|
|
|   |
Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 190 t.e.m. 199
199. Mozart (Dinsdag 1 maart)
Op een straathoek in Wenen
Evgeny: "De schitterende aura van de vorst infantiliseert het land doordat ze leidt tot een ongezonde fascinatie
voor het doen en laten van de koninklijke familie, de kinderen, de bedienden, hun grillen en elke banale handeling
of uitspraak."
Fédérico: "Mooi, van wie heb je dat?"
Evgeny: "Van Polly Toynbee, een journaliste bij The Guardian. Zij schreef een kritisch bericht over de tirannie
van de monarchie."
Fédérico: "Hm, maar heb je nog iets gehoord van Mozart? Ik zag hem gisteren heel even in Schikaneders
Freihaustheater auf der Wieden. Nadat hij 'Die Maurerfreude' heeft opgevoerd in Praag, lijkt hij moeilijker
bereikbaar dan ooit. Op welk ei zit hij nu weer te broeden?"
Evgeny: "Hij heeft het ontzettend druk. Hij voltooit momenteel 'Die Zauberflöte'. Hij zal overigens de première
zelf dirigeren."
Fédérico: "Zijn er ook weer sporen te vinden van de vrijmetselarij. Of van zijn getalenteerde muziekpraktijk
om op bekende melodieën als kerkelijke hymnen en volkse liederen nieuwe teksten te schrijven, zodat ieder
logelid in staat is het lied te zingen zonder voorbereiding of enige kennis van muzieknotatie?"
Evgeny: "Ach Fédérico, hij is tenslotte zelf een vrijmetselaar. Bovendien is die kunstgreep toch gemeengoed en ja,
ook in 'Die Zauberflöte' zitten opnieuw sporen van deze muziekpraktijk. En als je wil weten in welk fragment,
dan moet je maar eens goed luisteren wanneer Papageno en de beide gewapende mannen de melodieën zingen van de
lutherse koralen. Ben je nu tevreden met dit geheimpje?"
Fédérico: "Pff, ik had het anders toch geweten als ik de weblogs zou geraadpleegd hebben. Daar schrijven ooggetuigen
hun eigen ervaringen op en beschrijven ze de omvang van de gebeurtenissen. En je weet dat Mozart zo populair is
dat onmiddellijk na elke repetitie de internetgebruikers de blogsites en weblogs bespelen. Net zo handig als
Mozart zijn piano."
Evgeny: "Ik vraag me alleen af hoe nieuw en waarachtig de complottheorieën en mythen zijn die op de weblogs
gecreëerd worden."
Fédérico: "Ach liefje, weblogs verspreiden enkel nieuws. De blogs vormen een nieuwe uitdaging voor de traditionele
journalisten. Bovendien zijn geruchten altijd al heel bepalend geweest voor de manier waarop mensen praten of
denken over bijvoorbeeld... Mozart zijn leven en werken. Pff, alleen gebeurt dit niet meer op café, maar op een
on line medium met een potentieel van miljoenen lezers. Blogs werken trouwens ook zelfregulerend. Vermits ze
interactief zijn, kan er meteen op gereageerd worden."
Evgeny: "Het is al goed Fédérico. Je zal wel weer gelijk hebben. Maar zeg eens. Heb je nog iets vernomen van je
boek dat je te vondeling hebt gelegd aan het orgel van de Stephansdom?"
Fédérico: "Neen. Maar ik heb nu wel mijn eigen 'bookcrossingssite' zodat een mogelijke vinder van mijn boek
niet meer een briefje moet opsturen over zijn 'ontdekking', maar gewoon kan e-mailen. Dat moet de drempel toch
drastisch verlagen om eventueel kennis te maken met mijn boekeninitiatief."
Evgeny: "Welk boek heb je nu als te vinden leesvoer aangeboden?"
Fédérico: "Filosofie voor de zwijnen van Klaas Rozemond. Het is een hoogst opmerkelijk boek over het geluk van
dier en mens. Het is voorzien van leuke tekeningen van Jet Nijkamp en er zitten enkele gedichten in van Co
Woudsma. Ja, wie het vindt, zal in zijn nopjes zijn."
Evgeny: "Als het zo'n prachtig boek is, is de kans groot dat de eerste vinder het op zijn beurt niet meer te
vondeling zal leggen. Denk je niet?"
Fédérico: "Dan hoop ik tenminste dat hij het meldt aan mij. Maar in geen enkel geval zal ik treuren. Ik moet
dringend 'ontzamelen'. Ik heb nog zeker 1.000 overtollige boeken die ik via deze verrassende manier wil verspreiden.
Totnogtoe heb ik dertig reacties van overige 'vinders' die me feliciteren met mijn initiatief. Eentje woont
zelfs in Parijs en heeft me uitgenodigd. Hij vond een van mijn boeken tijdens een toeristische uitstap en koestert
het nu als een authentiek souvenir uit Wenen. Dat zijn toch leuke dingen voor de mensen, Evgeny. Zeg zelf. Waarom
leven we anders?"
Evgeny: "Ja, dat zou ik wel eens willen weten. Wij leven nog ja, maar al die mensen die na ons komen. Hoe zullen
die moeten leven?"
Fédérico: "Wat bedoel je Evgeny?"
Evgeny: "Ach, laat maar."
Fédérico: "Neen. Vertel het!"
Evgeny: "Mm, ik las daarstraks in de nieuwe National Geographic en raakte onthutst door een bijdrage over de aarde
die 4,6 miljard jaar oud zou zijn."
Fédérico: "Ja, en dan? De aarde is halfweg en wij zijn maar tijdelijke passagiers zoals Gorbatsjov ooit zei."
Evgeny: "Het bericht verwoordde in mensentaal wat die onbevattelijke tijdspanne eigenlijk betekent. En daar
werd ik niet zo goed van."
Fédérico: "Kom op met die interpretatie!"
Evgeny: "De schrijver vergeleek de ouderdom van de aarde met die van een mens van 46 jaar oud. En dan komt het."
Fédérico: "Ja, ik luister."
Evgeny: "Over de eerste zeven jaar weten we compleet niets. Over de latere periode een heel klein beetje. We weten
slechts dat de aarde pas op zijn 42ste jaar tot bloei kwam. De grote reptielen - 'Platvoet en zijn vriendjes',
weet je - verschenen pas een jaar later. De zoogdieren zijn slechts acht maanden oud en halverwege de vorige week
ontwikkelde zich uit de mensaap de aapmens. Het afgelopen weekend beleefde de aarde de laatste ijstijd en de moderne
mens is pas vier uur aanwezig op aarde en heeft nog maar een uur geleden de landbouw ontdekt. Een minuut geleden
vond de Industriële Revolutie plaats en tijdens de laatste zestig seconden heeft de ultra moderne mens zijn kans
mooi gezien om het paradijs te metamorfoseren in een vuilnisbelt. En nu komt het: de mens is in aantal toegenomen
als een plaag en is verantwoordelijk voor het uitsterven van duizenden soorten én plundert de planeet in die mate
dat hij straks zo kaal zal zijn als Mars. En dat alles, Fédérico, is te veel voor mij. Ondanks de mooie muziek van
Mozart kan ik er niet meer tegen."
Fédérico: "Ach, pruil maar niet, mijn liefje. Mozart zal er beslist een nieuwe opera over maken. En de mensen zullen
luisteren en genieten van zijn hemelse klanken. Misschien verandert er dan wel iets. Misschien is het allemaal nog
niet te laat. We hebben nog enkele miljarden jaren voor de boeg om het goed te maken."
Evgeny: "Soms Fédérico, soms zou ik willen dat God bestaat. Ik zou dat zo zeer willen als ik elke morgen de zon zie
opkomen, de volle maan zie schijnen en de sterren zie fonkelen."
Fédérico: "Troost je Evgeny. Als God niet bestaat of de natuur zelf is, zal hij zorgen dat er weer evenwicht komt
alhoewel de aarde nooit uit evenwicht is geweest. Er ontsnapt niets van op de aarde in de onmetelijke ruimte. Alleen
halen de mensen een en ander deftig door elkaar. Herschikken ze voortdurend de bouwstenen zoals kinderen die in een
zandbak spelen. Ik weet niet of de aarde daarvan wakker ligt. Zolang we met ruimteschepen niet massaal materie
wegbrengen, is er volgens mij geen vuiltje aan de lucht. De aarde houdt al zijn atomen vast. Er verdwijnt er
geen één. Zelfs de vaste atomen in stookolie die sublimeren als roetdeeltjes in de atmosfeer blijven zweven in de
schoot van Moeder Aarde. Ze vliegen niet stiekem naar de Maan of Venus. De vraag is Evgeny, of wij als mensen in
een natuur kunnen blijven leven die we te snel veranderen van samenstelling. Kunnen we door de pollutie met minder
licht overleven? Kunnen we door de verontreiniging met almaar minder zuurstof blijven ademen? Kunnen we blijven
voorzien in ons dagelijkse en broodnodige water? Zullen we genoeg voedsel genetisch kunnen manipuleren om al die
miljarden zielen van voedsel te blijven voorzien? En de hamvraag is of we als mens anatomisch en fysiologisch
snel genoeg kunnen evolueren naar een ander soort mens - met aangepaste organen - om in onze nieuwe gecreëerde
wereld verder te kunnen leven."
Evgeny: "En dan is er hoop?"
Fédérico: "Ja Evgeny, dan is er hoop. Zolang wij echte mensen blijven - niet te veel nanotechnologie, dus - is
er hoop. En de hoop die ik je nu wil influisteren, komt van Mozart zelf want ik heb kaartjes voor zijn 'Parijse
Symfonie' gekocht. Je weet wel, dé symfonie die al zijn vroegere symfonieën overtreft."
Evgeny: "Oh Fédérico, je bent een schat. Laten we ons haasten naar de 'Staatsoper'. Ik hoor al bijna de fluiten,
hobo's, klarinetten, fagotten, hoorns, trompetten en pauken. Ik zie de kleurrijke strijkers al wachten op het
teken van hun meester, Mozart. Een meester met respect voor elke noot van het leven. Als mensen eens noten
werden in de partituren van Mozart, Fédérico, zouden we dan betere mensen zijn?"
Fédérico: "Misschien Evgeny, misschien."
198. Manifest (Dinsdag 22 februari)
Manifest voor het boek
Als je boeken niet kan lezen zonder kantlijnen te maken, zijn ze waardeloos. Als je de inhoud van boeken niet
kan verwerken in een eigen tekst, dan zijn ze nodeloos. Als je een boek van a tot z moet uitlezen om er iets
aan te hebben, is het geen waarachtig boek, maar een tijdverdrijf. Een boek is een levend ding dat je moet
koesteren met je hart. Elk boek verdient het van tijd tot tijd in de handen te worden genomen. Elk boek moet
regelmatig geraadpleegd worden en zo niet, droogt het uit zoals een niet gevoede waterplas en blijft er enkel
een omhulsel zonder inhoud over. Wie een boek koopt, moet zich daarvan bewust zijn want anders gaat de
betrokkene dezelfde weg op als een mensenhandelaar of een dierenbeul. Het begint met het stelen van
tsunamikinderen en voor je er aandacht aan schenkt, worden ze verkocht op een markt in Indonesië. Het begint
met papegaaienliefhebberij maar voor je het weet worden de kleurrijke pluimachtigen gekooid en gesmokkeld
naar Monaco. De vergelijking is overdreven en toch weer niet. Een mensenhandelaar ontziet geen mens en alles
wat menselijk is, is hem vreemd. Een dierenbeul verwaarloost dieren en ziet een beest als kapitalistische
handelswaar zoals olie of genetisch gemanipuleerde maïs. Maar net zo zijn er mensen die boeken verwerpelijk
vinden of indien ze er toch enkele bezitten, het boek nooit aandacht geven en het op een goeie dag bij een
willekeurige papierslag in een propvolle container kegelen.
