|
|
|   |
Column 'Groeten uit Berbroek' - Columns 140 t.e.m. 149
149. Twee (dinsdag 16 maart)
Er zijn zo van die dagen dat ik hoop dat niemand in mijn hoofd kan kijken. Tjonge tjonge, is me dat daar dan een oxymoron. Zelfs Ilya Prigogine (1917-2003), de oervader van de chaostheorie, zou met verstomming geslagen worden bij het aanzien van zoveel scheikundige wanorde. "Hopeloos," zou hij mompelen. Misschien wel in het Russisch! Goh, mijn hersenorganisme snakt dan naar overlevingswetten, maar noch hypnose, noch I Tjing of een goeie portie Tai Chi zouden dan ipso facto het evenwicht kunnen herstellen.
Het mag een wonder zijn dat mijn hersenen erin slagen om me op zo'n momenten nog normaal te laten functioneren. Moest mijn hoofd een computer zijn, dan zou hij zonder meer crashen. Soms denk ik dat we te veel zintuigen hebben om ons in deze hoogtechnologische wereld te kunnen handhaven. We zien te veel. We horen te veel. We voelen te veel. We proeven te veel. We (be)tasten te veel. En al die oneindige prikkels gaan in hypersnelheid via het centrale zenuwstelsel waar ze worden verwerkt, gewaargeworden en uiteindelijk vastgelegd (geheugen). Maar 'trop is teveel', zei slager en minister Paul Vanden Boeynants terecht. We worden als mens nonstop overspoeld met informatie. Het is vaak wanneer we een of meerdere zintuigen uitschakelen dat we ons nog kunnen concentreren. Voor wie kinderen heeft bijvoorbeeld door de oren even in de ijskast te leggen terwijl we voetbal kijken. Of de ogen sluiten wanneer Bert Anciaux iets komt uitleggen op televisie.
Vroeger, toen we nog op gelijke voet stonden met de Neanderthaler, toen konden we geen zintuig missen om een dag te overleven. We hadden zelfs ons instinct nodig om niet in de val te lopen van een schalkse sabeltijger. Tijdens die prehistorische tijden moesten we zelfs met handen en voeten kunnen werken om een gezin te onderhouden. We moesten ook kunnen zien en horen als een uil in de nacht. Maar nu? Een blinde kan zien hoe we hier op aarde aan het rotzooien zijn. Een dove kan horen dat we met ruim zes miljard zielen op aarde lawaai maken tot ver achter de maan én een smaakloze arrivist kan zelfs op de kortste tijd de hoogste sport van de maatschappelijke ladder bereiken. Een of andere universitaire titel is vaak al voldoende... Mijn hoofd barst ervan!
Ik weet soms niet meer wat te denken noch te doen. Alsof ik op die momenten gemetamorfoseerd ben naar een lege man die als substantie letterlijk - Aristoteles ten voeten uit - opgesplitst ben in een 'vorm' en een 'massa'. Tijdens die bizarre ervaring dwaal ik dan even als 'vorm' rond die geconditioneerd zijn dagelijkse activiteiten vervult, terwijl de 'massa' ergens de kosmos schatplichtig is. Denken en werkelijkheid dan gescheiden alsof ik uit 'twee' besta. Uiteraard een intellectuele misvatting. Het is me 'wat'!
148. Reis rond de wereld (dinsdag 9 maart)
Geef toe, 1842 is een hele tijd geleden, maar niet zo lang als onze tijdshorizon. Een veertiger vandaag slaat met slechts drie tot vier generaties gemakkelijk een brug naar toen. Zo blijft 1842 nog bijna tastbaar, een kleine stap voor de hedendaagse mens. Een reis om de wereld in 1842 was echter voor zeer kapitaalkrachtige avonturiers - type Rik Daems - weggelegd. Een reis vanuit pakweg Limburg naar onze Noordzee was destijds al een heldendaad. Wie de Ardennen bezocht, had decennia lang inspiratie om dag na dag aan een Leuvense stoof kolossale verhalen - type Louis Tobback - te vertellen aan de kinderen. De verteller werd zo minstens de Jules Verne van de streek. Werd geroemd als de Tolkien van het platteland, Hemingway voor stevige tooghangers.
Wat er in 1842 in een naburig dorp gebeurde, wist men vaak pas dagen later. Een verkrachting in Brussel werd in bijvoorbeeld City Berbroek afgedaan als een indianenverhaal. Het nationale nieuws ging slechts over de vlasindustrie en het linnenakkoord dat België al dan niet met Frankrijk zou sluiten. Het Belgische spoorwegnet was slechts 365 km lang en het wereldnieuws dat een doorsnee Belg in die tijd bereikte, was nihil. Dat in 1842 de Britse troepen capituleerden in Kaboel tijdens de Brits-Afghaanse oorlog was de Belg zo vreemd als de achterzijde van de maan. Noch het nieuws dat de Russische tsaar Nicolaas de lijfeigenschap niet zou afschaffen noch dat Karl Marx de leiding kreeg van het in Keulen verschijnende tijdschrift Rheinische Zeitung, noch de trieste melding dat op 23 maart 1842 de Franse schrijver Stendhal (pseudoniem voor Marie-Henri Beyle) stierf! Kortom, moest op 29 augustus 1842 het Verdrag van Nanking tussen Groot-Brittannië en China geen einde gemaakt hebben aan de Opiumoorlog, dan had de mensheid nooit geweten dat opium bestond. Een hoopje Belgische intellectuelen niet te na gesproken. Zij kregen de kronieken van de mensheid met mondjesmaat toegefluisterd in een of andere koninklijke salon. De kleine man? Tenzij een missionaris niet persoonlijk met zijn roeiboot het malarianieuws in Afrika kwam melden, wist geen enkele Belgische boer voor wie hij de kaars deze keer liet branden in de kerk. Het grote nieuws kwam meestal uit eigen streek. En de mensen kwamen er ruim mee toe. Ze waren er gelukkig mee.
In het beste geval kon een of andere slimmerik in 1842 een atlas op de kop tikken om te weten wat op aarde zoal te beleven viel. En precies zo'n atlasje uit 1842 heb ik toevallig vorig jaar op de kop getikt. Op een rommelmarkt in Koksijde kocht ik het van een stokoude koloniaal. Met heimwee overhandigde hij me het literaire kleinood want hij had het nog van zijn grootvader gekregen. De 'Atlas' of 'Reis rond de Wereld' komt vandaag weer boven water nu de grootste regionale krant van het land, Het Belang van Limburg, straks zijn 125ste verjaardag viert. Op de kaft van de 'Atlas' staat dat het een 'zeer leesgierig werk' is dat 'geschikt is om 'eenieder op korten tijd de Aardrijkskunde te leeren'. De negentiende uitgave was opnieuw 'overzien en verbeterd' door de drukkers-uitgeverij Snoeck-Ducaju & zoon. Prijs: 1,50 frank.
De Atlas is een atlas zonder kaarten. Het is doorlopende tekst, 295 bladzijden lang. Nadat enkele hemellichamen in het aanschijn God worden besproken, komen de landen Nederland en België aan de orde. De overige bladzijden gaan in snelle vaart over alle continenten en landen in de Oude en de Nieuwe Wereld want zo is de aarde in 1842 nog verdeeld: de Oude Wereld of Europa, Azië en Afrika en de Nieuwe Wereld: geheel Amerika aangevuld met Nieuw-Holland of Australië.
Ik smelt telkens weer weg wanneer ik in deze snuisterij van ruim 150 jaar ter hand neem. In een 'voorafgaande verklaring' van het boekje schrijft de uitgever dat " (...) Wij zullen te scheep gaan, en nochtans voor de tafel blijven; wij zullen den loop der rivieren en de gesteltenis van verscheidene landen vinden; ik verzeker u dat de reis zeer aangenaam zijn zal; want gij zult zien, hoe de aarde door verschillige soorten van menschen, zwarte en witte, gelen en olijfkleurige bewoond wordt (...)" De Atlas schept dus een zelfde verwachting als een krant: aan een tafel - liefst met een koffie - de verre en nabije wereld toeschouwen. Maar de wereld in 1842 lijkt nog zeer eenvoudig. België? De bevolking van het koninkrijk werd toen op 6.410.000 inwoners gerekend. De provincies worden omschreven als 'in het algemeen zeer vruchtbaar en met gemakkelijken landbouw'. De steden worden kort beschreven en om er maar één uit te pikken - die van Steve Stevaert - "Hasselt is eene fraaie stad en door den Demer in twee delen gedeeld. Zij is de zetel van het provinciaal bestuur, en heeft een rechtbank van eersten aanleg. Er zijn leertouwerijen, zeepziederijen, en kantenfabrieken. In deszelfs omstreken plant men tabak en meekrap. Hare bevolking is van 12.000 inwoners." Nog geen noot of voorspelling van gratis transport!
Frankrijk blijkt dan weer door het Opperwezen tegen andere landen sterk begunstigd en over Italië wordt met enorme lof gesproken: "(...) Nu zijn wij in een der schoonste en vermaardste landen van Europa. Uit Italië is het Roomsche volk gesproten, hetwelk zich allengskens van bijna al de gewesten der aarde, welke de oude volkeren kennen, meester gemaakt heeft. Italië met 32.996.307 inwoners, dat van over oude tijden zijne kundigheden en beschaafdheden van de Grieken heeft ontvangen, heeft dezelve door geheel Europa verspreid (...)." De opmerkelijkste bijdragen in de 'Atlas' komen verder van onder meer de Russische Tartarijen, Perzië, Palestina, de Staten van Barbarijen en de opmerkelijkheden Kafferland en Hottentotten. En zo gaat dat maar door. Geschiedenis is een religie.
