Groeten uit Berbroek

<- terug
    Inhoud
    verder ->
 

Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 270 t.e.m. 279

279. De veerman (dinsdag 12 september)

Aan de oever van de Donau, nabij Wenen, diep in het bos, stond een man. Een mooi gebruinde vijftiger. Zevenenvijftig, schatte Dhartha hem. Het leek Dhartha toe dat de man gelokt werd door de stem van het water en wel zozeer dat hij er zich in wou verdrinken. Dhartha haastte zich naar hem toe.

Dhartha: Dag, ben jij de veerman?
De man (kijkt verwonderd op met een flauwe glimlach): De veerman! Hoe bedoel je?
Dhartha: Gewoon, de veerman. Hij die aan de stroom woont en mensen van de ene naar de andere kant brengt. De mensen helpt om deze natuurlijke hindernis te nemen.
De man (kijkt in het water): Neen. Dat ben ik niet.
Dhartha: Heb je deze stroom al goed bekeken? Op deze plek is hij wel honderd meter breed en misschien ook wel honderd meter diep. En het water stroomt nog sneller dan de wolken drijven. Ooit woonde hier een vriendelijke veerman. Daar stond zijn hut. En bij zijn hut begon voor mij eens de weg naar een nieuw leven.
De man (opkijkend): Onder die boom?
Dhartha: Ja, daar ongeveer. Ik heb er een nacht doorgebracht. O, wat hield de veerman van dit water. Wat wist het water hem in verrukking te brengen en wat was hij het dankbaar. Hij gaf me ook goede raad mee: 'Heb dit water lief! Blijf bij dit water. Leer van dit water!
De man: Leren van dit water? Van deze woestenij?
Dhartha (vol liefde): Kijk naar het steeds wisselende beeldschrift van de stroom die maar stroomt en stroomt en nooit stil staat. Zie zijn mysterieuze lijnen aan het oppervlak. Zie je de heldere parels opstijgen uit de diepte? Kijk in de enorme spiegel die voortdurend de hemel met al zijn reizigers weerkaatst.

De man tastte met zijn ogen de stroom af, maar zegde niets. Dhartha zag de oude grijns op zijn gezicht, een vermoeide blik en de leegte in zijn ogen. Maar Dhartha voelde ook dat de vogel in deze man niet volledig dood was. Wel dat hij verstrikt was geraakt in zijn leven en dat de vogel zwalpte tussen walging en dood.
Dhartha: Ongeveer twintig jaar geleden heb ik de veerman ontmoet. Hij was toen al een man van zeventig. En ik kwam niet om me te laten overzetten! Ik was gekomen om me in het water te gooien. Vurig verlangde ik toen naar rust. Ik wilde niets meer van mezelf weten. Ik wou getroffen worden door een bliksem. Ik wou dood zijn.
De man (vol aandacht): Bedoel je zelfmoord?
Dhartha: Ik wou inderdaad het hoogste recht van mijn vrijheid in eigen handen nemen.
De man (zeer geïnteresseerd): Maar je hebt het niet gedaan?
Dhartha (lacht): Zoals je ziet. Ik heb het niet gedaan. Misschien wel dankzij de veerman. Hij vond me hier aan de waterkant. Net zoals ik jou. De veerman is toen afgedaald in mijn ziel en we hebben samen in mijn verleden gereisd. Op de golven van de stroom bezochten we elke haven van mijn leven. De reis leek wel tientallen jaren te duren en altijd hoorde ik het water ruisen. En als ik eerder toevallig mijn ogen opende, zag ik met verwondering de bomen wiegen aan de oevers. Maar grotendeels sliep ik tijdens de reis met de veerman. En toen ik plots ontwaakte, scheen het me toe dat ik vernieuwd en verjongd ontwaakte. In een nieuwe gedaante herboren was. Ik was toen zevenenveertig.
De man (jammerend): Ik ben al zevenenvijftig. Mijn haar is grijs en mijn krachten beginnen af te nemen. Ik moet weer van voren af aan beginnen. Ik weet het niet meer. Het gaat bergafwaarts met mij.
Dhartha (glimlachend): Het gaat bergafwaarts met jou?
De man (pruilemondje): Ja!
Dhartha: Kijk naar de stroom. De stroom loopt ook altijd naar beneden, maar hij is altijd vrolijk. De stroom zingt ook al bewandelt hij van bron tot monding duistere wegen, opgewekte oorden, laaft hij duizenden levens, verwoest hij levens. En toch volgt de stroom een goede weg. Bergafwaarts, van begin tot einde.
De man (beetje opgewekt): Ja, dat is wel waar!
Dhartha: Je moet als mens ervaren wat wanhoop is. Je moet diep kunnen zinken om tot de meest dwaze gedachte te komen: tot de gedachte van de zelfmoord, voor je weer in staat bent om het leven te verstaan. Om de stroom te begrijpen die opgewekt blijft ook al gaat die altijd bergafwaarts. Je moet kunnen zondigen om te leven.
De man (nieuwsgierig): Maar waarheen zal mijn levensweg mij nog voeren? Dhartha (resoluut): Het zal nog een krankzinnige weg zijn. Een kronkelpad, maar hoe dan ook moet je hem volgen.
De man (dringt aan): Maar hoe moet ik er weer op geraken?
Dhartha: Door te ontsnappen aan je zelfmoordplannen en als je vlucht geslaagd is, zal je weer op je levensweg zijn. Vrij en blij als een kind onder de hemel. Aan de mooie stroom met zijn zuivere lucht. Je zult het toejuichen dat er een einde gekomen is aan je dwaze en lege leven en met vreugde zal je opnieuw de vogel in je binnenste horen zingen. Je zult ontzettend gelukkig zijn dat je tenminste naar hem geluisterd hebt!
De man (stapt aarzelend naar Dhartha toe en geeft hem een hand): Ik ben Thomas!
Dhartha: Wel Thomas, loop een eindje met me mee. Enkele kilometers verder is er een brug, dan kunnen we samen deze hindernis nemen en weer in het leven stappen.
Thomas (vreugdevol): Dat doen we. En in de stad trakteer ik je op een biertje.

Dhartha keek hem al knikkend aan en lachte terwijl hij een gedicht zocht in het kristallen lijnenspel van de Donau.