Wie niet met boeken kan omgaan, blijft er beter af en zet zich 's avonds maar gemakkelijk voor de televisie
en zapt van de ene naar de andere debielcultuur. Het digitale tijdperk kondigt zelfs een exponent van ziekelijk
vermaak aan op televisie zodat luiaards en kierewieten 24 uur op 24 ei zo na wulps in het plasmascherm kunnen
kronkelen en zodoende meedoen aan de waanzin van menselijke ontucht en verwerpelijke dolce vita. Aan deze
afgeweken soort mens is geen boek besteed. Zelfs geen stationsromannetje waarin met veel poeha de ene slet
na de andere de ene na de andere lul verslijt. Elk boek heeft zijn betekenis met een eigen identiteit en
heeft ergens ver weg op aarde een eigen boom waaruit het sap is gekneed om blad na blad tot het bewuste
boek te komen.. Ik weet het. Er wordt ook papier gemaakt van papierpulp, maar steeds zal er een beetje
houtpap aan worden toegevoegd zodat het boek tenminste kan ademen als een blad aan een boom.
Ik wens voortaan op te komen voor het wel en wee van het boek. Een boek is te duurzaam om er mee te knoeien.
Heel wat boeken hebben een passieve maar daarom niet mindere waarde om van een mens een ander mens te maken.
Een boek kan mensen beïnvloeden of mensen inspireren een andere weg in het leven te bewandelen. Elk boek is
een kruispunt waarop gekozen moet worden: links, rechts, rechtdoor of terugkeren! Een boek kan een mens
breken of lijmen, maken of kraken, doen geeuwen of schreeuwen, maar telkens is het voor diegene die het
raadpleegt een soort extern zintuig dat mee bepaalt hoe men zich verder gaat gedragen. Wie geen boeken bezit,
weet wellicht niet waarover ik schrijf. Boeken zijn het geweten van de mens. De geschiedenis in een notendop,
het menselijk geweten zwart op wit geëtaleerd op papier. Wie een juiste keuze maakt en zijn bibliotheek
voedt met uitgelezen boekenmateriaal, stapt in een wereld naast diegene die we kennen van fysiek gebruik.
Met een degelijke boekenkast in huis, beschik je over meer dan tien geboden om humane wegen te bewandelen
en vooral een mens te worden waarover zowat alle religies het roerend eens zijn: een goed en rechtvaardig
mens .
Ik zal het fenomeen boek verdedigen met hart en ziel en zo mogelijk wens ik een Hoog Commissariaat voor het
Boek op te richten dat waakt over het juiste gebruik van boeken. Tevens moet er dringend een 'Ethiek van
het boek' worden samengesteld zodat iedereen met gelijke kansen zich een weg door het boekenlabyrint kan
banen. Ik zal in tegenstelling tot vele dierenrechtenorganisaties niet de tactiek toepassen van het 'isoleren'
en 'afmaken' van weloverwogen groepen (van mensen), maar ik zal al de mensen wijzen op hun individuele plicht
zich te vormen om een zo duurzaam mogelijk leven te beleven. Desnoods met de rede van Hegel of nog een beetje
erger: de hamer van Nietzsche, maar altijd met een aangepast boek dat de mens naar eigen behoefte aankleedt
en terdege vervult met geestelijke genoegens.
197. Gentherapie (Dinsdag 15 februari)
- "Dag mevrouw Lupain. Je bent een zoogdier. Ik heet u hartelijk welkom in onze solide ontmoetingsruimte voor
zwaar beledigde mensen die ad hoc in de spiegel van hun leven willen gluren en zich willen bekeren tot de Gouden
Genencultuur . Bent u er klaar voor."
"Jazeker, maar ik betreur uw varkensmanieren want ik ben een ongetrouwde en zeer vrome juffrouw die nog nooit -
ik zeg dit met nadruk - nog nooit een vlieg heeft kwaad gedaan. Waar kan ik mijn jas en hoed leggen?"
- "Pierre zal die rampzalige kledingstukken wegbrengen. Leg ze maar op de chesterfield en mag ik u dan vragen
eerst dit blad te ondertekenen en me daarna te volgen naar de ruimte waar het lot van mensen en dieren hetzelfde
is. Komt u mee, edele buffel."
- "Ik verbied u verder zulk een toon tegen me aan te slaan. Ik haat buffels en wens overigens niet met welk dier
dan ook vergeleken te worden. Ik zal zo dadelijk mijn neurobioloog op de hoogste stellen van uw jammerlijk gedrag.
En zeg me nu waar u me naartoe brengt?"
- "Mevrouw de krokodil, ik moet u eerst verzoeken naar het Franse toilet te gaan om te poepen en te plassen. U
wordt daarbij nauwkeurig gefilmd en later worden uw fecaliën onderzocht en geanalyseerd zodat we uw genoom kunnen
definiëren. De film zal eveneens gebruikt worden om te observeren hoe de ciaden reageren op het vrijkomen van uw
persoonlijke micro-organismen. Eveneens zal de film toelaten om in een latere fase van uw verblijf alhier de grillen
en wetten van uw geheugen in kaart te brengen. Ik vraag u met aandrang om maximaal als een goeie baviaan te hurken
bij het uitvoeren van uw actie."
- "Ik weiger! Hierover is me niets verteld. Mijn neurobioloog kan dit niet wensen van een dame met zoveel fatsoen.
Dat toiletbezoek staat dwars op het onderzoek dat me is voorspeld, namelijk de werking van het centraal zenuwstelsel
in correlatie brengen met een onderzoek van mijn evolutiebioloog die reeds de evolutionaire achtergronden van mijn
gedrag heeft begrepen én vastgelegd. Ik zie niet in waarom ik hier zo vlakaf zou moeten poepen en plassen. Roep
mijn neurobioloog! Nu!"
- "Mevrouw Lupain. In de moeilijke studie die in dit huis gebeurt - een huis overigens waar u geen baas bent over
uw herinneringen - raken wetenschappelijke inzichten en religieuze overtuigingen elkaar. Het gaat hier bij visies
tevens over beelden van geloof, moraal en wetenschap en dus om een filosofische reflectie. Zeer persoonlijke
betrokkenheid is daarbij niet te vermijden. Na het bezoek aan het Franse toilet is volgens mij het ergste voor
uw beperkte gnoeverstand geleden. Maar als u tevens, zoals u hebt gevraagd trouwens, ook een creatie van een
designbacterie wil naast uw genoomcorrectie, dan moet u poepen en plassen. Er is geen andere uitweg."
- "Kan het dan niet op een gewone pot? Daar kan ik dan meer bescheiden afstand doen van wat diep in mij gewoeld
heeft."
- "Mevrouw Lupain. Uw gedrag evenaart dit van een zeeleeuw. Wat ik u vraag is niet ongewoon. Het is niet abnormaal.
Iedereen doet het. Van klein tot groot. Baby's in de luiers. Oudjes ook. En van u vraag ik het in functie van uw
toekomst te doen op een Frans toilet. Uw neurobioloog die u wilt roepen, is een befaamd genenjager die tegen de
stroom in, dwars door zee gaat. Maar niet zonder deze eerste fase waarin het Franse toilet een cruciale rol speelt,
te realiseren."
- "Maar kan het belangrijke onderzoek dan niet anders worden gevoerd? Vanuit de empirische wetenschappen gezien
zijn er tenminste drie zinvolle benaderingen van menselijk gedrag en beleving te onderscheiden. Hoe een individu
functioneert? Hoe zijn geheugen functioneert en wat er zoal gebeurt in ons lichaam terwijl wij waarnemen, denken,
handelen en voelen. Twee: er kan ook een historische vraag gesteld worden: hoe ben ik bijvoorbeeld de persoon
geworden die ik nu ben? Wat zijn de gevolgen van mijn jeugdjaren op mij en..."
- "Blablabla of drie: de historische vraag kan ook gesteld worden over de menselijke soort. Hoe zijn par exemple
de structuren en groeiprocessen die mensen kenmerken, ontstaan? Mevrouw de boshoen, we kunnen het ook nog hebben
over Darwins 'Origin of Species' uit 1859, en dat kan allemaal heel boeiend en loeiend zijn, maar nu is het tijd
voor het Franse toilet."
- "Schande is het en blijft het. U wilt mijn menselijk genoom ontcijferen aan de hand van mijn fecaliën en met die
kennis nieuwe organismen voor mij creëren. Ik koester niet langer hoge verwachtingen van uw aanpak. Die is vies
en verwerpelijk! Ik wens nu en immédiatement mijn neurobioloog te zien."
- "Mevrouw Lupain, ik zeg het u een laatste keer. Het gaat hier niet om genetisch gemanipuleerde wijnstokken uit
Frankrijk, genetisch gemodifieerde maïs, het kloonschaap Dolly of een vaderschapstest van de structuur van het
DNA! Het gaat om u. En als u niet wilt afdalen naar de werkpaarden van uw leven, dan is er geen project en
besluit ik maar één ding: dat uw arrogantie en achterdocht in uw genen zit vastgeroest. Kom, hurk nu vrij en
vrolijk. Bekijk het desnoods als een missie, edelmoedig zoals een noordse pijlstormvogel."
196. De worst (Dinsdag 8 februari)
Zondagnamiddag zag ik op VTM met lui plezier naar de film ‘Louisa, een woord van liefde’, een melodrama van Paul
Collet en Pierre Drouot uit 1972 met Willeke van Ammelrooy (als Louisa) in de hoofdrol. De inhoud? Tijdens haar
verlovingsfeest maakt Louisa, de dochter van een rijke landheer, kennis met twee vagebonden Pierre en Paul. De
twee mannen worden vergezeld van Isabelle, een jong meisje dat is weggelopen uit een weeshuis. Louisa wil net
als hen vrij en onbezorgd door het leven gaan… Terwijl ik uitgestrekt op de zetel lag, met het ene oog gericht
naar het elfde verjaardagsfeestje van mijn dochter, het andere gefocust naar de trage en eendimensionale
rolprent, deden mijn hersenen er nog een schepje bovenop. Zij zochten naar nog andere beelden in het tijdvlak
van weleer en brachten me naar Loksbergen, een deelgemeente van Halen-Zelem.
Ik was toen dertien jaar en beoefende de atletiek. Aangesloten bij ‘Looise’ liep ik in de kleuren ‘blauw met
een streepje geel’ alle mogelijke en onmogelijke veldwedstrijden in vooral Limburg, maar soms ook ver
daarbuiten. Tijdens het seizoen 1971-1972 liep ik weliswaar de meeste wedstrijden in mijn atletiekcarrière en
kreeg daarvoor – na lang aandringen - een ‘clubbeker’. De enige die ik ooit zou winnen. Ik was een ‘dieseltje’.