147. Le Cirio (dinsdag 2 maart)
Toen ik afgelopen winterwoensdag in de schaduw van de beurs, Le Cirio in Brussel binnenstapte, zag ik een mooie vrouw zitten aan een tafeltje. Ze keek naar me alsof ze me verwachtte, maar ik was in de 19de-eeuwse brasserie even toevallig als een meteoor de aarde bezoekt. Ik kleedde me meteen uit: pet, sjaal, handschoenen, jas en nam toen aan de andere kant van de gezellige staminee plaats. Toen ik nog eens opkeek in de richting van de nieuwsgierige vrouw, kwebbelde ze honderduit tegen haar kroeggenoot. Maar ze was veranderd. Niet zo mooi meer dan tijdens het eerste oogcontact. Na een tas koffie en wat geschrijf, keek ik nog eens op. Goh, ze had weer een metamorfose ondergaan. Ze was gewoon foeilelijk geworden. En op zo'n korte tijd. Ik schrok er zelf van.
Ik begon dan maar het Knackinterview te lezen met de Nederlandse schrijver en journalist Michaël Zeeman. Ik had de Knackpagina's van 26 november 2003 uit mijn dikke map 'Nog te lezen' opgenomen toen ik vanuit City Berbroek naar Brussel vertrok. Niks zo fijn als knus in een wereldstad uitgestelde informatie verorberen en met kantlijnen voorzien! Zeeman is een omstreden intellectueel die in april 2002 met zijn pas ontvangen Gouden Ganzenveer in zijn kont Nederland de rug toekeerde en zich in Rome ging vestigen. Vooral het 'hersenloos gezwets' dat in zijn vaderland voor intellectueel debat doorgaat, was hem te veel geworden, zei hij onomwonden tegen Piet Piryns en hij grapte vervolgens: "En de koffie is hier beter natuurlijk." Ik keek op als een professor die gestoord wordt in zijn concentratie en slurpte als een doorgewinterde Italiaan van mijn bescheiden koffie. In mijn blik naar oneindig (l'infini) probeerde ik te proeven wat Zeeman precies bedoelde. Al denkend keek ik rond in het café en zag nog steeds de lelijkaard existeren met meer gebaren dan manieren. Van tijd tot tijd zag ik zelfs haar zwart ondergoed. Pal naast me was het al niet veel beter. Een onwijs van pakweg eenentwintig zat te bellen met haar Nokia alsof ze een volledige afdeling van Belgacom moest leiden. En nog iets verderop, aan een stevige rondetafel, zaten drie mannen te kletsen in het ijle. Dat zag je zo. Ze overschreden de universele beschavingsnormen door bij elke schreeuw al lachend naar alle hoeken van Le Cirio te kijken. Zo van: "Zie, ik besta?" Net zoals die loensende del keken ze ook naar mij en toen ik flauw teruglachte, stak eentje van die kerels zijn pint in de lucht alsof hij me een goede gezondheid wenste. Hersenloos gedoe.
Die Zeeman kon nog vertellen wat hij wou, maar verder lezen deed ik voorlopig niet. Ik dacht in Brusselse stilte aan de vele intellectuelen in België. Als die allemaal zoals Michaël Zeeman zouden reageren op het Belgische gezwets dan beleefde Rome weldra een nooit vertoonde invasie. Italië zou in een klap dubbel zo slim worden en er zou vooral straffe koffie te kort zijn. En dan begint voor die Zeeman alles weer opnieuw natuurlijk. Neen, Zeeman heeft een zekere wansmaak in de mond, een walg voor het eigen leven. Zijn bedrijvigheid was in zekere zin in Nederland tot stilstand gekomen. De 'fossilisatie' van zijn leven was ingezet, terwijl hij toch maar bleef leven. Als 45-jarige verdroeg hij wellicht niet verder zijn vernederde leven waarin hij geen smaak meer vond. Vermits hij niet verder wilde leven dan een darm zonder enige toekomst, is hij vertrokken. Maar of hij in Rome gelukkig(er) zal worden is zeer de vraag. Waarom zou Italië zoveel anders zijn als Nederland?
De mensen leven in Italië immers op dezelfde wijze van de eeuwigheid, alsof ze onsterfelijk zijn. Ook zij bemerken op een goeie dag met ontsteltenis dat ze oud geworden zijn en beseffen dan net zoals elke 'oude' Nederlander dat de tijd van het vertrek zonder weerkeer onmeedogend nadert. Hieraan kan niets verhelpen dan (misschien) een gestadige en moedige werkzaamheid waaraan op geen enkel moment verzaakt mag worden. Het is de levenskunst dat men op iedere moment dat men ademt, zal blijven doen alsof men nog jaren in het verschiet heeft. Ja, doen alsof men onsterfelijk is. Vaak met een diepe zucht!
Bij een tweede koffie in Le Cirio heb ik dan het interview met de uitgeweken Nederlander naar Italië uitgelezen en ik kan er mijn gedacht maar niet van afbrengen dat het verhaal van Zeeman sterk aanleunt bij het oerdegelijke gedicht 'De tuinman en de dood' van de Nederlandse dichter P.N. Van Eyck (1887-1954). Ik zeg het even op:
(Een Perzisch Edelman)
"Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: 'Heer, Heer, één ogenblik!
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.
Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!'
Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in't cederpark de Dood ontmoet.
'Waarom', zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
'Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?'
Glimlachend antwoordt hij: 'Geen dreiging was't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,
Toen 'k 's morgens hier nog stil aan't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."
In Le Cirio was de rust intussen weergekeerd. De lelijke koekoek bleek een omgebouwde man te zijn. Het bellende meisje had blijkbaar haar lief de bons gegeven en de drie mannen... dat waren toeristen uit Nederland.
146. Literatuur (dinsdag 24 februari)
Ze vragen me wel eens wat ik denk over een ideaal leven leiden. Ik mompel dan vaak wat, maar heb toch een paar scenario's klaarliggen voor als de klok luidt. De vraag hoort thuis in mijn geliefkoosd schriftje 'Illusionaire Utopieën'. Heel wat levensvragen van een bepaalde soort staan erin genoteerd en wachten op mijn antwoord(en). Vragen als 'Welke drie voorwerpen zou je meenemen naar een onbewoond eiland?' of 'Met welke drie personen zou je een onomkeerbare ruimte-expeditie willen maken?' of ' Kan een moord verantwoord zijn?' of 'Als je kon kiezen, hoe zou je willen sterven?' of 'Wie is mijn allerbeste vriend?' of 'Als het kan, zou je echt je toekomst willen kennen?'... tot 'Je mag nog één keer met een andere vrouw naar bed: wie?'
In complete serendipiteit doemen meestal delen en soms volledige antwoorden op. Maar hét eurekagevoel krijg ik als ik één word met de natuur (1), tijdens het spitten in de moestuin, het oogsten van de aardappelen, het snoeien van de bomen, wandelen of gewoon onder een eeuwenoude eik zitten. Het is alsof de affiniteit met de aarde an sich vergroot wanneer je ook daadwerkelijk met ze bezig bent. De intersubjectieve kracht (soort gravitatiekracht) tussen de massa van je kleine bolletje 'hoofd' en de massa van de kolossale bol 'aarde' wordt dan bij wijze van spreken geactiveerd. Er vloeien kosmische stroompjes van de ene bol naar de andere en vice versa en dit gaat gepaard met platonische openbaringen waarbij 'natuurlijke' en 'logische' oplossingen van problemen of hypothesen tevoorschijn komen. Hoe leger je je hoofd kan maken, hoe groter het spanningsverschil wordt tussen de beide massa's en hoe intenser de dialoog met moeder Aarde kan gebeuren. Hetzelfde maak je wel eens mee tijdens het dromen wanneer je hersenmassa niet meer moet denken en zich in een zekere rusttoestand bevindt. Een beetje leeg is, zeg maar. Tussen de meest surrealistische beelden door, zie je dan plots de oplossing van een probleem op een groot scherm geprojecteerd, maar de droom laat je niet los en vooraleer je goed en wel wakker bent, zijn de bevrijdende woorden verdwenen, is de belangrijke formule uit je geest gewist! Wie erin slaagt zijn dromen ooit op dvd vast te leggen, staat volgens mij met één been in het godenrijk (2).
Tijdens een van mijn spitbeurten in de moestuin, zag ik meerdere keren een redelijk scenario voor een ideaal leven. Het ploegde als een groot schip op mijn zeeakkers. Ik zag mij wel eens als Georges Simenon (13/02/1903 - 4/9/1989) eerst een tijdje in Parijs doorbrengen. Wie daar kan publiceren, kan voor de hele wereld schrijven. Het decor, de mensen, de gigantische cultuur... het is allemaal van wereldniveau. En dat is het minste dat een schrijver kan nastreven. Anders heeft het geen belang te schrijven en is het schriftuur gewoon literatuur zonder meer. Daarna zou ik een tijdje in New York gaan wonen. Niet om zoals Tolstoy definitief van de Westen afkerig te worden, maar wel om tenminste jaren intens de snelle evolutie van onze Westerse decadentie aan de bron te observeren. Ik zou regelmatig pendelen tussen het Amerikaanse en het Europese nihilisme met een kanjer van een boot, precies om in een oergezellige kajuit te kunnen schrijven over de duurzaamheid van het leven, de ethiek en de spiritualiteit. Alles in een planetaire roman. Uiteindelijk zou ik me vestigen in Zwitserland, op een punt van een berg, in de buurt van Lausanne waar de sneeuw me uiteindelijk zou toedekken zoals ik als mens gegroeid ben, vlok na vlok.
Te weten dat er al heel wat mensen zo'n ideale leven hebben geleid, valt me zwaar. Niet uit afgunst, maar wel om het ontbreken van het lef om het daadwerkelijk te doen. Ik dagdroom dus maar al te graag over bijvoorbeeld Georges Simenon, die al van zijn achttiende vanuit Luik naar Parijs vertrok om er onder tal van pseudoniemen (3) zijn verhalen te schrijven. Hij zwierf ook uit naar andere Franse streken om na tien jaar in de Verenigde Staten van Amerika uiteindelijk in Zwitserland aan te meren. Eerst in een oud kasteel in de buurt van Charly Chaplin en later in een zelfgebouwd huis, boven Lausanne.