278. Addenommeleheine (dinsdag 5 september)

Tevergeefs is de wereld verscheiden. Nochtans zijn de figuren van Slauerhoffs boeken niet verscheiden. Een overdosis van het sprookjesachtige brengt je naar de noorderzon. Ook al heb je niets gedaan wat niet in de haak is. Geluisterd naar het Zwischenspiel uit de opera Notre Dame van Franz Schmidt bijvoorbeeld. Een muzikale expeditie naar het hart van de poëzie. Een luilekkerland in de baarmoeder. Wie morrelt aan de mythe van dit beeld is een fascist. Fasces, fascimo e tutti quanti. Stelt zich in de politiek even fel op als de gepolijste tekeningen van Teo Gootjes. Symbolen die de aandacht trekken, maar zonder perspectief. Gruwelijk als de ziel van een volmaakte spion. De dwaas die denkt dat hij Hamlet kan spelen.

Wie ijlt niet rond in het voetspoor van de tijdgeest? Wie zal niet sterven? De tol der natuur betalen? De weg van alle vlees gaan? Het tijdige met het eeuwige verwisselen? Fascisten? Karikaturen met een karpatenkop? De dichter die geen addenommeleheine wil zeggen? De generaal die dwars door de wattendeken naar de innerlijke gifbelt durft kijken? De mens die aan jouw kant staat? Frederik De Grote, de koning-filosoof en zoon van een vader die bekend werd als de soldatenvreter? Voltaire met zijn bonte anekdotiek? Rutger Kopland uit de poëtische portrettengalerij? Wie neemt nooit afscheid van het voorbereidend leven? De haat van mensen? De geboorte van de gevangenis? De wil tot weten? Het gebruik van de lust? De zorg voor zichzelf? Michel Foucault?

Wie dwaalt nog regelmatig rond in zijn achterland en brengt het weer tot leven? Wie voorziet zijn eigen leven van een fundament? Je hoeft geen eeuwen terug te gaan. Gewoon een narrenschip met Mozart aan het roer! Een rondvaart langs de hellekrochten van je verzonken leven. In elk putje van je ziel. Scherend langs je hart. Gravend in je longen, de alvleesklier, de lever en de gal! Verzonken verleden. Genealogie met rillingen en grimassen. Zo bitter als gal. Want mooi zal het niet zijn. Negentiende of achttiende eeuw? We denken toch niet dat we van een koning afstammen? De spoken uit het verleden zijn niet gek. We zijn allemaal gedrenkt in kiksaus. In quelque chose. In a fancy dish in cookery. Therapeutische nihilisten.

Wie denkt van de hogere horizon te komen? Uit het Walkürenritt van Richard Wagner te zijn gestapt? Geschilderd te zijn met een gouden penseel? Een medeplichtige van Jezus? Ach, net zoals onze zenuwen komen we allemaal uit een sensibel verhaal van de natuur. Van en uit de Eufraat en de Tigres. Allen opgewekt en met een zwartgallig verlangen Michelangelo te zijn. Neoplatonische liefdeslyriek. Zwanger van ons eigen ik. Verwante geesten. Onverstoorbaar op post. Uitgekozen. Uitverkoren.


277. Natuur-mens (dinsdag 29 augustus 2006)

De schrijver van acht bladzijden over Kierkegaard in een nummer van Filosofie uit 1997 heeft een volle bladzijde 'noten en literatuur' nodig om de lezer te vertellen van waar hij zijn mosterd haalt. Wat een oeverloze onzin en ijdelheid. Het leesstuk is zo gekunsteld dat men wel doctor-professor moét zijn om de knoop van Kierkegaard te kunnen ontwarren. Terwijl Kierkegaard nooit meer heeft willen zeggen dan 'leef voor jezelf en bewandel daarbij de smalle weg die tussen de enorme spanningsvelden waarheid en fantasie loopt'. That's all folks. Als die zekere schrijver van een hoogste academische graad meent dat hij in zijn 'stuk' plots zijn zoontje er moet bijhalen om aan te tonen dat Kierkegaard benadrukt dat ouders kinderen moeten respecteren óf wanneer die zekere doctor er Pyrrho wil bij sleuren om de lezer erop te wijzen dat hij zijn Oude Grieken kent, dan doet ie maar. Dan interpreteert hij maar als de lieve lust. Ik heb er minder en minder zin in om nog langer de complete zogeheten intellectuele mijmeringen van academische narren te lezen want hun kunst bestaat erin de simpele dingen van het leven te vertalen naar geslepen dialectiek die enkel relevant is voor een kransje kierewieten aan een of andere universiteit. Meestal gefrustreerde pedagogen die vrouw en kinderen verwaarlozen om indruk te maken op jonge mensen van achttien wiens enige opportuniteit het is om snel een diploma te behalen. Daarbovenop wordt aan die keizers van de unief ook nog gevraagd om te participeren in diverse raden of als auteur op te treden in diverse tijdschriften. Meestal voor royale beloningen en berichten van 250 euro per bladzijde is eerder regel dan uitzondering. Ik baal ervan. Geef mij maar een zwembadje in de tuin onder de zon. Als ik daarin lig te dobberen en bedenk dat aan alle primaire behoeften gemakkelijk wordt voldaan, dan tel ik de rimpels van het water en denk hardop dat het gros van de westerse mens elk voor zich een simpele filosofie nodig heeft om nog verder zin te geven aan zijn leven. Want oorspronkelijk was het de bedoeling van de natuur de mens - net zoals de zogeheten dieren - één te laten zijn met de natuur. Dat wil zeggen:
jagen-eten-neuken-rusten-jagen-eten-rusten. maar al snel bleek de mens een anomalie van de natuur te zijn zodat het evenwicht tussen mens en natuur verstoord werd. Met het resultaat zoals we dat na duizenden jaren ontwikkeling kennen. We zijn al met zes miljard. De aarde is nog steeds alleen. We kunnen niet uitzwermen naar andere planeten. Que faire. De perverse mens wordt gek als hij geen nieuwe behoeften creëert die als surrogaat dienen voor de zogeheten primaire verlangens. De mensen die een nieuw equivalent vinden, kunnen gelukkig worden. Kunnen! Want ze moeten die equivalenten ook nog consequent en volwaardig kunnen invullen. Dat is de uitdaging van de 21ste eeuwse mens. Wie eraan voorbij gaat, wordt depressief of krijgt kanker. Een en ander houdt natuurlijk in dat het fysische (eten, warmte, veiligheid) nu plots wordt uitgebreid met een geestelijke dimensie. De vraag is of onze hersenen daarvoor voldoende groot en vermogend zijn want anders is algehele waanzin wereldwijd niet uit te sluiten. Het kan ook zijn dat onze hersenen van de weeromstuit de functies niet meer vervullen waarvoor de natuur ze pakweg 100.000 jaar geleden bestemd heeft. Dat verklaart de vele nieuwe ziekten zoals de vele kankers die vooral de westerse mens overspoelen. Het is geen kwestie van slechte eetgewoonten - de voedselkwaliteit was nog nooit zo hoog als nu - maar van een zekere ontoereikendheid van de hersenen om nog langer als een centrale databank een lichaam te sturen en te controleren naar de normen van een mens zoals ooit bedoeld door de natuur: een natuur-mens!


