hierin tussen)
XII. Werken
a. U gaat best werken, maar het is geen absolute plicht
b. Hebzucht is toegestaan om arbeiders tot werken aan te zetten
c. Hebzucht en afgunst mogen de maatschappij niet ondermijnen
d. Desnoods mogen mensen met een nobele leugen overtuigd worden
e. Indien u niet wilt werken en kan aantonen dat u gezinshoofd bent, dan
krijgt u een maandloon dat evenveel is als dat van een hardwerkende
poetsvrouw die soms al van vijf uur in de ochtend in actie is
f. Pas na de dood zal en kan men oordelen of uw werk goed of slecht was,
maar één gegeven is er altijd: de onmisbaren liggen op het kerkhof
XIII. Boeken
a. U mag zoveel boeken - van welke aard dan ook - kopen als u wilt
b. U mag ook zelf een boek schrijven, uitgeven en verspreiden
c. Wie er in slaagt om een paar keer per maand op televisie te verschijnen
met zijn profiel, kan met een hoge waarschijnlijkheid een bestseller
schrijven, ook al schrijft hij over Pim, Pam en Pet, eieren bakken of de
lendenen van een berggeit.
O seclum insipiens et infacetum!
288. Surrealisme (dinsdag 14 november)
Felix Meritus leeft op een piramide in de Kosmos altijd op weg naar de
sterren van Orion. De piramide heeft een gewicht van 666 miljard newton.
Er is een atmosfeer zoals op aarde. Er is één grote zoetwaterzee, de Ori.
Voor de rest is alles bos en stroomt er één rivier, de Cma. De
zwaartekracht is geringer dan op aarde en met een lichte sprong ben je al
snel en paar meter in de lucht. Op de hele piramide bestaat de fauna uit
999 vogelbekdieren en zij leven op een schaal van één tot tien met
ongeveer een tien en wel in alle categorieën. Alles blijft er eeuwig
leven, niets sterft af en tijd is onbestaand. Felix Meritus kent geen
goden noch duivels en denkt voortdurend na. Er is geen dag en nacht zoals
wij die kennen, maar op elk vlak is het afwisselend licht en donker omdat
de piramide zich zo positioneert bij haar doortocht naar Orion. Het is er
altijd 27 graden en vuur en ijs zijn er onbestaand. Het is enkel een
wereld van aarde, water en lucht. Op elk vlak van de piramide staat een
grote kubus die honderd meter bij honderd meter meet. Als je daar
binnenstapt, word je voldaan in alles wat je denkt. Het zijn de
materialenkasten van de piramide en ze zijn net zoals de mens de maat is
van alle dingen, van de dingen die ze zijn, dat ze zijn, en van de dingen
die niet zijn, dat ze niet zijn... dat zijn de kubussen op de piramide.
Bij elke doortocht van een ster bestudeert Felix Meritus de planeten die
er ronddraaien en van op de top van de piramide kan hij de planeten
haarfijn observeren. Op de top hangt namelijk een flexibele atmosfeer die
zich als een automatische telescoop gedraagt wanneer Felix Meritus in de
ruimte kijkt. In een soort herbarium steekt hij alle gegevens van elke
ster met zijn planeten. Aan de hand van de stapel herbaria te zien, leeft
Felix Meritus naar aardse maatstaven al miljoenen jaren en dat doet
vermoeden dat hij van héél ver komt. Maar hoever? De vraag rijst ook dat
wanneer hij het sterrenstelsel Orion binnenkomt, het dan afgelopen zal
zijn met zijn piramide? Einde van de kosmische queeste? Maar misschien
maakt hij wel plots een bocht. Niemand weet het. Felix Meritus ligt er
niet van wakker. Hij denkt en stapt dan de kubus binnen. Verblijft er een
tijd en komt dan weer opgewekt naar buiten. Wandelt door het bos. Geniet
van de geuren en de kleuren van de eieren van de Ornithorynchus anatinus.
Daarna duikt hij al eens in de Cma of in de Ori als hij in de buurt is.
Zoals ik al zei, denkt hij voortdurend, maar het is niet denken wat wij
mensen onder denken verstaan. Wij associëren denken nogal eens met
filosofie, maar voor Felix Meritus gaat die ballon niet op. Hij heeft
nooit angst gekend. Voor hem is er geen oerknal geweest. Geen oervaders
met verzinsels over leven en dood, de zoveel geboden en 'Gij zult niet
doden'. Op de piramide is er trouwens ook geen verandering zichtbaar. Er
is geen strijd tussen tegengestelden, geen zomer tegenover winter, heet
tegenover koud. De enige verandering is licht tegenover donker, maar niet
in de kubus. In de vier kubussen krijgt elke gedachte een verklaring. Van
a tot z. Geen gnostiek. Geen metafysica. Geen godsdienst. Geen filosofie.
Geen wetenschap. Niets! Elk gedacht 'is' en zo ook elke verklaring. Neem
nu melk! Het bestaat niet echt op de piramide van Felix Meritus, maar als
het er zou bestaan, dan moest de vraag niet worden gesteld hoe gras
uiteindelijk tot melk wordt getransformeerd. Melk zou er dan doodgewoon
zijn. Zonder koeien. Zonder gras. Ja, ik begrijp volkomen het surrealisme
- zoals wij dat hier op aarde noemen - van het bestaan van de piramide in
de Kosmos. En de piramide daar nog aan toe, maar de bovenverstandelijke
betekenis van Felix Meritus is helemaal onverstaanbaar voor aardse mensen.
Zo is er op de piramide in de Kosmos nooit sprake geweest - zoals bij
Thales van Milete op aarde - van de vier elementen lucht, vuur, water en
aarde. Want vuur is ongekend op de piramide. Ondanks het gegeven 'sterren'
die Felix Meritus dagelijks bestudeert. Dat zijn toch enorme vuurbollen.
Toch is er op de piramide van de Kosmos nooit een vlammetje geweest. Maar
zonder vuur ook geen gebraden vlees! Wat eet die Felix Meritus eigenlijk?
Ex nihilo nihil, uit niets komt niets voort. Zit het 'em allemaal in die
kubussen daar? Vier in totaal. Kan Felix Meritus er zomaar binnenstappen
als hij honger heeft en even later weer voldaan buitenkomen. Door er aan
te denken al 'plots' voldaan te zijn? En wat heeft hij dan virtueel
gegeten? En als hij zich virtueel kan voeden, moet hij dan een
spijsverteringstelsel hebben? Slokdarm, maag en het hele meterslange
darmenstelsel, tot de aars toe, zijn dan toch overbodig? Niet? Zonder
religie leven, lijkt me geen onoverkomelijk gegeven, dat kan de geest wel
aan. Maar zonder voedsel en drinken een mens laten functioneren, dat is
andere koek. Of moeten we ons de vraag stellen of die Felix Meritus wel
een mens is zoals wij die kennen uit de biologielessen. Uit de duizenden
aliënfilms kunnen we ons een beeld vormen hoe een ander niet-aards wezen
er zoal kan uitzien. Maar onze Felix Meritus is anatomisch blijkbaar uit
nog een ander houtsoort gesneden. Het is niet zo simpel als bij de
pythagoreeërs die wegens hun vegetarisme ook bonen moesten afzweren. Dit
omdat het eten van bonen een soort kannibalisme was om de eenvoudige reden
dat in een boon, van dichtbij bekeken, precies een klein embryonaal
menselijk wezentje zit. Ik denk dat we op zijn minst gezegd ook Felix
Meritus eens van dichtbij moeten gaan bekijken. De werkelijkheid is niet
alleen uit een aantal dingen opgebouwd, maar is een proces van
voortdurende opbouw en afbouw. Heraclitus heeft dat circa 470 jaar voor
Christus al goed gezien. Je kunt niet tweemaal in dezelfde rivier stappen
omdat alles verandert, behalve de verandering zelf. Dat geldt ook voor
Felix Meritus als die gaat stoeien in de Cma. Of in de Ori. Eigenlijk
zitten we met het fenomeen Felix Meritus terug bij Zeno van Elea. En meer
bepaald zijn methodische denkmethode die bekend staat als 'reductio ad
absurdum'. Zo laat Zeno in een van zijn paradoxen zien dat in een wedloop
tussen Achilles en een schildpad, waarbij de schildpad een voorsprong zou
krijgen - wat trouwens een redelijk voorstel is - de gehaaide hardloper
nooit de sjokkende schildpad kan inhalen. Waarom niet? Omdat Achilles
volgens Zeno eerst moet aankomen op het startpunt van de schildpad. Maar
rekening houdend met de aanname van de beweging, is de schildpad daar al
niet meer. Hij is al op een volgend punt en dit zal zich voortdurend
herhalen. Als Achilles aankomt op het punt waar de schildpad was, zal de
schildpad al een stukje verder zijn. Achilles kan hem dus nooit inhalen.