Uiteraard is dit maar een ruwe kennisgeving van mijn 'ideaal leven' (4), maar het is net zo'n ideaal als echte filosofen die zweren nooit te zullen trouwen. Een levenspartner slorpt immers veel energie op. Een Vlaamse filosoof beweerde zelfs dat een wulpse vrijpartij wellicht gelijk staat met een uniek filosofisch gedacht. En wie beseft hoeveel unieke gedachten een doorsnee filosoof heeft, zal begrijpen dat er dus niet mee gemorst moet worden.
Ach! Wat zal ik zeggen tot de jeugd? In mijn 'Illusionaire Utopieën' staat bij die vraag het volgende citaat van Georges Simenon: "Dat zij de grijsaards zijn van morgen, dat ze moeten leven en schrijven. Maar vooral leven, want hun werk kan slechts de weerspiegeling zijn van hun ondervinding en verrijking. Al het overige is slechts... literatuur!"
Voetnoten
(1) Mijn eerste en spontane gedachte als oplossing voor het gestelde probleem wordt dan bijgestuurd of volledig gewijzigd. Deze andere of 'dubbele' gedachte ontstaat meestal tijdens die welbepaalde bezigheden in de natuur.
(2) Een en ander bewijst nogmaals dat ieder mens altijd een dubbelzinnigheid heeft (dit is niet de dubbelzinnigheid of l'ambiguité van Merleau-Ponty, maar het is een dubbelzinnigheid die naast de geconditioneerde dubbelzinnigheid van de gedachte bestaat). In dat opzicht hebben zo goed als alle Westerse mensen een dubbele gedachte en dus ook een dubbel woord. Kortom: ze zeggen bijna nooit wat ze echt denken omdat ze niet meer 'ten gronde' (kunnen of willen) nadenken over problemen. Mensen met een eigen stem bestaan haast niet meer en wie vraagt naar een mening van iemand, moet die altijd relativeren of 'dubbel denken'. De inspanningen die dat vergen, hypothekeren op termijn het normale leven. Normaal in de betekenis zoals de natuur het heeft bedoeld: goed en vreedzaam leven.
(3) De pseudoniemen van Georges Simenon zijn achtereenvolgens Christian Brulls, Georges d'Isly, Poum et Zette, Jean du Perry, Jacques Dersonne, Gom Gutt, Luc Dorsan, Georges Martin Georges en eindelijk Georges Sim. Het was een tijdperk toen er van commissaris 'Maigret' nog geen sprake was. Aan boord van zijn boot, de 'Ostrogoth', schreef hij in de haven van Delfzijl (Holland) zijn eerste 'Maigret' en tekende voor het eerst een boek met zijn ware naam.
(4) Maar wellicht is het daarvoor té laat. We zijn met teveel volk op aarde om nog een ideaal leven te kunnen leiden. Ruim zes miljard mensen! We hebben ons gigantisch vermenigvuldigd om goed en vreedzaam naast en met elkaar te blijven leven. De dubbele gedachten zijn zo manifest aanwezig dat er zo goed als geen andere reine gedachten meer over blijven. Iedereen vervreemdt met een kosmische snelheid van zichzelf en de mens zal straks slechts een verre kopie zijn van zijn schepping. De archeologische geschiedenis van de mensheid zal sciencefiction worden en de huidige toekomstbeelden worden beetje bij beetje ingevuld. Men leert nooit meer van de geschiedenis, maar leeft volgens de ongecontroleerde wetten van de fantastische toekomst. Via de bionische mens zullen we verglijden naar de robotmens zonder veel emoties en echte gedachten. De dictatuur die we vandaag verafschuwen, is de democratie van morgen. Iedereen krijgt in het beste geval zijn lapje grond toegewezen, wordt geprogrammeerd en alle afwijkingen worden bestraft met een laatste bezoek aan de schroothoop. Is er in die zin nog evolutie mogelijk? Inderdaad, op een goeie dag zullen we in staat zijn om zelfs te leven op het kraterlandschap van de Maan. Of op het onherbergzame landschap van de rode planeet, Mars. We zullen in de mogelijkheid zijn om her en der in ons planetenstelsel rond te dolen - maar ook niet verder - tot uiteindelijk de zon uitdooft en implodeert tot een zwart gat, daarmee alle planeten die we kennen met zich meesleurend. Volgens de nieuwste berichten gebeurt dit binnen zeven miljard jaar. Een pessimistische gedachte? Neen, dat is het leven volgens mijn eerste gedacht. Mijn dubbele gedacht gaat nog veel verder: als schrijver zou ik het leven op aarde kunnen herschrijven in een roman.
145. Machiavelli (dinsdag 17 februari)
's Morgens om 05.00 uur opstaan, is echt geen kunst. Je moet alleen 'onmiddellijk' uit de veren als de wekker 'appel aan bed' roept. Anders wordt je droom je ochtendhumeur. En het is waar, de morgenstond heeft goud in de mond. Je weet dat zeker als je om 5.30 uur klaarwakker, gewassen en geschoren (vrouwen, geschminkt) de auto instapt en naar bijvoorbeeld Dendermonde rijdt vanuit City Berbroek. De eerste man die je ontmoet is de postbode-te-fiets. Daarna een lijnbus, her en der branden lichtjes in huizen waarin schimmen bewegen. Op de autostrade is het gezellig druk en op de E313 richting Antwerpen slibt het verkeer al aardig dicht vanaf Herentals-West. Omstreeks 06.00 uur moet je daar tegen 90 km/u aanschuiven. Waar gaan al die reizigers naartoe? Ik weet het niet, maar ik ben op dat uur wel eens op weg naar mijn werk.
Wat doet ex-VLD-voorzitter Karel De Gucht op dat moment? Uitslapen, denk ik! Of misschien een beetje in zijn boek 'Er zijn geen eilanden meer' grasduinen. Hij heeft de fakkel immers aan zijn boezemvriend Dirk Sterckx (25/9/1946) doorgegeven. Sterckx, de Europarlementariër sinds 1999 en daarvoor VRT-journalist die tot aan de Europese en Vlaamse verkiezingen van 13 juni als interim- en vooral verzoeningsvoorzitter zal optreden. Verdwijnt De Gucht dan van het politieke toneel? Het zou me verbazen, temeer daar keizer Kareltje een cartesiaanse ingesteldheid heeft. Wat wil dat zeggen? Dat hij de methodische regels van de Franse filosoof Cartesius - vandaar cartesiaans - René Descartes (1596-1650) in zich draagt. Bijvoorbeeld zocht Descartes naar een vast uitgangspunt dat hij in het onbetwijfelbare feit van het denken meende te kunnen vinden; als ik twijfel, kan ik niet van die twijfel en dus ook niet aan het twijfelen denken. En dat De Gucht nogal getwijfeld heeft aan het 'migrantenstemrecht' leidt geen twijfel! In alle geval, Descartes is ook de man van cogito, ergo sum, ik denk dus ik ben, en dat pleit voor Karel De Gucht.
Overigens is De Gucht een notoir vrijmetselaar. Daar komt hij zelf voor uit. Dat wil zeggen dat hij in zijn dagelijks leven, bij lage luchtdruk, een beetje boven de profane wereld zweeft. Dat hebben we vaak gezien tijdens debatten op televisie. Maar nog meer dan zich intellectueel verheven te voelen boven Jan en alleman, heeft De Gucht zondermeer een 'bewustmakingsproces' meegemaakt zodat hij als lid van de loge beslissingen neemt die zijn leven (permanent) veranderen, dingen doet die anderen niet doen. Kortom een methode hanteert die een beetje anders geïnspireerd is dan mensen die geen instrumenten als passer en winkelhaak hanteren. Bovendien kiezen heel wat vrijmetselaars een verlichte filosoof uit die ze koesteren. Voor De Gucht is dat dus Descartes en zo wordt zijn vita beata, zijn leidraad moraal, plots duidelijk. Of in vier cartesiaanse punten samengevat: 1/ zich aan de bestaande cultuur aanpassen; 2/ op een ingeslagen weg doorgaan tot overduidelijk het verkeerde ervan blijkt; 3/ liever zichzelf dan het lot willen overwinnen en 4/ een zo goed mogelijk overzicht van het menselijk leven verwerven... ik vraag me echter af van welke filosoof Guy Verhofstadt weldadige warmte ontvangt. Het moet iemand zijn die de 'simplificatie' in zich draagt, die emotioneel kan reageren, die 'natuurlijk' leiderschap heeft, die sportief is, koppig, ambitieus en italofiel... en dan zitten we natuurlijk bij de in Florence geboren renaissancefilosoof Niccolo Machiavelli (1467-1527) voor wie de techniek de gevleugelde uitspraak is: 'Het doel heiligt de middelen'. Deze machiavellistische houding zette de erudiete top van het Vlaams Blok nog maar eens aan het denken na de affaire Verhofstadt-De Gucht. Het triumviraat Filip Dewinter, Gerolf Annemans en Frank Vanhecke deelde de bevolking daarop mee dat 'de VLD haar politici zoals Hugo Coveliers en Karel De Gucht defenestreert'. Voor het begrip 'defenestreren' moeten we terug naar 1618 in het chique Praag, waar destijds de raadgevers van de koning door de protestanten uit het raam geworpen werden. Deze gebeurtenissen vormden onder meer de aanleiding tot het ontbranden van de Dertigjarige Oorlog waarbij in 1631 de stad door de Saksen veroverd en geplunderd werd. Om maar te zeggen dat de sarcastische opmerkingen van het Vlaams Blok veelal in bloed gedrenkt zijn. Het is ontluisterend dat precies deze partij op zijn minst één voorname Vlaamse filosoof achter zich heeft staan. Het is Urbain Decat, een bevlogen filosoof en harde werker op wijsgerig vlak in de jaren zeventig. Gelukkig heeft nog een andere belangrijke filosoof, met kennis die verder reikt dan Ithaka, het piratenschip van het Vlaams Blok verlaten. Hij heeft snel ingezien dat echte filosofie onverenigbaar is met een politiek op basis van uitsluiting en haat.