Ik kwam maar traag op gang en tijdens wedstrijden speelde dat natuurlijk een cruciale rol. De wedstrijdparcours
waren niet langer dan 1,5 km en dat was zowat de afstand voor mij om warm te lopen. Bij de finish zat ik dan
meestal in het midden van de groep. Tamelijk frustrerend, maar de trainer zei altijd: “Heb geduld. Als je later
langere afstanden moet lopen, ben je beslist bij de besten.” Zo lang heb ik natuurlijk nooit gewacht. Net zoals
miljoenen sporters heb ik er de brui aan gegeven toen ik zeventien werd en resoluut koos voor school en vooral
‘op stap gaan’.
Maar op die winterse zondag in 1972 had ik mijn gloriedag in Loksbergen. Ik was met een bus atleten afgereisd
naar het ‘gat’ in Hageland en stond me al omstreeks 12.00 uur warm te draaien op het terrein. Niet als
noodzakelijke opwarming van de spieren, maar uit pure ellende. Het was ijskoud en in de afgedankte garage waarin
we ons moesten omkleden, stond een kachel uit de 19de eeuw – type hoogoven met een lange pijp - te kuchen en te
stinken dat we naar buiten moesten vluchten om te kunnen ademen. Daarom liep ik maar rondjes terwijl mijn voeten
stilaan bevroren in mijn Nikes. Omstreeks 14.00 uur moest ik aan de start verschijnen. Na het schot in de lucht,
vloog ik als een hazewind uit de startblokken en liep in één zucht naar de finish. Niemand kon me volgen. Mijn
stappen waren legendarisch. Mijn kracht was groot en mijn voeten waren ijsklompen. Maar ik won. Mijn eerste
wedstrijd in mijn leven! Daarna sukkelde ik van het slagveld naar de garagebox waar de kachel eindelijk voor
wat warmte zorgde. Ik kroop tegen de gietijzeren kolos aan om te kunnen smelten van ellende en ik omhelsde
bijna de rookpijp van vreugde, want ik had gewonnen. Ik, het ‘dieseltje’ van Looise.
Toen mijn voeten ontdooiden, huilde ik van pijn, maar één gedachte hield me recht. Ik zou een mooie prijs
ontvangen voor mijn schitterende prestatie. Het vervelende van zo’n sportnamiddag was altijd dat pas lang na
de laatste wedstrijd van de dag – de veteranenrun – de prijzen werden uitgedeeld. Reeks na reeks. Van klein
naar groot. Telkens mocht de eerste kiezen uit een waaier van zoveel prijzen als er deelnemers waren. Gaande
van een chique ‘Gezelschapsspel’ voor de ‘winnaar’ tot een ‘Spons met zeep’ voor de allerlaatste. Jazeker,
deze keer stond ik in de schijnwerpers. Mijn ouders zouden tevreden zijn. Wat een zoon! Wat een atleet.
Waarschijnlijk werd er een link gelegd met Gaston Roelants, Miel Puttemans of Karel Lismont. Wie weet.
Maar net toen ik achter de kachelpijp stond te dromen, kwam er een vreemde man binnen. Hij was zwart en droeg
een tas. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een zwarte van zo nabij zag. Van de weeromstuit werd ik
zo smal als de kachelpijp en zo nu en dan piepte ik even in de richting van de zwarte man die zich begon uit
te kleden. Wij waren alleen in de ‘barak’ en ik smeekte dat er nog iemand zou binnenstappen, maar dat gebeurde
niet. Plots trok de zwarte zijn witte onderbroek uit en totaal verwonderd zag ik een kolossale zwarte worst
verschijnen. Wat een joekel! Ik kende niemand met zo’n wapen. Ook vader niet of andere mannen die ik wel
eens naakt zag tijdens de omkleedpartijen voor en na een loopwedstrijd. Deze zwarte sloeg alle records. Niemand
zou me geloven in de veronderstelling dat ik deze ervaring ooit aan iemand zou durven vertellen. De zwarte man
kleedde zich nu weer aan in de kleuren van Looise. Geen tien tellen later verliet hij de kleedruimte. Klaar
voor de start. Ik zocht een houvast want de kachel was te heet. Ik pufte van emotie en zag telkens weer die
‘worst’. Ja, het was net zo’n ‘worst’ als de ‘zwarte bloedworsten’ die moeder soms bakte in de pan. Als stevig
ontbijt. Maar met deze ‘zwarte worst’ lag de pan wel vol. Gegarandeerd!
Waar was ik gebleven met al mijn zondagsverdriet. Buiten sneeuwde het en de kachel straalde alsmaar minder
warmte uit. Nu en dan kwam er een atleet binnen, rommelde wat en verdween dan weer in de winterkou. Uren van
mijn leven verspilde ik zo met te wachten op de prijsuitreiking en het fantaseren hoe het zou zijn als ik ooit
de marathon zou winnen. Want dat was toch mijn ultieme droom. Die kreeg plots een ferme deuk toen mijn trainer
binnen kwam en vroeg waar ik was tijdens de prijsuitreiking. Ze hadden even geroepen en gezocht, maar toen ze
me niet vonden, waren ze maar met de plechtigheden begonnen. Ik voelde het bloed bonken in mijn hoofd. Ik rende
als een gek naar een lokaaltje, ergens vastgeplakt aan Loksbergen, en zag de senioren hun prijzen al kiezen.
Ik vloog binnen en trok al huilend aan een organisator zijn mouw. Ik vertelde hem al snikkend dat ‘ik’ de
wedstrijd gewonnen had en dat ik nu om mijn prijs kwam. Na veel tranen en geleuter, gaf de man mij een
‘Spons met zeep’ en vroeg me dan op te hoepelen. Ik slenterde naar de bus en zei niets meer. De hele reis
door Hageland was ik ontroostbaar. Thuisgekomen mompelde ik dat ik gewonnen had, maar pa en ma lachten
flauwtjes toen ze in mijn tas een ‘Spons met zeep’ vonden.
Ik kreeg pas na een maand eerherstel toen in het plaatselijk clubblad van Looise zwart op wit stond afgedrukt
dat ‘ik’ de winnaar was van de veldloop in Loksbergen. Vader klopte trots op mijn schouders en zei:
“Kom jongen, we gaan trainen en deze keer ga ik mee.”
195. Het noodlot (Dinsdag 1 februari)
“Langius had mij door zijn woorden bijna tot tranen toe bewogen. Zo duidelijk had hij het menselijk bedrijf
als speelbal gekenschetst. En ik riep uit: ‘Ach, wat zijn wij? Wat zijn al deze zaken waarvoor wij moeite
doen? Zijn of niet zijn? Een mens is een droombeeld van een schim, heeft een lyrisch dichter vroeger maar
al te waar gezegd.’ Langius antwoordde: ‘Maar jij, jongmens, kijk er niet tegen op, maar kijk erop neer,
en doordring je geest van standvastigheid in deze springerige onbestendigheid van alle dingen.” (Justus
Lipsius)
De moeder ligt naakt op de operatietafel. Ondanks haar schedeopening van 9 cm kan de baby niet via de
natuurlijke weg ontsnappen. De gynaecoloog haast zich want tempus fugit en er valt geen seconde te verliezen.
Het kindje moet dringend in aanraking komen met de atmosfeer of het zal door zuurstoftekort eeuwig worden
verminkt. De goedlachse arts wordt plots een ernstige chirurg die met de precisie van een Zwitserse horloge
een snee in het kloppende onderlijf van de moeder maakt. De tijd van de gulden snede tot het krijsende geluid
van een ontwakende baby duurt geen tien tellen. De vader die even een stap opzij gezet heeft voor zoveel hulp,
moet huilen van blijdschap, maar hij zal zijn oeverloos geluk nog uren lang alleen moeten dragen met zijn
pasgeboren dochter aan zijn harige borst in afwachting van een veel zachter exemplaar. Na welgeteld drie uren
ontwaakt de moeder en zij is ontroostbaar omdat ze de eerste aardse levensfase van haar dochter heeft gemist.
Negen maanden ‘leven’ in haar buik kunnen haar niet bemoedigen.
Het jongetje fietst als geen ander. Hij is nog maar zeven jaar en kan al hoog in de lucht vliegen met twee
wielen tegelijk. Maar zoals alle kampioenen ligt er wel ergens een steen op het racepad en zo belandt hij op
een goeie dag in het ziekenhuis. Zijn heup is verbrijzeld en hij heeft een lichte hersenschudding. Voor een
ventje van zeven jaar zal dat allemaal wel goed komen, vertelt de dokter aan de ouders na een operatie van
zeven uren. Maar het komt niet goed. Het jongetje blijft manken. De ouders zien met lede ogen tegen de handicap
van hun zoontje aan en gedragen zich sindsdien een beetje vreemd. Het liefst gaan ze met hem op vakantie in
het verre buitenland want daar denken de toeschouwers nog dat het ventje zo geboren is.
Zij wordt zestien jaar en zal en moet een motorfiets krijgen. Na lang zeuren en twee maanden onafgebroken
vakantiewerk is de buidel eindelijk tot de nok gevuld. Vader en moeder gaan zelfs mee naar de motorshop op
de hoek om in compleet overleg met de dochter een stevige tweewieler te kopen. Blij gezind rijdt de mooie
brunette dagelijks van en naar school en tijdens het weekend bezoekt ze in de kortste keren al haar vriendinnen
in de omgeving. Maar op die bewuste zaterdag, op die welbepaalde plaats duwt een onzichtbare hand het vrolijke
meisje tegen de grond. Ze schuift wel honderd meter ver en hoe het komt dat haar helm onmiddellijk van haar
hoofd los komt, weet geen zinnig mens. Veel te laat wordt ze gevonden in de berm door een alerte automobilist
die de MUG verwittigt. De tijd heeft intussen zijn werk grondig gedaan. De hersenen zijn zo goed als dood.
Nu en dan springt er nog een flauw vonkje over van de ene naar de andere kwab. Net genoeg chemie om het
meisje met een rietje in leven te houden in een volautomatische rolstoel.
Zo lang ze al leeft, heeft ze met gretige ogen het dartelende leven aangekeken. Van haar eerste leerjaar
tot het laatste humaniora heeft ze met gemak de leerboeken verslonden en even gemakkelijk heeft ze haar
gegeerde diploma Grieks-Latijn verworven. Op haar achttiende is eindelijk de vertaler-tolkenschool in zicht
en ze huurt een ‘kot’ nabij de Wetstraat in Brussel. Met een lach vliegt ze door de eerste kandidatuur
‘Grieks-Engels’ en de volgende drie jaren lijken maar een kwestie van tijd te zijn om vanaf dan het onvertaalde
werk van onder meer Anaximander, Anaximenes of Xenophanes tegen het licht te houden en er blauwdrukken van
te maken. Maar zoals een zomers onweer komt de slechte tijding. Ze moet aan de pancreas worden geopereerd.
Het is een kwestie van leven en dood. De operatie zorgt dat de jonge vrouw blijft leven, maar met een
verschrikkelijke prijs: ze is blind. Voortaan zal ze leven in de schaduw van het leven.