Beu? En wat met Felix Meritus op zijn piramide in de Kosmos in
vergelijking met de mens op aarde? Misschien moeten mensen niet alles
willen begrijpen. Niet altijd proberen te krijgen wat ze willen, maar
beter proberen te willen wat ze krijgen. Ook surrealistisch?
287. De vreemdeling (dinsdag 7 november)
Wat vooraf ging: column 284 (Schoonheid en troost, dinsdag 17 oktober)
Jeanlouis: Welke tijd Leopold? Zou onze schranderheid er door afnemen als
het tijdgevoel ons wordt ontnomen?
Leopold: Ik denk het wel. De beleving van tijd is subjectief en bovendien
afhankelijk van innerlijke en externe omstandigheden die de graad van het
bewuste besef ervan bepalen. Ik beleef mijn tijd nu als een gekwelde
geest. Ik weet dat deze belevenis een ervaring is die me rijker zal maken,
maar ik zou een brug willen vinden die me tijdloos over mijn miserie
helpt. Ik zou deze psychologische tijd willen overslaan in de tijd die ik
als mens op aarde doorbreng.
Jeanlouis: Dieren kunnen uitstekend leven zonder tijd. Ik zag nooit een
tijger op zijn horloge kijken. De tijger valt zijn prooi niet aan omdat
hij haast heeft, maar simpelweg omdat de kansen op een middagmaal worden
vergroot naarmate de opponent meer zwaktes vertoond, minder tijd heeft om
te reageren. Evenmin eet een tijger om twaalf uur, maar omdat hij gedreven
is door honger of omdat zijn kroost anders aan het schreeuwen gaat. Maar
ik moet wel toegeven dat ik ook nog nooit een tijger heb zien wenen van
verdriet aan de oevers van een stroom.
Leopold: Zou het kunnen dat een dier in dit opzicht door de natuur is
bevoordeeld zodat het eigenlijk een logischer en functioneler gedrag
vertoont?
Jeanlouis: Ach dieren, je weet dat ik er zielsveel van hou en dat ik alle
dieren koester, maar ondanks Darwin is de mens toch een uitzonderlijk
beestje gebleken. Het redeneervermogen van honden, de instincten en
emoties van apen en de beroemde papegaai van Von Humboldt ten spijt, maar
de afstamming van de mens blijft voor mij een mysterie. In tegenstelling
tot de mens heeft trouwens geen enkel dier het minste besef dat het is
opgebouwd uit atomen.
Leopold (verward en opkijkend): Atomen! Gaan we het hier over atomen hebben?
Jeanlouis: Ik wil maar zeggen dat er schattingen bestaan die er op
neerkomen dat 98 procent van de atomen waaruit een menselijk lichaam
bestaat zich er een jaar daarvoor niet in bevond. De huid verandert elke
maand, de maagwand eens in de vier dagen en...
Leopold: ...en mijn gedrag blijft hetzelfde. Ik blijf droef.
Jeanlouis: Wel ja, daar wil ik toe komen. Deze reusachtige metamorfose in
geest en lichaam schijnt aan onze tijdsbeleving voorbij te gaan. Het lijkt
wel alsof elk atoom van ons lichaam over een complete databank beschikt en
die telkens gemakkelijk aan erfopvolgers doorgeeft.
Leopold: Bedankt voor die heldere kijk op het leven Jeanlouis, maar wat
moet ik ermee?
Jeanlouis: Helderheid Leopold. Door het begrijpen komt de enkeling ertoe
zich te bevrijden én van zichzelf én van de druk van de wereld.
Leopold: Ach, jij lijkt Albert Camus wel. Je bent net zo bezeten door het
verlangen naar inzicht als hij. Ik heb momenteel een troebel zicht. Ik
denk mistig. Ik zak stilaan weg in een moeras terwijl ik Eleni Karaindrou
mijn filmmuziek hoor spelen.
Jeanlouis: Het 'is' essentieel Leopold.
Leopold: Denk je?
Jeanlouis: Komaan. Ik weet het zeker. Ik vind hier mijn vriend aan de
waterkant en ik durf niet zweren wat je van plan was te doen. Ik heb me in
zevenmijlslaarzen naar de oever bewogen omdat het even leek dat voor jou
de aantrekkingskracht van de rivier groter was dan die van Newton!
Overdrijf ik?
Leopold (hoofd diep gebogen naar de grond - zwijgt)
Jeanlouis: Het inzicht is gnosis Leopold. Existentiële bewustwording. Het
is bevrijdend weten dat uit de diepten van het zijn de verlichting het
gelaat bevrijd. En de geest! Deze verlichting, de gnosis, is niet
vernietigend maar bruist vanuit de duisternis van de dood naar het licht
van het lichaam. Het verhaal van leven en dood, van nacht en dag, van wit
en zwart, van licht en duister, de hel en de hemel, ballingschap en
koninkrijk. Jij zou dat beter dan wie ook moeten weten. Jij, mijn dierbare
broeder!
Leopold: Je hebt gelijk Jeanlouis, maar mijn hersenen bieden niet langer
onderdak voor logica en redelijkheid. Ik lijk wel verdwaald te zijn in een
verloren paradijs. Ik leef momenteel in een surrealistische wereld. De
wind giert en ik kan mijn ogen, de vensters van mijn ziel, niet sluiten.
De storm raast in de schelpen van mijn oren en in mijn eigen hoofd ben ik
een vreemdeling. Precies de vreemdeling van Camus waar jij nu zo fel op
gelijkt!
Jeanlouis: Je moet dringend weer de eindigheid zo intensief mogelijk smaken.
Leopold: Ja, dat besef ik wel, maar moet ik God aanroepen of de Mythe van
Sisyfus?
Jeanlouis (lacht): Jij geboren atheïst. Pelikaan die wankelt. Krokodil
zonder tanden. Olifant zonder slurf. Kikker zonder doedelzak. Tjonge
tjonge toch. Als je je nu niet vermant, gooi ik je persoonlijk in de Maas.
Natuurlijk is het niet nodig in God te geloven om nog een zin in het leven
te vinden. Er zijn ook geen mythen nodig. De goddelijkheid van de wereld
dient niet in haar oneindigheid of eeuwigheid beleefd te worden, maar in
haar eindigheid. De moraal zonder God en zonder enige absolute belijdenis
eist van de mens een bestaan dat de normale taak van de mens in de
eindigheid met een maximale eis formuleert. Zo kan de mens het diepste
leed verdragen zonder zelfmoord te plegen. Ik geloof zelfs dat jij me dat
ooit zelf hebt verteld.
Leopold (glimlacht en geeft Jeanlouis een por)): Ethisch realisme, niet?
Jeanlouis: Ja, dat is ethisch realisme. En dat betekent geen opportunisme!
Het eist van de mens zichzelf in de eindigheid te denken naar het maximale
en dus niet naar het volmaakte toe. Zo kan de mens een leven beamen dat
aanhoudend naar het hoogste streeft in de eindigheid en in zekere zin kan
hij zo de morele uitdaging aanvaarden.
Leopold (staart voor zich uit): Tja!
Jeanlouis: Het is moeilijk de eeuwigheid te verzaken, maar het is de enige
weg naar de verlossing uit de droefheid, want dat maakt ons eindeloos
droef en wanhopig.
Leopold (beetje opgewekt): Dat wil zeker ook zeggen dat ik die eindigheid
in elk opzicht moet aanvaarden?
Jeanlouis: In elk opzicht. Het aanvaarden ervan betekent de rijpheid van
de mens. Het is een streven naar de organisatie van de aarde om ze voor de
mens bewoonbaar te maken.
Leopold (veert recht) Zie je dat mooie golfje daar. Sta op! Dat gaan we
even volgen.
(wordt vervolgd!)