In wat voor een maatschappij leven we dan nu? De Standaard van afgelopen weekend lichtte een tipje van de sluier op met een superbe bijdrage van Paul Cliteur, hoogleraar Encyclopedie van de Rechtswetenschap aan de universiteit van Leiden. Het snoepbericht ging over het 'decadente cultuurrelativisme'. Maar het interessante schriftuur krijgt vanaf 27 februari pas echt gestalte in Cliteur's boek 'Tegen de decadentie. De democratische rechtstaat in verval' (Uitgeverij De Arbeiderspers - 16,95 euro). Ik plagieer een paar paragrafen uit De Standaard om de toon aan te geven: " (...) Wat om zich heen grijpt is een mentaliteit van cultuurrelativisme dat bijna alle intellectuelen in de greep houdt. "Wie ben jij om mijn gedrag te beoordelen?" "Wat geeft jou het recht om jouw maatstaven mij op te leggen?" "Dat zeg jij!" Hoe vaak hoor je dat niet? Nog couranter is het collectieve relativisme. Als je zegt dat je een bepaalde misstand in een ander land verwerpt, zegt men: "Ja, maar wie zijn wij om onze normen aan hen op te leggen? Is dat niet een beetje arrogant?" Deze overtuiging is zo wijdverbreid dat men het relativisme wel de publieke religie van deze tijd zou kunnen noemen. Je moet tenslotte allemaal een 'beetje kunnen relativeren,' is het niet? Als je niet meer kunt relativeren, dan gaat het serieus mis. Wàt er dan misgaat, wordt doorgaans niet verteld en behoeft ook niet verteld te worden, want bijval aan de relativeringsnorm geschiedt en passant, zoals met een opmerking over het weer. (...)"
Knap van Paul Cliteur. Kopen dat boek!
Nog iets over het nieuwe kartel CD&V en N-VA? Wel, CD&V-voorzitter Yves Leterme en N-VA-voorzitter Geert Bourgeois hebben hun nieuwe kartel zaterdag trots op een persconferentie in het Vlaams Parlement voorgesteld. Oh, wat waren ze schijn-trots. Ze verzonnen er als motivatie ook een plat manifest bij dat hun lege gedachten 'meer bevoegdheden voor Vlaanderen' en 'een positief alternatief' in een warme samenleving met met zich meedroeg. Zelfs het ACW fronst de wenkbrauwen over de mogelijke verrechtsing van het Vlaamse politieke landschap. Door deze tweede en gelukte poging van het kartel CD&V en N-VA degraderen de respectievelijke politieke leiders zich tot opportunisten-zonder-meer. De cynische Leterme omdat hij anders de hofnar blijft van een maatschappelijk geïsoleerde partij zonder veel toekomst, de aartsconservatieve Bourgeois die anders het gezicht wordt van een marginale groep Vlaams-nationalisten. Of om de Nobelprijswinnaar voor Literatuur V.S. Naipaul te parafraseren (cf. Literatuur dreigt uitgeroeid te worden als gevolg van de populariteit van boeken over tovenaars) dat de hedendaagse politiek dreigt uitgeroeid te worden als gevolg van de verstikkende enggeestigheid van Potterfiguren zoals Leterme en Bourgeois. Het kartel CD&V en N-VA? Als het maar niet de fabel van 'de slang en de vijl' van Aesopus wordt!
Tot slot, het geval Ludo Sannen, een grote jongen uit Kwaadmechelen! Hij begon zijn politieke carrière in 1982 in de fusiegemeente Ham met zijn groene partij Inspraak'82. Sindsdien doorzwom hij alle politieke watertjes tot hij vandaag Vlaams minister van leefmilieu en landbouw is. Maar hoe lang nog? Ik denk dat Ludo Sannen mogelijk speculeert op de post van 'gouverneur in Limburg'! Hij is daar 'redelijk' genoeg voor. In die context is het ook beter dat hij zijn ministerssjerp aan de kapstok hangt en zodoende, een tijdlang, een stapje terugzet. Voor dé job-voor-het-leven vertoef je zelfs beter een tijdje in een zogeheten neutrale politieke zone. Als Ludo Sannen de job van gouverneur ambieert - op instigatie van 'iemand' natuurlijk - dan moet hij nu van politieke koers veranderen want het is trouwens wereldbekend dat de socialisten de nieuwe Limburgse gouverneur gaan toeleveren. Ludo Sannen zijn engagement ten overstaan van Steve Stevaert om samen scheep te willen gaan bij de komende verkiezingen is dan plots zo vreemd niet meer. Groen! en Ludo Sannen? Hij moet zodoende nog één keer zijn politieke tanden laten zien: zich losrukken van moeder Vera Dua en in Limburg een kartellijst vormen met sp.a-Spirit voor de Vlaamse en Europese verkiezingen van 13 juni aanstaande... Ik weet het, het zijn mijn persoonlijke speculaties over bepaalde individuen in onze maatschappij, maar ik weet dat ook maar al te vaak de regel van onze Toscaanse held geldt: 'het doel heiligt de middelen'.
144. Tien jaar, een leven (dinsdag 10 februari)
Mijn dochter Sofie is zaterdag 7 februari tien jaar geworden. TIEN jaar. Dat is vijf plus vijf. Vijf keer twee. Ze leeft al één decennium, decem lang in onze Westerse wereld, in een democratisch land, met internet, vrije meningsuiting, met gsm, geen kinderarbeid, met een volle ijskast, alle behoeften overvloedig ingevuld, met cd'tjes van K3, veel vrije tijd, met vriendinnetjes en vriendjes, globaliserende wereld, met Ketnet, een omgeving van vertrouwen, met een eigen kamer, eerste mama en eerste papa, met plezier... kortom: ze leeft hier op aarde in de hemel en ik beweeg die hemel en aarde dat ze nu al niet ontspoort in een dolce vitae. Maar tegen de stroom oproeien, is een moeilijke klus! Zowel voor mij als voor haar. Het afgelopen weekend stond uiteraard in het teken van haar verjaardag. Vriendinnetjes en vriendjes kwamen langs, daarna de oma's en opa's en de oppas-zus. Zondagavond, toen ze als een rotsblok in slaap viel, streelde ik haar blonde lokken. Haar tevreden gezichtje, zo zacht als een perzikhuidje, en de roes van kinderlijk geluk herinnerden me eraan dat er nog miljarden andere tienjarigen haar vooraf gingen op deze té sneldraaiende wereld. Allemaal 'fantastische' tienjarige kinderen.
Toen Camille Hansen uit Bilzen tien jaar was, trouwde zijn moeder Catharina Hansen - voor de Kerk - met August Huysmans, een weduwenaar uit Munsterbilzen. Toen werd het kind van Bilzen automatisch en wettelijk Camille Huysmans (26/5/1871 - 25/2/1968), een familie waarmee hij nooit iets gemeen had gehad. "Die naam hangt als modder aan mijn schoenen en tot mijn spijt ben ik er nooit in geslaagd hem kwijt te geraken," zou dé Staatsman én Socialist in zijn 'Jeugdherinneringen' later schrijven. Zijn grootvader David Hansen had hem al die jaren opgevoed, maar toen die in januari 1881 stierf, stond Camille's moeder er alleen voor en trouwde zij enkele maanden later met August, die ook in de zakenwereld zat. De tienjarige Camille Huysmans zag het bedrijfje van zijn moeder en stiefvader bloeien als nooit tevoren. Hij zag hoe zijn moeder 'voor jongens en meisjes beneden de tien jaar pakjes liet maken, die werden verkocht voor méér dan vijfentwintig frank'! Maar als je vraagt hoe de tienjarige Camille Huysmans eigenlijk had moeten heten? ... Camille Francken, zo schrijft hij zelf: "Mijn echte vader heette Odomar Francken. Hij woonde in Tongeren, waar hij een apotheek hield. Odomar Francken had zijn diploma van apotheker toch behaald aan de Universiteit te Luik. Hij was naar Tongeren gekomen, omdat hij aldaar een apotheek met rijke cliënteel had kunnen overnemen. Hij had opnieuw betrekkingen aangeknoopt met mijn jonge moeder, die zeer koppig van natuur was, maar uiteindelijk geen vertrouwen meer in hem had." Camille noemt zichzelf een 'kind van de liefde'of zeg maar de zoon van een jonge vrouw, die temperament had, en van een student van achttien jaar, die zijn einddiploma nog niet had behaald aan de Universiteit van Luik! In 1881, op zijn tiende jaar, ging Camille van de weeromstuit trombone spelen in de plaatselijke fanfare terwijl - vanaf dan - hij nog heel wat veranderingen onderging: eerst zus Marie - die jong stierf - dan Henriëtte en August, en tenslotte in 1889 Josephine.
De tienjarige Masia (1986 - ?) lag in zijn bed. Nou, bed. Een holle boomstam opgevuld met bladeren en mos. In het dak van zijn kamer was een gat. Daardoor zag hij de maan. Dezelfde maan als die voor de hele wereld. Voor hem was ze van goud. Elke nacht hoopte hij dat er een stukje van zou afvallen, pardoes in zijn bed. Dan zou hij eten en drinken kunnen kopen voor zijn zieke moeder. Zijn vader en vier zusters waren vermoord. Met een hakmes aan flarden gesneden. De strijd tussen Hutu's en Tutsi's (1994, oorlog in Rwanda - 1996, Rwandezen ontvluchten etnische oorlog; L.L.) was hevig geweest. Masia's zielige geluk was dat hij op het moment van de misdaad met zijn moeder kilometers verder water was gaan halen uit een smerige waterput. Masia huilde. Elke nacht opnieuw, behalve wanneer hij naar zijn gouden vriend aan de hemel keek door het gat in het plafond. Het dak van zijn erbarmelijke wereld.
"Opstaan, klein luierikje. Kleed je aan en kom naar onder," schaterde de beschonken Tobias Pfeifer in het midden van de nacht. De tienjarige Ludwig van Beethoven (1770-1827) sidderde van de kou, maar besefte dat deze ongeregelde lessen op de piano hem uiteindelijk toch deugd deden. Zijn vader gaf hem trouwens maar gebrekkig onderwijs. De jonge Ludwig was amper vier jaar toen zijn muzikale talenten bleken. Bij zeven trad hij reeds op als pianist. Maar pas toen hij tien jaar was, kon hij het tekort aan algemene ontwikkeling inhalen. Eerst door die drinkebroer van zijn vader Johann, meestal midden in de nacht, maar vooral door de lessen van Christian Gottlob Neefe, de keurvorstelijke hoforganist. Die liet de tienjarige Ludwig werken studeren van Bach, Haydn en Mozart. En dat loonde. Nog voor Ludwig elf jaar werd, speelde hij het gehele 'Wohltemperirte Clavier' uit het hoofd en schreef hij zijn eerste (piano)composities.
