|
|
|   |
Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 270 t.e.m. 279
279. De veerman (dinsdag 12 september)
Aan de oever van de Donau, nabij Wenen, diep in het bos, stond een man.
Een mooi gebruinde vijftiger. Zevenenvijftig, schatte Dhartha hem. Het
leek Dhartha toe dat de man gelokt werd door de stem van het water en wel
zozeer dat hij er zich in wou verdrinken. Dhartha haastte zich naar hem
toe.
Dhartha: Dag, ben jij de veerman?
De man (kijkt verwonderd op met een flauwe glimlach): De veerman! Hoe
bedoel je?
Dhartha: Gewoon, de veerman. Hij die aan de stroom woont en mensen van de
ene naar de andere kant brengt. De mensen helpt om deze natuurlijke
hindernis te nemen.
De man (kijkt in het water): Neen. Dat ben ik niet.
Dhartha: Heb je deze stroom al goed bekeken? Op deze plek is hij wel
honderd meter breed en misschien ook wel honderd meter diep. En het water
stroomt nog sneller dan de wolken drijven. Ooit woonde hier een
vriendelijke veerman. Daar stond zijn hut. En bij zijn hut begon voor mij
eens de weg naar een nieuw leven.
De man (opkijkend): Onder die boom?
Dhartha: Ja, daar ongeveer. Ik heb er een nacht doorgebracht. O, wat hield
de veerman van dit water. Wat wist het water hem in verrukking te brengen
en wat was hij het dankbaar. Hij gaf me ook goede raad mee: 'Heb dit water
lief! Blijf bij dit water. Leer van dit water!
De man: Leren van dit water? Van deze woestenij?
Dhartha (vol liefde): Kijk naar het steeds wisselende beeldschrift van de
stroom die maar stroomt en stroomt en nooit stil staat. Zie zijn
mysterieuze lijnen aan het oppervlak. Zie je de heldere parels opstijgen
uit de diepte? Kijk in de enorme spiegel die voortdurend de hemel met al
zijn reizigers weerkaatst.
De man tastte met zijn ogen de stroom af, maar zegde niets. Dhartha zag de
oude grijns op zijn gezicht, een vermoeide blik en de leegte in zijn ogen.
Maar Dhartha voelde ook dat de vogel in deze man niet volledig dood was.
Wel dat hij verstrikt was geraakt in zijn leven en dat de vogel zwalpte
tussen walging en dood.
Dhartha: Ongeveer twintig jaar geleden heb ik de veerman ontmoet. Hij was
toen al een man van zeventig. En ik kwam niet om me te laten overzetten!
Ik was gekomen om me in het water te gooien. Vurig verlangde ik toen naar
rust. Ik wilde niets meer van mezelf weten. Ik wou getroffen worden door
een bliksem. Ik wou dood zijn.
De man (vol aandacht): Bedoel je zelfmoord?
Dhartha: Ik wou inderdaad het hoogste recht van mijn vrijheid in eigen
handen nemen.
De man (zeer geïnteresseerd): Maar je hebt het niet gedaan?
Dhartha (lacht): Zoals je ziet. Ik heb het niet gedaan. Misschien wel
dankzij de veerman. Hij vond me hier aan de waterkant. Net zoals ik jou.
De veerman is toen afgedaald in mijn ziel en we hebben samen in mijn
verleden gereisd. Op de golven van de stroom bezochten we elke haven van
mijn leven. De reis leek wel tientallen jaren te duren en altijd hoorde ik
het water ruisen. En als ik eerder toevallig mijn ogen opende, zag ik met
verwondering de bomen wiegen aan de oevers. Maar grotendeels sliep ik
tijdens de reis met de veerman. En toen ik plots ontwaakte, scheen het me
toe dat ik vernieuwd en verjongd ontwaakte. In een nieuwe gedaante
herboren was. Ik was toen zevenenveertig.
De man (jammerend): Ik ben al zevenenvijftig. Mijn haar is grijs en mijn
krachten beginnen af te nemen. Ik moet weer van voren af aan beginnen. Ik
weet het niet meer. Het gaat bergafwaarts met mij.
Dhartha (glimlachend): Het gaat bergafwaarts met jou?
De man (pruilemondje): Ja!
Dhartha: Kijk naar de stroom. De stroom loopt ook altijd naar beneden,
maar hij is altijd vrolijk. De stroom zingt ook al bewandelt hij van bron
tot monding duistere wegen, opgewekte oorden, laaft hij duizenden levens,
verwoest hij levens. En toch volgt de stroom een goede weg. Bergafwaarts,
van begin tot einde.
De man (beetje opgewekt): Ja, dat is wel waar!
Dhartha: Je moet als mens ervaren wat wanhoop is. Je moet diep kunnen
zinken om tot de meest dwaze gedachte te komen: tot de gedachte van de
zelfmoord, voor je weer in staat bent om het leven te verstaan. Om de
stroom te begrijpen die opgewekt blijft ook al gaat die altijd
bergafwaarts. Je moet kunnen zondigen om te leven.
De man (nieuwsgierig): Maar waarheen zal mijn levensweg mij nog voeren?
Dhartha (resoluut): Het zal nog een krankzinnige weg zijn. Een kronkelpad,
maar hoe dan ook moet je hem volgen.
De man (dringt aan): Maar hoe moet ik er weer op geraken?
Dhartha: Door te ontsnappen aan je zelfmoordplannen en als je vlucht
geslaagd is, zal je weer op je levensweg zijn. Vrij en blij als een kind
onder de hemel. Aan de mooie stroom met zijn zuivere lucht. Je zult het
toejuichen dat er een einde gekomen is aan je dwaze en lege leven en met
vreugde zal je opnieuw de vogel in je binnenste horen zingen. Je zult
ontzettend gelukkig zijn dat je tenminste naar hem geluisterd hebt!
De man (stapt aarzelend naar Dhartha toe en geeft hem een hand): Ik ben
Thomas!
Dhartha: Wel Thomas, loop een eindje met me mee. Enkele kilometers verder
is er een brug, dan kunnen we samen deze hindernis nemen en weer in het
leven stappen.
Thomas (vreugdevol): Dat doen we. En in de stad trakteer ik je op een
biertje.
Dhartha keek hem al knikkend aan en lachte terwijl hij een gedicht zocht
in het kristallen lijnenspel van de Donau.