Nawoord Leopold Flam: "De dood van God betekent voor Camus het einde van
de mythologie, waartoe hij de metafysica en de theologie rekent, en het
begin van een ethisch realisme dat een wetenschap van het leven (science
de vie) en geen levenskunst (savoir vivre) zal zijn. Camus is een ethische
positivist, te vergelijken met Jean-Marie Guyau in menig opzicht
overigens. De kritiek heeft niet genoeg gelet op dit bijzonder uitzicht
van de gedachte van Albert Camus. Juist omdat hij God verzaakt, wordt de
moraal op geen enkel principe gegrondvest. Camus schrijft niemand bepaalde
ethische regels voor. Hij vraagt alleen het onvooringenomen inzicht dat
geen illusies verdraagt. Vanaf dit moment begint een nieuwe
levensbeschouwing, die veel meer dan theorie is, die de werkelijkheid van
de mens belicht en verlicht. Is het nodig te bewijzen dat de solidariteit
er zijn moet? Zij is er of zij is er niet. Geen enkel bewijs kan ze
stichten. Van belang voor deze solidariteit is het inzicht dat ze in een
bepaalde richting kan stuwen, dat ze innerlijk rechtvaardigen kan. Zo ook
met de vraag naar de zelfmoord. Kan een redenering of een bewijs iemand
van de zelfmoord weerhouden wanneer zijn levenswil gebroken is? Moest
Camus zulks beweerd hebben, hij zou onzin vertellen. Het gaat hem om
helemaal iets anders. Welke zin heeft nog het leven in de bewustwording
van de eindigheid en van de dood van God? Heeft het christendom gelijk
wanneer het zegt dat dan het leven onzinnig of absurd geworden is? Camus
verdedigt de 'absurde' mens die de atheïst is. Het absurde heeft alleen
een betekenis in christelijke zin, eens hiervan bevrijd, stelt zich een
gans ander probleem. Sisyfus verachtte de goden, haatte de dood en hield
innig van het aardse leven, daarom werd hij veroordeeld aanhoudend een
steen naar de top van een rots te duwen, die dan weer naar beneden
tuimelde. Zo herhaalt zich het leven van Sisyfus eentonig in de
oneindigheid, net als het bestaan van duizenden mensen. Zou hij zelfmoord
plegen? Hij aanvaardt dit ongerijmde bestaan dat hij veracht (il n'est pas
de destin qui ne se surmonte par le mépris). Daar komt het op aan: de
eentonigheid van het dagelijkse eindige bestaan te aanvaarden, te leven en
gelukkig te zijn (il faut imaginer Sisyphe heureux). Het heroïsme bestaat
derhalve niet in het verrichten van heldendaden die het gewone, alledaagse
zijn te boven gaan, maar met een hart dat overkookt. De alledaagsheid
aanvaarden en beleven, wel wetende dat alles zich herhaalt en dat
uiteindelijk de dood het laatste woord heeft, de dood die even onzinnig is
als het leven zelf." [Uit Ontbinding en Protest - Hoofdstuk VIII, Albert
Camus van het nihilisme naar de gedachte van de zon - paragraaf één: De
droefheid - Wereldbibliotheek, 1967]
286. Allerheiligen (dinsdag 31 oktober)
Dinsdagavond 31 oktober om 17.00 uur. De nacht valt als alleen een dode
dat kan en op een eiken bank aan de zoom van het uitgestrekte Le Furet du
Nord nabij Villeneuve d' Ascq zitten Jeanlouis en Leopold te mijmeren over
hun dode vrienden. Jeanlouis is een vijftiger, Leopold een veertiger.
Jeanlouis wil het nabijgelegen kerkhof nog bezoeken onder het mom van
genealogie en heraldiek van enkele grafzerken, maar Leopold wil geen
dodendans meer doen. Er ontstaat een eigenaardig gesprek tussen de twee
boezemvrienden.
Leopold: De as van mijn lievelingen klopt op mijn borst, Jeanlouis. Ga
maar. Ik wacht hier op je.
Jeanlouis: Ga mee Leopold. Volgens Socrates is filosoferen zich
voorbereiden op de dood. Waar kan je dat beter doen dan op de dodenakkers
met hun legendarische bewoners? Kom mee.
Leopold: Neen! Ga maar alleen naar je bruisende stad van de stilte. Ik
geloof niet in de overtuiging van Socrates dat er nog een volgend leven
is, dat de levenden voortkomen uit de doden en dat de zielen van de
gestorvenen voortbestaan. Ik zal er niemand meer ontmoeten die me dierbaar
is. Ik zal enkel graven zien, vers en licht als het verdriet nog jong is,
beschimmeld en vervallen als de doden vergeten zijn.
Jeanlouis: Ach Leopold, de dood is onderworpen aan een vaststaand ritueel
dat bovendien in duizenden gedichten en verhalen wordt beschreven. Maar
bij dat ritueel hoort ook begraven of gecremeerd worden. Grafzerken en
grafkapelletjes. Columbariums en strooiweides. Kortom: dodenakkers! Alles
conform de waarden en normen van de familie.
Leopold: Ken je de eerste strofe van 'Bij het doodsbed van een kind' van
Willem Elsschot, Jeanlouis? Het gaat zo: "De aarde is niet uit haar baan
gedreven; toen uw hartje stil bleef staan; de sterren zijn niet uitgegaan;
en 't huis is overeind gebleven..." Elsschot heeft gelijk. Willem Elsschot
heeft met weinig woorden altijd gelijk. Duizenden jaren sterven, begraven,
rouwen en gedenken heeft de aarde nog geen nanometer van zijn baan doen
afwijken, de natuur niet één seconde doen aarzelen over het uur van onze
dood en nog minder om de evolutie van de mens à la Darwin af te remmen.
Wandelen over een kerkhof kan dan wel een ontdekkingstocht zijn, maar ik
heb er geen boodschap aan. Vandaag niet!
Jeanlouis: Zei Montaigne niet "Wie de mensen leert te sterven, leert ze te
leven"? Wij zijn het verleerd om ons voor te bereiden op de dood Leopold.
Niet alleen omdat we blijkbaar niet meer in staat zijn een hedonistische
levensfilosofie te integreren, maar misschien nog meer omdat we in onze
westerse samenleving met alle wetenschappelijke en geneeskundige trucjes
de dood volledig van het leven hebben afgezonderd. Waar is de oude
inuit-jager in ons diepste binnenste, die weet dat hij niet meer aan de
hoge waarde van het leven kan voldoen en daarom de dood verkiest?
Leopold: Mijn grootmoeder was een inuit-jager, Jeanlouis. Toen zij 89 was
en ernstig ziek werd, heeft ze gekozen om te vertrekken naar nergens. Ze
wist perfect dat ze het leven niet had gekend en vroeg zich daarom bewust
af hoe ze de dood dan wel zou kennen. Zij wou dan ook veel en goed bemind
worden zolang ze leefde. "Als ik er niet meer ben," lachte ze altijd,
"hoef je niet meer om me te treuren, dan ben ik toch eeuwig weg." Zij was
mijn lieveling Jeanlouis en elke dag van verdriet om haar, duurt langer
dan een maand van vreugde.
Jeanlouis: Dat is mooi Leopold. Jouw grootmoeder zou twee handen op een
buik zijn geweest met mijn grootmoeder. Dat zweer ik je. Haar adagium was
"De dood is geen dreiging, maar een lange dracht". En dan lachte ze
terwijl ze door mijn wilde haren streek. Ik bezoek ze nog regelmatig op
het kerkhof en tussen ons gezegd en gezwegen. Ik sta dan heel stil voor
haar graf en ook al weet ik dat het 'ongehoord' blijft, ik praat dan even
met ze en moet dan glimlachen van verdriet. Ik zie en hoor ze dan weer
spreken en lachen. Bijna die Willem Elsschot van jou, Leopold, die schreef
"Er is niets aan te doen, zoals gij ziet; Drink dus een borrel bij een
passend lied".
Leopold: Zo is het. Memento mori.
Jeanlouis: Morgen, Allerheiligen! Dan zie je de mensen weer sleuren met
chrysanten en andere gedenkstukken. Wat voor een feest is Allerheiligen
eigenlijk Leopold?
Leopold: In alle geval een kunstmatig feest Jeanlouis. Wist je trouwens
dat Allerheiligen aanvankelijk de 13de mei gevierd werd? Ergens in de 9de
eeuw heeft Paus Gregorius IV het feest ter ere van de Heilige Maagd Maria
en de Heilige Martelaren naar 1 november verplaatst. Vanaf dan viert de
Kerk alle bewoners van de hemel die de goede strijd gestreden hebben.