Nikita Andrejitsj (1870 - 1940) kronkelde zich in foetushouding om de warmte bij zich te houden. Hij lag op de houten vloer met om zich heen een schaapsvel die al veel had beleefd en waarvan de zoom was losgerafeld. Dat had hij nog van het bed kunnen trekken toen zijn stomdronken vader hem uit bed schopte. Nikita, tien jaar jong, hoorde zijn moeder Marfa al kermend maar tevergeefs weerstand bieden aan de nachtelijke grillen van het beest. Haar protest ging echter verloren in het geluid van de gierende wind die het huis in de winterban hield. Nikita had tranen in de ogen. In zijn waas van verdriet zag hij door de dikke ijsbloemen op de slaapkamervenster de sneeuw met grote snelheid uit de hemel vallen. De sierlijke bewegingen van de vlokken deden hem de barre koude even vergeten. Hij droomde met zijn oren dicht en zijn ogen wijd open dat er een fee op een sneeuwvlokje mee zou neerdwarrelen zodat hij een wens kon doen. Maar het was zijn straalbezopen vader die met een doffe plof uit het bed donderde. Snel sprong Nikita weer in de bedstee en zocht de warmte op van zijn moeder. Die snikte en aaide de kleine Nikita over zijn blonde haren. Haar warme zouterige tranen vielen recht in Nikita's mond. Het sneeuwen was nu opgehouden en zelfs de wind ging liggen toen de ouwe Andrejitsj begon te snurken als een beer. "Misschien vriest hij wel dood," kroop Nikita nog dichter tegen zijn moeder aan.
De kleine Friedrich Wilhelm Nietzsche (1844-1900) verbleef van de lente 1851 tot de herfst 1854 op het particuliere instituut van kandidaat Weber, een instituut dat als voorbereiding op het stedelijke Domgymnasium diende. Hij vormde er met zijn kindervrienden Wilhelm Pinder en Gustav Krug een hecht trio. Voor de tienjarige knapen domineerde het godsdienstonderwijs en werd ze ook de eerste beginselen van Latijn en Grieks meegegeven. Maar een en ander ging er in de school van Weber niet zó ernstig aan toe. Weber ging met Nietzsche en zijn schoolmakkers veel wandelen, speelde rovertje en politieagentje en organiseerde heuse kruisboogschietpartijen op kunstvogels. Om het onderwijs in de eigen Duitse taal schijnt Weber zich heel weinig bekommerd te hebben: in de eerste kinderlijke dichterlijke probeersels van Nietzsche - uit zijn laatste jaar bij Weber - wemelt het van zonden tegen grammatica en spelling en komisch aandoende dialectwoorden. Toch werd Friedrich, samen met zijn boezemvrienden, al in de herfst van 1854 toegelaten tot de Quinta, tweede klas, van het Domgymnasium. De tienjarige Nietzsche had toen echter nog meer aan zijn hoofd: zijn vergevorderde pianolessen! Nietzsche die zich vrij jong met muziek verbonden voelde, kreeg in 1854 gevarieerde oefeningen in toonsoorten, intervallen en akkoorden. Als tienjarige waagde hij zich zelfs aan zijn eerste kleine compositieproeven 'Introduktion' en 'Maria' en bereidde hij zich in het 'morgenrood' voor om twee jaar later vlekkeloos Beethovensonates opus 7, 26 en 49 te spelen.
(...)
Ach, kinderen van tien jaar. Een leven. Maar geen echt leven zonder filosofie. Of voor het slapen gaan een goeie fabel, de waakvlam voor denkers. Voor kinderen van tien jaar zijn de fabels van Aesopus wel de meest dierbare die ik ken. Voor de tiende verjaardag van Sofie koos ik heel bewust de volgende uit: 'De leeuw en de dolfijn'. Ze gaat zo: "Op een wandeling langs het strand zag een leeuw het hoofd van een dolfijn boven het water uitkomen. Hij stelde hem een bondgenootschap voor; de dolfijn regeerde immers over de zeedieren, zoals de leeuw dat over de landdieren deed. Daar voelde de dolfijn wel wat voor. De leeuw nu riep zijn hulp in bij zijn strijd tegen een wilde stier, die al heel lang duurde. Toen hij dat zei, trachtte de dolfijn de zee weer in te duiken. Daarop beschuldigde de leeuw hem van verraad. De dolfijn antwoordde: 'Maak liever de natuur dan mij verwijten dat ik voor het water ben geschapen en niet over land kan lopen."
Dé moraal: Zo doen ook wij er goed aan bij de keuze van onze vrienden erop te letten, of we in tijd van nood wel op ze kunnen rekenen... Dat mijn tienjarige Sofie er haar voordeel mee doet.
[Bronnen:
. Aesopus, alle fabels (De Driehoek)
. Friedrich Nietzsche complete biografie, Curt Paul Janz (Tirion)
. Het enfant terrible Camille Huysmans 1871-1968, Jan Hunin (Meulenhoff/Kritak)
. Jeugdherinneringen, Camille Huysmans (Standaard Uitgeverij/Ontwikkeling)
. XYZ der muziek, Casper Höweler (De Haan-Weesp)]
143. Will Tura (dinsdag 3 februari)
"Al is een onderwerp nog zo onbenullig, het zal in het ratjetoe dat ik opdis nooit misstaan." (Michel de Montaigne, 1533-1592)
Neem nu Will Tura. Hij behoort niet tot 'de oogst' van denkers die ons wereldbeeld veranderden. Onze Will staat niet tussen de groten der aarde zoals Otto Weininger, Max Weber, Henri Bergson, André Gide, Simone de Beauvoir of Hannah Arendt. En nog zevenhonderdvijftig anderen. Onze Will staat in het beste geval elke morgen om vijf uur op. Hét uur dat grote filosofen het bad induiken om een kwartiertje later hun vingers te kraken en hun vers gedachtegoed aan het papier toe te vertrouwen. Tussen de zeven en tweeëenzeventig bladzijden per dag. Will is uiteraard geen denker in de intellectuele betekenis van het woord, maar een goeie bedenker van liedjes. En toch. Heel wat liedjes van Will Tura hebben het karakter van aforistische teksten van grote filosofen. De muzikale essays bieden vaak veel troost en zijn zo opgesteld dat ze de betrokkene de keel dichtknijpen. Er zijn onnoemelijk veel Vlamingen die troost zoeken in een lied van Will. Veel minder zoeken ze troost in teksten van filosofische wijsneuzen zoals een oudere gescheiden man die ik goed ken. Hij zocht in de jaren tachtig - na zijn scheiding - rust en troost in teksten van Georg Wilhelm Hegel (1770-1831). Een andere filosoof van wie het huwelijk ontspoorde, kwam er na jaren pas bovenop dankzij Friedrich Nietzsche (1844-1900). En nog een derde vriend met een 'breuk' zocht soelaas in de rijke boeken van de Vlaamse filosoof Leopold Flam (1912-1995).
Het is niet toevallig dat alledrie de filosofen naast strikt erudiete werken ook zeer interessante aforistische werken hebben geschreven. Ik verwijs even naar de Vlaamse filosoof Leopold Flam. Onder meer zijn boeken 'De Bezinning', 'De Bron' en 'De Eenzaamheid' zijn werken die stuk voor stuk op zichzelf staande sententies zijn, karakteristieke gedachtegangen of geesteshoudingen die de lezer een spiegel voorhouden en voor de lezer zo herkenbaar zijn, dat hij zelfs gaat huiveren bij het lezen ervan. Maar zijn zelfbewustzijn wordt op die manier wel gesterkt. Het is alsof je in een spiegel kijkt en jouw persoon-in-duplo zegt wat je denkt of droomt... Hij formuleert exact wat je zelf nooit echt goed hebt kunnen fantaseren. Het is een weergave van je reinste gedachte. Telkens als je zo'n aforisme leest, denk je "Zo zou ik het ook wel willen zeggen, maar ik kan het niet." Alsof je droom eindelijk op dvd is opgenomen en je die waarachtig kunt afspelen en bekijken op een plasmascherm. Dat bedoel ik met die aforistische teksten die door merg en been gaan. Filosoof Flam was een kei in aforistische schriftuur. Maar natuurlijk Flam niet alleen. Nog andere grote filosofen zijn in staat geweest om een lezende ziel ter plekke te roosteren. Denk maar aan Ovidius, denk maar aan Plato, denk maar aan De Montaigne... hun eeuwenoude 'gedachtecitaten' kunnen zonder veel aanpassingen en/of interpretaties zo in onze maatschappij worden gekatapulteerd. Ze zijn nog altijd zo waar als een koe. Het zijn als het ware de Stellingen van het Leven. Axioma's, zo je wil. En Will Tura heeft ook van die trekjes.