278. Addenommeleheine (dinsdag 5 september)
Tevergeefs is de wereld verscheiden. Nochtans zijn de figuren van
Slauerhoffs boeken niet verscheiden. Een overdosis van het
sprookjesachtige brengt je naar de noorderzon. Ook al heb je niets gedaan
wat niet in de haak is. Geluisterd naar het Zwischenspiel uit de opera
Notre Dame van Franz Schmidt bijvoorbeeld. Een muzikale expeditie naar het
hart van de poëzie. Een luilekkerland in de baarmoeder. Wie morrelt aan de
mythe van dit beeld is een fascist. Fasces, fascimo e tutti quanti. Stelt
zich in de politiek even fel op als de gepolijste tekeningen van Teo
Gootjes. Symbolen die de aandacht trekken, maar zonder perspectief.
Gruwelijk als de ziel van een volmaakte spion. De dwaas die denkt dat hij
Hamlet kan spelen.
Wie ijlt niet rond in het voetspoor van de tijdgeest? Wie zal niet
sterven? De tol der natuur betalen? De weg van alle vlees gaan? Het
tijdige met het eeuwige verwisselen? Fascisten? Karikaturen met een
karpatenkop? De dichter die geen addenommeleheine wil zeggen? De generaal
die dwars door de wattendeken naar de innerlijke gifbelt durft kijken? De
mens die aan jouw kant staat? Frederik De Grote, de koning-filosoof en
zoon van een vader die bekend werd als de soldatenvreter? Voltaire met
zijn bonte anekdotiek? Rutger Kopland uit de poëtische portrettengalerij?
Wie neemt nooit afscheid van het voorbereidend leven? De haat van mensen?
De geboorte van de gevangenis? De wil tot weten? Het gebruik van de lust?
De zorg voor zichzelf? Michel Foucault?
Wie dwaalt nog regelmatig rond in zijn achterland en brengt het weer tot
leven? Wie voorziet zijn eigen leven van een fundament? Je hoeft geen
eeuwen terug te gaan. Gewoon een narrenschip met Mozart aan het roer! Een
rondvaart langs de hellekrochten van je verzonken leven. In elk putje van
je ziel. Scherend langs je hart. Gravend in je longen, de alvleesklier, de
lever en de gal! Verzonken verleden. Genealogie met rillingen en
grimassen. Zo bitter als gal. Want mooi zal het niet zijn. Negentiende of
achttiende eeuw? We denken toch niet dat we van een koning afstammen? De
spoken uit het verleden zijn niet gek. We zijn allemaal gedrenkt in
kiksaus. In quelque chose. In a fancy dish in cookery. Therapeutische
nihilisten.
Wie denkt van de hogere horizon te komen? Uit het Walkürenritt van Richard
Wagner te zijn gestapt? Geschilderd te zijn met een gouden penseel? Een
medeplichtige van Jezus? Ach, net zoals onze zenuwen komen we allemaal uit
een sensibel verhaal van de natuur. Van en uit de Eufraat en de Tigres.
Allen opgewekt en met een zwartgallig verlangen Michelangelo te zijn.
Neoplatonische liefdeslyriek. Zwanger van ons eigen ik. Verwante geesten.
Onverstoorbaar op post. Uitgekozen. Uitverkoren.
277. Natuur-mens (dinsdag 29 augustus 2006)
De schrijver van acht bladzijden over Kierkegaard in een nummer van
Filosofie uit 1997 heeft een volle bladzijde 'noten en literatuur' nodig
om de lezer te vertellen van waar hij zijn mosterd haalt. Wat een
oeverloze onzin en ijdelheid. Het leesstuk is zo gekunsteld dat men wel
doctor-professor moét zijn om de knoop van Kierkegaard te kunnen
ontwarren. Terwijl Kierkegaard nooit meer heeft willen zeggen dan 'leef
voor jezelf en bewandel daarbij de smalle weg die tussen de enorme
spanningsvelden waarheid en fantasie loopt'. That's all folks. Als die
zekere schrijver van een hoogste academische graad meent dat hij in zijn
'stuk' plots zijn zoontje er moet bijhalen om aan te tonen dat Kierkegaard
benadrukt dat ouders kinderen moeten respecteren óf wanneer die zekere
doctor er Pyrrho wil bij sleuren om de lezer erop te wijzen dat hij zijn
Oude Grieken kent, dan doet ie maar. Dan interpreteert hij maar als de
lieve lust. Ik heb er minder en minder zin in om nog langer de complete
zogeheten intellectuele mijmeringen van academische narren te lezen want
hun kunst bestaat erin de simpele dingen van het leven te vertalen naar
geslepen dialectiek die enkel relevant is voor een kransje kierewieten aan
een of andere universiteit. Meestal gefrustreerde pedagogen die vrouw en
kinderen verwaarlozen om indruk te maken op jonge mensen van achttien
wiens enige opportuniteit het is om snel een diploma te behalen.
Daarbovenop wordt aan die keizers van de unief ook nog gevraagd om te
participeren in diverse raden of als auteur op te treden in diverse
tijdschriften. Meestal voor royale beloningen en berichten van 250 euro
per bladzijde is eerder regel dan uitzondering. Ik baal ervan. Geef mij
maar een zwembadje in de tuin onder de zon. Als ik daarin lig te dobberen
en bedenk dat aan alle primaire behoeften gemakkelijk wordt voldaan, dan
tel ik de rimpels van het water en denk hardop dat het gros van de
westerse mens elk voor zich een simpele filosofie nodig heeft om nog
verder zin te geven aan zijn leven. Want oorspronkelijk was het de
bedoeling van de natuur de mens - net zoals de zogeheten dieren - één te
laten zijn met de natuur. Dat wil zeggen:
jagen-eten-neuken-rusten-jagen-eten-rusten. maar al snel bleek de mens een
anomalie van de natuur te zijn zodat het evenwicht tussen mens en natuur
verstoord werd. Met het resultaat zoals we dat na duizenden jaren
ontwikkeling kennen. We zijn al met zes miljard. De aarde is nog steeds
alleen. We kunnen niet uitzwermen naar andere planeten. Que faire. De
perverse mens wordt gek als hij geen nieuwe behoeften creëert die als
surrogaat dienen voor de zogeheten primaire verlangens. De mensen die een
nieuw equivalent vinden, kunnen gelukkig worden. Kunnen! Want ze moeten
die equivalenten ook nog consequent en volwaardig kunnen invullen. Dat is
de uitdaging van de 21ste eeuwse mens. Wie eraan voorbij gaat, wordt
depressief of krijgt kanker. Een en ander houdt natuurlijk in dat het
fysische (eten, warmte, veiligheid) nu plots wordt uitgebreid met een
geestelijke dimensie. De vraag is of onze hersenen daarvoor voldoende
groot en vermogend zijn want anders is algehele waanzin wereldwijd niet
uit te sluiten. Het kan ook zijn dat onze hersenen van de weeromstuit de
functies niet meer vervullen waarvoor de natuur ze pakweg 100.000 jaar
geleden bestemd heeft. Dat verklaart de vele nieuwe ziekten zoals de vele
kankers die vooral de westerse mens overspoelen. Het is geen kwestie van
slechte eetgewoonten - de voedselkwaliteit was nog nooit zo hoog als nu -
maar van een zekere ontoereikendheid van de hersenen om nog langer als een
centrale databank een lichaam te sturen en te controleren naar de normen
van een mens zoals ooit bedoeld door de natuur: een natuur-mens!