276. Lafaards leven van hoop (dinsdag 22 augustus)

Als het van Hendrik Komrijs afhangt, is morgen iedereen gelijk voor de wet. Ook de dieren, de insecten en zelfs de bacteriën die niet kwaadaardig zijn. Komrijs trekt met plezier de ethiek van Peter Singer door over de behandeling van dieren en 'animal liberation' tout court. Op het moment dat Komrijs dát denkt en neerschrijft in zijn Moleskine, zit hij in zijn dertigjarige Constructam, netjes geparkeerd op de smalle parkingstrook van de enige zeeweg in Raversijde nabij Oostende. Enkel die weg, twee tramsporen en een zeedijk scheiden hem van de Noordzee, zijn absolute thuisbasis als hij weer eens een nieuw boek schrijft voor zijn coöperatieve uitgeverij Coop. Zijn bastaardhond - een asielgeval tussen Duitse herder en boxer - verwarmt zijn blote voeten. Het is al zijn derde hond dit jaar. Voor Komrijs geldt immers de leuze: geen boek zonder hond. Op de oranje plastiek lichtkoepels van de caravan tikt de nacht een deuntje. Zacht neuriet Komrijs mee, Rikketikketak, druppels op het dak, regenen doet het buiten, druppels op de ruiten, terwijl in zijn radio-cd-speler 'Goodbye Alice in Wonderland' van Jewel fluistert. Komrijs kocht het muziekjuweel louter om de schattige zangeres die lieflijk op het doosje, liggend op een zwart paard met halfwit hoofd, geportretteerd is. Tussen het schrijven door kijkt Komrijs regelmatig naar het blonde wicht, maar nog meer duwt hij het oranje gordijntje opzij om naar de zee te turen die in mysterieuze duisternis is gehuld en van tijd tot tijd haar neerslaande tanden laat zien. Komrijs kijkt zo lang tot het schuim van de golven zijn lenzen heeft gevuld en schrijft dan verder aan zijn nieuwe boek met werktitel 'Lafaards leven van hoop'. Naast hem ligt een stapel vergeelde boekenbijlagen van Vrij Nederland uit de jaren tachtig. Komrijs kreeg ze ooit van een doorgewinterde journalist die ook wachter is van de Toren van Babel. De boekenbijlagen moeten Komrijs inspireren en dagelijks kuiert hij er met zijn kruiwagen door en laadt alle woorden op die hij denkt te kunnen gebruiken. Vaak blijft hij praten met figuren die hij nog kent van 'toen' en nog vaker geraakt hij verstrikt in teksten die hij maar niet gereduceerd krijgt tot een woord of vijf, zes, zeven. Het gebeurt ook al eens dat Komrijs happend en snakkend naar frisse lucht uit zo'n boekenbijlage moet vluchten. Een fikse wandeling met blote voeten door het prikkelende zeewater brengt dan soelaas. Maar die nacht is het anders.

Plots zwaait de caravandeur open en een hijgende vrouw snelt binnen. Help me, stamelt ze, Ik kom me verschuilen voor hem, waarop Komrijs uit pure angst pen en boekje laat vallen op kop van de hond die dwaas ontwaakt, drie keer blaft en dan van de weeromstuit omhoog springt, tegen de onderkant van de tafel stuitert en weer neervalt op de voeten van Komrijs. Doe het licht alsjeblieft uit en help me, smeekt een totaal ontredderde vrouw op blote voeten, zonder broek en kale venusheuvel, een kapot gereten wit T-shirt, bruine haren geklit op het hoofd en in het aangezicht geplakt als modder op glas, terwijl Komrijs zijn eerste hulp bij nood en paniek zoekt in een boekenbijlage, stamelt dat Suiker luxe was en suiker macht, maar zich dan herpakt en kordaat kakelt Geen probleem, zet je. Daarop duwt Komrijs het flauwe licht uit. De vrouw sluit de deur, ploft neer in een zetel en piept dan angstig als een haas op de vlucht door een van de vele caravanraampjes, Daar komt hij, siddert ze. Komrijs maakt eveneens een millimeteropening met de gordijnen en ziet inderdaad een forse halfnaakte man op de dijk tegen de wind inbeuken, schreeuwend en tierend alsof hij de zee te lijf wil gaan. Dank je duizendmaal, legt de vrouw een hand op Komrijs rechterbeen. 't Is niks, antwoordt Komrijs nerveus wanneer hij weer naar de zeedijk kijkt en de losgelaten beer stilaan als een stip ziet verdwijnen richting Oostende. Het gevaar is geweken, zegt Komrijs trots.