Will Tura heeft axioma's gezongen! Liedjes die zo waar zijn dat je er stil van wordt. Liedjes met noten die tot diep in je ziel doordringen en ze je dan trachten te versmachten. Huilen is dan de oplossing of heftig hoesten als je een echte man bent. Want echte mannen huilen niet... Keren we terug naar de steeds groeiende groep gescheiden mannen. Dat zijn er een heleboel want in 2002 telde België 30.628 echtscheidingen. Neem nu de soort gescheiden mannen waarvan de vrouw gekozen heeft voor een andere man. Wel, voor die achtergebleven mannen heeft Will Tura ooit een liedje geschreven dat wellicht nog enkele eeuwen meegaat. Zelfs gelukkige mannen die er zich willen in inleven, moeten onwillekeurig gaan nadenken met misschien wel een traan tot gevolg. Het liedje gaat zo:
"Hoe kon je rustig slapen gaan alsof er niets was gebeurd
Nadat je mij had pijn gedaan en heel mijn wereld had ontkleurd
'k Heb me voortdurend afgevraagd wat ik in hemelsnaam misdeed
Ik heb alle uren horen slaan en elk moment opnieuw beweend
Het kan niet zijn
Ik heb jouw liefde niet verloren
Wij waren voor elkaar geboren
't Was allemaal zo wondermooi
Het kan niet zijn
Ik heb jouw liefde niet verloren
Morgen wordt alles als tevoren
't Is enkel maar een kwade droom
Ik heb jouw sindsdien nooit meer gezien
Geen enkel woord meer gehoord
De tijd verzacht het leed misschien
Maar 't leven sleept eentonig voort
Stilaan word ik eraan gewend dat jij nu van een ander houdt
Maar heel mijn hart roept als ik denk dat hij jou in zijn armen houdt
Het kan niet zijn
Ik heb jouw liefde niet verloren
Wij waren voor elkaar geboren
't Was allemaal zo wondermooi
Het kan niet zijn
Ik heb jouw liefde niet verloren
Morgen wordt alles als tevoren
Er komt een einde aan mijn pijn
Want het kan niet zijn
Het kan niet zijn."
De tekst is duidelijk niet eenzijdig. Hij is transcendent en geldt ook voor mannen die hun vrouw verlaten voor een andere Eva. Het is van toepassing op homo's die een geliefde hebben zien weggaan naar een ander. Het nummertje roept evenzeer op tot reflectie bij lesbiennes waarvan de partner koos voor een nieuwe geliefde. Will heeft het ook beslist gezongen voor ouders die een kind hebben moeten afgeven aan nonkel God. Ja, het liedje is zelfs van toepassing op kardinaal Joos die op een goeie dag zijn boezemvriend Paus Johannes Paulus II zal verliezen. Opmerkelijk, niet? Terwijl Will, in tegenstelling tot 'de denkers die ons wereldbeeld veranderden', er is voor iedereen die vroeg of laat gescheiden wordt van zijn dierbare wederhelft. Naast baron is Will voor mij dan ook een 'aparte' denker!
142. Kardinaal Joos (dinsdag 27 januari)
Er is een tijd geweest dat roddel- en sensatiebladen een eigen leven leidden in onze uitdeinende consumptiemaatschappij. De kwaliteit van een foto was er net zo min belangrijk als de kwaliteit van een bericht. Er waren zelfs magazines die het waagden om foto's uit andere bladen te knippen en die op hun beurt te rasteren om daarna weer af te drukken in hun eigen prullenblad. De teksten werden aaneengeregen met spekvet en 'van horen zeggen' was al 'bron' genoeg om iets te publiceren. Sommige zogeheten journalisten kropen in bed met een concurrerende journaliste (of vice versa) om naast het dolce vita ook nog een of ander schandaal uit haar/zijn neus te peuteren. Woorden en hele zinnen werden uit hun context gerukt en de sensatie die daaruit weelderig vloeide, was meteen de blikvanger van het roddelbericht dat zijn aanhef vond op de cover. Kortom: het was de zogeheten riooljournalistiek die door de lezer ook als zodanig werd ervaren. De mensen van de vorige eeuw wisten precies hoe ze met zulk nieuws moesten omgaan. Met een knipoog! Daarnaast had je de gedegen journalistiek die aan een zekere objectiviteitfactor voldeed. Omdat er in België lang geen journalistenopleiding bestond, waren het veelal de universitaire 'pol en soc'ers' die de pen hanteerden. Hier en daar waaide er een ingenieur op de redactie binnen, een autodidact of een zoon van een belangrijke persoon die zonder fouten kon schrijven. Dat wisten de mensen van ons land. Het volk wist zelfs meer! Bijvoorbeeld dat de kranten De Standaard, Het Nieuwsblad, Het Volk, Het Belang van Limburg en de Gazet van Antwerpen katholieke kranten waren. Nu en dan al eens gestuurd, via onderaardse gangen, door bisschoppen. Het Laatste Nieuws was een liberale krant. Al eens geïnstigeerd door de loge. De Morgen flirtte met de socialisten en de krant met de meest links-intellectuele journalisten, De Financieel Economische Tijd (de huidige Tijd) kreeg eigenaardig genoeg het predikaat 'neutraal Vlaams zakenblad' opgespeld.
Zo'n twintig jaar later, in 2004, hebben al de kranten hun significante kleuren herleid tot zachtere pastelkleuren maar wat bijzonder is: ze hebben met hun logge vlaggenschip hun havens verlaten en zeilen volop rond in de Zeven Wereldzeeën en gooien telkens hun anker uit in de zoete wateren van de deelnemende regeringspartijen. De journalisten vissen zich in elke kleurrijke zee te pletter naar verse vis, maar het is altijd diegene met het meest geheime aas, die de grootste vis vangt. Gezien de prangende milieusituatie der Zeven Wereldzeeën is de vis vaak op en dan gebeurt het wel eens dat krantenjournalisten hun hengel uitgooien in open riolen. Het is op dat betreurenswaardige moment dat de riooljournalistiek zich met de zogeheten eersterangsjournalistiek vermengt. De zaak 'kardinaal Joos' zet dat nog maar eens in de kijker. P-Magazine brengt een soort 'kritiek van de cynische rede' van kardinaal Joos (20/1) en enkele tellen later (21/1) volgt eerst Het Nieuwsblad en daarna in galop alle overige media om de pastoor van de Oosterzeelse deelgemeente Landskouter te verketteren. Het was potsierlijk te moeten vaststellen hoe wereldbelangrijk deze 80-jarige kardinaal en vriend van paus Johannes Paulus II plots werd. De kranten én de radio én de televisie moesten deze keer dus voor hun mosterd naar een neoseksmagazine. Daar was blijkbaar 'journalistiek' gepleegd van de beste soort (lees: grote vis gevangen) en 'dat' zouden de heren journalisten eens in krantentaal gaan omzetten. Al de berichten werden zo een sensationele mengeling van riool- en edele journalistiek. Geen enkele journalist heeft de 80-jarige kardinaal met een eigen stem met enig respect behandeld. Het respect voor een mens die denkt en die een mening heeft. De kardinaal verkondigde zijn persoonlijke gedachten van het huidige leven en dat is zijn democratische recht. Iedereen moest maar zijn interpretatie maken en wie niet wilde verder lezen (of horen), moest maar iets anders gaan doen. Op geen enkel moment zijn over de geformuleerde stellingen van de kardinaal journalistieke momenten van bezinning ingelast. Niemand heeft de stellingen één voor één willen onderwerpen aan een kort onderzoek. Niet voor de politieke stelling: 'Niet de meest verstandige, maar de sympathiekste is de baas in de politiek...'; niet voor de literaire: 'Jef Geeraerts, Hugo Claus en andere smeerlappen...'; niet voor de homoseksualiteit: '90 tot 95% van de homo's en lesbiennes zijn seksueel geperverteerden...' en niet voor een condoom: 'zorgt dat een man nog meer beestigheden gaat uithalen...'. Niemand in de hele media heeft deze vier 'uitspraken' als mogelijk pertinente gespreksonderwerpen willen interpreteren. Niemand heeft de vier omstreden stellingen willen overdenken. Neen, bijna iedereen heeft een fakkel gezocht om de kardinaal hic et nunc op een brandstapel tot as te herleiden. Even zaten we opnieuw in de duistere Middeleeuwen. Maar deze keer niet met de inquisitie op ketterjacht, maar met de slimme bewustgeworden mens van de 21ste eeuw met de fakkel in de hand.
De maatschappij met ontzettend lange tenen. Een hoop mensen die altijd reageert zoals een stier op een rode lap. Deze samenleving wil onder geen enkele voorwaarde in eigen boezem kijken. Deze maatschappij, die van een behoeftige naar een decadente is geëvolueerd, wil permanent de norm bepalen en tegelijk hypocriet blijven voortzwalpen tot ze waarschijnlijk getroffen wordt door een meteoor. Ik betreur het dat het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) bij het parket van Gent een klacht zal indienen tegen kardinaal Joos. Ik betreur het dat Danny Smagghe, VLD-provincieraadslid in Vlaams-Brabant èn de Limburgse tak van sp.a-jongerenafdeling Animo klacht zullen neerleggen tegen kardinaal Joos. Het is wellicht hun eerste actie in 2004 die de pers haalt. Ik ben ervan overtuigd dat deze organisaties eigenlijk een andere rol te vervullen hebben in onze maatschappij dan onmiddellijk naar de fakkel te grijpen. Bijvoorbeeld een aantal definities in Van Dale te herdefiniëren in functie van de snel geëvolueerde maatschappij. Bijvoorbeeld de betekenis van het woord 'geperverteerden' herbekijken in de huidige context van ons bestaan. Of een dialoog organiseren rond het thema 'dramademocratie' en de rol van de jongeren daarin. Of de rol van de homo's en de lesbiennes in onze maatschappij. De enorm groeiende markt van gescheiden ouders en vooral de kinderen die daarbij 'ontsporen'. Kinderen die later misschien bij Animo komen aankloppen. Of bij het CGKR als het allochtonen zijn. Kortom: de organisaties die klacht neerlegden zouden zich eerst beter bezinnen en hun humane gedachten alle eer aandoen door de kerngedachte van het humanisme te respecteren: de vrije meningsuiting! Beter dan processen te voeren, zou er beter een dialoog gevoerd worden waarbij de scherpe stellingen van de kardinaal als hypothesen van onze huidige maatschappij onderzocht worden. Het kan alleen maar leiden tot een betere reflectie van wie we zijn en welke weg we aan het bewandelen zijn. Wacht niet tot je Saramago's 'Man in duplo' ziet in de spiegel. Hij lijkt op je, hij heeft jouw tics, maar toch is hij overduidelijk iemand anders. Hoe kan je dan nog een waardeoordeel over iemand vellen. Hoe kan je dan nog in dialoog treden met een opponent? Hoe kan je dan nog iemand in de ogen kijken. Dan! Dan grijp je inderdaad naar de fakkel en huil je mee met de wolven in schapenvacht.