276. Lafaards leven van hoop (dinsdag 22 augustus)
Als het van Hendrik Komrijs afhangt, is morgen iedereen gelijk voor de
wet. Ook de dieren, de insecten en zelfs de bacteriën die niet kwaadaardig
zijn. Komrijs trekt met plezier de ethiek van Peter Singer door over de
behandeling van dieren en 'animal liberation' tout court. Op het moment
dat Komrijs dát denkt en neerschrijft in zijn Moleskine, zit hij in zijn
dertigjarige Constructam, netjes geparkeerd op de smalle parkingstrook van
de enige zeeweg in Raversijde nabij Oostende. Enkel die weg, twee
tramsporen en een zeedijk scheiden hem van de Noordzee, zijn absolute
thuisbasis als hij weer eens een nieuw boek schrijft voor zijn
coöperatieve uitgeverij Coop. Zijn bastaardhond - een asielgeval tussen
Duitse herder en boxer - verwarmt zijn blote voeten. Het is al zijn derde
hond dit jaar. Voor Komrijs geldt immers de leuze: geen boek zonder hond.
Op de oranje plastiek lichtkoepels van de caravan tikt de nacht een
deuntje. Zacht neuriet Komrijs mee, Rikketikketak, druppels op het dak,
regenen doet het buiten, druppels op de ruiten, terwijl in zijn
radio-cd-speler 'Goodbye Alice in Wonderland' van Jewel fluistert. Komrijs
kocht het muziekjuweel louter om de schattige zangeres die lieflijk op het
doosje, liggend op een zwart paard met halfwit hoofd, geportretteerd is.
Tussen het schrijven door kijkt Komrijs regelmatig naar het blonde wicht,
maar nog meer duwt hij het oranje gordijntje opzij om naar de zee te turen
die in mysterieuze duisternis is gehuld en van tijd tot tijd haar
neerslaande tanden laat zien. Komrijs kijkt zo lang tot het schuim van de
golven zijn lenzen heeft gevuld en schrijft dan verder aan zijn nieuwe
boek met werktitel 'Lafaards leven van hoop'. Naast hem ligt een stapel
vergeelde boekenbijlagen van Vrij Nederland uit de jaren tachtig. Komrijs
kreeg ze ooit van een doorgewinterde journalist die ook wachter is van de
Toren van Babel. De boekenbijlagen moeten Komrijs inspireren en dagelijks
kuiert hij er met zijn kruiwagen door en laadt alle woorden op die hij
denkt te kunnen gebruiken. Vaak blijft hij praten met figuren die hij nog
kent van 'toen' en nog vaker geraakt hij verstrikt in teksten die hij maar
niet gereduceerd krijgt tot een woord of vijf, zes, zeven. Het gebeurt ook
al eens dat Komrijs happend en snakkend naar frisse lucht uit zo'n
boekenbijlage moet vluchten. Een fikse wandeling met blote voeten door het
prikkelende zeewater brengt dan soelaas. Maar die nacht is het anders.
Plots zwaait de caravandeur open en een hijgende vrouw snelt binnen. Help
me, stamelt ze, Ik kom me verschuilen voor hem, waarop Komrijs uit pure
angst pen en boekje laat vallen op kop van de hond die dwaas ontwaakt,
drie keer blaft en dan van de weeromstuit omhoog springt, tegen de
onderkant van de tafel stuitert en weer neervalt op de voeten van Komrijs.
Doe het licht alsjeblieft uit en help me, smeekt een totaal ontredderde
vrouw op blote voeten, zonder broek en kale venusheuvel, een kapot gereten
wit T-shirt, bruine haren geklit op het hoofd en in het aangezicht geplakt
als modder op glas, terwijl Komrijs zijn eerste hulp bij nood en paniek
zoekt in een boekenbijlage, stamelt dat Suiker luxe was en suiker macht,
maar zich dan herpakt en kordaat kakelt Geen probleem, zet je. Daarop duwt
Komrijs het flauwe licht uit. De vrouw sluit de deur, ploft neer in een
zetel en piept dan angstig als een haas op de vlucht door een van de vele
caravanraampjes, Daar komt hij, siddert ze. Komrijs maakt eveneens een
millimeteropening met de gordijnen en ziet inderdaad een forse halfnaakte
man op de dijk tegen de wind inbeuken, schreeuwend en tierend alsof hij de
zee te lijf wil gaan. Dank je duizendmaal, legt de vrouw een hand op
Komrijs rechterbeen. 't Is niks, antwoordt Komrijs nerveus wanneer hij
weer naar de zeedijk kijkt en de losgelaten beer stilaan als een stip ziet
verdwijnen richting Oostende. Het gevaar is geweken, zegt Komrijs trots.
En nu, kijkt Komrijs de vrouw in het duister aan terwijl hij zijn hond
fors bij het nekvel grijpt om zijn ergste stress weg te masseren, waardoor
het beest niet kwijlt van genot, maar van pure ellende. Ik moet hem niet
meer, steekt de vrouw haar kinnetje omhoog. Mooi kinnetje overigens. Ik
wil hem nooit meer zien, de vuile smeerlap. Komrijs knikt begrijpend en
terwijl hij nog meer kwijl uit de bek van zijn hond wringt, wil hij toch
weten waar het schoentje precies knelt in haar relatie. Ik heb met die man
geen relatie, antwoordt de vrouw kordaat. Ik heb hem zopas ontmoet in een
café en we hebben even geneukt in zijn auto, maar hij wou meer. Nog meer,
trekt Komrijs zijn dikke lippen samen. Ja, nog meer, herhaalt de vrouw een
stuk van haar verhaal. En wat is meer, probeert Komrijs in zijn nieuwe
wereld te weten te komen. Hij wou dat ik met gespreide benen op zijn
versnellingspook ging zitten terwijl hij een kunstje zou uithalen. Pff,
sist Komrijs en maakt met zijn mond een torentje van lucht. De vrouw
zwijgt en gluurt nog even door een raampje naar de zeedijk. En toen,
wakkert Komrijs de story weer aan, totaal bevrijd van schrik, angst en de
verrassing plots een halfnaakte vrouw in zijn caravan op bezoek te hebben.