En nu, kijkt Komrijs de vrouw in het duister aan terwijl hij zijn hond fors bij het nekvel grijpt om zijn ergste stress weg te masseren, waardoor het beest niet kwijlt van genot, maar van pure ellende. Ik moet hem niet meer, steekt de vrouw haar kinnetje omhoog. Mooi kinnetje overigens. Ik wil hem nooit meer zien, de vuile smeerlap. Komrijs knikt begrijpend en terwijl hij nog meer kwijl uit de bek van zijn hond wringt, wil hij toch weten waar het schoentje precies knelt in haar relatie. Ik heb met die man geen relatie, antwoordt de vrouw kordaat. Ik heb hem zopas ontmoet in een café en we hebben even geneukt in zijn auto, maar hij wou meer. Nog meer, trekt Komrijs zijn dikke lippen samen. Ja, nog meer, herhaalt de vrouw een stuk van haar verhaal. En wat is meer, probeert Komrijs in zijn nieuwe wereld te weten te komen. Hij wou dat ik met gespreide benen op zijn versnellingspook ging zitten terwijl hij een kunstje zou uithalen. Pff, sist Komrijs en maakt met zijn mond een torentje van lucht. De vrouw zwijgt en gluurt nog even door een raampje naar de zeedijk. En toen, wakkert Komrijs de story weer aan, totaal bevrijd van schrik, angst en de verrassing plots een halfnaakte vrouw in zijn caravan op bezoek te hebben. Ik wou helemaal geen kunstjes, zegt de vrouw die geen artiest wou zijn. Dus jij op die pook, haalt Komrijk al zijn lef uit de kast. Ja, ik op de hendel en toen startte hij plots de auto. De rotzak, zeggen Komrijs en de vrouw bijna gelijktijdig. En toen ben je gaan lopen, wil Komrijs het verhaal zelf afsluiten. Dat had ik wel gewild, maar die gek wou per se een toertje maken. Hij rijden, ik schakelen met mijn. je weet wel, fluistert de vrouw. Wat een volwassen naïviteit, puft Komrijs intellectueel om zich heen terwijl zijn hoofd stilaan begint te lijken op de rode planeet. Hij is dolblij dat er in zijn caravannetje geen lichtje meer brandt want zijn gedaanteverwisseling zou de vrouw nog meer angst inboezemen dan de hollende geweldenaar zelf. De hond ziet echter wel licht schijnen, sterren fonkelen en partijen horoscopen voorbijschuiven want Komrijs knijpt traag maar zeker de strot van het beest dicht. Ongecontroleerde erotische emotie, wellust en brute geilheid nemen stilaan bezit van hem en Komrijs kan zich maar met moeite beheersen om niet als een storm op zee toe te slaan. Gelukkig hoeft hij niet achter het perverse verhaal van de vrouw aan te hollen want ze stort zich nu volledig in haar getuigenis, Ja, ik moest schakelen terwijl hij reed. Maar na een zeer korte rit, grinnikt ze, zijn we met zijn Porsche van de dijk getuimeld en in zee terecht gekomen. Gelukkig was de vloed nog niet compleet en kon ik me met veel moeite langs het deurvenstertje naar buiten wurmen. Snikkend gaat ze verder,daarbij aangemoedigd door Komrijs, Ga door, ga door. Ik dacht dat hij verzopen was, maar toen ik al wadend door het water via een pier weer op de dijk kwam, hoorde ik hem brullen als een leeuw dat hij me zou vermoorden en kort daarna zette hij de achtervolging in. Ik heb gerend als een hond zonder om te kijken en ik. ze valt nu huilend achterover in de zetel en Komrijs neemt sussend over, En zo kom je dan bij mij terecht. Ja, knikt de vrouw die haar gezicht nu verschuilt in haar frêle handen. Ja ja, jammert Komrijs nog even verder terwijl hij de vrouw gadeslaat alsof hij zodadelijk een diagnose gaat vellen over de situatie. Dan staat Komrijs recht en laat de hond vallen als een lege zak. Doet een kastje open en haalt er een deken uit. Heb je een hond, onderzoekt de vrouw de neergeplofte schaduw. Ja, reikt Komrijs haar het deken aan, Maar vrees niets hoor, hij bijt niet.

Wordt vervolgd!


275. Vrijdenkers (dinsdag 15 augustus)

Ook op die dag in het begin van de eenentwintigste eeuw schoof Pier Vermetel achter het bureau. Al jaren, eigenlijk sinds hij ontslagen was en zijn vrouw haar eigen weg opgegaan was, bracht hij zijn dagen met studie door. Hij dichtte, studeerde, las en polemiseerde zelfs met gezaghebbende professoren aan diverse universiteiten. Maar die dag was hij moe. Gedachteloos snuffelde hij tussen boeken op tafel. Daar lag een werkje tussen dat hij zich niet herinnerde. Hij pakte het op, sloeg het open en glimlachte omdat hij er enkel goeds van had horen spreken. Hij begon te lezen, maar kort daarop riep zijn moeder, met wie hij sinds enige tijd samenwoonde. Hij stond op, at en keerde pas de volgende dag naar zijn bureau terug. Hij las verder, zijn glimlach betrok. De lovende woorden die hij over dit boek gehoord had, bleken in het geheel niet te kloppen. Ook hier werd met minachting over vrijdenkers geschreven. Hij legde het terzijde, wilde aan iets anders beginnen. Maar de aanblik van dat bandje, bracht hem iedere keer op dezelfde gedachte. "Wat kon toch de oorzaak zijn dat zoveel verschillende mensen, intellectuelen en anderen, zozeer geneigd waren en het nog zijn om in woord, geschrift en daad zoveel duivelse dingen over vrijdenkers te zeggen en uiting te geven aan hun afkeuring voor de vrijdenker en het vrije-denken an sich?" Terwijl hij hierover zat te denken (de ogen vol tranen, een boek van Leopold Flam voor zich, het hoofd in de hand en de elleboog leunend op de knop van zijn stoel) zag hij opeens dat zijn schoot wit werd, alsof de zon er op scheen. Hij schrok – dat kon niet – en keek op. Er stonden drie mannen die hem vriendelijk toespraken. Na enige tijd stelden ze zich voor als Rede, Rechtvaardigheid en Recht en gaven hem een opdracht: het bouwen van het Land der Vrijdenkers. Er werd tussen de vier mannen nog enig overleg gepleegd en toen dat lang genoeg geduurd had, spoorde Baruch Rede, Pier aan om naar het drielandenpunt te gaan. "Daar zal het Vrijdenkersland gesticht worden in een vallei en vruchtbare landstreek waar alle vruchten gevonden worden, sprankelende rivieren vloeien en alle goede dingen overvloedig in de bodem aanwezig zijn. Neem het houweel van je verstand, graaf diep!" Van Friedrich Rechtvaardigheid kreeg Pier de raad mee om een vrijdenkerslexicon aan te leggen met alle vrijdenkers uit de twintigste eeuw en hun werken te omschrijven in een gevat compendium. Tenslotte vroeg de derde verschijning, Steve Recht, Pier om nooit te verzaken te schrijven wat hij dacht. Dag na dag, gedacht na gedacht. "Het denken mag zich nooit onderwerpen, noch aan een dogma, noch aan een partij, noch aan een vooroordeel, noch aan om’t even wat, maar uitsluitend aan de feiten zelf, want zich onderwerpen betekent het einde van alle denken." Pier begon eraan en schreef een uiterst boeiend en sympathiek boek, een soort encyclopedie in essay-vorm over de vooroordelen die er in de loop der eeuwen over vrijdenkers bestaan hadden. Kleine portretten, markante observaties, bijtende commentaren over uiteenlopende vrijdenkers als Vanini en Spinoza, Beverland en Flam, Baudrille en Levinas, Onfray en Cliteur en nog duizend namen meer. Al met al een bolwerk waarop ieder trots kon zijn, opgebouwd uit deugdzaamheid zo glanzend dat iedere vrijdenker er zich in spiegelen kan. Dat werd het Boek van het Land der Vrijdenkers dat in 2022 verscheen en over het algemeen als het eerste echte ‘vrijdenkerstraktaat’ omschreven wordt.