Kardinaal Joos heeft het recht in straffe of minder straffe bewoordingen te zeggen wat hij denkt. Hij is geen fascist en dus geen ideoloog die zijn uitspraken via concentratiekampen wil bestendigen. Hij heeft op een of andere manier zijn persoonlijke verhaal verteld en ik laat in het midden of het riooljournalistiek of regenwaterjournalistiek is geweest die al die heisa rond zijn persoon heeft veroorzaakt. Maar ik laat niet in het midden dat er veel schort aan onze huidige maatschappij. En daar moeten we maar eens hardop over durven praten. Zoals één: over politiek. Het jaarlijkse blunderboek van de Belgische regering. Over twee: nephomo's. Eind jaren tachtig was ik als barman van een Hasseltse dancing getuige dat het fancy was dat jongens elkaar een stevige tong draaiden bij het binnenkomen. Wat is daar van geworden? Over drie: capriolen van schrijvers. Als ik in De Morgen van 21 januari 2004 de bijdrage lees van schrijver Jeroen Brouwers over de 92-jarige Angèle Manteau (cf. Gouden Penning) verslik ik me in mijn koffie. Over vier: condooms. Een zeer vrijgevochten vrouwelijke kennis van mij bezoekt regelmatig een of andere seksclub in België waar grabbeltonnen met gratis (bulk)condooms de geile lust een handje moeten helpen. Haar verslagen van zo'n pornoavond herleiden de 'Slaapkamergesprekken' van D.A.F. De Sade tot stationsromannetjes. In de schaduw van deze vier onderwerpen, vaak publieke geheimen, moet een individu van tijd tot tijd zijn stem kunnen verheffen zonder dat zijn tong wordt uitgerukt. Een reine discussie over de huidige stand van zaken in onze maatschappij moet dan het gevolg kunnen zijn. Net zoals het mogelijk is dat we dialogeren over de conservatief-rechtse grondstroom in Vlaanderen, over de niet-maakbaarheid van de samenleving of over de relevantie om het cordon sanitaire al dan niet te doorbreken. Misschien kan kardinaal Joos al eens deelnemen aan een debat. Of al eens optreden als moderator. De 80-jarige Joos is daarvoor nog 'helder' genoeg van geest.
141. Zelfverwezenlijking (dinsdag 20 januari 2004)
Fragment van de voordracht 'Symposium' door Leopold Laarmans aan de E. Story-Scientia in City Berbroek, Belgium.
"Wie kent geen zes beroemde verhalen van Leo N. Tolstoj?... Jij, jij en jij! Hm, ik zal er eens zes opzeggen 'Meester en knecht', 'De jonge tsaar', 'Polikoesjka', 'De gevangenis in de Kaukasus', 'Sebastopol' en 'De dood van Ivan Iljitsj'. Jij daar, ja jij met dat krulletje in je weelderige haardos, jij weet wellicht ook niet waarvoor de N. staat. Of wel? Vergeet het nooit meer 'Nikolajewitsj'. En nu in een keer 'Leo Nikolajewitsj Tolstoj'. En wie was die meneer die op hoge leeftijd een baard droeg zoals Sinterklaas? Juist, ja. Een Russische schrijver die behalve romans, novellen en toneelstukken ook talrijke didactische en religieus-filosofische geschriften publiceerde. Hij werd als afstammeling van de oude Russische adel met zijn gat in de boter geboren in 1828 en stierf in 1910 redelijk eenzaam in Astapovo. Wat zou me zoals kunnen interesseren in deze schrijver? Jij daar, met je Kamasutrakaartjes. Je weet het niet! Of toch? Dat het boek bij 'De bibliotheek van verboden boeken' van De Morgen behoort. Hoe heet het dan?... 'Schuld en boete' Hm, pech! Dat boek is van Dostojevski. Fjodor Michajlovitsj Dostojevski. Geboren in 1821 in Moskou en gestorven in 1881 in Sint-Petersburg. Luister goed, woekerende mensenplant, Tolstoj interesseert me omdat hij een uitgesproken bewondering voor de boerenstand had en omdat hij een christelijk getint anarchisme predikte. Door dit laatste vloog hij in 1901 trouwens met zijn klikken en klakken uit de gemeenschap van de orthodoxe kerk. Jawel, ondanks het feit dat hij tussen 1865 en 1869 zijn absolute meesterwerk 'Oorlog en vrede' (Vojna i mir) geschreven had. Dat hij in de periode 1873-1877 zijn tweede meesterwerk 'Anna Karenina' in een roman gegoten had... Godsdienst, fanatieke religie en religieuze opvoeders, dat zijn drie mogelijke oorzaken dat je buitengegooid wordt in onze maatschappij. Dat was vroeger zo en dat kan nu nog altijd gebeuren. Zo'n tweeduizend jaar geleden is het begonnen met de filosoof Jezus Christus die niet alleen buiten, maar ook nog eens vastgenageld werd op een kruis. Ergens vooraan 1400 in Toulouse volgde de tong van de vrijdenker Julius Caesar Vanini. Omstreeks 1700 gooiden ze de intellectueel en zeer bekwame hoerenloper Hadriaan Beverland uit Nederland en vandaag, op het einde van 2003, gooien ze condooms als voorbehoedsmiddelen, meisjes met hoofddoeken en homo's en lesbiennes op straat. Tja, het geloof is nooit weg geweest, maar heeft altijd versplinterd en ongezond in een wolk rondom het volk gehangen. Het volk, mensen die het geloof als een bron van emancipatie en identificatie wilden zien. Ik zeg je voorwaar, vies mannetje daar op de zevende rij, dat op die plaatsen waar de scheiding tussen 'geloof' en 'staat' niet bestaat, het een hel is. De hemel kan de andere kant zijn, want een leven kan maar redelijk geleefd worden als elk individu zich vrij in een ruimte kan bewegen met of zonder de leidende factor 'geloof'. Wat? Of Tolstoj onze vriend Friedrich Nietzsche (1844-1900) gekend heeft? Waarom moet je dat weten, Lolita? Omdat het je intrigeert? Je zou je beter wijden aan het immanente gebruik van de eros. Lach daar niet mee, Mieke Maaike. Zij is tenminste een vrouw, maar jij zult oud zijn vooraleer je haar huidige rijpheid zult verworven hebben! Haal nog maar een neuskeutel uit je neus. Maar goed, Tolstoj-Nietzsche. De reismogelijkheden waren in de tijd van Tolstoj beperkt en de trein of de stoomboot kon niet zonder de koets gezien worden. In het jaar 1857 en in 1860-1861 maakte Tolstoj inderdaad verre reizen naar West-Europa. Deze reizen zouden van grote betekenis zijn voor zijn verdere ontwikkeling want hij keerde met zoveel weerzin tegen de westerse civilisatie terug naar Rusland dat hij de ervaring neerpende in de bittere novelle 'Luzern' - in 1857. Deze novelle schreef graaf Tolstoj nu precies in hotel 'Schweizerhof' in Luzern ook al hekelde hij Luzern zo fel omwille van de nieuwe en liniaalrechte boulevards en de daarop flanerende - vooral - Engelsen. Waarom bleef hij er dan, zul je vragen? Omwille van het betoverende landschap, dat staat vast! Maar om een antwoord op je vraag te geven of Nietzsche Tolstoj kende? Toen Tolstoj in Luzern zijn novelle 'Luzern' schreef, was Nietzsche amper 13 jaar en was hij nog niet aan reizen toe. Veel later, in 1871 verbleef Nietzsche met zijn zuster Elisabeth wellicht diverse keren in het Schweizerhof-hotel in de kunstzinnige trekpleister Luzern. En meer dan waarschijnlijk sliep hij in dezelfde kamer als Tolstoj want Nietzsche hechtte nogal belang aan verstandige mensen. Nietzsche kende in de jaren 1850 beslist in geheel Europa het ontwakende nationalisme. Een beweging die in Rusland verbonden blijft met de namen Tolstoj en Dostojevski voor de letterkunde en met Moessorgski, Glinka en Rimski-Korsakov voor de muziek. En dus kan je stellen dat Nietzsche Tolstoj wel heeft gekend, maar misschien niet omgekeerd. Dat moeten we nu precies gaan onderzoeken. Ja, jij daar, Zwarte Tulp. Wat wil je weten? Wat het nut is van deze zoektocht? De zelfverwezenlijking, natuurlijk! De zelfverwezenlijking is essentieel voor elke filosofie zelfs indien ze die term niet gebruikt. Hiermee onderscheidt zich de filosofie van elke andere wetenschap, van de religie en zelfs van de kunst. Gewoonlijk wordt het filosofisch begrip zelfverwezenlijking door sommige kunstenaars overgenomen, maar dan in de zin van de roem, de macht, de bekendheid en de erkenning. Filosofie is een denken en existeren gericht op de menselijke zelfverwezenlijking van een enkeling. Hiermee kan gewerkt worden op elk gebied dat betrekking heeft op de filosofie. Is dat een antwoord op uw vraag? Nog vragen? Van muizen en mensen?"