Ik wou helemaal geen kunstjes, zegt de vrouw die geen artiest wou zijn.
Dus jij op die pook, haalt Komrijk al zijn lef uit de kast. Ja, ik op de
hendel en toen startte hij plots de auto. De rotzak, zeggen Komrijs en de
vrouw bijna gelijktijdig. En toen ben je gaan lopen, wil Komrijs het
verhaal zelf afsluiten. Dat had ik wel gewild, maar die gek wou per se
een toertje maken. Hij rijden, ik schakelen met mijn. je weet wel,
fluistert de vrouw. Wat een volwassen naïviteit, puft Komrijs
intellectueel om zich heen terwijl zijn hoofd stilaan begint te lijken op
de rode planeet. Hij is dolblij dat er in zijn caravannetje geen lichtje
meer brandt want zijn gedaanteverwisseling zou de vrouw nog meer angst
inboezemen dan de hollende geweldenaar zelf. De hond ziet echter wel licht
schijnen, sterren fonkelen en partijen horoscopen voorbijschuiven want
Komrijs knijpt traag maar zeker de strot van het beest dicht.
Ongecontroleerde erotische emotie, wellust en brute geilheid nemen stilaan
bezit van hem en Komrijs kan zich maar met moeite beheersen om niet als
een storm op zee toe te slaan. Gelukkig hoeft hij niet achter het perverse
verhaal van de vrouw aan te hollen want ze stort zich nu volledig in haar
getuigenis, Ja, ik moest schakelen terwijl hij reed. Maar na een zeer
korte rit, grinnikt ze, zijn we met zijn Porsche van de dijk getuimeld en
in zee terecht gekomen. Gelukkig was de vloed nog niet compleet en kon ik
me met veel moeite langs het deurvenstertje naar buiten wurmen. Snikkend
gaat ze verder,daarbij aangemoedigd door Komrijs, Ga door, ga door. Ik
dacht dat hij verzopen was, maar toen ik al wadend door het water via een
pier weer op de dijk kwam, hoorde ik hem brullen als een leeuw dat hij me
zou vermoorden en kort daarna zette hij de achtervolging in. Ik heb gerend
als een hond zonder om te kijken en ik. ze valt nu huilend achterover in
de zetel en Komrijs neemt sussend over, En zo kom je dan bij mij terecht.
Ja, knikt de vrouw die haar gezicht nu verschuilt in haar frêle handen. Ja
ja, jammert Komrijs nog even verder terwijl hij de vrouw gadeslaat alsof
hij zodadelijk een diagnose gaat vellen over de situatie. Dan staat
Komrijs recht en laat de hond vallen als een lege zak. Doet een kastje
open en haalt er een deken uit. Heb je een hond, onderzoekt de vrouw de
neergeplofte schaduw. Ja, reikt Komrijs haar het deken aan, Maar vrees
niets hoor, hij bijt niet.
Wordt vervolgd!
275. Vrijdenkers (dinsdag 15 augustus)
Ook op die dag in het begin van de eenentwintigste eeuw schoof Pier Vermetel achter het bureau. Al jaren,
eigenlijk sinds hij ontslagen was en zijn vrouw haar eigen weg opgegaan was, bracht hij zijn dagen met
studie door. Hij dichtte, studeerde, las en polemiseerde zelfs met gezaghebbende professoren aan diverse
universiteiten. Maar die dag was hij moe. Gedachteloos snuffelde hij tussen boeken op tafel. Daar lag een
werkje tussen dat hij zich niet herinnerde. Hij pakte het op, sloeg het open en glimlachte omdat hij er
enkel goeds van had horen spreken. Hij begon te lezen, maar kort daarop riep zijn moeder, met wie hij
sinds enige tijd samenwoonde. Hij stond op, at en keerde pas de volgende dag naar zijn bureau terug.
Hij las verder, zijn glimlach betrok. De lovende woorden die hij over dit boek gehoord had, bleken in
het geheel niet te kloppen. Ook hier werd met minachting over vrijdenkers geschreven. Hij legde het
terzijde, wilde aan iets anders beginnen. Maar de aanblik van dat bandje, bracht hem iedere keer op
dezelfde gedachte. "Wat kon toch de oorzaak zijn dat zoveel verschillende mensen, intellectuelen en
anderen, zozeer geneigd waren en het nog zijn om in woord, geschrift en daad zoveel duivelse dingen
over vrijdenkers te zeggen en uiting te geven aan hun afkeuring voor de vrijdenker en het vrije-denken
an sich?" Terwijl hij hierover zat te denken (de ogen vol tranen, een boek van Leopold Flam voor zich,
het hoofd in de hand en de elleboog leunend op de knop van zijn stoel) zag hij opeens dat zijn schoot
wit werd, alsof de zon er op scheen. Hij schrok – dat kon niet – en keek op. Er stonden drie mannen
die hem vriendelijk toespraken. Na enige tijd stelden ze zich voor als Rede, Rechtvaardigheid en Recht
en gaven hem een opdracht: het bouwen van het Land der Vrijdenkers. Er werd tussen de vier mannen
nog enig overleg gepleegd en toen dat lang genoeg geduurd had, spoorde Baruch Rede, Pier aan om naar
het drielandenpunt te gaan. "Daar zal het Vrijdenkersland gesticht worden in een vallei en vruchtbare
landstreek waar alle vruchten gevonden worden, sprankelende rivieren vloeien en alle goede dingen
overvloedig in de bodem aanwezig zijn. Neem het houweel van je verstand, graaf diep!" Van Friedrich
Rechtvaardigheid kreeg Pier de raad mee om een vrijdenkerslexicon aan te leggen met alle vrijdenkers
uit de twintigste eeuw en hun werken te omschrijven in een gevat compendium. Tenslotte vroeg de derde
verschijning, Steve Recht, Pier om nooit te verzaken te schrijven wat hij dacht. Dag na dag, gedacht
na gedacht. "Het denken mag zich nooit onderwerpen, noch aan een dogma, noch aan een partij, noch aan
een vooroordeel, noch aan om’t even wat, maar uitsluitend aan de feiten zelf, want zich onderwerpen
betekent het einde van alle denken." Pier begon eraan en schreef een uiterst boeiend en sympathiek
boek, een soort encyclopedie in essay-vorm over de vooroordelen die er in de loop der eeuwen over
vrijdenkers bestaan hadden. Kleine portretten, markante observaties, bijtende commentaren over
uiteenlopende vrijdenkers als Vanini en Spinoza, Beverland en Flam, Baudrille en Levinas, Onfray en
Cliteur en nog duizend namen meer. Al met al een bolwerk waarop ieder trots kon zijn, opgebouwd uit
deugdzaamheid zo glanzend dat iedere vrijdenker er zich in spiegelen kan. Dat werd het Boek van het
Land der Vrijdenkers dat in 2022 verscheen en over het algemeen als het eerste echte ‘vrijdenkerstraktaat’
omschreven wordt.