Drie kinderen hebben ze: Fientje, zes. Greetje acht en Ben is tien. Ze hebben niets gepland, maar de natuur
heeft deze interval van leeftijden zelf bedacht. Ze hebben niets tekort. Ze zijn bedienden op verschillende
bedrijven in Vlaams Brabant en het zal geen zes jaar meer duren vooraleer hun huisje ‘Weltevree’ is afbetaald.
Alleen willen ze nog een mooie veranda bijbouwen zodat in de lente de zomer al kan beginnen. Je kent dat wel!
De man is goed met de handen en tijdens een verlofje in februari steekt hij de eerste houten balken al in
zelfgemaakte nissen in de buitenmuur. Op de derde dag valt hij echter van een stelling. Het verdict is zwaar:
vanaf de onderbuik tot de topjes van zijn tenen is hij verlamd. Na drie weken hospitaal komt de man weer thuis.
De veranda is afgewerkt door zijn vrienden en aan de trapleuning naar de slaapkamers hangt een halfautomatische
lift. Het meubilair is in het hele huis herschikt en Fientje is van slaapkamer veranderd. Wanneer de man al
deze veranderingen ziet en de trillende hand van zijn vrouw op zijn schouder voelt, denkt hij maar aan één
ding: zelfmoord!
Ze hebben net hun vijfentwintigjarig huwelijk gevierd. Hij is nog een kwieke vijftiger en zij is vier jaar
jonger. Ook de grote baas van de man is op het feestje uitgenodigd. Er wordt gelachen, gedronken en regelrecht
gemorst met champagne. Dat mag na vijfentwintig jaar zwoegen en zweten. Vijf kinderen hebben ze opgevoed en als
volleerde mensen van onder hun vleugels laten opstijgen in de lucht. Eentje is dokter geworden en een ander
zelfs burgerlijk ingenieur. Om maar te zeggen, dure kostgangers. Bovendien is de vrouw al die tijd moeder aan
de haard gebleven. Maar tijdens het feestje heeft ze haar tanden laten zien en ze heeft de grote baas zelf
gevraagd om part time te mogen komen werken in zijn bedrijf. Samen met haar man. En dat mag! Dat is zo geregeld.
Hun leven neemt nu een plotse wending. Na enkele weken ontmoet de vrouw een andere man en wordt zo verliefd dat
ze haar teerbeminde jubilaris nog verlaat voor een jaar verstrijkt. De ingenieur kan geen plan bedenken om het
tij te doen keren en de dokter heeft geen medicijnen voor zijn vader die uitgemergeld van ellende zijn huis
verkoopt en zich terug trekt op een appartementje even verder op in het dorp.
Ze is een moeder van drie dochters. Ze wordt deze maand nog zevenenzestig jaar en zoals het een grijze
welgestelde dame betaamt: ze is altijd goedgemutst en trots voor haar kinderen. Ze zijn alle drie goed
‘gevallen’. Eentje is getrouwd met een bouwondernemer. De tweede dochter heeft haar heil gezocht bij een
computerspecialist en de jongste dochter heeft haar woord gegeven aan een journalist. Samen zijn er drie
kleinkinderen. Ja, oma en opa stomen vrij en vrolijk op zo’n onverwoestbare Titanic naar het volgende
succesverhaal in hun leven. Maar zoals we geleerd hebben uit de geschiedenisboeken: waar water is, is
gevaar. Op een goeie dag gaat oma voor een routineonderzoek naar het ziekenhuis. In paniek keert ze terug
en vertelt al snikkend aan haar man wat het boze oog heeft gezien: kanker in de buik. De kinderen worden
erbij geroepen en met zijn allen maken ze een vuist. Opa gaat met de kleinkinderen naar een kapelletje in
de buurt. De dochters vergezellen hun moeder naar het ziekenhuis voor een eerste ‘chemo-kuur’. Het ziekenhuis
stinkt. Geen open venster kan dat veranderen. Oma slikt drie dagen lang chemische stoffen in. Door haar tranen
heen pinkt ze een oogje op haar dochters. Haar geest neemt het nu van haar over.
Epiloog
Justus Lipsius (eigenlijk Joost Lips, 18/10/1547, Overijse bij Brussel – 23/03/1606, Leuven – Vlaams klassiek
filoloog, doceerde onder andere te Jena, Leuven en Leiden) onderscheidt vier wegen die naar het noodlot leiden:
het astrologische, het natuurlijke, het dwingende en het ware noodlot.
Eén: onder astrologisch noodlot verstaat Lipsius datgene wat alle handelingen en gebeurtenissen aan de invloed
der planeten en de stand der sterren hecht verbindt en verknoopt. De Chaldeeën en de sterrenwichelaars hebben
hiermee een begin gemaakt en in de filosofie werd deze leer gegrondvest en onderschreven door de opperste
Mercurius, die fijnzinnig en met reden voorzienigheid, noodzakelijkheid en noodlot heeft onderscheiden.
Twee: Het noodlot is de natuur van ieder ding. Dat een mens een mens verwekt en dat hij aan inwendige oorzaken
zonder externe gewelddadigheid sterft, gebeurt in hun visie krachtens het noodlot, maar dat een mens een slang
of een monster verwekt, gaat buiten het noodlot om, evenzo wanneer hij door het zwaard of door het vuur het
leven verliest. Daar zij van de macht van het noodlot geen hoge opvatting hebben, glijden zij niet al te zeer
uit, want wie niet hoog klimt, kan ook niet vallen.
Drie: Dezelfde noodzakelijkheid bindt ook de goden, een onherroepelijke loop voert het menselijke en het
goddelijke gelijkelijk mee. De schepper en bestuurder aller dingen heeft eens het noodlot ingesteld maar volgt
het thans. Altijd gehoorzaamt hij, eenmaal beval hij.
Vier: Lipsius omschrijft het ware fatum of noodlot als het eeuwigdurend besluit van de Voorzienigheid, dat
evenmin als de Voorzienigheid zelf uit de wereld kan worden weggenomen. Het noodlot definieert hij, ofwel
overeenkomstig de beroemde Pico della Mirandola, als de ordelijke aaneenschakeling van oorzaken, die van de
goddelijke wijsheid afhangt ofwel minder duidelijk maar genuanceerd: ‘noodlot is het aan de beweeglijke dingen
inherente, onbeweeglijke besluit der Voorzienigheid, dat ieder ding op zijn beurt, plaats en tijd, gewis in
vervulling doet gaan.’ (…) Het noodlot wil dat Tarquinius uit zijn koninkrijk verbannen wordt? het zij zo,
maar de verkrachting moet voorafgaan, ziedaar de volgorde; dat Caesar gedood wordt? zeker, maar in het
senaatsgebouw en bij het beeld van Pompeius, ziedaar de factor plaats; dat Domitianus door zijn eigen manschappen
vermoordt wordt? het zal gebeuren en uitgerekend op het uur dat hij vergeefs probeerde te vermijden, het
vijfde, ziedaar de factor tijd.
194. Limburgs wit (Dinsdag 25 januari)
Met gezellige pianomuziek van Federico Mompou wandel ik door mijn dagboeken terwijl ik van tijd tot tijd door
het raamkozijn naar buiten tuur. Ik wacht op niemand of niets. Ik koester alleen de hoop op neerdwarrelende
sneeuwvlokken. Vlokken zo groot als een koolmeesje. Vederlicht en alert voor elke zucht. Zo hulpeloos zoekend
naar een landingsbaan op aarde. Een thuishaven voor eeuwig. Ik blader verder in dagboek zeven en voel de hete
adem van de herinnering die niets anders is dan het opsporen van wat zich schuilhoudt in het geheugen. Ik schud
een beetje met mijn hersencellen en draai mijn hals - niet half zo ver als een uil zou kunnen - van links naar
rechts en vice versa. Ik zie in een hoekje van een herinnering plots een kind dat speelt in de sneeuw. Dat in
één oogwenk al zijn ingenieus speelgoed vergeet en reikend met de handen naar de hemel de sneeuwbui te lijf
gaat. Zoals Achilles Troje, zoals de mens de maan, zoals Mompou de piano. Zo subtiel en spontaan dat je zou
zweren op het graf van wie dan ook, dat de enige voortbrengselen van de natuur, kinderen zijn. Ik zie het
kind dat naarstig naar zijn sneeuwgrens zoekt en zich van tijd tot tijd in de handen blaast alsof het zware
werk nog moet beginnen. Sneeuwman, sneeuwpop, sneeuwpret, sneeuwbaan... plots komt uit de duisternis van de
sneeuwstorm een sneeuwballetje aangevlogen. Plots doemt het op zoals plots ook een komeet verschijnt. In
beide gevallen zijn we te laat om ons schip te wenden en net zoals de komeet de aarde raakt, vliegt het
sneeuwballetje pardoes tegen mijn gezicht. Even zie ik niets, maar daarna klaart alles op. Het kind lacht
zich een breuk, maar ook die wordt door de natuur gelijmd: snel en efficiënt want kinderen hebben geen
geduld.
Ik kijk weer naar buiten. Geen vlok te zien. De nacht is niets dan donkerte en klank, hij kan zelfs niet
aangeraakt worden. Wolken schuiven grillig boven de daken en blijven bijna hangen aan de grote eik. Maar
geen wolk kijkt naar mij. Waarom baren ze niet plots en met genot drie miljard sneeuwvlokken die dan als
kleine witte lichtpuntjes de duisternis verblijden? En mijn hart! Zodat ik niet op uitkijk moet blijven
staan en met mijn eenvoudig leed en eenvoudige vreugde slapen kan gaan. Is dat niet het grootste feest
in het leven van elke mens? Steeds denkend, zoekend, twijfelend leven met een hart vol liefde voor al
wat menselijk is en met nu en dan een dans in het maagdelijk wit paradijs: de aarde bedekt met een
sneeuwtapijt?
Ach, de sneeuwvlokken moeten niet zo wit zijn als wit. Niet zo intiem als een spiegel. Niet zo groot als
overvliegend wild. Ze moeten niet kunnen wedijveren met de sneeuw van de hoogste berg ter wereld, de Mount
Everest, maar gewoon: Limburgs wit, ijshard en passend in de handpalm van een kind. Dat is alles wat ik
vraag vannacht, als een kinderlijke zuiger die elk gevoel van proportie uit het oog heeft verloren. Ik
wens na de plotse sneeuwval geen iglo te kunnen bouwen, geen grote familie van sneeuwmannen, geen
sneeuwschans en ook geen sneeuwkasteel voor de Efteling. Ik wens alleen in de sneeuwogen van de voortschrijdende
nacht te kijken. Ik wil de sneeuwvlokken voelen smelten op mijn blanke huid. Ik wil als eerste in de witte
zee stappen en mezelf horen kraken van plezier. Ik wil kijken hoe de eindeloze vlokken vanuit één punt uit
de ruimte recht op mijn persoontje duiken zonder mij daarbij één haar te krenken. Ik wil met open mond
tellen tot één miljoen en dan de nacht besluiten met een zoen: op de open mond van de hemel.