Tussen haakjes Jeanlouis, al de andere doden moeten hun heil ergens anders
gaan zoeken.
Jeanlouis: Olala, jij kent je geschiedenis goed, Leopold.
Leopold: Ik ben eerder een slachtoffer van mijn tijd. Geboren in de jaren
vijftig en opgevoed met de Tien Geboden. Geconditioneerd zoals de hond van
Pavlov, zeg maar.
Jeanlouis: En? Ken je ze nog?
Leopold: Dat denk ik wel. Eén: Gij zult geen andere goden hebben; twee:
Gij zult Gods naam niet ijdel gebruiken; drie: Denk eraan dat je de sabbat
heiligt; vier: Eer je vader en je moeder; vijf: Gij zult niet doden; zes:
Gij zult geen echtbreuk plegen; zeven: Gij zult niet stelen; acht: Gij
zult niet vals getuigen; negen: Gij zult het bezit van uw naaste niet
begeren; tien: Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren. Wat zeg je
daarvan, waf waf?
Jeanlouis: Hoe is dat mogelijk?
Leopold: Hm, ik lees wel eens in de boeken van de wijze Thomas van Aquino
en vergeet ook niet dat ik de bijbel een prachtige roman vind.
Jeanlouis: Kom je nu even mee? Op dit kerkhof liggen ook een paar
filosofen begraven. De dood en de filosofen moet je toch boeien.
Leopold: Je bent onverbeterlijk Jeanlouis. Sinds ik je de Essays gaf van
Michel de Montaigne ben je wel echt gefascineerd door die zestiende-eeuwse
filosoof. Eerst heb je me zo gek gemaakt om naar hier te reizen en nu wil
je zoals Montaigne ook voortdurend praten over de dood. Montaigne
informeerde nergens zo graag als naar hoe mensen gestorven zijn, wat zij
hebben gezegd, hoe hun gelaatsuitdrukking was en hun houding. Wellicht
bezocht hij ook volop de kerkhoven?
Jeanlouis: Ja natuurlijk, en niet alleen tijdens Allerheiligen. Kom nu
mee. Sommige filosofische sterfgevallen zijn aangrijpend. Wie weet, kunnen
we er de eeuwige stilte van de dood horen, dood en leven van elkaar
scheiden, ellepijp na ellepijp... en waarom niet: de dood temmen!
285. Jeneverfeesten (dinsdag 24 oktober)
Zondagavond tijdens de jaarlijkse jeneverfeesten in Hasselt zitten een
gescheiden vader met zijn twee kinderen in een bruin cafeetje in een
familiale dialoog verwikkeld. Eentje uit het dagelijkse leven van het
feest die deze keer uit een vaatje jenever wordt getapt. Eentje uit de
bedwelmde geest zonder remmen en zonder gêne. Niet naïef, maar objectief.
Eigenlijk strikt objectief omdat elk woord 'op zichzelf' bestaat. Zonder
dubbelzinnigheden. Recht voor de raap. Of zoals de opvolger van
Heraclitus, de wijze Parmenides (ca 515-440 v. Chr.) ooit zei: "Zonder
dubbelhoofdigen."
Vader (opgewekt): Hier kinderen, laaf jullie aan het vocht dat uit de
beste Limburgse granen is gedestilleerd.
Dochter: Maar pa toch. Je weet dat ik geen alcohol mag drinken van ma.
Vader: Jij bent achttien en groot genoeg om te proeven van het vloeibare
leven. Bovendien is uw moeder een bekrompen fee! Zij drinkt vanuit het
perspectief te overleven. Daarom kan ze niet genieten van een glas
jenever. Of whatever waar alcohol in zit. Haar begrenzing is dramatisch
want ze is een mooie vrouw. In plaats van zich een kleerkast vol geile
mannen aan te schaffen, positioneert ze zich 's avonds met de kat voor de
televisie.
Dochter: Ach papa, mijn mama is een schatje. Net zoals jij. Zij is veel
meer éénheid dan jij denkt! Bovendien is zij een dame. Een echte
Lollobrigida.
Zoon: Haha, Lollobrigida. Die is goed.
Vader (giet een jenever in één keer in zijn keelgat): Ja, die is goed. De
Italiaanse filmster van 79 jaar oud die gaat trouwen met een Spaanse
gigolo die 34 jaar jonger is. Als die kerel begint te rammen, dan hoor je
Gina's skelet rammelen tot in Keulen.
Zoon: Het is 'Hij kijkt alsof hij het in Keulen hoort donderen' pa. En dat
wil zeggen dat hij hoogst verbaasd kijkt bij het horen van een onverwachte
tijding! Je moet er niets anders van maken.
Vader: 't Is al goed meneer de germanist. Ik zal mezelf verbeteren... dan
hoor je Gina rammelen tot in Keulen.
Dochter: Je bent alleen jaloers dat je zelf geen vrede kunt vinden met
jezelf. Jij hebt niet de moed jezelf te begrenzen. Jij zwalpt van de ene
naar de andere del. Zonder uitzicht. Zonder doel.
Vader: Dat klopt. Ik beken. Ik heb sinds de scheiding geen perspectief
meer in mijn leven. Mijn enige belangrijke project was ons gezin. Dat is
nu verbrijzeld zoals kernenergie doet met atomen. Ik kan mijn leven niet
meer motiveren.
Zoon: Kom kom, maak er geen potje drama tijdens deze zondagnamiddag. Ik
trakteer nog eens. Jeroen: twee jenevers en een citroenjenever graag.
Dochter: Ach broerlief. Wat zitten we hier te doen in Hasselt. Die
jeneverfeesten zijn zo achterhaald als het huwelijk van onze ouders.
Zoon: Eigenlijk wel ja. Ik begrijp die feesten ook niet meer. Terwijl heel
de Belgische regering het drinken van alcohol aan banden legt, wordt hier
jenever opgepompt als olie. Terwijl nota bene in Limburg een SLimactie aan
de gang is die miljoenen kost aan politiecontroles, wordt hier café na
café gezopen als de beesten. Zelfs jongeren geven zich over aan Bacchus.
Het is helemaal niet fraai.
Vader: Maar jongen toch. Deze jeneverfeesten doen de Filosofie van het
Feest alle eer aan. Wees toch niet heiliger dan de paus. En vooral niet
hypocrieter. Als ik me nog goed herinner, zijn jullie beiden fans van
George Michael, Kate Moss en Nicole Kidman. Klopt? Wel, wanneer de Britse
popster George Michael afgelopen week gratuit op televisie mag komen
vertellen dat marihuana hem gelukkig maakt en hij dan prompt voor de buis
een jointje paft; als Kidman haar alcoholverslaafde man moet laten
afkicken om er verder mee te sukkelen in haar leven; als Kate Moss in
verwachting is van een drugsverslaafde. als al die beroemde mensen
bovendien dagelijks gepromoot worden in kranten en magazines alsof ze
goden zijn, wie gaat mij dan verbieden een feestje op te zetten met
jenever? Het lijkt wel of de beroemden der wereld, de rijken alleszins, de
koningen en de prinsen alles is gepermitteerd en de gemiddelde mens zich
strikt moet gedragen naar alle zedelijke en geestelijke wetten die
bestaan. Ik ben 24 uur op 24 gebonden aan het leven. Ik zit al in een
harnas op het werk, op de weg. Hier en nu wil ik tijdelijk uit het centrum
van die wettelijkheden gehaald worden en drinken. Samenzijn met mijn
schatten. Dat is mijn perspectief voor vandaag. Mag dat even?
Dochter: Maar trop is teveel papa. Een quote van Paul Vanden Boeynants?
Vader: Haha, dochterlief, dat jij je die flamboyante worstendraaier nog
herinnert. De VDB van de Roze Balletten en de Bende van Nijvel, haha.
Misschien is deze quote wel het enige intellectuele dat hij ooit gezegd
heeft. Dat noem ik nu eens kloppen op nagels. Jeroen! Twee jenevers en een
citroendinges.
Zoon: Pap, het is spijkers met koppen slaan!
Vader (bijna zingend): Jaja, ik ben hier de kop van jut, een expressieve
kop, een kop om te schilderen. Ik spreek met een dolle kop, ik verlies
mijn kop maar vooral: de kop is eraf vandaag, jongen. Het is hier vandaag
niet zoals bij vliegen waar men de kop duidelijk kan onderscheiden. Het is
eerder de schoonheid van onze queeste, namelijk de jeneverkoppen bij
elkaar steken (lacht).