274. Boodschap (dinsdag 8 augustus)
Eerste bedrijf
In 'Jeugdherinneringen' schrijft Camille Huysmans op bladzijde honderdtweeëndertig "Van al de filosofie op de
universiteit, heb ik maar één stelregel onthouden. De zedenleer van het christendom scheen mij vanzelfsprekend,
des te meer, daar ze gold voor alle volken en overal terug te vinden was. Maar Kant heeft indruk op mij gemaakt,
met zijn categorische imperatief 'Doe het goede ter wille van het goede, maar niet ter wille van een beloning,
noch van de mensen, noch van de goden. Doe wat u ziet als plicht tegenover uzelf, vervul die plicht vooral
wanneer u in de minderheid staat en wanneer de massa huilt en schreeuwt 'Stenig hem!"
Tweede bedrijf
In 'Mijn Kamp' noteert Aldof Hitler op bladzijde elf "Zoo was ook ik reeds in mijn prille jeugd in de gelegenheid
om deel te nemen aan den strijd der nationaliteiten in het oude Oostenrijk. Men collecteerde voor de Duitsche
scholen en voor de Zuidelijke provinciën, men gaf blijk van zijn overtuiging door middel van korenbloemen en
zwart-rood-goud, men groette met 'Heil' en zong liever het 'Deutschland über alles' dan het 'Gott erhalte Franz
den Kaiser', wat men ook mocht vermanen en straffen. Wij jongens waren daardoor reeds politiek geschoold op een
leeftijd, waarop een onderdaan van een zoogenaamden volksstaat meestal van zijn volkseigenheden weinig meer kent
dan de taal. Dat ik reeds destijds niet tot de onverschilligen hoorde, spreekt vanzelf."
Derde bedrijf
In 'Discorsi' (Gedachten over Staat en Politiek) haalt Niccolò Machiavelli aan dat "Een republiek of rijk daarom
niet gediend is met een heerser die wijs regeert zolang hij leeft, maar met een heerser die zijn rijk zo
organiseert dat het na zijn dood blijft voortbestaan. Weliswaar krijgt men een nieuwe wet of visie het
makkelijkst aanvaard door primitieve mensen, maar daarom is het nog niet onmogelijk om die ook aanvaard te
krijgen door mensen in een ontwikkelde samenleving, die zichzelf niet primitief achten. De Florentijnen achten
zich dom noch primitief; niettemin wist fra Girolamo Savonarola hen ervan te overtuigen dat hij in contact
stond met God. Ik zal mij er niet over uitlaten of dat waar was of niet, want een groot man als hij dient met
respect bejegend te worden; maar in ieder geval is het zo dat talloze mensen dat geloofden, zonder dat ooit
een bijzonder teken hen in die overtuiging had geven sterken; want zijn levenswandel, zijn kennis van de
christelijke leer en de boodschap die hij uitdroeg, waren voldoende om hen te oevertuigen. Laar daarom niemand
bang zijn dat hem niet lukt wat anderen wel lukte, want mensen zijn altijd op dezelfde manier geboren, gevaren
en gestorven."
De boodschap
Op bladzijde honderdenzes in de 'Essays' van Michel de Montaigne "Wat dit betreft kent ieder kind het verhaal
van koning Croesus die, door Cyrus gevangen genomen en ter dood veroordeeld, vlak voor zijn executie uitriep:
'O, Solon, Solon!' Toen Cyrus dit te horen kreeg en vroeg wat het te betekenen had, legde hij uit dat hij
jammer genoeg nu pas begreep hoe juist de waarschuwing was die Solon hem eens had gegeven, namelijk dat je
geen mens, hoezeer de Fortuin hem ook toelacht, gelukkig mag prijzen eer zijn laatste levensdag is verstreken.
Want het lot van de mens is onzeker en onbestendig en door het minste of geringste kan zijn leven een heel
nieuwe wending nemen. Daarom zei Agesilaüs tegen iemand die de Perzische koning gelukkig noemde, omdat deze
al heel jeugdig zo'n machtige positie innam: 'Ja, maar Priamus was op die leeftijd ook niet ongelukkig.' Zo
werden vorsten van Macedonië, opvolgers van Alexander de Grote, timmerman en griffier in Rome, en tirannen
van Sicilië onderwijzer in Korinte. En een man die als bevelhebber over tal van legers de halve wereld had
veroverd, heeft een stel luizige dienaren van een Egyptische koning om genade gesmeekt: dat was de prijs die
de grote Pompeius moest betalen om vijf, zes maanden langer te mogen leven. En onze vaders hebben meegemaakt
hoe Ludovico Sforza, de tiende hertog van Milaan, die zo lang de drijvende kracht van heel Italië was geweest,
stierf in een gevangenis in Loches, en wel nadat hij (wat nog het ergste was) daar tien jaar had gezeten. En
is kort geleden de zo mooie Maria Stuart, weduwe van de grootste koning van de christenheid soms niet
omgebracht door de hand van de beul? En zo zijn er wel duizend voorbeelden te geven. Want zoals storm en onweer
onze trotse verheven bouwwerken teisteren, zo lijkt het wel of daarboven geesten zijn die het op alle aardse
grootheid hebben voorzien."
273. vakantie (dinsdag 1 augustus)
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie vakantie
272. Stront (dinsdag 25 juli)
Tuba podex est, de aars is een trompet
"Wenen, 4 juli - 19.20 uur. Het is altijd gênant om erover te spreken of
te schrijven, maar zopas heb ik sinds weken prachtig en voldaan gescheten.