Ik kijk naar buiten. Het is rustig en het vriest dat het kraakt. Pff, lang geleden, toen het nog niet
gewoon was je vakantie in China, Zuid-Afrika of Alaska door te brengen, lag er nu al gegarandeerd een
pak sneeuw. En ik? Ik zou dan al lang in mijn nopjes in bed liggen woelen want ook morgen zou de sneeuw
er dan nog zeker 'zijn'.
193. Belevenissen en Gedachten I (Dinsdag 18 januari)
Per aspera ad astra, langs ruwe paden naar de sterren
Ik wandel. Dan weer links, dan weer links. In de verte zie ik een jongen die rechts afslaat. In het midden
van de markt blijf ik staan. Wat is Maastricht toch mooi. Ik neem de straat links en wandel verder. Onder
mijn arm knuffel ik mijn pakje Flam. Waarom weet ik niet. Maar het lijkt zo voornaam een filosoof onder de
arm te houden. Vier boeken veel. Zoveel heb ik me toegeëigend in De Tribune. Zonder schroom. Ik sla weer
links af en ga flink verder. De vrouw en de kinderen wachten.
Zeker weten! Maastricht is beautiful. De boekenwinkels zijn er beautiful. The girls are beautiful. Even the
dogs are beautiful. En ik zit hier koffie te drinken op het terras van ex-Holiday Inn, pal aan de oevers
van de snelvlietende Maas waar met de regelmaat van een klok een binnenvaartuig voorbij pruttelt. Links van
mij zitten twee (bloed)mooie juffrouwen en rechts van mij zit een gezinnetje met een hond. Ik veronderstel
man en vrouw, een kind van tien met Mongolentrekjes en een hond die uit de hand gevoederd wordt en zelfs
ijs uit de lepel van de man mag proeven. Daarna steekt die kerel de lepel weer netjes in zijn mond. Wat
een dierenvriend! Intussen is het 19.30 uur en ik heb nog ruim 1,5 uur winkelplezier voor de boeg. Want
het is donderdag en dat betekent ‘koopjesavond’ in Maastricht. Enkele tellen terug kocht ik al een boek
van Spinoza. Een catalogus naar aanleiding van zijn 300ste sterf-verjaardag (1677-1977). Slechts twee
euro stond het werk getekend. Geen geld voor zo’n belangrijke filosoof. Maar toen ik in diezelfde
tweedehandszaak ook nog Villa des Roses van Willem Elsschot vond voor slechts 4 euro, vroeg de antiquair
voor begrip. Want dit boekje was duidelijk fout geprijsd! Het moest 12 euro zijn. Waarop ik het formidabele
verhaal op slag liet liggen. Goedzak als ik ben, heb ik er zelfs geen enkele opmerking over gemaakt. Wel
gedacht: zeveraar en zo.
De aftakeling van het katholicisme valt enerzijds te bejubelen, anderzijds te betreuren…te betreuren omdat
een massa ‘simpelen van geest’ nu minder en minder houvast hebben om (verder) te leven. Intelligente atheïsten
kunnen immers redelijk en volgens humane afspraken het leven doorploeteren. Voor de massa zonder een te volgen
God wordt dit echter een onmogelijke opgave. Het gevolg voor deze laatste groep is de totale ontreddering
waardoor de criminaliteit en de chaos onvermijdelijk zullen toenemen. De hedendaagse samenleving wordt op
deze manier aan nieuwe uitdagingen blootgesteld!
Moeder is een kleine wereld, die in alle kamers van het hart kan spreken. En spelen kan ze als een waarachtige
Noach, met een te grote ark voor heel veel leed. Wat kan je anders doen dan gelaten luisteren en zien hoe
vindingrijk mensen afscheid nemen van een moeder met zoveel kwaliteiten.
Tien jaar is niet veel, maar toen ik de foto’s zag, wist ik het wel. Dat komt nooit meer terug.
Het is 11.49 uur. Geen uur zo belachelijk als dit. Maar elke dag kondigt dit tijdstip weer ‘de middag’ aan.
Een moment van rust of verpozing. Het einde van het eerste deel van de werkdag. Het opwarmertje van de dag
dat in de lente schijnbaar langer duurt dan in de winter. Kijk! Het cafetaria loopt al vol. Elke mens is
dan toch geprogrammeerd om rond twaalf uur te eten. Honger of geen zin. Kieper de rotzooi gemanipuleerde
snijbonen maar in het keelgat. De spijsvertering weet er wel raad mee. Uiteindelijk belandt het allemaal
op één grote hoop. Een hoop stront. Over die materie is al veel geschreven en getekend. En iedereen is er
dagelijks bewust of veelal onbewust mee bezig. Iedereen, zoals hij gebekt is.
Zie ze daar rijden op de zeedijk! Op een geautomatiseerde step met twee versnellingen. De snotbel van 11
jaar. Nu al verdorven en decadent. Kinderen moeten zelf ‘bewegen’! Al kent het ijdele kind de gevolgen niet
van dit gedrag, de ouders van het kind dragen des te meer een grote verantwoordelijkheid. Zij zijn als het
ware het werkelijk knelpunt in de opvoeding van het kind. Ik weet en besef het: een opvoeding of gedragscode
of attitude-vorming meegeven aan een kind, is verdomd moeilijk in deze westerse maatschappij waar het begrip
‘genoeg’ nooit meer toereikend is. Elke ouder heeft daarom een verpletterende verantwoordelijkheid omdat ze
voortdurend geconfronteerd worden met al de mogelijke verborgen verleiders van de consumptiemaatschappij.
Deze kapitalistische samenleving is op die wijze niet los te zien met verwennerij en nutteloos verteer zodat
een (redelijk) mens over een zekere dosis verstand moet beschikken om enige weerstand te kunnen bieden. En
dan nog! Tel daarbij op dat in een democratie van het Westen niemand gelijk is en kruidt dit met wat
nationalisme en de samenleving wordt zodanig op de proef gesteld dat ze na verloop van tijd zal barsten of
buigen.
Noem het mijn plotse, intense en spontane verlangen om het je zo aangenaam mogelijk te maken op aarde of… zeg
maar dat je me zo enorm charmeert. En vraag me niet telkens opnieuw ‘waarom’, want de natuur geeft ook nooit
uitleg bij verschijnsels als het open bloeien van een roos, het vuur spuwen van een vulkaan en het diepzeeduiken
van walvissen.
Plots, tijdens een fietstocht ter hoogte van het openluchtmuseum van prins Karel in Raversijde nabij Oostende...
Ik zag een moeder sterven op een wandelpad aan zee. Ze greep nog naar een lantaarnpaal, maar de dood gaf haar
geen steun. “Mama toch,” hoorde ik de dochter zeggen, terwijl de moeder verder in mekaar stuikte onder een
oneindig blauwe hemel waar enkel de stralende zon te bespeuren viel. Ik zag een moeder sterven. Zeventig,
misschien wel tachtig jaar oud. Ze greep nog naar het leven, maar dat had haar de rug toegekeerd. Een alerte
voorbijgangster liep naar een woning om een dokter of een MUG op te bellen, maar iedereen die zich nu als een
groep kijklustigen rond de stervende vrouw hadden geschaard, wisten, zagen en voelden dat dit haar laatste
ademzucht was. Ik zag een moeder sterven op een doodgewone dag van de week. Geen mens die dan aan sterven zou
denken, maar de dood komt altijd onverwachts. Gelukkig was de moeder niet alleen en strengelden haar handen
in die van dochterlief, waardoor het afscheid hechter werd.
Misschien denk ik wel honderd keer aan jou. Vooral als de zee opkomt en afgaat. Want dat ‘spel’, wil ik met
jou spelen!
Bizarre dromen. Waarom? Wie is die tweede stem in mij die tegelijk ikzelf en een totale vreemde is? In het
hoofd ontstaan altijd dialogen tussen twee hoofdpersonen waarvan de ene altijd ‘ik’ ben en de andere altijd
een ‘tegenpool’ is. Ik zie er altijd de eerste wet van Newton in: actie = reactie. Soms is de andere ‘ik’
wel honderd procent opposant. Heel vaak is er leven en dood. Liefde en geen liefde. Hoop en wanhoop. Geluk
en geen geluk. En telkens weer probeert die ‘ik’ de bovenhand te halen, anders word ‘ik’ wakker. De andere is
er in de droom bewust en altijd, maar zo verdomd geraffineerd, ingenieus of gewoonweg ‘goed’. Wanneer ‘ik’ en
de ‘andere ik’ dan toch eens samenvallen in een droom, is de droom een gelukzalige belevenis, anders is hij
een kwelling, soms een nachtmerrie. Hoe zou een filosoof daar mee om gaan?
Ik had een droom. Geen gewone. Die nacht vertelde een kind-engel een verhaaltje op de manier die me deed
denken aan mijn lieve moeder toen ik nog piepjong was. Maar het verhaal van de kind-engel was veel realistischer
dan het ‘Kleinduimpje’uit mijn kindertijd. En alles ging zo snel. Ik kon amper volgen met de beelden. Eerst
waren er drie vliegtuigen die te pletter vlogen tegen het kasteel van een koning. Die werd boos en gooide bommen
en tegelijk voedselpakketten in het land van de boosdoeners. Maar opnieuw vlogen de boosdoeners met een ander
vliegtuig tegen het koetshuis van de koning. Die werd nog bozer en sloeg met zijn leger alle rotsblokken stuk
die schaduw boden aan de arme mensen van het opstandige land. Slechts enkele individuen kropen onder het puin
vandaan en slaagden erin om nog één bom te maken en die precies op het hoofd te droppen van de koning. Die
begon nu te huilen zoals hij nog nooit had gedaan. Na de verschrikkelijke huilbui ging hij persoonlijk naar
het oproerland en schreeuwde er in een onmetelijke woestijn: “Wie blijft er zo boos op mij?” Maar niemand gaf
antwoord want al de mensen van het verre land waren intussen gestorven door zijn bommen. De koning ging
moedeloos terug naar zijn koninkrijk en voelde zich eenzamer dan ooit. Van ellende stierf de koning samen
met al zijn onderdanen… De moraal van het verhaal wou ik tevergeefs weten van de kind-engel. “Top-secret van
God,” vloog het uit mijn droom en ik werd wakker.
En hij zei: “Ja, iedereen zijn vrienden, maar ik wel de mijne!”
Pff. Ik lag vastgeroest in bed en kon me om 05.00 uur onmogelijk vrijmaken om de dag te beginnen. Vast geroest
op één nacht! Hoe kon dat? Omdat de symbolen van de dag niet klaar waren om me te ontvangen? Verschrikkelijke
dromen hielden me overigens in bedwang en beletten me los komen van mijn bed. De dromen sjorden me als het
ware vast aan het ledikant en pas om 07.45 uur, toen de zon sterk genoeg was om de illusiekoorden los te
branden, kon ik pas de bedstee verlaten. Veel te laat om een dag nog goed te beginnen, maar ik zou er toch alles
aan doen om deze dinsdag ad infinitum te gaan beleven.