Dochter: Ach, hij is zat.
Zoon: Ja, zijn kop is zwaarder dan zijn benen.
Vader (geprikkeld): Dronken? Jamais. Ik ben momenteel prettig gestoord in
mijn hoofd. Drank helpt me daarbij. Wanneer ik de absurditeit van de
wereld niet meer kan aanzien, grijp ik naar de fles. Net zoals alle groten
op de aarde dat met de regelmaat van de klok deden: Chroetsjov, Hemingway
of Charles Bukowski of noem maar op. Moest je vader zo een beroemdheid
zijn dochterlief, zou je dan ook nog zeggen dat hij een dronkenlap is?
Neen! Dan was ik waarschijnlijk een gezellige filosoof. Een toffe peer op
café.
Zoon: Kom paps, maak je niet druk.
Dochter: 'k Zal het straks tegen ma vertellen.
Vader: Zeg haar dan ook dat ik ze nog altijd graag zie, maar dat ik ze uit
morele overwegingen nooit meer wil zien.
Dochter: Precies alsof het haar nog interesseert?
Vader: Ik ken mijn pappenheimers. Net zoals vele vriendinnen, zou ma
terugkomen als het maar even kon. Ze zou op haar knieën via Scherpenheuvel
naar mij toe kruipen. Of misschien ook wel als een slang (buldert van het
lachen).
Dochter: Haha, laat me niet lachen.
Zoon: Stop deze dwaze discussie. Wat heeft het voor zin? Jullie zijn na 18
jaar huwelijk aan een kruispunt gekomen en de ene is links gegaan, de
andere rechts. That's it. In de eenentwintigste eeuw is dit net zo normaal
als een rotonde. Tenslotte zijn jullie toch nog altijd de beste vrienden
gebleven. Niet papa?
Vader (trekt pruilmondje): Welja... ach. Mama en ik euh...
Dochter (uitroepend): Daar is ze. Netjes op tijd.
Zoon (knuffelt zijn vader): Oké vader. Niet te veel meer drinken en euh...
tot volgend weekend. Ik bel je nog!
Dochter (kust vader op het voorhoofd en lacht): Dag paps, braaf zijn hoor!
Vader: Jeroen, geef nog eens drie jenevertjes. Eén voor de zoon, één voor
de dochter en één voor deze arme ziel, amen!
284. Schoonheid en troost (dinsdag 17 oktober)
Aan de waterkant van de Maas in Profondeville ziet Jeanlouis zijn vriend
Leopold zitten. Schijnbaar doelloos staart Leopold in het water. Zo nu en
dan gooit hij een steentje in de machtige stroom. Na elke plons volgt een
lange stilte.
J: (opgewekt) Wat doe je hier, mijn vriend?
L: (sip) Ik ben droef. Bestendig droef omdat ik me ongelooflijk bewust ben
van mijn beperkt bestaan op aarde. Ik besef meer dan ooit dat ik moet
sterven en ik ben het beu een voortdurende en bittere strijd te leveren
die mijn persoonlijk geluk aantast. Momenteel zit ik in een miserie die me
diep ontroerd. Ik zou willen vluchten en alleen voor mezelf gaan leven.
J: Bedoel je je terugtrekken in de tuin van Epicurus of in een hoekje met
een boekje?
L: Ik voel me uitgesloten Jeanlouis. Uitgespuwd door de maatschappij en
toch met de zekerheid te leven niet anders te zijn dan de anderen. Wat
moet ik doen?
J: Er zijn drie mogelijkheden Leopold. Vluchten met de noorderzon, in
actie schieten om de maatschappij te hervormen of drie: je concreet te
weer stellen.
L: (lange zucht)
J: De vlucht betekent echter dat je uitsluitend voor het individuele geluk
kiest. In de overige gevallen kies je voor verantwoordelijkheid. Die heb
je te nemen Leopold, zolang je leven duurt tussen geboorte en dood, in de
eindigheid. De vraag die je kan stellen is of deze eindigheid aanvaardbaar
is?
L: Ach Jeanlouis, wanneer ik toch moet sterven, waarom niet nu, liever dan
morgen. Waarom geen zelfmoord plegen?
J: Komaan Leopold. Jij, die in de eindigheid altijd zo bewust geleefd
hebt, kan toch maar één doel hebben: zo lang en zo goed mogelijk leven!
Jij hebt altijd verteld dat het leven een kwestie is van gezondheid. Jij
hebt die gezondheid zelfs boven de heiligheid verkozen wat me al eens tot
de angstwekkende vraag heeft gebracht of jij je soms niet al te veel voor
het lichaam interesseert en te weinig voor de geest!
L: Ja, ik weet het Jeanlouis en ik ben er me zeer van bewust dat ik in een
bepaalde omgeving en in een bepaalde tijd meeleef met de vloed. Maar er is
plots iets gebeurt in mijn leven. Dingen met lotsbepalende afmetingen! Het
heeft me in een dal van miserie geduwd en het heeft me ertoe gebracht om
voor mezelf rekenschap te geven, over mezelf weer na te denken en daarmee
ook over de anderen. En die filosofie Jeanlouis brengt me in een sfeer van
droefenis. Ook opstand!
J: Zo ken ik je niet Leopold. Dat ruikt een beetje naar
kleinburgerlijkheid. Al dat aanhoudend bekommerd zijn om jezelf en die
voortdurende biecht.
L: Dat is het niet! Waarom denk je trouwens dat ik schrijf?
J: Om onsterfelijk te worden.
L: Juist! Om roem te verkrijgen en zo onsterfelijk te worden, om bewonderd
te worden en ik schrijf ook voor een stuk uit roeping! En ik zeg dit niet
uit ijdelheid. Ik ben helemaal geen egotist.
J: Dat weet ik Leopold. Jij bent voor mij een socialistische moralist ten
voeten uit. Jij bent een man naar mijn hart omdat je telkens weer het
probleem stelt van de eenheid tussen de algemeenheid en de enkelheid. Jouw
opstand is vaak terecht, maar ook al eens ongelukkig. Deze maatschappij
heeft verschrikkelijk lange tenen. En daar ben je ook vaak droef over. En
terecht Leopold! Jouw denken zit verstrengeld met de ervaring. Ik weet nog
dat we hier op een dag samen zaten te filosoferen toen jij me vlakaf zei:
"Is het nodig in God te geloven om nog een zin in het leven te vinden?"
Weet je nog?
L: (glimlacht) Ja. en wie heeft ooit de zwijgende God getroost?
J: (lachend): Troost nodig hebben, is reeds in God geloven Leopold.
Bestaat er trouwens wel troost? Kan iemand ooit getroost worden? Wie kan
troost vinden voor een onherstelbaar verlies?
L: (stopt plots met glimlachen en perst de lippen op elkaar)
J: Wat is er toch Leopold. Waar zit je mee? Vertel het mij!
L: (slikt) De schoonheid om met mij hier aan de oever van de Maas te
zitten, brengt al troost Jeanlouis. Schoonheid en troost gaan voor mij
hand in hand. Maar ik zit in de miserie, eentje met lotsbepalende
afmetingen. Héél persoonlijk en toch niet. Heel menselijk en ook weer niet
al te menselijk. En ik voel me daarbij zo onmachtig, zo onwennig en zo
microscopisch klein. Ik heb het leven nog nooit zo absurd gevonden als
vandaag. En ik ken de absurditeit! Maar deze is me zo vreemd dat ik even
rust en vrede zoek aan de Maas. Hier aan de oever zoek ik de enige echte
troost die de tijd is. Tijd die alles uitwist. Op die tijd wacht ik hier!
(wordt vervolgd!)