Een mooie hoop stront waar elke hond trots zou op zijn. Dat het precies in
Wenen gebeurt, hoeft niet te verwonderen. Mozart, de bergen, vakantie... wie
schijt beter? Het is opmerkelijk dat over stront zo weinig geschreven
wordt terwijl het aarsproduct millennia lang de basis is van een
vruchtbare tuin. Met tonnen wordt stront op weilanden en akkers gegooid
met een weelderige flora tot gevolg. Er zijn in de jaren negentig zelfs
plannen geweest om massa's stront via schepen naar Rusland te brengen om
ook daar de intensieve landbouw te laten zegevieren. Zodoende ambieert
iedereen de edelste gewassen te eten die in stront gedrenkt worden. De
hypocrisie voor stront wordt door de mens echter niet anders gedragen dan
voor andere humane producten. In het boek De Aarde van Emile Zola komt dat
prachtig tot uiting wanneer het verhaal de ronde doet dat de weduwe
Marianne Fouan, die de bijnaam de Lange heeft, stiekem in haar moestuin
gaat schijten om haar groenten te laten groeien en bloeien. Op de
wekelijkse markt schuwt men echter haar prachtige prei en selder. Neen,
dan liever aardappelen en kolen die sappig gemaakt werden met de stront
van varkens en koeien. Stront! Het beheerst ons leven, maar wij willen
enkel maar het eten cultiveren." (Uit Dagboek Leopold Laarmans A6/12 -
2006)
In maart 2006 verscheen Komrij's Kakafonie, een Encyclopedie van de
stront, bij De bezige Bij (29,901 euro). Stront, schijt en kak zijn de
meest voorkomende woorden in Komrij's encyclopedie die hij schreef omwille
van onbegrip. "Hoe is het mogelijk dat iets dat zo menselijk is en zo'n
elementair deel uitmaakt van het bestaan, wordt stilgezwegen, van de baan
geschoven en verbannen tot dat waarover men niet hoort te spreken eens men
de leeftijd van zes jaar gepasseerd is," vertelde Gerrit Komrij graag in
interviews waarin hij ook al eens toegaf dat hij een petomaan is, maar wel
één met een bescheiden instrument. Daardoor lukt het hem niet om het
volkslied te 'scheten'. Volgens sommige recensenten is het boek helemaal
geen encyclopedie maar hoogstens een cultuurstudie waarin dan nog een
heleboel strontitems - zoals bij coprofagie de link naar stront in yoghurt
- vergeten zijn, ondanks dat Komrij er prat op gaat dat hij geput heeft
uit bronnen die tot dertig-veertig jaar teruggaan. Maar voor een leek
bevat Kakafonie een overdosis scatologie en is het een vergaarbak van
krantenartikels, gedichten, versjes, spreuken, romanfiguren,
woordenboeklemma's, cartoons (Gummbah en Kamagurka), wetenschappelijke
classificaties... die verwijzen naar het bruine goedje. Uiteraard ontbreken
in de literaire lijst de namen niet van Rabelais, Cervantes, De Sade en
uit de nieuwe tijd Komrij zelf, Jeroen Brouwers, Herman Brusselmans en
Connie Palmen. De ode aan de stront - fecaliën voor beleefde kakkers - is
dus redelijk behoorlijk en vrolijk én vooral een taboedoorbrekend werk dat
het ware gezicht van de mens laat zien. Komrij: "Stront is schandalig en
toch giert iedereen om een scheet. Zo veroordelen we onszelf tot
hypocrisie. Zolang dit strontboek in de Nederlandse literatuur ontbrak was
de Nederlandse literatuur niet volwassen. Met dit boek wordt de laatste
handicap genomen. De laatste drempel van de moralisten is nu geslecht."
In de Vlaamse kranten komt het woord 'stront' in berichten tijdens het
laatste jaar - terugtellen vanaf 23 juli 2006 - het meest voor in De
Morgen (50 keer) en het minst in Het Volk (0 keer). De cijfers van de
overige kranten in de top 'stront': Het Nieuwsblad (30), Het Laatste
Nieuws (24), Gazet van Antwerpen (22), De Standaard (19), Het Belang van
Limburg (14), De Tijd (6) en Metro (2). Een drollige universitaire studie
zou eens kunnen onderzoeken wat het verband is tussen het gebruik van het
woordje 'stront' en de graad van 'hypocrisie' bij de Vlaamse kranten.
271. Intermezzo V (dinsdag 18 juli)
De lange hete zomer
Dinsdagmorgen, vijf uur. Eindelijk fris. Het is zelfs té fris om in bloot
bovenlijf buiten te lopen langs dorre planten en uitgeputte bomen.
Heerlijk dat kippenvel! De zon kan daar niets aan veranderen. Op dit uur
van de dag zorgt ze enkel voor licht. Vanaf negen uur zal ze ook vandaag
opnieuw zorgen dat het té warm wordt. Belachelijk warm voor een doorsnee
Belg. Enkel Afrikanen, Zuid-Amerikanen en Zuidoost-Aziaten blijven lachen
bij 36 graden onder een boom. Voor alle anderen is de zon moordend en die
vernietigende hitte geeft de hypothese vleugels dat de Maya's ooit van de
wereldkaart verdwenen door de aanhoudende droogte! Als je ziet wat enkele
weken zomeren al doet met mijn moestuin in Berbroek, dan mag je verwachten
dat drie jaar zon en zonder regen een heel volk uitmoordt. Mijn
aardappelplanten zijn gaan liggen om nooit meer recht te staan. Geel en
verlamd hebben ze de strijd opgegeven. De ajuinen zijn vroegtijdig gestopt
met groeien en zijn in de grond al beginnen drogen in plaats van te
wachten tot ze gerooid zijn. Twee van de drie bessenstruiken hebben de
geest gegeven nadat ze een karrenvracht aan vruchten hebben opgeleverd. De
aardbeienplanten die andere jaren massaal jonge scheuten voortbrachten,
zijn stil als Stille Nacht en hebben alle krachten nodig om nog enkele
uren te overleven. De zonnebloemen van mijn zoon draaien zelfs hun hoofd
niet meer om. Ze blijven gericht naar het oosten en hebben niet de minste
ijver om één graad met de zon mee te draaien. Vanwaar zouden ze de moed
wel moeten halen? De zanderige grond in Berbroek is zo leeg als de
vogelnesten die her en der zichtbaar worden in de slappe struiken. Het
water dat ik in mijn moestuin giet, zakt onmiddellijk door tot het aan de
andere kant van de aarde. Mijn jonge sappige sla van enkele weken geleden
is niet meer dan een vodje groen dat zelfs op de tonen van Rachmaninoff
niet meer beweegt. Witte en rode kool houden nog even stand, maar je ziet
zo aan hun bladeren dat ze de strijd om een bol voedsel aan het verliezen
zijn. Ondanks de emmer water waarin ze dagelijks mogen stoeien. Enkel de
tomatenplanten houden stand. Dankzij zéér intensieve landbouwtechnieken en
gevulde waterflessen aan de voet van de stam én. er veel mee te praten.