Eindelijk weer een echte dag: om vijf uur op! Plassen en dan recht naar de werkkamer. Thee drinken, lezen en
schrijven en de tijd tegenhouden. Tegen de stroom in. Hoe? Door veel te kijken naar het uurwerk, een primitief
middel uit 13de eeuw om de dimensie tijd te meten. Tijd moet anders aangepakt worden, zo niet worden we te snel
oud. Inzake tijdbeleving moeten we naar een meer 23ste eeuwse opvatting: een leven zonder tijd. Het zal de
kunst zijn al de natuurkundige wetten om te bouwen zonder de parameter tijd te behouden. Indien we daar in
slagen, zullen we ook kunnen (na)denken over reizen in de ruimte. Bovendien zal de levenservaring op aarde
drastisch veranderen. Het zal echter generaties duren vooraleer we de ‘tijd’ zoals we die nu kennen niet meer
liëren met dag en nacht, met werken tussen x en y of er de newtoniaanse eenparige rechtlijnige beweging mee
vastleggen. Hier zijn de feitelijke gegevens nog steeds: s (afstand), v (snelheid) en t (tijd) of kortweg:
s = v maal t. Stel je voor: een leven zonder t. Hoe gaat dat? Wakker worden als de geest is uitgerust? Dan het
lichaam voeden? Een zekere arbeid verrichten tot de geest weer die toestand van verzadiging heeft bereikt?
Misschien! Arbeid mag niet langer begrepen worden als het effectief werken met de handen noch met het berekenen
of controleren van structuren. Daarvoor zal de ‘nanotechnologie’ en ‘robotisatie’ dienen. Arbeid zal in de
23ste eeuw enkel nog betekenen: ‘worden’ en ‘zijn’. Of het ‘existentialisme’ pur sang. Telkens weer stuit
ik bij elke evolutiegedachte op het gegeven – zeg maar immens knelpunt – van het ‘aantal mensen’ hier op aarde.
Ruim zes miljard! Er zijn er té veel! Dat is problematisch. De kosmos zal dit probleem wellicht oplossen volgens
de wetten van de evenwichtstheorie. Dat wil zeggen dat altijd en overal alle problemen – klein of groot -
uiteindelijk opgelost worden met of zonder tussenkomst van de mens. De mens is trouwens maar een tijdelijk
fenomeen op aarde, net zoals de mensapen of de dinosaurussen dat waren. De enige standvastigheid op aarde is
de aarde zelf. De pure materie waaruit ze bestaat: ruimtegruis met bepaalde kwaliteiten. Ik denk zelfs dat
‘water’ en ‘zuurstof’ oorspronkelijk niet inbegrepen waren bij de aarde omdat ze ondergeschikt zijn aan de
feitelijke materie. De voor de mens levensbelangrijke atomen kunnen er enkel in geabsorbeerd worden of geborgen
worden, maar evengoed zullen ze mettertijd weer verdwijnen in de kosmos. In die zin is de mens helemaal
bijkomstig voor de planeet aarde. Op termijn zal het fenomeen ‘mens’ dus onwillekeurig verdwijnen. Dat kan
drastisch gebeuren of via een uitstervingproces. Drastisch via een losgekomen of kosmisch aangespoeld virus
of trager via een regen meteoren uit de ruimte… maar telkens zal ‘het’ zich manifesteren door een niet-omkeerbare
pollutie van water en of zuurstof te veroorzaken. Elk zelf-bewust wezen zal daarom zijn be-leving op aarde
niet uitstellen, want de toekomst van de aarde is oneindig, die van de mens kan echter elk moment een einde
nemen. Daarom alleen al is het beter de tijd te schrappen van ons leefmenu.
192. Vrolijk (Dinsdag 11 januari)
Op maandagavond, 10 januari omstreeks 23.00 uur
Soms, zoals nu, ben ik zo vrolijk dat ik wil schrijven zoals Benedictus de Spinoza, Michel de Montaigne, Martin
Heidegger, Franz Kafka of pakweg Voltaire. In de koelte van de stilte zet ik dan een rustig klassiekertje op van
Felix Mendelssohn, een symfonie of zo, en ga dan voor al die meesters staan. Rechtop, een beetje ingetogen. Ik
neem een willekeurig boek van één van de auteurs en lees een bladzijde of drie, vier, vijf, zes, zeven... de tijd
is dan zo onbelangrijk als de baan van de aarde om de zon. Ik raak telkens weer verwonderd van wat ik verneem en
lach diep in mijn vuistje om zoveel kennis die kant en klaar voor mij is voorbereid. Wat voor kerels waren zij
eigenlijk? Met welk licht waren zij uitgerust om met één alfabet zo'n openbaringen voor de geest te brengen. Hoe
kwamen ze aan al die combinaties van letters en woorden om wijsgerige fragmenten te bedenken die zo belangrijk
kunnen zijn voor een redelijk mens die zijn (zelf)bewustzijn wil ontwikkelen? Maar vooral de kracht van al die
schrijvers is opzienbarend. Het vermogen om beelden te scheppen die zorgen voor wederzijdse vreugde en een pad
tonen dat naar een complete toekomst leidt. Die heilige toekomst, gerelateerd aan ijdelheid en roem, maakt nu
precies een schrijver tot een held, tot een roemrijk figuur. Dit soort schrijvers heeft werkelijk leven en dood
overwonnen terwijl ze op elk moment de spiegel van de toekomst voorhielden. En als ik in die toverachtige spiegel
naar het verleden kijk, zie ik ze schrijven aan hun werktafel, in een staminee of onder de oksels van een boom.
Telkens lachen ze en houden ze met zoveel liefde de pen vast alsof ze er een onvervangbare vriend in zien. Een
vriendschap zonder 'waarom' noch 'waarvoor'. Maar pure erosliefde zoals dat tussen vrienden-voor-het-leven
bestaat.
Al die prachtige schrijvers waaronder ook Gabriel Marcel of Friedrich Nietzsche - en in dit rijtje voeg ik
uiteraard graag en vrolijk Leopold Flam aan toe - hebben blijkbaar geschreven zoals de Griekse godenkinderen
hebben geleefd. Niet voor het leven zelf, maar voor de roem. Niet de naroem of de postume roem, maar de roem
als spontane universaliteit. Zoals de Grieken Achilles of Odysseus zich niet bewust waren van de duizend-en-één
gevaren, zoals wij die achteraf vernomen hebben in de Ilias en Odysseia van Homeros, maar in de rotsvaste
overtuiging leefden zoals Hegel het heeft beredeneerd: "Op een bepaald moment zal een bepaald werk erkend worden,
als het tijd wordt, want niets gebeurt tevergeefs, noch in de natuur noch in de geschiedenis." Het leven zoals
een alledaagse mens het ervaart: eten, werken, slapen - eten, werken, slapen - enzoverder enzovoort is voor de
helden van ondergeschikt belang, maar het bestaat als een conditio sine qua non om tot de roem te komen in het
onvoltooide heden.
Neen, de pennenridders zijn geen alledaagse mensen die zich een beeld maken van het bestaan na de dood, want
hieruit komen angst en onrust voort. De schrijvers drijven op de golven van de zon en zijn met hun zesde zintuig
georiënteerd naar een kosmisch punt in de ruimte waar al het licht dat zij hier op aarde uitzenden weer wordt
geabsorbeerd. Alsof zij intuïtief leven in een macrokosmos waar niets verloren gaat, waar niets tevergeefs is,
omdat al wat zij schrijven, al wat zij 'zijn', behoort tot het geheel en dat geheel draagt in zichzelf de roem
en de erkenning. Zelfs indien het door niemand op een welbepaald moment wordt bemerkt. De roem straalt permanent
en zal schitteren in het heden of de toekomst. Je kan het vergelijken met een ster die in een of ander zonnestelsel
schittert en straalt. Ook al heeft geen mens ze ooit gezien met een Hubble of een ander lenzencomplex: de ster
schittert. De roem ligt in de schrijver zelf.
En zo wordt het plots middernacht in Berbroek. Mijn werkkamer hangt vol wolken muziek. De stapel boeken wankelt
zoals ooit de toren van Pizza. De computer ronkt alsof hij al slaapt. En ik word niet moe. Ik blijf vrolijk
tokkelen op mijn klavier alsof ik op de koop toe nog een nachtsymfonie uit mijn mouw wil schudden. Ik blader
nog een keer in Spinoza en sla dan als een vogelbekdier de 'fragmenten' van het leven dicht. Het is 'zijn en
tijd', want straks is een nieuwe dag. Ik stapel mijn helden op een keurige hoop terwijl ik ze een voor een nog
eens over hun 'cover' wrijf. Respect is een mooie deugd!
191. Rampspoed (Dinsdag 4 januari 2005)
Reconstructie van de feiten - Poseidon, Promètheus en Pallas Athène in Olympus, zondagochtend 26 december
om 03.03 uur -
Poseidon: "Goed dat jullie onmiddellijk gekomen zijn, Promètheus en Pallas Athène. Ik ga zo dadelijk nabij
het Indonesische eiland Sumatra een tsoenami veroorzaken die de tsoenami's van 1896 op Japan, van 1976 op
de Filippijnen, van 1992 op Nicaragua en van 1998 op Papoea-Nieuw-Guinea zal doen verbleken!"
Promètheus: "Zal ik het de mensen alvast gaan vertellen, Poseidon? Of straf jij de mensen nu al voordat
ik ze heb ingelicht? Bijvoorbeeld hoe ze in de Indische Oceaan waarschuwingssystemen voor tsoenami's
kunnen plaatsen? Of wil je me beletten dat ik de mensen nog meer welvaart en beschaving bijbreng? Of
is het deze keer niet nodig dat mijn lever door een adelaar wordt weggepikt?"
Poseidon: "Je zult te laat komen, Promètheus. Ik ben Zeus niet die de mensen straft met de zondvloed 'na'
de feiten. Ik stuur achteraf geen doos van Pandora waarin verschrikkelijke ziekten en rampen hun leven
vergallen! Ik wil de mensen helpen. Ik zal ze rechtstreeks confronteren met de hoop. De hoop op waarachtig
geluk. Geen gehuichel, geen hypocriet gedoe. Geen 'ik', maar 'wij'. Een mens vol van 'verwondering', met
een zekere 'verontwaardiging' en zin voor 'verantwoordelijkheid'. Een mens met gevoel voor de kracht van
al die V's. Ik wens hiervoor beroep te doen op een bepaalde ervaring welke men aanwezig acht bij hen tot
wie men zich richt. Die ervaring - de ervaring van 'ik hoop', zoals de fundamentele ervaring van het
geloof die is van 'ik geloof' - zal gezuiverd moeten worden of juister gezegd: uitgaande van die ervaring
in haar verdunde staat zal men diezelfde ervaring moeten benaderen in haar hoogste spanning en
concentratie, in haar hoogste verzadiging. Een zondvloed zal ze daarbij helpen!"
Pallas Athène: "De mens is uw goed en uw weten, Poseidon. Waarom hem kwetsen? Jij alleen kent de mens,
als enige doe jij hem bestaan overeenkomstig zijn waarheid. Zelfs ik begrijp soms niet hoe een mens een
ander kan beminnen, zelfs het recht heeft een ander te beminnen, terwijl mijn liefde voor de mens zo
intens op de mens is gericht, zo diep, zo volledig, terwijl ik niets anders ken, of weet, of heb, dan
alleen de mens. Alleen bij de mens voel ik mij 'mijzelf'. En jijzelf, Poseidon? Jij wil nu precies de
mensen gaan vernietigen alsof je twijfelt aan je eigen liefde. Na zo'n zondvloed zou je de waarheid kunnen
zien als wat, eenmaal weggenomen, alleen nog de dood overliet."