Kort nawoord van Leopold Flam: "Leerling van Montaigne en vooral van
Descartes, maar ook van Pascal, ziet Albert Camus de mens steeds als een
bewust-zijn, als helderheid (lucidité) vóór alles. Wat er ook mag
gebeuren, nooit geblinddoekt, ook in de bitterste ellende, ronddolen. De
klaarheid is nochtans van zulke aard dat ze de mens zijn grenzen leert
kennen, dat ze de ongerijmdheid van gans zijn situatie tot bewustzijn
brengt. De mens eist klaarheid en de enige helderheid die hij ontwaart, is
de ongerijmdheid. Hij wenst de maan en is aan de aarde gebonden. Hij
verlangt het reine, het absolute en bevindt zich in het onreine en in het
relatieve en zulks op elk gebied en in elk opzicht. Hoe zou hij, na de
bewustwording van de ongerijmdheid van zijn situatie, nog kunnen denken
aan de hervorming van de wereld?" [Uit Ontbinding en protest - Hoofdstuk
VIII, Albert Camus van het nihilisme naar de gedachte van de zon -
Wereldbibliotheek, 1967]
283. Cocagne (dinsdag 10 oktober)
Maurice was maandagavond vroeg gaan slapen. Digitaal: 21.00 uur! Nog voor
hij helemaal in zijn warme bunker lag, dacht hij aan 'De Onnozele hals'
van George Sand. Een geschiedenis van het goede en eerlijke jongetje
Gribouille in een slechte wereld. Het kereltje zou geheel ten onder zijn
gegaan zonder de hulp van de goede feeën die hem in zijn drang om de
wereld te verbeteren zo goed mogelijk terzijde stonden. Maurice glimlachte
en trok het donsdeken lekker tot onder zijn kinnenbak terwijl The Alan
Parsons Project met zijn 'very best' nog door zijn hoofd spookte. Maurice
durfde bijna niet denken dat hij de muziek van vroeger beter vond dan de
digitale muziekbrol van de laatste vijftien jaren want anders verwachtte
hij uit het duister een gemeen politiek stemmetje dat zou roepen: "Ga dan
in Bokrijk wonen." Neen, Maurice wou hier en nu wonen. Een vast onderdeel
zijn van deze tijd. Maurice wou proeven van de schoonheid en de troost van
de eenentwintigste eeuw. Hij wou de wereld helpen kleuren, het geroezemoes
van de aarde registreren en mensen opgewonden zien leven. Maurice kroop
nog wat dieper onder het dons in de hoop met zijn voeten tegen die van een
goede fee aan te stoten. Hij wou opnieuw - jaja, freudiaans ten voeten uit
- dat kleine mannetje zijn dat door zijn moeder in bed was gestopt. In een
tijd dat ze tijdens koude herfstdagen nog een heet ijzeren strijkijzer in
een doek wikkelden en aan de voeten in bed legden. Dát was dan de goede
fee die warmte gaf zolang de geest onrustig bleef. Dat beeld was voor
Maurice de schoonheid en de troost waaraan hij zijn frêle voetjes kon
warmen. Troost en schoonheid gaan hand in hand want wat ons troost biedt,
vinden wij mooi. Liefde is dan nooit ver weg. Maurice draaide voor het
eerst zijn kont in bed en keek nu door de vensterruit naar buiten. Zwart
met witte stippen. Sterren? Hier en daar bewoog er een en verdween snel
uit zijn gezichtsveld. De aarde en de hemel is toch een prachtige
instelling, dacht Maurice, en weer zag hij een flikkerende ster mensen
vervoeren in de lucht. Naar waar ging de reis? Maurice besloot via zijn
dromen naar Cocagne te reizen. Helemaal alleen. Op eigen krachten en in
dit warme bed. Hij ging weer op zijn rug liggen en sloot zijn ogen.
Het was niet gemakkelijk bewust te dromen. De hersenen hadden altijd wel
opmerkingen en vaak strooiden ze, met hele bakken, mist in de ogen zodat
Maurice geen steek zag. Zijn wil om vrij te dromen stond in schril
contrast om vrij te kunnen denken in zijn bed. Vrij denken had hij in de
hand. Maar vrij dromen? Dromen van Cocagne? Dat lag niet binnen
handbereik. En toch waren het zijn bloedeigen hersenen die hij opdracht
gaf om te dromen van een knus droomoord met exotische voedselgeneugten,
klotsend water van 32 graden, zijn vrouw van twintig jaar geleden, twee
lachende kinderen, dollende katten en honden, dravende paarden op het
strand, de garantie dat niemand aanspoelt op het eiland, nu en dan een
walvis met Pinocchio in zijn muil, dolfijnen die kwetteren en de schaduw
van de palmen natuurlijk want Maurice hield niet van de volle zon. Hij was
eerder een schaduwmens. Hoe Maurice zijn hersenen ook pijnigde, hij kreeg
maar een zwakke echo van Cocagne te zien. Maurice probeerde dan stiekem
via de tuin van Akademos binnen te geraken, maar geest noch geweten lieten
hem toe ook dit labyrint te verlaten. Maurice bleef een gevangene van zijn
eigen hoofd. Hij kon maar charlatan, charmeur of brutale vlerk zijn als
het moment van de dag het toeliet. Of het moment van de nacht. Maurice was
volstrekt onbegaafd om zijn dromen te sturen. Zijn hersenen speelden geen
theater op verzoek. Eros en Thanatos traden maar op in het land van
verlangen als het hun uitkwam. Nog even sloot Maurice zijn ogen en
schetste een lange wandeling met Julia Roberts op een eiland waar alleen
een opgezette papegaai leefde. Maar nog voor ze hand in hand het
schemerland betraden, zag hij Picasso een streep trekken door zijn doek.
Maurice staarde dan maar in de lucht. Zwart met daar rond zwart. Zou hij
schaapjes gaan tellen. Hoe gaat zoiets? Maurice kon nog geen eiland voor
de geest halen. Hoe zou hij dan wel honderden schapen tevoorschijn
toveren. Want zoveel had hij er beslist nodig om in slaap te geraken.
Neen. Maurice zou kijken in de duisternis van de slaapkamer. Met dat
object voor ogen, zou hij de stilte in zijn geest herstellen. Het
droombeeld als afwezigheid. Maurice zou in een ontvankelijke
gemoedstoestand kijken zonder te zien en daarna wellicht gaan dromen
zonder te denken. Hopelijk bracht de creativiteit van dit nachtelijk idee
het experiment niet in gevaar. Het was bijna abstract expressionisme. Je
weet wel: "De poging niet te communiceren is op zijn minst zo
gecompliceerd als de poging wel te communiceren." Wat een gedoe! En dat
allemaal in een kamertje waarin Maurice zijn best deed om te kunnen slapen
en ocharm eens te dromen als een kind.
[Resultaat Column 282: Verhaal a was NIET waar, Verhaal b was WEL waar. De
heer R.V. uit Beringen krijgt spoedig de boeken opgestuurd. Hartelijk
gefeliciteerd!]
282. Waar of niet waar? (dinsdag 3 oktober)
Lees en win mogelijk twee leuke boeken!
Verhaal één.
Vorig jaar wandelde ik tijdens de mooie septemberdagen in de Nieuwstraat
in Brussel. Plotseling werd ik aangesproken door een vrouw die hoogstens
veertig was. Een brunette met strelende bruine ogen en een lach die zelfs
Joseph Ratzinger zou doen openbloeien. Ze was licht gekleed in een bruin
maatpakje. Een prachtige decolleté en een paar benen om mee weg te lopen.
Ik hield graag halt. "Vlaams," vroeg ze. Ik bevestigde. "Goed," keek ze me
recht in de ogen, "Kijk eens hier," terwijl ze haar handtas open plooide.
Ik keek in haar doos van Pandora en zag een wirwar van schitterende
lingerie. Bordeaux en zwart met wit. Alles met kant en insidieus
doorzichtig. Ik begon te lachen, maar dat was niet de bedoeling. "Alles is
gebruikt door mij en is netjes gewassen," streelde ze me met haar
tijgerogen. "Tja," moest ik al lachend mompelen. "Wil je een setje kopen,"
frunnikte ze met een hand in haar handtas, haar wijsvinger strelend over
haar esoteriewinkeltje. Ik keek zoals een puber naar zijn eerste pornofilm
en was zo hulpeloos als een aangespoelde walvis. Ze profiteerde van mijn
bedwelming. "Jij mag uitkiezen voor 25 euro het stuk. Het is allemaal van
Pastunette en Valisère," trok ze een stringetje langzaam omhoog. Het
zwarte dingetje met witte franjes kwam eruit zoals een cobra uit een
kruik. Hypnotiserend traag en bedwelmend. "Wel," gaf ze me een por in mijn
zij. Ik nam diep adem. Ik moest met deze komedie komaf maken. Ik schudde
al glimlachend van 'neen' en hield mijn handen diep in mijn zakken.
"Twintig," trok ze een pruilemondje. Ik weigerde en stapte verder. Ik keek
niet om. Na twintig stappen deed ik het wel. En toen zag ik dat ze al een
andere kerel aan de haak geslagen had.