274. Boodschap (dinsdag 8 augustus)

Eerste bedrijf
In 'Jeugdherinneringen' schrijft Camille Huysmans op bladzijde honderdtweeëndertig "Van al de filosofie op de universiteit, heb ik maar één stelregel onthouden. De zedenleer van het christendom scheen mij vanzelfsprekend, des te meer, daar ze gold voor alle volken en overal terug te vinden was. Maar Kant heeft indruk op mij gemaakt, met zijn categorische imperatief 'Doe het goede ter wille van het goede, maar niet ter wille van een beloning, noch van de mensen, noch van de goden. Doe wat u ziet als plicht tegenover uzelf, vervul die plicht vooral wanneer u in de minderheid staat en wanneer de massa huilt en schreeuwt 'Stenig hem!"

Tweede bedrijf
In 'Mijn Kamp' noteert Aldof Hitler op bladzijde elf "Zoo was ook ik reeds in mijn prille jeugd in de gelegenheid om deel te nemen aan den strijd der nationaliteiten in het oude Oostenrijk. Men collecteerde voor de Duitsche scholen en voor de Zuidelijke provinciën, men gaf blijk van zijn overtuiging door middel van korenbloemen en zwart-rood-goud, men groette met 'Heil' en zong liever het 'Deutschland über alles' dan het 'Gott erhalte Franz den Kaiser', wat men ook mocht vermanen en straffen. Wij jongens waren daardoor reeds politiek geschoold op een leeftijd, waarop een onderdaan van een zoogenaamden volksstaat meestal van zijn volkseigenheden weinig meer kent dan de taal. Dat ik reeds destijds niet tot de onverschilligen hoorde, spreekt vanzelf."

Derde bedrijf
In 'Discorsi' (Gedachten over Staat en Politiek) haalt Niccolò Machiavelli aan dat "Een republiek of rijk daarom niet gediend is met een heerser die wijs regeert zolang hij leeft, maar met een heerser die zijn rijk zo organiseert dat het na zijn dood blijft voortbestaan. Weliswaar krijgt men een nieuwe wet of visie het makkelijkst aanvaard door primitieve mensen, maar daarom is het nog niet onmogelijk om die ook aanvaard te krijgen door mensen in een ontwikkelde samenleving, die zichzelf niet primitief achten. De Florentijnen achten zich dom noch primitief; niettemin wist fra Girolamo Savonarola hen ervan te overtuigen dat hij in contact stond met God. Ik zal mij er niet over uitlaten of dat waar was of niet, want een groot man als hij dient met respect bejegend te worden; maar in ieder geval is het zo dat talloze mensen dat geloofden, zonder dat ooit een bijzonder teken hen in die overtuiging had geven sterken; want zijn levenswandel, zijn kennis van de christelijke leer en de boodschap die hij uitdroeg, waren voldoende om hen te oevertuigen. Laar daarom niemand bang zijn dat hem niet lukt wat anderen wel lukte, want mensen zijn altijd op dezelfde manier geboren, gevaren en gestorven."

De boodschap
Op bladzijde honderdenzes in de 'Essays' van Michel de Montaigne "Wat dit betreft kent ieder kind het verhaal van koning Croesus die, door Cyrus gevangen genomen en ter dood veroordeeld, vlak voor zijn executie uitriep: 'O, Solon, Solon!' Toen Cyrus dit te horen kreeg en vroeg wat het te betekenen had, legde hij uit dat hij jammer genoeg nu pas begreep hoe juist de waarschuwing was die Solon hem eens had gegeven, namelijk dat je geen mens, hoezeer de Fortuin hem ook toelacht, gelukkig mag prijzen eer zijn laatste levensdag is verstreken. Want het lot van de mens is onzeker en onbestendig en door het minste of geringste kan zijn leven een heel nieuwe wending nemen. Daarom zei Agesilaüs tegen iemand die de Perzische koning gelukkig noemde, omdat deze al heel jeugdig zo'n machtige positie innam: 'Ja, maar Priamus was op die leeftijd ook niet ongelukkig.' Zo werden vorsten van Macedonië, opvolgers van Alexander de Grote, timmerman en griffier in Rome, en tirannen van Sicilië onderwijzer in Korinte. En een man die als bevelhebber over tal van legers de halve wereld had veroverd, heeft een stel luizige dienaren van een Egyptische koning om genade gesmeekt: dat was de prijs die de grote Pompeius moest betalen om vijf, zes maanden langer te mogen leven. En onze vaders hebben meegemaakt hoe Ludovico Sforza, de tiende hertog van Milaan, die zo lang de drijvende kracht van heel Italië was geweest, stierf in een gevangenis in Loches, en wel nadat hij (wat nog het ergste was) daar tien jaar had gezeten. En is kort geleden de zo mooie Maria Stuart, weduwe van de grootste koning van de christenheid soms niet omgebracht door de hand van de beul? En zo zijn er wel duizend voorbeelden te geven. Want zoals storm en onweer onze trotse verheven bouwwerken teisteren, zo lijkt het wel of daarboven geesten zijn die het op alle aardse grootheid hebben voorzien."