Zoals ze tegen veel renners moeten doen opdat ze niet zouden 'afstappen'
in de Tour de France. Neen, in mijn tuintje is het maanlandschap niet ver
meer af. Er moet geen Apollo 13 langskomen om dat vast te stellen. En toch
is deze plantenellende een lachertje met wat oudere en zieke mensen moeten
doorstaan. Trouwens, niet iedereen kan zich airconditioning veroorloven.
Heel wat oudjes kruipen weg in hun huizen achter gesloten deuren en
vensters. Maar ook heel wat ziekenhuizen zonder airco moeten zich behelpen
met deuren en vensters op een kier. En onder de dakpannen wordt het nooit
koel. Wie vandaag in het ziekenbed gekluisterd ligt, ligt al in het
vagevuur. Die lange mooie zomer is een hel! Wie geroepen heeft op schoon
weer, zit nu op zijn blaren. Moet 's nachts gaan leven. Het leven
omgooien. Van 's morgens negen tot 's avonds negen rusten en slapen op de
sofa en de overige uren van het etmaal tot leven komen. Het is niet
gemakkelijk het leven zo ineens te veranderen, maar wie wil overleven,
moet zich aanpassen. C'est la vie! Wie zich gedraagt zoals de planten in
mijn moestuintje - nolens volens - is eraan voor de moeite. Misschien niet
vandaag of morgen, maar als de zon blijft schijnen, barsten ze vroeg of
laat zoals de kruik te water. Bwa, de lange hete zomer mag er eigenlijk
alleen maar zijn in broeierige films of als je op vakantie gaat. Ergens
ver weg, maar nooit bij je thuis. Daar moet de zon alleen maar zorgen voor
licht, véél licht!
270. Intermezzo IV (dinsdag 11 juli)
NIEMAND WEET HET
Een surrealistisch verhaal
Alexander wandelde met forse tred op een groene heuvelrug in Moravië. Zo ver hij kon zien was het landschap
groen, lichtgroen en donkergroen. De hemel was blauw. Al lachend trachtte hij op een denkbeeldige
scheidingslijn van de verschillende kleurschakeringen te lopen. Dat ging aardig en terwijl hij die
evenwichtsoefening deed, dacht hij aan een mooi gedicht van Herman Hesse en zonder dat hij het echt wou,
zei hij de eerste strofe van Melodie op: Liegt irgendwo ein wildes Meer; Und rauscht empor an steilen
Ländern; Dort treibt der Sturm ein Schiff umher; Mit roten Fahnen und bunten Bändern. Hij schrok een
beetje van zichzelf dat hij zonder één seconde te twijfelen dat zomaar kon. Naast hem liep plots een
eekhoorntje. Jij kan mooi gedichten opzeggen, zei het elegante diertje. Ja, zei Alexander, Ik hou van
Herman Hesse en ik ken zevenenveertig strofen van de Duitse dichter uit mijn hoofd. Het eekhoorntje
stopte even en trok aan Alexander’s mouw. Zevenenveertig, herhaalde het eekhoorntje. Ja, zei Alexander
trots en stapte flink verder. Ga je naar Pilastern, vroeg het eekhoorntje. Misschien, antwoordde
Alexander, Misschien als ik violette rozen tegenkom, anders zal ik in Randern gewoon linksaf slaan en
naar Augen gaan. Mag ik dan mee, keek het eekhoorntje Alexander smekend aan! Alexander stopte en knikte.
Maar natuurlijk mag jij mee. Mogen mijn vriendjes ook mee, spande het eekhoorntje zijn gezicht aan met
een mond tot ver achter zijn oren. Alexander lachte hardop toen hij zag dat reeds zes andere eekhoorntjes
achter hem aanliepen. Maar natuurlijk, zei hij, Hoe meer zielen hoe meer vreugde.
Hoe is je naam, vroeg Alexander. Al mijn vrienden herkennen mij als Anklang, zei het eekhoorntje, maar
liever was ik Niemand geweest of Kraft. Ach, je moet niet treuren, suste Alexander. Mij hebben ze
Alexander genoemd en ik ben daar best tevreden over. Dat is een erg mooie naam, keek het eekhoorntje
Alexander aan. Anklang is ook een zeer mooie naam, pinkte Alexander een oogje naar zijn metgezel. Trots
liepen ze samen verder met in hun spoor zes zwetende eekhoorntjes die voortdurend naar de hemel staarden
en constant van de vliegen snoepten die boven hun hoofd mee vlogen. Uren liepen ze zo verder terwijl de
zon op hun hoofden brandde. Even lang hadden ze gezwegen en helemaal niets meer gezegd. Zowel op het
gezicht van Alexander als dat van Anklang hing een glimlach die met geen wind ervanaf te waaien viel.
Op de dertiende heuvelkam doorbrak Anklang plots de stilte. Ik moet je iets bekennen, riep het
eekhoorntje luid. Een kreet in de groene stilte! Dat was even schrikken. Alexander struikelde en
kwam al rollend over het gras meters verder tot stilstand en terwijl hij daar lag, schaarde iedereen
zich rondom hem. De zes eekhoorntjes vormden een kring rond Alexander en Anklang wandelde nerveus op
en neer. Mij iets bekennen, keek Alexander aarzelend naar Anklang! Verlegen rolde Anklang een stukje
grasmat van de aarde zodat een rotsblokje vrijkwam waarop hij ging zitten. Hij trok aan een piepklein
hazelaartje dat pal naast de steen stond en wreef erover tot het een flinke struik werd. Anklang gaf
het teken en alle eekhoorntjes sprongen elk op een tak terwijl ze de hazelnotentrossen begonnen te
verorberen. Dankzij de enorme struik lag Alexander lekker in de schaduw. Hij rolde op zijn rug en
keek Anklang aan. Wat wil je bekennen, zei hij toen. Anklang slikte. Ik heb voor het eerst in mijn
leven een droom gehad. Alexander veerde recht. Een droom! De zes eekhoorntjes lieten de hazelnoten
uit hun pootjes vallen en herhaalden in koor Een droom!