Poseidon: "Mijn lieve Pallas Athène. Ik wijs erop dat de redenen om te hopen hier buiten mij omgaan, ook
buiten mijn wezen omgaan, niet geworteld staan in de grond van wat ik ben. Het betreft in feite slechts
een schatting van kansen die ik afweeg, de oplossing van een praktisch vraagstuk van waarschijnlijkheden.
Trouwens, na de zondvloed zal de hoop weer opflakkeren zoals nooit voorheen! Ik reken op de mensen,
wereldwijd. Ik reken op de doden. In getale groot genoeg om de hoop weer vleugels te geven. Om de mens
weer te wijzen op zijn beproeving, een individuele of een die hij deelt met alle leden van een groep
waartoe hij behoort. Mijn lieve Pallas Athène, ook ik verlang naar een bepaalde bevrijding bij de mens
die een eind maakt aan die beproeving 'Ik hoop'."
Promètheus: "Mag ik vragen oh Poseidon, zoon van Kronos en Rhea, broer van Zeus en echtgenoot van Amphitrité,
waarom jij precies met je drietand de zee in beroering wil brengen nabij Sumatra? Was het niet simpeler om
met één stoot van uw drietand op enkele aardplaten meteen Amerika van de kaart te vegen?"
Poseidon: "Amerika, Europa, Australië... kom nou Promètheus. De wereld doet net of hij achter glas leeft;
hij zit in een aquarium; ik zie hem van heel dichtbij en toch los van mij; hij bestaat uit een andere
substantie; telkens opnieuw val ik buiten mezelf, zonder duizeling, zonder mist, in de nauwkeurigheid,
alsof ik mescaline heb genomen. Promètheus, ik moet de vensters van dat aquarium breken. Ik moet met mijn
zondvloed de wereld bereiken. Niet één land, niet twee, niet zeven, maar de mensheid. De wereld moet even
verstenen om dan met de kracht van 'de hoop' weer sterker verder te leven. 'Ik hoop', zoals ik oprecht bedoel,
is gericht op een heil, een verlossing. Het gaat er voor mij werkelijk om dat de mensen ontkomen aan de
duisternis waarin ze nu gedompeld leven; dat kunnen de duisternissen van ziekten zijn in Afrika, van
scheidingen in Europa, van de ballingschap van Palestijnen, van de slavernij in Zuid-Amerika, van de
pornoindustrie in Thailand en noem maar op. De wereld staat in vuur en in dergelijke gevallen is het
klaarblijkelijk onmogelijk 'ik hoop' los te maken van een bepaalde soort situatie waarin de hoop in
werkelijkheid geïmpliceerd is. Inderdaad Promètheus, de hoop hoort thuis in het raam van de beproeving;
niet alleen beantwoordt zij aan de beproeving, zij vormt een echt antwoord van het wezen op die beproeving."
Pallas Athène: "Ach Poseidon, je weet toch dat het lichaam van een mens verdeeld is. Aan de ene kant zijn
eigenlijke lichaam, zijn huid, zijn tedere ogen, zijn warm hart; en aan de andere kant zijn gereserveerdheid,
zijn kordaat gedrag, zijn koude bloed, maar uiteindelijk blijkt de stem altijd dezelfde te zijn. Wie
tracht je te raken met je oneindige kracht. Hoe diep ga je deze keer de aarde schudden? Veertig kilometer
beneden de zeebodem? Hoe fel ga je te keer met je drietand? Acht of negen op de schaal van Richter? Hoe
hoog zullen je golven deze keer zijn? Negen of twintig meter? En waar laat je ze aanspoelen, Poseidon?
Poseidon: "De golven zullen vier uur na mijn daad hun werk gedaan hebben in Sumatra, India, Bangladesh,
Thailand, Maleisië, Indonesië, de Malediven, Sri Lanka, de Andamanen en de Nicobaren. Al deze landen zullen
talrijke slachtoffers tellen, maar ook een heleboel doden onder de toeristen zullen de wereld doen verstommen.
De volgende landen zullen zeker slachtoffers tellen: België, Nederland, Australië, Brazilië, Colombia,
Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Japan, Kroatië, Nieuw-Zeeland,
Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Rusland, Spanje, Taiwan, Tsjechië, Turkije, Verenigde Staten,
Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland."
Pallas Athène: "Dan zal ik mijzelf proberen los te rukken uit de Droomwereld van mijn liefde, Poseidon,
maar in de diepte blijft de Droom branden, als slecht gebluste turf. Ik zal echter dieper gekwetst worden
door wat ik zie dan door wat ik nu weet."
Promètheus: "Wee mij! Wee mij? Het leven brengt nu eenmaal leed. Deze doem draait dagelijks rond door dit
wereldrond. Waarom zucht je dat deze droeve dingen gebeuren? Waarom verbaas je je? Niet tot voorspoed
alleen bracht uw vader Atreus, Agamemnon, u voort, maar als sterfelijk mens, zijt ook gij voor vreugde
en voor smarten bestemd, al wilt gij het niet, wat de godheid beschikt, zal uw deel zijn."
Poseidon: "Dat heb je mooi gedicht, Promètheus. Ik wist niet dat je Euripides' Iphigeneia in Aulis
gelezen hebt. En het zou inderdaad vreemder zijn als iemand niet onder deze algemene wet zou vallen
en niet de last draagt, die allen dragen. Kom eens hier Promètheus. Ja, hier, aan de voet van de Akropolis
en kijk naar al die huizen beneden in de grote stad. Bedenk hoeveel leed onder deze daken geheerst heeft,
er nu heerst en in de toekomst zal heersen, en houd op het ongeluk, dat aan de mensheid eigen is, als iets
persoonlijks te bewenen. Ik zou willen dat jij in de wijde wereld dezelfde ervaring kon hebben. In
werkelijkheid kan het niet, maar kom, dan maar voor korte tijd in gedachten. Ik plaats je op de top van
de hoge Olympus: kijk omlaag naar alle steden, provincies en koninkrijken, en bedenk dat je evenzoveel
verzamelbekkens ziet van menselijke ellende. Amfitheaters, arena's zijn het, waarin Fortuna haar bloedige
spelen houdt. Je hoeft niet ver te kijken: zie je ex-Joegoslavië? Het is nog geen tien jaar geleden dat
het land bekomen is van grimmige oorlogen; het wijde Irak? Hevig smeulen er de vuren en zij vatten
dagelijks weer vlam en laaien weer op, als ik mij niet vergis, tot een catastrofale brand; Midden-Afrika?
Een bloedbad en zowat het hele continent loopt gebukt onder aids en hongersnood; Israël? Kijk en heb
medelijden, nog steeds kruipt geweld dagelijks uit de spleten van de aarde. En op de hele wereld is het
niet anders. Bedenk dit, Promètheus, en relativeer door de gedachte aan de algemene rampspoed je eigen
ellende. Zoals achter triomfators een slaaf werd neergezet die tijdens alle vreugde om de zegepraal
steeds moet roepen: 'Jij bent een mens', zo moet ook altijd de overweging bij je postvatten: 'Dit is
menselijk'. Want pijn wordt, evenals arbeid, lichter wanneer zij met anderen gedeeld wordt. Ga nu
Promètheus. Ga Pallas Athène troosten want ik moet nu dringend mijn dodelijke vloedgolf gaan maken..."
Geraadpleegde werken:
Encyclopedie van de mythologie
Gabriel Marcel, Homo Viator, Een filosofie van de hoop
Het Belang van Limburg, kranten van 27/12/2004 tot en met 03/01/2005
Lipsius, Over standvastigheid bij algemene rampspoed
Roland Barthes, Synopsis, De taal der verliefden
190. Jaaroverzicht (Dinsdag 28 december)
Ergens tussen 28/12/2003 en 28/12/2004
Zondag 28 december 2003
(…) Eveneens ben ik vandaag 45 jaar geworden. Twee aankopen bevestigen dit feest! Eén: de aankoop van een
tweedelige biografie van Friedrich Nietzsche in de Leidense De Slegte voor slechts 35 euro. Een chique
uitgave van Tirion in zacht okergele kleuren. Nietzsche van de hand van Curt Paul Janz. Het eerste deel
over de jeugd en de jaren in Basel (1869-1879) en deel twee over de periode van de vrije filosofie; de
erkenning en het tragische levenseinde in 1900. Twee: eindelijk de ‘Verzamelde Gedichten’ van K.P. Kavafis
(1863-1933) gevonden en gekocht in De Kler aan de Breestraat 161 in Leiden. Voor 33 euro rond! Wat een
prachtige verjaarcadeau’s! Niemand dan ik, had ze beter kunnen kiezen. Ik weet het. Het is geen kleingeld,
maar deze twee werken vind ik anders nooit meer. Dit is pure serendipiteit. Toen ik de boeken ontdekte,
hing er een gekleurde nevel boven. Niet de boeken zelf brachten me in een kleurenextase, maar de synethesie
zelf wankelde op zijn kleurpilaren (…).
Zaterdag 17 januari 2004
(…) Tja, professor dokter Hubert Dethier had weer last van Leopold Flam. Zijn trauma had weer de bovenhand
en anekdote na anekdote over Flam brachten hem in een zenuwachtige stemming die afgewisseld werd met een
spontane lach. Van 15.30 uur tot 18.00 uur was Flam dé ‘king of live’ en elke dialoog met mijn professor
stond in het teken van de joodse filosoof die heel wat vijanden maakte tijdens zijn leven aan de Vrije
Universiteit in Brussel. De Hemingway van de universiteit, zeg maar. Maar wat een gezellige namiddag
beleefde ik vandaag. En ik kwam al van een lieve middagpauze: een etentje bij mijn zusje in Eppegem én
een blitsbezoek in Mechelen waar ik ‘eindelijk’ het werk van Johan Anthierens vond over Willem Elsschot.
Een vondst van 9,5 euro. En ik kocht er ook nog een bloemlezing van Plato evenals een Querido-boekje van
Kafka: ‘Brieven aan zijn ouders’. Ja, hier in Le Coq in Brussel, omstreeks zessen, komt mijn dag weer
tot leven terwijl ik schrijf in mijn dagboekje. Le Coq, een volkscafé in hartje Brussel met een sobere
sfeer en de pretentie van een arbeider. Hier zit ik alleszins op mijn plaats (…).
Donderdag 26 februari om 13.45 uur
(…) Ik zit met vrouwlief en kinderen in het Stadscafé-restaurant ’t Gerecht in Terneuzen en mijn dapper
vijfjarig zoontje Sander vraagt: “Mag ik eens op uw schoot zitten omdat het zo’n mooie zonnige dag is?”