273. vakantie (dinsdag 1 augustus)

vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie


272. Stront (dinsdag 25 juli)

Tuba podex est, de aars is een trompet

"Wenen, 4 juli - 19.20 uur. Het is altijd gênant om erover te spreken of te schrijven, maar zopas heb ik sinds weken prachtig en voldaan gescheten. Een mooie hoop stront waar elke hond trots zou op zijn. Dat het precies in Wenen gebeurt, hoeft niet te verwonderen. Mozart, de bergen, vakantie... wie schijt beter? Het is opmerkelijk dat over stront zo weinig geschreven wordt terwijl het aarsproduct millennia lang de basis is van een vruchtbare tuin. Met tonnen wordt stront op weilanden en akkers gegooid met een weelderige flora tot gevolg. Er zijn in de jaren negentig zelfs plannen geweest om massa's stront via schepen naar Rusland te brengen om ook daar de intensieve landbouw te laten zegevieren. Zodoende ambieert iedereen de edelste gewassen te eten die in stront gedrenkt worden. De hypocrisie voor stront wordt door de mens echter niet anders gedragen dan voor andere humane producten. In het boek De Aarde van Emile Zola komt dat prachtig tot uiting wanneer het verhaal de ronde doet dat de weduwe Marianne Fouan, die de bijnaam de Lange heeft, stiekem in haar moestuin gaat schijten om haar groenten te laten groeien en bloeien. Op de wekelijkse markt schuwt men echter haar prachtige prei en selder. Neen, dan liever aardappelen en kolen die sappig gemaakt werden met de stront van varkens en koeien. Stront! Het beheerst ons leven, maar wij willen enkel maar het eten cultiveren." (Uit Dagboek Leopold Laarmans A6/12 - 2006)

In maart 2006 verscheen Komrij's Kakafonie, een Encyclopedie van de stront, bij De bezige Bij (29,901 euro). Stront, schijt en kak zijn de meest voorkomende woorden in Komrij's encyclopedie die hij schreef omwille van onbegrip. "Hoe is het mogelijk dat iets dat zo menselijk is en zo'n elementair deel uitmaakt van het bestaan, wordt stilgezwegen, van de baan geschoven en verbannen tot dat waarover men niet hoort te spreken eens men de leeftijd van zes jaar gepasseerd is," vertelde Gerrit Komrij graag in interviews waarin hij ook al eens toegaf dat hij een petomaan is, maar wel één met een bescheiden instrument. Daardoor lukt het hem niet om het volkslied te 'scheten'. Volgens sommige recensenten is het boek helemaal geen encyclopedie maar hoogstens een cultuurstudie waarin dan nog een heleboel strontitems - zoals bij coprofagie de link naar stront in yoghurt - vergeten zijn, ondanks dat Komrij er prat op gaat dat hij geput heeft uit bronnen die tot dertig-veertig jaar teruggaan. Maar voor een leek bevat Kakafonie een overdosis scatologie en is het een vergaarbak van krantenartikels, gedichten, versjes, spreuken, romanfiguren, woordenboeklemma's, cartoons (Gummbah en Kamagurka), wetenschappelijke classificaties... die verwijzen naar het bruine goedje. Uiteraard ontbreken in de literaire lijst de namen niet van Rabelais, Cervantes, De Sade en uit de nieuwe tijd Komrij zelf, Jeroen Brouwers, Herman Brusselmans en Connie Palmen. De ode aan de stront - fecaliën voor beleefde kakkers - is dus redelijk behoorlijk en vrolijk én vooral een taboedoorbrekend werk dat het ware gezicht van de mens laat zien. Komrij: "Stront is schandalig en toch giert iedereen om een scheet. Zo veroordelen we onszelf tot hypocrisie. Zolang dit strontboek in de Nederlandse literatuur ontbrak was de Nederlandse literatuur niet volwassen. Met dit boek wordt de laatste handicap genomen. De laatste drempel van de moralisten is nu geslecht."

In de Vlaamse kranten komt het woord 'stront' in berichten tijdens het laatste jaar - terugtellen vanaf 23 juli 2006 - het meest voor in De Morgen (50 keer) en het minst in Het Volk (0 keer). De cijfers van de overige kranten in de top 'stront': Het Nieuwsblad (30), Het Laatste Nieuws (24), Gazet van Antwerpen (22), De Standaard (19), Het Belang van Limburg (14), De Tijd (6) en Metro (2). Een drollige universitaire studie zou eens kunnen onderzoeken wat het verband is tussen het gebruik van het woordje 'stront' en de graad van 'hypocrisie' bij de Vlaamse kranten.


271. Intermezzo V (dinsdag 18 juli)

De lange hete zomer

Dinsdagmorgen, vijf uur. Eindelijk fris. Het is zelfs té fris om in bloot bovenlijf buiten te lopen langs dorre planten en uitgeputte bomen. Heerlijk dat kippenvel! De zon kan daar niets aan veranderen. Op dit uur van de dag zorgt ze enkel voor licht. Vanaf negen uur zal ze ook vandaag opnieuw zorgen dat het té warm wordt. Belachelijk warm voor een doorsnee Belg. Enkel Afrikanen, Zuid-Amerikanen en Zuidoost-Aziaten blijven lachen bij 36 graden onder een boom. Voor alle anderen is de zon moordend en die vernietigende hitte geeft de hypothese vleugels dat de Maya's ooit van de wereldkaart verdwenen door de aanhoudende droogte! Als je ziet wat enkele weken zomeren al doet met mijn moestuin in Berbroek, dan mag je verwachten dat drie jaar zon en zonder regen een heel volk uitmoordt. Mijn aardappelplanten zijn gaan liggen om nooit meer recht te staan. Geel en verlamd hebben ze de strijd opgegeven. De ajuinen zijn vroegtijdig gestopt met groeien en zijn in de grond al beginnen drogen in plaats van te wachten tot ze gerooid zijn. Twee van de drie bessenstruiken hebben de geest gegeven nadat ze een karrenvracht aan vruchten hebben opgeleverd. De aardbeienplanten die andere jaren massaal jonge scheuten voortbrachten, zijn stil als Stille Nacht en hebben alle krachten nodig om nog enkele uren te overleven. De zonnebloemen van mijn zoon draaien zelfs hun hoofd niet meer om. Ze blijven gericht naar het oosten en hebben niet de minste ijver om één graad met de zon mee te draaien. Vanwaar zouden ze de moed wel moeten halen? De zanderige grond in Berbroek is zo leeg als de vogelnesten die her en der zichtbaar worden in de slappe struiken. Het water dat ik in mijn moestuin giet, zakt onmiddellijk door tot het aan de andere kant van de aarde. Mijn jonge sappige sla van enkele weken geleden is niet meer dan een vodje groen dat zelfs op de tonen van Rachmaninoff niet meer beweegt. Witte en rode kool houden nog even stand, maar je ziet zo aan hun bladeren dat ze de strijd om een bol voedsel aan het verliezen zijn. Ondanks de emmer water waarin ze dagelijks mogen stoeien. Enkel de tomatenplanten houden stand. Dankzij zéér intensieve landbouwtechnieken en gevulde waterflessen aan de voet van de stam én. er veel mee te praten. Zoals ze tegen veel renners moeten doen opdat ze niet zouden 'afstappen' in de Tour de France. Neen, in mijn tuintje is het maanlandschap niet ver meer af. Er moet geen Apollo 13 langskomen om dat vast te stellen. En toch is deze plantenellende een lachertje met wat oudere en zieke mensen moeten doorstaan. Trouwens, niet iedereen kan zich airconditioning veroorloven. Heel wat oudjes kruipen weg in hun huizen achter gesloten deuren en vensters. Maar ook heel wat ziekenhuizen zonder airco moeten zich behelpen met deuren en vensters op een kier. En onder de dakpannen wordt het nooit koel. Wie vandaag in het ziekenbed gekluisterd ligt, ligt al in het vagevuur. Die lange mooie zomer is een hel! Wie geroepen heeft op schoon weer, zit nu op zijn blaren. Moet 's nachts gaan leven. Het leven omgooien. Van 's morgens negen tot 's avonds negen rusten en slapen op de sofa en de overige uren van het etmaal tot leven komen. Het is niet gemakkelijk het leven zo ineens te veranderen, maar wie wil overleven, moet zich aanpassen. C'est la vie! Wie zich gedraagt zoals de planten in mijn moestuintje - nolens volens - is eraan voor de moeite. Misschien niet vandaag of morgen, maar als de zon blijft schijnen, barsten ze vroeg of laat zoals de kruik te water. Bwa, de lange hete zomer mag er eigenlijk alleen maar zijn in broeierige films of als je op vakantie gaat. Ergens ver weg, maar nooit bij je thuis. Daar moet de zon alleen maar zorgen voor licht, véél licht!