140. Het oor (dinsdag 13 januari)
Ik fietste vrolijk en daarom lachend rond Venetië, een archipel van 118 eilandjes die van elkaar gescheiden zijn door 160 kanalen, maar toch ook met elkaar verbonden zijn door minstens 400 bruggetjes. Ik hield even halt aan het Canale Grande - de belangrijkste verkeersader - en staarde als een levensgenieter aan de oevers van het kanaal naar de honderden renaissance- en barokpaleizen die getuigden van rijke Venetiaanse handelaars. Boven mijn hoofd zag ik een kompas zweven met de digitale inscripties N45°35' - O 12°34'. Achter mij voltrok zich een tragedie. Een forse man met een zwarte snor beet een oor af van een verzuurde toerist. Die schreeuwde moord en brand, maar net toen de politie aankwam, sprong de kwieke snorrenman in een bootje en scheurde weg door het kanaaltje. Ik moest onwillekeurig denken aan D.A.F. De Sade "Niets op aarde is zo onbelangrijk als de vraag of we goed of slecht handelen; we moeten alleen luisteren naar wat onze voorkeuren en ons temperament ons ingeven." De toerist die een vertegenwoordiger was van de Boulimische Consumentenorde - dat zag je aan zijn badge - lag bloedend op de grond terwijl zijn tengere vrouw aanstalten maakte om met de eerste de beste tornado weg te vliegen. De politieman diende onmiddellijk eerste hulp bij ongevallen toe en stak zijn gummistok in de holte van de man zijn hoofd waar ooit een oor stond. Het bloeden stopte meteen, maar het kanaalwater kleurde rood van het wegvliedende bloed. Goudvissen sprongen seconden later meters in de lucht om verse lucht te happen. Aan de oevers van het kanaal hadden intussen koppeltjes opgehouden te vrijen nu donkerrode golfjes van de opspringende vissen een vieze geur verspreidden. Plots was er een oorverdovend geluid van dichtklappende luiken die huis na huis van de tragedie afscheid namen. Het water begon te kolken van de chemische reactie en roze dampen stegen uit het water in de lucht. De wolkjes die zich vormden, verduisterden spoedig het licht van de zon. Licht dat alleen licht is voor de ogen. Ik maakte aanstalten om te vertrekken toen de agent in mijn richting keek. Hij riep alsof er een onweer losbarstte "In de 21ste eeuw produceert een arbeider gedurende één week evenveel als een 18de eeuwse arbeider gedurende vier jaar." Ik liet mijn bel rinkelen in plaats van in de handen te klappen. Ook de man met een stok in zijn hoofd klapte in zijn handen, maar deed dat met zoveel enthousiasme dat zijn hoofd de agentenstok verloor. De gummistok botste eerst op de weg, dan tegen een lantaarnpaal en daarna verdween hij met een doffe plof in het kanaaltje! Zonder aarzelen liet de agent de gewonde toerist vallen en sprong in het troebele water. Hij zou nooit meer boven komen. Met veel moeite en gekreun haalde de toerist daarop zijn frigobox tevoorschijn en nam er een plastiek zakje uit met daarin een gekloond oor. Hij smeerde er een groenachtige pasta op en drukte dan het nepoor met de groene smurrie een tijdlang tegen de gapende opening van zijn hersenpan. Ik hoorde een sissend geluid en nog geen twee tellen later schudde de toerist met zijn hoofd in alle windrichtingen. Het oor bleef wonderlijk hangen. De laatste bloeddruppels vielen dwarrelend als herfstbladeren van zijn hoofd en dat was het. Een meesterwerk zoals Van Gogh nooit kunnen schilderen heeft. Wat de toerist deed, was beslist in strijd met God, maar was het niet Johannes Scotus Eriugena die ooit zei "Hoe zou ons verstand in strijd kunnen zijn met God als we het van Hem gekregen hebben?" Ik sprong op mijn fiets en reed in volle vaart van brug naar brug. Ik moest er die dag driehonderd doen om de man met de Zwarte Handschoenen niet teleur te stellen. Maar ik kon er niet om treuren, moest ik het 'bruggengemiddelde' vandaag niet halen. De tragedie van het oor had zoveel medelijden en angst met zich meegebracht dat het de gepaste zuivering van mijn emoties had teweeggebracht. De Zwarte Hand zou deze keer geen grammetje van mijn emotievoorraad kunnen stelen. Zeg zelf "Slechts in weerspannigheid leer je jezelf kennen." En dat was ik van plan. De Zwarte Hand zou zo verdwijnen als een in het zand getekend gezicht op de grens van de zee. Deze keer moest ik doorbijten. De lucht klaarde op en aan de oevers van de kanalen spoelden nu stukjes van de nobele politieagent aan terwijl in volle zee de stijve 'matrak' op en neer de golven wipte als een hengelaar zijn 'dobber'. Een tijdje zag ik hem nog, maar toen viel hij in de oceaan achter de horizon. Ik moest dringend naar mijn werk. Met een beetje geluk zou ik het terugvinden. Het geluk van Aristoteles of "Je hebt een beetje geluk nodig om gelukkig te worden?" Wel dat 'gelukje' had ik nu gevonden. Het viel als een meteoor uit de hemel en ik kon het opvangen voor het in het kanaal donderde. Ik pelde het omhulsel van de hete steenmassa en slikte de kern van de materie in één keer naar binnen. Het gaf een branderig gevoel in mijn slokdarm, maar de regen die nu spontaan uit de hemel viel, zorgde voor voldoende water op het vuur. 'Dasein," riep ik al cyclofietsend door de straten langs kanalen en over bruggetjes. Al het geleuter van de ronddolende toeristen was slechts een voetnoot bij mij, maar ik moest er rekening mee houden. In elke bocht, over elke brug. Ook hier, aan bruggetje 129! Pff, nog even en ik was er, maar hoe hard ik ook trapte, de wind blies me steeds weer achteruit. Langs de straten zag ik nu ook de flitsborden waarvan zoveel gesproken wordt. Op alle borden stonden fabels van Aesopus: 'Goed en kwaad', 'Het lelijke slavinnetje en Aphrodite', 'De gemaskerde vos', 'Zeus en de schaamte' en nog wel honderd anderen. Wie de titel van een fabel op een bord durfde lezen, werd meteen doorverbonden met een internetsite uit de zesde eeuw voor Christus. Toen een kolossale windvlaag me op een gegeven moment terugsloeg tot tegen het flitsbord 'Zeus en Apollo' werd mijn geest hic et nunc geconfronteerd met een fel verlicht hemelbord waarop de inhoud van de fabel verscheen "Apollo daagde Zeus uit op de boog. Maar nadat Apollo zover had geschoten als hij maar kon, deed Zeus één stap en plaatste zijn voet naast de pijl van Apollo." Deze fabel was meteen de oplossing van mijn krachtmeting met de natuurelementen want wie zich wil meten met de groteren, heeft niet alleen de schade maar ook de schande. Net als de schade aan mijn gezicht was ook de schande mijn deel. Al de toeristen van Venetië keken op me neer nu ik zo hulpeloos werd teruggeblazen op mijn fiets. Plots hield een oudere vrouw me tegen en zei heel liefdevol "Plato moet niets hebben van het geschreven woord. Mensen zullen het verkeerd begrijpen en de tekst is zelf niet in staat om deze misverstanden recht te zetten. De waarheid komt veel beter boven tafel in een gesprek." "Waarom schreef Plato dan zelf wel teksten," probeerde ik me te verweren. "Och, hij heeft maar een heel klein deel van zijn leer vastgelegd in schrift," haalde de vrouw haar schouders op, "Juist zijn belangrijkste inzichten wilde hij niet aan het schrift toevertrouwen." "Aha," nam ik weer van haar over, "Daarom schreef hij alles in dialoogvorm om zoveel mogelijk het gesprek te bewaren." Die repliek had de oude dame niet verwacht en nog minder geapprecieerd. Ze begon te trillen als een espenblad. Door de veroorzaakte trillingen bleven eensklaps alles toeristen in de buurt stilstaan om zich daarna om te draaien en zich al neuriënd naar me toe te bewegen. Ze zongen madrigals van Giovanni Pierluigi da Palestrina. Ze naderden heel traag maar zeker en staken de armen in de lucht. De kring rond mij werd kleiner. Ik geloof dat ik op 'Moeder' riep in de diepe overtuiging dat niemand me nog kon helpen. En toen ik de warme adem van duizenden en duizenden mensen in mijn gezicht voelde blazen, vloog plots een boot over de massa heen met daarin de boef die bekend stond om zijn oorbijten. Iedereen stoof uit mekaar en de vliegende boot incluis de man, landden voor mijn voeten. Opgewekt stapte de man uit zijn hemelrijtuig. Nu kon ik hem eens van naderbij bekijken. In het morgenrood was zijn snor nog imposanter dan de haren van een woest stekelvarken. Hij keek me recht in de ogen en zei dan "Edele en wijze mensen hebben ooit aan de muziek der sferen geloofd: edele en wijze mensen geloven nog altijd aan de 'zedelijke zin van het bestaan'. Maar op zekere dag zal ook deze sferenmuziek niet langer tot hun oren doordringen! Zij worden wakker en merken dat hun oor gedroomd heeft." Daarna lachte hij en stak zijn hand uit terwijl hij luid riep "Ik ben Nietzsche, Friedrich Nietzsche. Welkom in Zarathoestria." Ik hield beide oren vast want ik had gezien hoe deze Uebermensch in een nanoseconde een oor kon verwijderen. Maar nu had hij geen honger. Nietzsche keek me glimlachend aan en hield mijn linkeroor tussen zijn duim en wijsvinger. Sloeg dan een arm om mijn schouder heen en zei "Neen, ik ben geen moordenaar. Wie zijn tegenstander wil doden, mag overwegen, of hij hem niet juist daardoor bij zich zelf vereeuwigt." Ik dacht na terwijl hij glimlachend rond me stapte. Steeds sneller en sneller. Ik werd er duizelig van. "Ik heb nog één boodschap voor je alvorens ik weer vertrek," riep hij steeds sneller om me heen. "Luister wel. Niet vergeten," klonk hij nu als een verre ruimtestem en vervolgde, "Hoe hoger wij ons verheffen, des te kleiner schijnen wij voor hen, die niet kunnen vliegen." En toen was hij weg. Ik vloog al duizelingwekkend hoog boven de wolken. Het geluk scheen me tegemoet, maar de zon verblindde mijn zicht. Ik had maar één gedachte "Hoe kom ik weer ongeschonden met beide voeten op de grond." Ik riep op Nietzsche, Friedrich Nietzsche, maar ik hoorde slechts de stilte van de ronddraaiende aarde. Ik hield de lucht vast alsof het de dekens van mijn bed waren. Mijn bed schudde als een raket die zich van de zwaartekracht aarzelend losrukt. En op het moment dat ik begon te zweven, openden mijn ogen zich en keken recht in de bruine ogen van mijn zoon Sander. "Papa, papa," trok hij onophoudelijk met zijn ponykracht aan mijn oren, "Opstaan opstaan, papa. Ik moet naar school."
Top
|
|