Natuurlijk! Ik heb tijd. Ik maak slechts een reflectie naar Flam nu ik even grasduin - aan de oevers van
de Westerschelde - in zijn werk ‘De Macht’. Bij het hoofdstuk ‘De schrik of de terreur en het terrorisme’
verwijst Leopold Flam naar Seneca. Ik citeer: “De terreur heeft het karakter van algemene en objectieve
schrik, ook panische angst geheten door Seneca reeds in ‘De Ira’ beschreven als een algemeen verspreide
vrees die samengaat met een objectieve zinsbegoocheling.” In dit werk haalt Flam ook heel wat Latijnse
termen aan. Van lange zinnen tot korte woorden zoals tegenstander (adversarius) of toeschouwer (spectator).
Tja, was Flam nu een polyglot of niet? (…).
Dinsdag 30 maart 2004
(…) Voor het eerst sinds 1999, ben ik met een lang gezicht naar Flam getrokken. Na vijf jaar een eerste
‘dip’? Gelukkig heb ik aan het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen afgesproken met mijn vriend Vic want
anders was ik zelfs niet opgestaan. Ba, ik ben ook niet echt tevreden over mijn column 151 over misoneïsme.
Maar het ei moest gelegd. Net zoals bij een kip. Soms is het scharrelen om genoeg kalk bijeen te krijgen
om de boodschap in te pakken. Dát overkwam me bij column 151. En dan de kille gedachte dat vrouwlief en
kinderen in Benidorm vertoeven. Alleen is toch maar alleen! (…).
Vrijdag 16 april 2004
(…) Hier ben ik opnieuw. In L’Hirondelle Château-Oteppe 4210. Vol nostalgie keer ik terug naar een plaats
waar ik een van mijn allereerste vakanties meemaakte. Oteppe, op 16 km van de taalgrens en middenin het
natuurgebied L’Hirondelle. Aangekomen met mijn gezin, maak ik me bekend als ‘pers’. De pientere dame aan
de receptie belt onmiddellijk naar de directeur en die verwelkomt me persoonlijk. Ludo Maertens -
afkomstig van Diksmuide – heeft het 60 ha grote camping & plezierpark van zijn vader overgenomen toen
die op 87-jarige leeftijd overleed. Wijlen Maertens senior bouwde het park sinds 1963 uit en liet het
blijkbaar tot zijn dood niet meer los. Vandaag leeft de 90-jarige moeder van directeur Ludo nog altijd.
Ludo en ik praten hartelijk en honderduit over Vlaanderen en Wallonië. Maar Ludo kent het fenomeen
‘Concentra Media’ of de krant ‘Het Belang van Limburg’ niet. Wel de uitgeverijen VUM en Roularte én ook
de krant ‘Gazet van Antwerpen’. Zijn lievelingskrant is ‘De Standaard’. Ook het mediagegeven kabelkrant
is hem vreemd. Ik vertel hem een en ander en we lachen bij een hete tas koffie. Hij moet vooral schateren
met het woord – totaal nieuw voor hem - ‘kruisbestuiving’. Ja, Ludo is zijn Nederlands niet verleerd,
maar na al die jaren Wallonië, is zijn Nederlands ook niet meer gegroeid! Wanneer onze tijd op is, schudt
hij me de hand en zegt dat ik spoedig moet terugkomen (…).
Vrijdag 21 mei 2004
(…) “Dromologie, komt van dromos, het lopen, de snelheid, de weg. Het houdt zich bezig met de logica van
de loop; een wereld waarin snelheid in plaats van rijkdom de maat der dingen is.” Een nieuw woord voor
mij! Dat vraagt om een nieuw gedicht? Na een werklunch met N.V. was dat natuurlijk een gedroomde kans…:
“Ik ben getroffen door/ jouw dromologie/ Het zat al diep in mijn dromen/maar tijdens de lunch/met een
eeuwige woordenepiloog/nam de logica van de loop/met een ongekende snelheid/bezit van mijn waarheid.” L.L.
(…).
Vrijdag 25 juni 2004
(…) Daarheen en weer terug. Parijs. Wat een bende! Vierendertig journalisten uit negen verschillende landen
geven present voor drie dagen Parijs. Hoe moet dat verder? Na mijn Thalys-rit vanuit Brussel-Zuid denk ik
alleen nog maar aan een goed restaurant. Maar noppes. Eerst gaan we met zijn allen naar Het Louvre, je
weet wel: de Grand Bazar van opgegraven potjes en pannetjes, oliedoeken en marmeren attributen. Onze
rondleiding staat in het teken van ‘een erotische expo’. Onze vrouwelijke gids uit Normandië vertelt met
zoveel passie alsof ze de doeken zelf heeft geschilderd en de beelden zelf heeft gekapt ! “Ziehier het
schitterende doek ‘Take the nipple’ of een ‘Portrait présumé de Gabrielle d’Estrées et de sa soeur la
duchesse de Villars (1594) uit de Ecole de fontainebleau, » kwettert ze als een mus in een van de vele
majestueuze zalen. De erotiek uit de 16de en 17de eeuw – renaissanceperiode – gebeurde veelal in opdracht
van de geestelijke organisatie. Met heel wat bochtenwerk kon er pornografisch geschilderd worden.
Koninginnen en vooral Venus werden afgebeeld in al hun naakte glorie. De bastaards die ze besprongen
stonden ook vaak op het doek of tenminste hun geile gedachten. Alle locaties waren goed genoeg om Venus
te fantaseren en de opdrachtgevers te laten kwijlen met hun hypocriete poses op het doek, komen we te
weten. Wat moet deze erotische expo eigenlijk duidelijk maken? De hypocrisie van de schilders of die van
de kerk? Deze laatste, alweer! “Adonis dood. Dood en seks gaan altijd samen,” orakelt de wulpse gids nu.
“Onzin,” denk ik. In de 18de eeuw worden jonge vrouwen van achttien afgebeeld met blote borsten en blote
benen, eigenlijk alleen een voorrecht van de prostituees… en de schilders. Maar er is toch meer intimiteit
bij de naaktschilderijen uit de 18de eeuw. Zo bijvoorbeeld bij Antoine Watteau en Jacques Stella. Goh,
maar wat een belachelijk schilderij van François Boucher (1703-1770): een doek waarop een Poolse del
staat die in staat is om elf baby’s in vijf jaar tijd te baren. Tja, en nu wil de gids nog een serie
vazen laten zien waarop geneukt wordt, maar die zijn ‘plots’ weggehaald. Censuur in het Louvre? Dan maar
naar Eugène Delacroix (1798-1863) met de vurige vrijheidsstrijdster met de blote borsten - cf. ‘Le 28
juillet. La liberté guidant le peuple (28/7/1830)’ (…).
Maandag 5 juli 2004
(…) Toen ik om zeven uur opnieuw de kerkklokken van Horni Cerekev (Tsjechië) hoorde luiden, voelde ik me
plots een rare vogel in een andere wereld. Zelfs de zon scheen anders met zijn stralen en de rust was
niet die rust van Berbroek in België. De vogels floten zelfs anders als bij ‘ons’ en de wind, de eeuwige
wind, blies op andere trombonen dan de gebruikelijke. Ook het in- en uitademen in de Bohemen verliep met
een andere frequentie. Kortom: de beweging metamorfoseerde stilaan naar een andere sfeer. Van de weeromstuit
overviel ik bij klaarlichte dag mijn eigen vrouw en zij voelde zich intens bemind door de sterkste Adonis
in me. Tja, qualis vir, talis oratio; zoals de man is, is zijn manier van spreken (…).
Zondag 15 augustus 2004
(…) Ergens op de dijk tussen Sint-Idesbald en Raversijde (Gezien aan zee): “Het was een klomp vlees/Die
zacht wegzonk/Op het mulle strand/Tot de vloed van de zee/Ze weer op de dijk gooide/Voor de volgende
aderlating/Nierenvet en reuzel/ L.L.
Ergens op de dijk in Oostende: (Ontologisch ongemak I): “Zie het volk/zich weer eens wentelen/in zijn
werkkledij/en naar reuzel stinkend zweet/ * /Zie het plebs hier op de dijk/in de zuilengalerij van wijlen
koning/ooit het exclusieve koninklijke oord/nabij de Noordzee, nabij de boord/ * /Zie het gepeupel
schuifelen/pas na pas/met het hoofd gebogen/denkend aan hoe het was/ L.L.
Vrijdag 17 september 2004
(…) En zo snelt het leven voorbij. Geen tijd gehad om op straat te gaan protesteren of ergens oorlog
te gaan voeren. Ik had het te druk op het werk, met mijn gezin en last but nog least, met de Forum+-uitgave
nummer 23. Ziezo. Ik vlieg nog even in de ochtend. Ah ja: zondag treed ik als Leopold Laarmans op tijdens
de poëziewandeling op de mijnterril van Beringen. Een initiatief van KVLS-Limburg waarvan mijn vriendin
Edith Oeyen voorzitter is. In mei van dit jaar heeft ze me voor deze ‘klus’ gevraagd en ik heb toegezegd.
Ik schreef een vijftal mijngedichten en daarvan zijn er nu twee geselecteerd. Ze prijken op een poëtische
wandelroute van de mijnterril. Ik zal ze er eveneens voorlezen. Ha, die goeie ouwe Laarmans in actie (…).
Donderdag 21 oktober 2004
(…) Poeha. Weer in het buffet van het Centraal-Station van Antwerpen met een hete Segafredo Zanetti.
Nog een dik half uur wachten op de trein naar Diest. Vandaar zal ik mijn vrienden Rob en Guy opzoeken
om traditioneel onze tweemaandelijkse uitwaai naar Luik te doen. Maar wat een gekke dag in het AMVC-Letterenhuis
in Antwerpen. Als een gek ben ik bezig geweest met de archiefmappen van Flam! Ik heb map 63 (van de 126) nipt
gehaald. Een eerste professioneel overzicht van het archief zal pas medio 2005 beschikbaar kunnen zijn! Ach,
waarom al die drukte? We maken een nieuw land. Aan de ingang zetten we een vrolijke Mexicaan die het zaad en
het tuingerei uitdeelt. Het nieuwe land wordt enkel bewerkt en verder niets. Wie er op woont, leeft als een
indiaan, of niet! (…).
Maandag 15 november 2004
(…) 6.45 uur. Eindelijk op. Wat een gewoel in bed. Al vanaf 04.00 uur, schat ik. Toen om 05.00 uur de wekker
wakker schoot, krabbelde enkel mijn geest overeind. Mijn lichaam kon niet volgen en zakte weg in het zachte
bed. Ik heb dan maar gekronkeld als een slang tot 06.45 uur om dan toch op te staan in het besef dat de mooie
ochtend voorbij was. Maandagochtend 15 november 2004 zou nooit meer kunnen beleefd worden. Nooit, door
niemand. Nochtans is de hele ochtend stiekem gevuld met mensen die bewegen. De files die al groeien als
kolen bewijzen het. Naar Brussel is het al ‘koekenbak’. Buiten op straat hoor ik auto’s razen. De krant
zit in de brievenbus. Wie zal ze gebracht hebben? Op de radio draait de wereld op volle toeren. Voor 05.00
uur iets trager, maar vanaf 06.00 uur op topsnelheid. Elke dag weer, zaterdag en zondag iets minder. Het
nieuws zwelt aan en de reclame verpest weer de amusementswaarde van de radio met daverend ‘gelul’ en heel
wat leugens! (…).
Dinsdag 28 december 2004
(…) Vandaag, weer een jaartje ouder (…).
Top
|
|