270. Intermezzo IV (dinsdag 11 juli)

NIEMAND WEET HET
Een surrealistisch verhaal

Alexander wandelde met forse tred op een groene heuvelrug in Moravië. Zo ver hij kon zien was het landschap groen, lichtgroen en donkergroen. De hemel was blauw. Al lachend trachtte hij op een denkbeeldige scheidingslijn van de verschillende kleurschakeringen te lopen. Dat ging aardig en terwijl hij die evenwichtsoefening deed, dacht hij aan een mooi gedicht van Herman Hesse en zonder dat hij het echt wou, zei hij de eerste strofe van Melodie op: Liegt irgendwo ein wildes Meer; Und rauscht empor an steilen Ländern; Dort treibt der Sturm ein Schiff umher; Mit roten Fahnen und bunten Bändern. Hij schrok een beetje van zichzelf dat hij zonder één seconde te twijfelen dat zomaar kon. Naast hem liep plots een eekhoorntje. Jij kan mooi gedichten opzeggen, zei het elegante diertje. Ja, zei Alexander, Ik hou van Herman Hesse en ik ken zevenenveertig strofen van de Duitse dichter uit mijn hoofd. Het eekhoorntje stopte even en trok aan Alexander’s mouw. Zevenenveertig, herhaalde het eekhoorntje. Ja, zei Alexander trots en stapte flink verder. Ga je naar Pilastern, vroeg het eekhoorntje. Misschien, antwoordde Alexander, Misschien als ik violette rozen tegenkom, anders zal ik in Randern gewoon linksaf slaan en naar Augen gaan. Mag ik dan mee, keek het eekhoorntje Alexander smekend aan! Alexander stopte en knikte. Maar natuurlijk mag jij mee. Mogen mijn vriendjes ook mee, spande het eekhoorntje zijn gezicht aan met een mond tot ver achter zijn oren. Alexander lachte hardop toen hij zag dat reeds zes andere eekhoorntjes achter hem aanliepen. Maar natuurlijk, zei hij, Hoe meer zielen hoe meer vreugde.

Hoe is je naam, vroeg Alexander. Al mijn vrienden herkennen mij als Anklang, zei het eekhoorntje, maar liever was ik Niemand geweest of Kraft. Ach, je moet niet treuren, suste Alexander. Mij hebben ze Alexander genoemd en ik ben daar best tevreden over. Dat is een erg mooie naam, keek het eekhoorntje Alexander aan. Anklang is ook een zeer mooie naam, pinkte Alexander een oogje naar zijn metgezel. Trots liepen ze samen verder met in hun spoor zes zwetende eekhoorntjes die voortdurend naar de hemel staarden en constant van de vliegen snoepten die boven hun hoofd mee vlogen. Uren liepen ze zo verder terwijl de zon op hun hoofden brandde. Even lang hadden ze gezwegen en helemaal niets meer gezegd. Zowel op het gezicht van Alexander als dat van Anklang hing een glimlach die met geen wind ervanaf te waaien viel. Op de dertiende heuvelkam doorbrak Anklang plots de stilte. Ik moet je iets bekennen, riep het eekhoorntje luid. Een kreet in de groene stilte! Dat was even schrikken. Alexander struikelde en kwam al rollend over het gras meters verder tot stilstand en terwijl hij daar lag, schaarde iedereen zich rondom hem. De zes eekhoorntjes vormden een kring rond Alexander en Anklang wandelde nerveus op en neer. Mij iets bekennen, keek Alexander aarzelend naar Anklang! Verlegen rolde Anklang een stukje grasmat van de aarde zodat een rotsblokje vrijkwam waarop hij ging zitten. Hij trok aan een piepklein hazelaartje dat pal naast de steen stond en wreef erover tot het een flinke struik werd. Anklang gaf het teken en alle eekhoorntjes sprongen elk op een tak terwijl ze de hazelnotentrossen begonnen te verorberen. Dankzij de enorme struik lag Alexander lekker in de schaduw. Hij rolde op zijn rug en keek Anklang aan. Wat wil je bekennen, zei hij toen. Anklang slikte. Ik heb voor het eerst in mijn leven een droom gehad. Alexander veerde recht. Een droom! De zes eekhoorntjes lieten de hazelnoten uit hun pootjes vallen en herhaalden in koor Een droom!