Verhaal twee.
Twee jaar geleden in oktober wandelde ik met mijn gezinnetje in Parijs.
Nadat we heel wat hoekjes en kantjes van de lichtstad verkend hadden en
uiteindelijk Centre Pompidou bewonderd hadden, slenterden we via rue
Saint-Denis weer naar Gare du Nord waar onze Thalys ons rond acht uur zou
oppikken. Ja, rue Saint-Denis is een veelbesproken straat waarin een
fractie van de Parijse seksindustrie is neergestreken. Maar het was de
kortste weg naar België en bovendien was het zondag. Rustdag! Ook voor
beroepen onder de gordel. Geen wulpse vrouw noch succubi viel er te
bespeuren, enkel toeristen en veel jeugd. Vermits ik in Parijs voortdurend
notities neem, hang ik te pas en te onpas vooraan of achteraan het
peloton. Op een gegeven moment was ik ruim vijftig meter voorop geraakt.
Net voorbij het carrefour van de rue Saint-Denis met de boulevard de Bonne
Nouvelle en de boulevard Saint-Denis, aan de machtige stenen stadspoort,
werd ik plotseling aangesproken door een Marokkaanse schoonheid van
hooguit achttien jaar. Heel vriendelijk hield ze me met één hand tegen
zonder dat ze me aanraakte. Ik wist niet van waar ze kwam, maar ik was zo
goed als zeker dat ze als een engel uit de zevende hemel gevallen was. Zo
mooi. Zo gaaf. Zo jong. Zo volmaakt als een druppel water. Een meter
tachtig groot en voorzien van de meest gesofisticeerde vrouwelijke
eigenschappen. Kortom: een geschenk om meteen in te pakken en mee te
nemen! Ze keek me recht in de ogen en zei met een afgemeten lachje: "Jij
mag met me naar bed voor 10 euro. Je mag doen met me wat je wil." Als
Odysseus hoorde ik ineens de Sirenen zingen en ik vroeg haar bewust haar
verzoek te herhalen terwijl ik mijn oren vol papier stak. Nu kwam ze nog
dichter tegen me hangen en kortsluiting dreigde, "Ik wil met je naar bed.
Slechts 10 euro. Kom je mee?" en ze pakte mijn hand al vast. Ik trok me
heel voorzichtig los en zei kordaat, "Neen!" Ze keek me vol ongeloof aan
en stamelde, "Jij zegt neen tegen mij," en dat zou ze nog een paar keer
opnieuw prevelen. Ze keek zo verbouwereerd als een voetbalspeler die rood
krijgt. Zo stond ze daar seconden lang als aan de grond genageld en ik zag
haar zelfvertrouwen en ijdelheid tussen de kasseispleten wegsijpelen. En
ik? Intussen en zeer gelukkig had het peloton me ingehaald en mijn dochter
sprong - zoals ze al eens graag doet - op mijn rug. Ze had er echter nooit
op gerekend dat ik in Parijs als een veulen kon rennen.
Wie als eerste de juiste antwoorden mailt naar ronny@leopoldlaarmans.be
ontvangt het prachtige boek 'De ongeneeslijke lezer' van Arjan Peters
(°1963) én de mooie (niet meer in de handel te verkrijgen) gedichtenbundel
'Zieletroost' van Luc Suys (1946-1991). Succes!
281. Kermiswalk (dinsdag 26 september)
Woensdagnamiddag 20 september wandelde ik met mijn achtjarige zoon en zijn
vriend over de kermis van Hasselt. De zon scheen en het kermisvolk was nog
niet in dichte drommen toegekomen. Maar er was toch voldoende menigte om
me te verbazen over al die stemmen die tijdens dit heilige kermisfeest (1)
samenkwamen. Vermits ik alleen maar over mijn twee kleine mannen moest
waken, kon ik me een leuke kermiswalk veroorloven. Zodoende zou ik toch
niet van een kale kermis thuiskomen. De eerste kermisbezoeker die mijn
aandacht trok, was een oude vrouw. Klein, wit haar en met haastige
bewegingen. Ze deed me denken aan Nathalie Sarraute (2) toen die als
negenentachtigjarige tante haar 'Tu ne t'aimes pas' aan de Seine uit haar
pen toverde. Ik moest glimlachen en hield mijn ogen nog even op steeltjes
totdat ik plots een Hasseltse vriendin uit de jaren tachtig herkende aan
een gokkraam. Ik lachte vriendelijk en werd met gelijke munt betaald.
Hoeveel jaren was het geleden dat we samen aan de toog van Hasselt Café
(3) hingen. Het was een prachtige vrouw met wereldverstand, maar ook met
zoveel ambities. Ze was verlekkerd op Jorge Luis Borges en Hugo Claus. Een
combinatie die ik maar nooit kon begrijpen. Maar nu ik haar man en twee
kinderen zag, wist ik dat ze waarschijnlijk ook haar man 'neergeschreven'
(4) had! Ik keek ze nog even na en zag dat ze me niet helemaal vergeten
was. Ik streek mijn kleine zoon door zijn haren en het opwellende gevoel
van heimwee was voorbij. Maar toch was ik op deze heidense kermis terug
gekatapulteerd naar de oerbeelden van mijn jeugd. Zeg maar de oerbeelden
van Jung (5). En dan vooral de invloed van die oerbeelden - of archetype -
op de ontwikkeling van mijn zielenleven omdat dát momenteel allesbehalve
harmonisch verloopt. Maar dáár wil ik nu en hier niet over uitweiden.
Nabij het eeuwenoude spookkasteel werd ik overmeesterd door mijn geweten
toen ik plots oog in oog kwam te staan met een intellectuele kennis. Hij
was eveneens met zijn zoon op Hasselt kermis. Ineens stond ik bij hem
zoals eensklaps de avond valt. Ik keek hem aan, maar hij zag me niet. Van
de weeromstuit verhinderde mij een autonoom psychische factor om nog meer
te doen dan hem aan te kijken en menselijk, al te menselijk (6) hem ook
een hand te geven. Ik weet het. Ik zweefde op die kermisplaats tussen
glamour en glitter, tussen waarheid en leugen, tussen weten en niet
geloven, tussen goed en kwaad, maar ik kon mijn arm niet strekken! Hij zag
me immers nog steeds niet staan. Mijn zoon verloste mij van 'het ik' en
'het zelf' en trok me onbewust uit de blinde vlek van zijn ogen. Ik
schokte mee naar een volgende attractie en prees mijn zoon om de
therapeutische waarde van het afreageren. Zodoende nestelde ik me aan de
paardengoktent waar je door een eenvoudig balletje te 'putten' een paard
kunt doen galopperen. Terwijl mijn zwart paard met nummer negen de laatste
hindernissen nam, dacht ik opnieuw aan Nathalie Sarraute en haar oneliner:
"Alles is mysterie. Wij weten niets van ons bestaan." En toen ik die
blinde kennis tijdens mijn kermiswalk voor een tweede en nog eens een
derde keer tegenkwam - oogcontact was mogelijk - zag ik de kern van ons
probleem: we waren nooit vrienden geweest. We hadden slechts de eerste
stappen van een proces van waardering gezet. De overlevingskansen van zo'n
relatie zijn bij de eerste de beste crisis nihil! En ik ben in crisis! Cum
grano salis! Gedurende mijn verdere kermiswalk zag ik nog vele kennissen,
heel wat drinkmakkers en vrienden (?) mijn pad kruisen, maar altijd zat
die brave Jung mee te kijken over mijn schouders, lurkend aan zijn
onafscheidelijke pijp en nadenkend over mijn zielige ontmoeting nabij het
spookkasteel. Gelukkig brachten de uitbundigheid en de stralende gezichten
van mijn zoontje en zijn vriendje me snel en opnieuw naar de wereld van de
mensen toen die nog spraken met elkaar. Handen schudden bij elk treffen.
Mekaar zelfs kusten van blijdschap. Mannen, vrouwen, kinderen. iedereen!
Lang voor de Babel-mythe (7) en zelfs miljoenen jaren voor het Goed en
Kwaad de menselijke wereld veroverde. Tot op de kermissen toe!
Noten
(1) Het Middeleeuws gebruik noemde de kerkelijke feesten naar het
middelpunt van de viering, de 'mis'. Vergelijk Kerstmis en kermis (van
kerkmis). Misdag is hier te verstaan als 'feestdag van een heilige'.