Alexander was intussen met zijn rug tegen de hazelaar gaan zitten met zijn hoofd tussen zijn knieën
terwijl Anklang zenuwachtig de struik in en uit wipte, er dan omheen holde om uiteindelijk en al
masserend over de kale schedel van Alexander naast hem neer te ploffen zitten. Gaat het, probeerde
hij het ijs te breken. Maar Alexander bleef dat ene strofe maar herhalen. Der Tag ist um; schon wird
die Ferne trüber, Der glatte See erglänst in schwerem Rot, Geschmückte Barken gleiten mir vorüber;
Gesang wird laut… Wann rasten wir, mein Boot? Ik weet het, probeerde Anklang het gesprek weer op gang
te trekken, Maar de droom overkwam me nadat ik paragraaf zesenzestig van Kierkegaard had gelezen.
Welke paragraaf van Kierkegaard, trok Alexander zijn hoofd tussen zijn knieën vandaan. Zesenzestig,
fluisterde Anklang. En hoe ging die, fronste Alexander de wenkbrauwen. Anklang kuchte even en ging
dan van start. Ook jullie, mijn lucida intervalla, moet ik voorlopig in de steek laten, en jullie,
mijn vele gedachten die er in mijn hoofd gevangen zitten, ik kan je niet meer toelaten fijne
wandelingen in de koele avond te maken. Maar verlies de moed niet, leer elkaar beter kennen, ga veel
met elkaar om, want ik zal me toch nog wel eens kunnen permitteren af en toe eens bij jullie binnen
te wippen - au revoir… In de stille heuvels van Moravië was het nooit stiller geweest dan nu!
Alexander hield zijn ogen op Anklang gericht, die op zijn beurt zijn hoofd liet zakken tussen zijn
knieën. De zes eekhoorntjes in de hazelaar zaten intussen samen in het kruin van de struik en vormden
op een eigenaardige manier een piramide. Pas toen Alexander de bevrijdende woorden sprak Vertel je
droom Anklang, bewogen ze elk weer naar hun tak om in kleermakershouding het verhaal van de droom van
Anklang mee te maken. Spontaan zette Alexander zich ook in deze mediterende houding en Anklang stond
recht om als in een theater zijn voordracht te geven.
In een adem vertelde Anklang zijn droom. Een man, in zwart gekleed, van top tot teen – zwarte hoed,
zwarte lange jas, zwarte jeans, zwart hemd, zwarte spitse schoenen met veters – wijzigt plots zijn
wandelrichting op het trottoir van de lange avenue en belt, zo lijkt, lukraak aan op nummer 66.
Weinig tellen later gaat de deur krakend open en in de deuropening verschijnt een vijftiger in maatpak,
met een modieus brilletje op, glad geschoren en met een opzichtige gouden halsketting. De man in zwart
plaatst zich daarop in militaire houding, richt zich tot de bewoner van het pand, en zegt dan in keurig
Duits Liegt irgendwo ein Wildes Meer? Waarop de bewoner zijn gezicht vervormt in een vraagteken en
eerder mompelt dan antwoordt U zegt? Maar de man in zwart vervolgt zijn poëtische zin Und rauscht
empor an steilen Ländern, Dort treibt der Sturm ein Schiff umher terwijl hij traag, behendig maar
zeker naar de opening van de deur oprukt. De bewoner duwt de vreemde hard naar buiten terwijl hij
begint te schreeuwen Hij verliest zijn bril. Hallo man, wie ben je, wat wil je? Zeg eens…Het heeft
geen zin. De man in het zwart is sterk en stormt als een rugbyspeler vooruit, wint veld en gaat vlot
door de deuropening heen, praat daarbij intonatieloos verder Goedenavond meneer en excuseer dat ik je
zo laat in de avond lastig val, maar bent u een pedofiel? terwijl hij een vrouw – half naakt, half
mooi – ziet aankomen snellen met een mes in de hand. Een broodmes. Al bevend gilt de vrouw op een
meter afstand van de worstelende mannen dat ze zal steken als ze niet ophouden. De man in zwart lacht
hardop en plant nu een ellenlange dolk in het oog van de vijftiger. Die valt huilend en milliseconden
later dood neer op de grond terwijl het bloed als een fontein het portaal rood kleurt. De vrouw gooit
het broodmes in de lucht en loopt al strompelend en kotsend weg. Ze wil door de keukenvenster de tuin
inspringen maar blijft halverwege de dubbele thermische venster steken terwijl één borst en een arm
letterlijk worden afgesneden door de amorfe zandkristallen. Eén gil en dan niets meer. De ogen open,
starend naar Waarom. De man in zwart duwt met één vinger tegen de geklemde vrouw in het venster die
dan zoals in een vertraagde film levenloos neerploft in het gemillimeterd tuingras. Hm, zegt de man
in zwart. Hij kleedt zich uit en springt in het openluchtzwembad dat enkele meters verder dan de
gastvrouw ligt. Zoet vrouwenbloed kleurt druppel na druppel het badwater rood, maar het zal nooit
voldoende zijn om het blauwe water te metamorfoseren naar een rode zee. Op zijn rug zwemmend, zingt
de man in zwart onverstoord Dort treibt der Sturm ein Schiff umher, Mit roten Fahnen und bunten
Bändern.
Stilzwijgend stond Alexander recht en borg de steen en de hazelaar weer op in het landschap. Rolde de
grasmat erover en begon opnieuw te wandelen. Naast hem liep Anklang die onafgebroken en stilzwijgend
naar hem keek. De andere zes kompanen liepen nerveus achter het duo aan. Het was in Randern dat
Alexander weer sprak. Ik zal je helpen, keek hij Anklang aan. Lees dit boek van Graham Greene. Hij
plukte het boek zo van de grond. Op het boek hing een sticker I’m Free. I’m not lost! Please pick me
up, read me, and help me with my journey! Bookcrossing.com… Maar wat moet ik met dit boek? stamelde
Anklang. Lees het op weg naar Augen. Maar gaan we dan niet samen? staarde Anklang Alexander aan. Je
hebt toch geen violette rozen gevonden en dus kan je toch niet naar Pilastern stappen. Ik ga toch,
antwoordde Alexander kordaat. Lees dit boek Der stille Amerikaner. Daarop kuste Alexander het
eekhoorntje drie maal, wendde zich dan naar de andere zes en vroeg ze goed voor Anklang te zorgen.
Die had intussen het boek al open geplooid en de eerste zinnen gelezen Mit den Menschen, wie sie nun
mal waren, mochten sie kämpfen, mochten sie lieben, mochten sie morden: ich wollte nichts damit zu
tun haben... Anklang keek op en door zijn oogjes bedekt met een dun laagje twijfelvocht zag hij
Alexander meer en meer een stip aan de horizon worden.
Top
|
|