Alexander was intussen met zijn rug tegen de hazelaar gaan zitten met zijn hoofd tussen zijn knieën terwijl Anklang zenuwachtig de struik in en uit wipte, er dan omheen holde om uiteindelijk en al masserend over de kale schedel van Alexander naast hem neer te ploffen zitten. Gaat het, probeerde hij het ijs te breken. Maar Alexander bleef dat ene strofe maar herhalen. Der Tag ist um; schon wird die Ferne trüber, Der glatte See erglänst in schwerem Rot, Geschmückte Barken gleiten mir vorüber; Gesang wird laut… Wann rasten wir, mein Boot? Ik weet het, probeerde Anklang het gesprek weer op gang te trekken, Maar de droom overkwam me nadat ik paragraaf zesenzestig van Kierkegaard had gelezen. Welke paragraaf van Kierkegaard, trok Alexander zijn hoofd tussen zijn knieën vandaan. Zesenzestig, fluisterde Anklang. En hoe ging die, fronste Alexander de wenkbrauwen. Anklang kuchte even en ging dan van start. Ook jullie, mijn lucida intervalla, moet ik voorlopig in de steek laten, en jullie, mijn vele gedachten die er in mijn hoofd gevangen zitten, ik kan je niet meer toelaten fijne wandelingen in de koele avond te maken. Maar verlies de moed niet, leer elkaar beter kennen, ga veel met elkaar om, want ik zal me toch nog wel eens kunnen permitteren af en toe eens bij jullie binnen te wippen - au revoir… In de stille heuvels van Moravië was het nooit stiller geweest dan nu! Alexander hield zijn ogen op Anklang gericht, die op zijn beurt zijn hoofd liet zakken tussen zijn knieën. De zes eekhoorntjes in de hazelaar zaten intussen samen in het kruin van de struik en vormden op een eigenaardige manier een piramide. Pas toen Alexander de bevrijdende woorden sprak Vertel je droom Anklang, bewogen ze elk weer naar hun tak om in kleermakershouding het verhaal van de droom van Anklang mee te maken. Spontaan zette Alexander zich ook in deze mediterende houding en Anklang stond recht om als in een theater zijn voordracht te geven.

In een adem vertelde Anklang zijn droom. Een man, in zwart gekleed, van top tot teen – zwarte hoed, zwarte lange jas, zwarte jeans, zwart hemd, zwarte spitse schoenen met veters – wijzigt plots zijn wandelrichting op het trottoir van de lange avenue en belt, zo lijkt, lukraak aan op nummer 66. Weinig tellen later gaat de deur krakend open en in de deuropening verschijnt een vijftiger in maatpak, met een modieus brilletje op, glad geschoren en met een opzichtige gouden halsketting. De man in zwart plaatst zich daarop in militaire houding, richt zich tot de bewoner van het pand, en zegt dan in keurig Duits Liegt irgendwo ein Wildes Meer? Waarop de bewoner zijn gezicht vervormt in een vraagteken en eerder mompelt dan antwoordt U zegt? Maar de man in zwart vervolgt zijn poëtische zin Und rauscht empor an steilen Ländern, Dort treibt der Sturm ein Schiff umher terwijl hij traag, behendig maar zeker naar de opening van de deur oprukt. De bewoner duwt de vreemde hard naar buiten terwijl hij begint te schreeuwen Hij verliest zijn bril. Hallo man, wie ben je, wat wil je? Zeg eens…Het heeft geen zin. De man in het zwart is sterk en stormt als een rugbyspeler vooruit, wint veld en gaat vlot door de deuropening heen, praat daarbij intonatieloos verder Goedenavond meneer en excuseer dat ik je zo laat in de avond lastig val, maar bent u een pedofiel? terwijl hij een vrouw – half naakt, half mooi – ziet aankomen snellen met een mes in de hand. Een broodmes. Al bevend gilt de vrouw op een meter afstand van de worstelende mannen dat ze zal steken als ze niet ophouden. De man in zwart lacht hardop en plant nu een ellenlange dolk in het oog van de vijftiger. Die valt huilend en milliseconden later dood neer op de grond terwijl het bloed als een fontein het portaal rood kleurt. De vrouw gooit het broodmes in de lucht en loopt al strompelend en kotsend weg. Ze wil door de keukenvenster de tuin inspringen maar blijft halverwege de dubbele thermische venster steken terwijl één borst en een arm letterlijk worden afgesneden door de amorfe zandkristallen. Eén gil en dan niets meer. De ogen open, starend naar Waarom. De man in zwart duwt met één vinger tegen de geklemde vrouw in het venster die dan zoals in een vertraagde film levenloos neerploft in het gemillimeterd tuingras. Hm, zegt de man in zwart. Hij kleedt zich uit en springt in het openluchtzwembad dat enkele meters verder dan de gastvrouw ligt. Zoet vrouwenbloed kleurt druppel na druppel het badwater rood, maar het zal nooit voldoende zijn om het blauwe water te metamorfoseren naar een rode zee. Op zijn rug zwemmend, zingt de man in zwart onverstoord Dort treibt der Sturm ein Schiff umher, Mit roten Fahnen und bunten Bändern.

Stilzwijgend stond Alexander recht en borg de steen en de hazelaar weer op in het landschap. Rolde de grasmat erover en begon opnieuw te wandelen. Naast hem liep Anklang die onafgebroken en stilzwijgend naar hem keek. De andere zes kompanen liepen nerveus achter het duo aan. Het was in Randern dat Alexander weer sprak. Ik zal je helpen, keek hij Anklang aan. Lees dit boek van Graham Greene. Hij plukte het boek zo van de grond. Op het boek hing een sticker I’m Free. I’m not lost! Please pick me up, read me, and help me with my journey! Bookcrossing.com… Maar wat moet ik met dit boek? stamelde Anklang. Lees het op weg naar Augen. Maar gaan we dan niet samen? staarde Anklang Alexander aan. Je hebt toch geen violette rozen gevonden en dus kan je toch niet naar Pilastern stappen. Ik ga toch, antwoordde Alexander kordaat. Lees dit boek Der stille Amerikaner. Daarop kuste Alexander het eekhoorntje drie maal, wendde zich dan naar de andere zes en vroeg ze goed voor Anklang te zorgen. Die had intussen het boek al open geplooid en de eerste zinnen gelezen Mit den Menschen, wie sie nun mal waren, mochten sie kämpfen, mochten sie lieben, mochten sie morden: ich wollte nichts damit zu tun haben... Anklang keek op en door zijn oogjes bedekt met een dun laagje twijfelvocht zag hij Alexander meer en meer een stip aan de horizon worden.


Top