Kermis was vroeger het feest van de patroonheilige van de parochie,
gevierd met een plechtige mis en processie. Dat gaf aanleiding tot
allerhande volksspelen zoals zaklopen, pap eten, kikvorsen of 'wijven'
kruien en vooral mastboomklimmen. Op vele plaatsen zette de kermis in met
een schieting met de hand- of kruisboog! En in verscheidene steden trokken
tijdens de kermisdagen de 'Ommegangreuzen' rond. Mechelen, Hasselt en
Ieper waren voor hun reuzen en reuzenfamilies bekend. (De Tijd in de
Folklore, door Adolf Ulens - 1931)
(2) Pseudoniem van Natacha Tcherniak. Geboren in 1900 in Ivano in Rusland
en overleden in Parijs in 1999. Zij schreef essays, romans en
theaterstukken. Enkele van haar werken: Portrait d'un inconnu, 1948
(roman); Martereau, 1953; Les Fruits D'Or, 1963 (roman); Le Silence, 1964
(Theater); Entre la vie et la mort, 1968; C'est Beau, 1975 (Theater); Tu
ne t'aimes pas, 1989. Nathalie Sarraute is de moeder van de Franse
journaliste Claude Sarraute.
(3) Hasselt Café, een van de sfeervolste cafées die gouverneur Steve
Stevaert in Hasselt ooit uitgebaat heeft. Medio jaren tachtig was het café
- waar vooral het donkere zoete Dikke Nek-bier én koffie met speculaasjes
werden geserveerd - een begrip in Hasselt. In de magazijnen van dit
prachtige herenhuis wou Steve Stevaert een artisanale brouwerij voor Dikke
Nek opzetten, maar dat zag het katholieke bestuur van de stad niet zitten.
In die periode was Stevaert nog niet politiek actief (Lees: niet
aangesloten bij de Vlaamse Socialisten). Had het toenmalige CVP-bestuur
Stevaert zijn brouwersweg laten gaan, dan had mogelijk Stevaert een andere
levensweg bewandeld! Of zoals Toon Hermans ooit zong: "'t Leven is een
bitterbal, niemand weet hoe die rollen zal."
(4) Hugo Claus, Ik schrijf je neer (De Bezige Bij, 2002). Een bloemlezing
van Hugo Claus uit zijn ruim dertienhonderd pagina's tellende dichterlijke
oeuvre, vanaf de roerige periode van de 'Vijftigers' tot aan de bundel
'Wreed geluk'.
(5) Carl Gustav Jung werd in 1875 geboren als een zoon van een
dorpsdominee. In 1961 overleed hij, een dieptepsycholoog bekend over de
hele wereld. Jungs invloed op het denken van de westerse wereld groeit nog
steeds. Dat begrippen als introvert-extravert, animus en anima,
synchroniciteit, collectief onbewuste en archetype gemeengoed zijn
geworden, wijst erop hoe relevant Jungs ideeën zijn voor onze tijd. Over
Jung verscheen bij De Bezige Bij in 2004 een schitterende biografie van de
hand van Deirdre Bair. Volgens het Library Journal "Een meesterwerk; de
complete, allesomvattende Jung-biografie."
(6) Te relateren met 'Menselijk, al te menselijk' van Friedrich Nietzsche.
Dit boek - voor vrije geesten - markeert een kentering in het leven en
denken van Nietzsche. Het is het eerste boek waarmee hij in de
openbaarheid trad na zijn breuk met Richard Wagner, en het kan gelezen
worden als een verslag van zijn (moeizame) bevrijding van zijn voormalige
idool en leermeester. Nietzsche noemde het zelf het boek van een
genezende, een genezende, wel te verstaan, van de ziekte van de Wagnerij.
Het boek 'Menselijk, al te menselijk' verscheen oorspronkelijk in drie
afzonderlijke delen - in 1878, 1879 en 1880 - en maakte bij verschijning
een verpletterende indruk. Het bezorgde Nietzsche een groot aantal
vrienden en bewonderaars, maar ook een aantal verbeten vijanden, vooral in
het Wagner-kamp.
(7) Onder de overleveringen van het oude jodendom heeft de mythische toren
van Babel een speciale betekenis. In de lange geschiedenis van de duiding
en de invloed van dit korte verslag uit Genesis II:I-II komt van oudsher
het gevoel tot uitdrukking dat de Babel-mythe iets weergeeft van de
politieke conditio humana ten tijde van de koninkrijken en de
hoogontwikkelde culturen - in zekere zin als herhaling van de mythe van de
verdrijving uit het paradijs op politiek niveau. De catastrofe van Babel
schetst de oerscène van het verlies van de consensus tussen de mensen en
het begin van de slechte veelheid. (Uit 'In hetzelfde schuitje' van Peter
Sloterdijk)
280. Denkwerk (dinsdag 19 september)
"Wie op een tijger rijdt, kan onderweg niet afstappen." (Chinees spreekwoord)
Eerbare erotiek op de juiste toon, behoort tot de drie edele en
onoverwinnelijke kundigheden: vasten, wachten en denken. De onvertaalbare
mens kent ze niet! Hij beleeft de erotiek als een grillige poëzie, als een
mijnenveger op zee, als een alcoholist een fles champagne G.H. Mumm of een
kettingroker een Partagas-Habana Serie D. No. 4. Je komt dat soort mensen
tegen in elk vrouwenblad. Ik citeer er enkele. "Als mijn vrouw drie
maanden geen zin heeft, ga ik naar de hoeren!" of "Als mijn vrouw zekere
standjes niet wil doen, doe ik ze met mijn minnares!" of "Gelukkig is hij
lief, knap én single, zo blijft elke nacht met hem een echte droomnacht."
Eerbare erotiek? Bestaat die dan? Misschien alleen in de literatuur. Of
bij momenten. Maar voortdurend? Geen schip gaat zo lang te water.
Maar toch! Iedereen kan toveren, iedereen kan zijn doel bereiken, als hij
maar kan denken, afwachten en. vasten! Dan wordt het grote ongrijpbare
grijpbaar. Denken over de zin van het leven. Zuigen op de woorden als op
een toverbal. Wachten op een beter moment. Vasten tot dat moment eraan
komt. We leven hier overigens niet in de Derde Wereld waar de zon altijd
ondergaat. Hier krijgen schrijvers nog een standbeeld. Bedelaars een fooi.
Mensen zonder werk een loon. Het is vaak een schrale troost, maar het is
een troost. Voor alle verdroomde liefdes is er een boek. Voor alle
peilloze diepten is er muziek en voor alle ellende is er wijsheid.
Wijsheid is goed, geduld is beter. Cartoonist Peter Van Straaten tekende
het ooit zo: "O schat, ik zie dat de kunst van het weglaten bij jou de
absolute graad van perfectie heeft bereikt!" En daar zat hij dan met een
leeg blad papier... Uiteraard hoeft de ziel niet altijd zo leeg te worden
gemaakt. Maar wie ouder wordt, begrijpt wat ik bedoel. Beaucoup trop is te
veel en dus ballast! En dat geldt voor alles, maar dan ook letterlijk voor
alles.
Er bestaat geen hoger doel dan integriteit nastreven in een corrumperende
wereld. Dat vergt heel wat denkwerk. Daarvoor moet een inventaris van een
nachtmerrie worden opgemaakt. Iedereen kan dat. Je hoeft de jaren maar te
tellen van kind tot man, van kind tot vrouw. Dan komt iedereen tot de
logica van het nutteloze, het zinloze, het leven zoals het is. Iedereen
zal dan ontwaken in zijn besloten wereldbeeld, maar infantiel of niet,
iedereen zal zijn afgelegde weg hebben geanalyseerd. En tijdens die
afgelegde weg heeft iedereen veel domheden, heel wat dwaasheden, zoveel
walging en ontgoochelingen, zoveel verdriet maar ook plezier doorstaan. En
zo stelt iedereen vast dat er steeds opnieuw moet begonnen worden. Als een
kind de veters leren knopen om weer verder te gaan. Op veertig nog met
gezwinde stap, op vijftig met pijnscheuten, op zeventig met een stok, op
tachtig met de hulp van anderen. Het is altijd wachten op het volgende
moment in het leven. Vasten om vooruit te komen. Maar altijd nodigt elke
periode in het leven uit tot (na)denken, vasten en wachten om dan weer
goed te kunnen slapen. Om opnieuw verkwikt te kunnen ontwaken. Willen of
niet, het leven eist het!
Top
|
|